Wat?! Alweer geen krant?
- Op de voorpagina, pal onder de kop: Redactie 020-562 9222 Klantenservice
088-056 1561 Bezorging 088-056 1555
- Ik toets: 088-056 1555.
- Daar is het computergestuurde antwoord al: Welkom bij de bezorgservice van
deVolkskrant. Prrr. Prrr. Voor vragen over
de bezorging kunt u ook terecht op onze website www punt devolkskrant
punt nl slash service. Om u sneller van dienst te kunnen zijn volgt
over enkele seconden een keuzemenu. Is uw krant niet bezorgd,
incompleet of heeft u een verkeerde krant ontvangen: toets 1. Is
uw krant wel bezorgd maar te laat: toets 2. Is uw krant niet volgens afspraak...
- Ik toets 1.
- Spreek uw postcode in. / ... / Nu uw huisnummer, zónder het woord huisnummer. / ... /
Uw postcode is... / Uw huisnummer is... / Is dit juist?
- Ja.
- Uw krant wordt tussen 12 en 2 nabezorgd. Wilt u nog een medewerker van
deVolkskrant spreken, toets dan 5.
- Ik toets 5.
- Al onze medewerkers zijn in gesprek. Een ogenblik geduld alstublieft.
- Al onze medewerkers zijn in gesprek. Een ogenblik geduld alstublieft.
- Met deVolkskrant Bezorgservice, waarmee kan ik u van dienst zijn?
- Met een krant, misschien?
- Niet bezorgde kranten worden tussen 12 en 2 nabezorgd, meneer.
- Ja, mevrouw, dat weet ik inmiddels. Maar ik had hem zo graag gewoon
's morgens om zeven uur in de bus. En dat is vandaag alweer niet gebeurd.
Het is nu half tien, en er is nog steeds geen krant. Bovendien is dit nu al de
derde dag op rij dat de krant niet komt, of veel te laat is.
- Dat is heel vervelend, meneer. Ik zal een klacht voor u aanmaken.
Dan zal onze rayonmanager er aandacht aan besteden.
- Ja, mevrouw, dat is al eens gebeurd. Maar dat helpt niks.
- Dan zal ik een 'ernstige klacht' voor u aanmaken, meneer. U wordt dan
binnen zeven werkdagen teruggebeld. Met informatie van de rayonmanager.
Meer kan ik op dit moment niet voor u doen. Spijtig genoeg.
Dit wordt te gek, Balthasar. Doe er iets aan!
- Welkom bij de bezorgservice va...
- Goedemorgen mevrouw, het duurt nu al twee weken dat de krant niet komt
of veel te laat is. Kunt u...
- Ik zie hier dat er een 'ernstige klacht' voor u aangemaakt is, maar dat is
nog geen zeven werkdagen geleden. Daarom bent u nog niet teruggebeld.
- Ja, maar, kunt u dan niet...
- U wordt binnen zeven werkdagen terugggebeld, dat is overmorgen. Het is natuurlijk
allemaal heel vervelend, en ik heb gehoord dat er een technisch probleem is.
Het heeft de aandacht van onze rayonmanager, weest u daarvan overtuigd. Maar
het is heel moeilijk allemaal.
- Tot een paar weken geleden ging het allemaal uitstekend, en nu...
- Op dit moment kan ik helaas verder niets voor u doen, meneer.
Ten aanval!
- Met Balthasar, goedemiddag.
- Goedemiddag, meneer Balthasar. Met de bezorgservice van deVolkskrant.
Ik bel over uw bezorgklachten. U woont in een zogenaamde open wijk: daar
kunnen wij momenteel geen bezorgers voor vinden. De rayonmanager doet
echt zijn uiterste best, maar wij kunnen u helaas geen garanties geven.
- Maar dit duurt nu al een hele maand, mevrouw. Als je de krant later krijgt,
lees je hem ook slechter... En, het gooit je hele ochtendritme in de war. Ik
begin er schoon genoeg van te krijgen.
- Ja, meneer, ik weet het. Maar het lukt ons steeds maar niet om...
- Nou ja, gelukkig heb ik goede ervaringen in het verleden, daarom ben ik ,
vind ik zelf, nogal coulant tegenover u, maar alles heeft zijn grenzen. Als uw krant
geen ochtendblad meer kan zijn, want ik wil een ochtendblad!, dus als dit zo doorgaat...
dan moet ik uw krant uiteindelijk opzeggen...
- O, maar dat kan ik alvast wel voor u doen hoor, de krant opzeggen. Kleine moeite.
And the winner is...
- Nounounou, mevrouw, dat gaat me op dit moment nog even wat te ver hoor. Ik
wil best nog even wachten. Opzeggen doe ik in het algemeen liever op inhoudelijke
gronden... dat jullie die Wilders veel te veel podium geven bij voorbeeld... En die
jongens die hier tot voor kort bezorgden, dat was werkelijk uitstekend, dus...
- Nou, meneer, bedankt voor uw begrip, wij doen er echt alles aan, maar het is
allemaal heel moeilijk, begrijpt u wel, om goede bezorgers te vinden, voor een 'open
wijk'. Dus voor de korte termijn kan ik u helaas... En uw krant zal ik dus nog maar
niet opzeggen?
- Nee, ik zie het nog even aan.
- Fijndankuwel, meneer Balthasar. En bij nieuwe klachten kunt u ons altijd bellen natuurlijk.
Gebed zonder end
Ik ben in het bezit van een poëzie-cd met daarop een voordracht van Remco Campert. Hij
zingzegt op die cd zijn gedicht 'Lamento' - Klaagzang, Jammerklacht, Dat je altijd maar... Het
is een kabbelende klaagzang, met een zeer zangerig ritme, dat stiekem zand in de machine
van de toehoorder strooit. Mooi om te lezen, te dirigeren desnoods, maar béter nog
om te horen, Altijd maar rimpelend in het water rimpelend... - Vorige week was
dit gedicht nog te beluisteren in het radioprogramma 'Kunststof', met
de dichter zelf op de bok, Altijd maar in de roerloze middag...
LAMENTO
Hier nu langs het lange diepe water
dat ik dacht ik dacht dat je altijd maar
dat je altijd maar
hier nu langs het lange diepe water
waar achter oeverriet achter oeverriet de zon
dat ik dacht dat je altijd maar altijd
dat altijd maar je ogen je ogen en de lucht
altijd maar je ogen en de lucht
altijd maar rimpelend in het water rimpelend
dat altijd in levende stilte
dat ik altijd zou leven in levende stilte
dat je altijd maar dat wuivende oeverriet altijd maar
langs het lange diepe water dat altijd maar je huid
dat altijd maar in de middag je huid
altijd maar in de zomer in de middag je huid
dat altijd maar je ogen zouden breken
dat altijd van geluk je ogen zouden breken
altijd maar in de roerloze middag
langs het lange diepe water dat ik dacht
dat ik dacht dat je altijd maar
dat ik dacht dat geluk altijd maar
dat altijd maar het licht roerloos in de middag
dat altijd maar het middaglicht je okeren schouder
je okeren schouder altijd in het middaglicht
dat altijd maar je kreet hangend
altijd maar je vogelkreet hangend
in de middag in de zomer in de lucht
dat altijd maar de levende lucht dat altijd maar
altijd maar het rimpelende water de middag je huid
ik dacht dat alles altijd maar ik dacht dat nooit
hier nu langs het lange diepe water dat nooit
ik dacht dat altijd dat nooit dat je nooit
dat nooit vorst dat geen ijs ooit het water
hier nu langs het lange diepe water dacht ik nooit
dat sneeuw ooit de cipres dacht ik nooit
dat sneeuw nooit de cipres dat je nooit meer
De vijfde gast in de VPRO-serie 'Zomergasten' was afgelopen zondag Paul Verhoeven,
de Nederlandse filmregisseur die geen introductie behoeft. Zijn 'ideale televisieavond'
bestond praktisch geheel uit filmfragmenten, nogal uitzonderlijk voor 'Zomergasten', maar
natuurlijk niet voor Paul Verhoeven. Hij bleek een gedreven prater, erudiet ook, en met
meer 'religieuze trekjes' dan je zo op het eerste gezicht verwacht. Door Paul Verhoeven's
fragmentenkeuze en ook door zijn manier van praten, kreeg de avond een tempo en
een schwung die dit jaar nog niet vertoond is. Presentator Jelle Brandt Corstius had
af en toe moeite om waterval Verhoeven bij te houden, en kwam zo, mirabile dictu, tot
beter tegenspel dan in de voorgaande uitzendingen. - Het was kortom een 'spannend'
programma waarin veel te genieten viel. - Een paar onderdelen die mij opvielen, geheel in
mijn eigen woorden:
Dudok de Wit: Father and Doughter (2001)
Hebt u dat nooit? - Je pakt je nieuwe roman uit je tas, bladzij 113 middenin, het
is een lange en moeilijke
zin die niet echt bij je binnendringt, dus je leest 'm nog eens, en ineens breekt de
zon door de bomen als Vader en Dochter Dudok de Wit over de dijk richting
roeiboot fietsen en daar innig afscheid nemen, en nog eens afscheid nemen. Je
schokt wakker en zoekt met troebele blik de pagina af terwijl je lome hoofd en
lichaamswarmte liever aan de dijk gebleven waren waar het meisje nu eenzaam
huiswaarts rijdt met een lichte bries in de rug onder de meebladerende wolkjes in
het grijsgetinte zwerk. Daar doemt het steigertje al op waar Dochter haar Vader
verwacht onder het krakende bericht voor de reiziger met de OV-chipkaart om
toch vooral uit te checken en zijn eigendommen mede te nemen. Uitsjekken,
eigen dommen, stationnetjebeeehstnogantoe... je bent weer bij de les en struikelt
gehaast naar de uitgang. Maar je moet er bij de volgende halte pas uit! Gelukkig,
boek en tas liggen er nog, bladzij 113, waar was ik ook alweer gebleven. Oja,
bij het roeibotensteigertje. Daar komt de jonge vrouw al aangefietst, of nee, ze
zit nu achterop de fiets bij haar geliefde en samen staren ze naar de plek waar
haar Vader... - Een droomfilm van 8 minuten, volledig vertoond, en opnieuw zijn
Oscar waard. PV was herkenbaar ontroerd.
Strawinsky conducts Firebird (1961)
Gistermiddag zat ik met m'n lichtgrieperige lijf achter de computer aan een
wat onwillige balthasarsblog te sleutelen toen ik volkomen onverwacht en plotseling
in de concertzaal zat waar de oude Strawinsky met zijn knokige handen zijn
vroege Vuurvogel in zwart-wit stond te dirigeren, zonder baton, maar met zijn
wandelstok onder handbereik. Zijn dirigeergebaren minimaler dan
waarmee je doorgaans een schuinliggende balpen corrigeert. Bij elke
paukenslag stootte zijn rechtervuist wel een dikke centimeter naar voren en
knikte zijn tanige hoofd het staccato mee, terwijl een vederlichte twinkeling
zijn ogen doorstraalde. Ze braken de tent bijkans af, mijn medeconcertgangers
én Paul Verhoeven. De oude Strawinsky keerde zich om naar het publiek,
greep zijn wandelstok, neeg het hoofd menigmaal, en schuifelde inwendig
juichend richting dirigentenuitgang. Die 'afgang' vertederde mij en bracht m'n
bewonderding voor Verhoeven's keuze op een hoger plan, terwijl PV
zelf de tegendraadse vioolstreken van de meester nog eens met zijn
bovenlichaam demonstreerde en accentueerde. Ik erkende de gemoedsbeweging in
Paul's keuze en dacht godja, Strawinsky, die heb ik alleen nog op vinyl,
nooit op cd gekocht. En ik schaamde me. - Maar gelukkig is daar YouTube
(http://www.youtube.com/watch?v=5tGA6bpscj8), de Vuurvogel, door de meester
zelf gedirigeerd, Nieuw-Zeeland 1961. En nog maar eens! En nog eens! - Zodoende
wil deze balthasarsblog maar niet opschieten...
Ben Hur: De wagenrennen (1959)
De witte paarden tegen de zwarte, Karel ende Elegast, een potje snelschaak, met
gemene trucs, maar ook met het geluk vanuit Den Hoge, het aanzwellende
publieksrumoer, en aaah, nét op tijd de juiste keuze gemaakt! Zwart begon, wit
won, zoals het hoort. (Bij het fragment uit 'Het zevende zegel' van Ingmar Bergmann
was het dus níet zoals het hoort: bij het potje 'Schaak met de Dood' kreeg de Dood
de zwarte stukken. De Dood wint altijd, zeker bij Bergmann.)
Vijf maanden hadden ze destijds nodig om De wagenrennen, de beroemdste
aller filmscènes, op te nemen, camera's op meerennende paarden, camera's
op meerijdende auto's, snelheid en beweging, close up, full shot, de zweep erover!
Maar... het meest in beweging was: de achtergrond. Fijn dat de filmmeester
ons daar vooraf op attendeerde: ik heb nog nooit zo intens naar 'De wagenrennen'
uit Ben Hur gekeken. En voor één keer kon ik Charlton Heston's latere politieke
standpunten vergeten. (Zie Michael Moore's 'Bowling for Columbine', maar daar
houdt Paul Verhoeven waarschijnlijk helemaal niet van.)
Pier Paolo Pasolini: Il evangelico secundo Mattei (1964)
Een korte scène waarin de Christus-figuur sprekend wordt opgevoerd.
Zwart-wit, de tekst heilig op zijn eigen wijze, en zoals alle tekst in de film:
letterlijk geciteerd uit Matheus. Oftewel: Pasolini registreert een film lang een
volkomen bekende tekst uit Het Nieuwe Testament, van A tot Z. En tóch een
spannende film. Maar 'deze Italiaanse communistische intellectueel
ging dan ook uit van de theologische betekenis van Jezus als de Christus'.
- 'Nee, zo zou ik het zeker niet doen. Zo'n Jezus-figuur heeft
niet bestaan. Dat is allemaal achteraf bedacht. Lees mijn boek Jezus
van Nazareth. Ik heb twintig jaar gewerkt aan dat boek over Jezus. In
het begin dacht ik wel dat het een film kon worden, maar uiteindelijk vond ik
het zo interessant dat het me niet kon schelen of dat zou lukken.' - 'Maar
maak dan toch die film, Paul!' smeekte Jelle. Paul liet hem bungelen.
Eèn citaat uit de boekrecensie van Theo Krabbé over het boek van Paul Verhoeven
(Tubantia, 20 september 2008): 'Paul Verhoeven ziet Jezus als een opstandeling,
een revolutionair, en misschien
ook wel een terrorist. Een man, die als exorcist (duiveluitdrijver) mensen genas
en met zijn redevoeringen in vervoering bracht. Voor een Hollywoodverfilming
is zo'n Jezusbeeld uitermate geschikt. En het is Paul Verhoeven ook wel toe
te vertrouwen om er een spektakelfilm van te maken vol snelheid, actie, seks
en geweld.' - Had Jelle deze bespreking maar bij de hand gehad!
Ach, en er was nog zoveel meer: historisch historische beelden uit Triumph des Willens van Lenie
Riefenstahl, het laweit en het vermeende nazisme van de Duitse metalband Rammstein,
Herman van der Horst met zijn Eisenstein-achtige film Houwen zo! over de
wederopbouw van het gebombardeerde Rotterdam, voorbeelden van de
toepassing van filmcitaten in Floris. - Ik hou erover op. Het was een top-avond,
die mijn waardering voor Paul Verhoeven ernstig opgeschroefd heeft. Waar 'Zomergasten'
al niet goed voor is...
Waar ik ook grote waardering voor heb: het gedicht film van de Weense
dichter Ernst Jandl. Het komt uit de bundel 'Sprechblasen' (1968). Eerst laat ik hier
de dichter aan het woord om zijn gedicht te verklaren, daarna dus pas het
film-gedicht zelf. Het zou zó in Zomergasten kunnen, als je het mij vraagt.
- 'This poem is a film. There are two actors, i and l. The action
starts in line 4 and ends in the 4th line from the bottom. i is alone, changes
position 3 times, disappears, l appears disappears, i appears disappears,
both appear together changing position, like dancing; then i disappears for
a long time, which, after stunning l, makes l restless, then immobile, like
resignation; when at last i reappears, the dancelike jumping about and
out of the picture and back again is resumed for a longer stretch then
the first time. This state is final. It is the happy ending of the film. (flim,
if you like, is the weightier half of the German flimmern, to flicker.)
FILM
film
film
film
film
fi m
f im
fi m
f im
f m
fl m
f im
f m
flim
film
flim
film
f lm
f lm
fl m
f lm
fl m
f m
f lm
fl m
f m
f lm
f m
fl m
f lm
fl m
fl m
fl m
fl m
fl m
fl m
flim
film
flim
film
flim
film
flim
f m
film
f m
flim
film
flim
film
film
film
film
film
De moeder van Joost Prinsen
Vanmorgen las ik in een interview met Joost Prinsen dat zijn moeder hem
voorgehouden heeft 'dat je je altijd moet bekommeren om mensen in de
buurt, niet om de mensen in Afrika'. Op deze instructie valt natuurlijk heel wat
af te dingen, toch besloot ik moeder Prinsen maar eens als leidraad te nemen. Toen
ik aan deze blog begon was ik namelijk van plan om het eens driftig
te hebben over de toestand in de wereld, de verloedering, wie weet teloorgang, van de
aarde door menselijk handelen en nalaten, en meer van dat soort grote gedachten.
Bij voorbeeld over de (vermeende) bewusteloosheid van de gemiddelde
wereldburger ten aanzien van het milieu, ook die uit mijn directe omgeving:
'even' naar Moskou vliegen om een ontbrekend visum-stempel alsnog in
het paspoort te krijgen, vier dagen naar Maleisië 'gewoon omdat ik daar nou
eenmaal voor uitgenodigd ben', 'natuurlijk eet ik kalfsvlees, want dat is lekker',
'ik kon er niet onderuit om mijn zoontje en zijn elftalgenoten met de auto naar
het andere einde van het dorp te brengen omdat ze anders met hun fietsen
voor gek zouden staan'. Verbijsteringen van de laatste week. - Kortom, in
het kielzog van Ma Prinsen besloot ik terug te keren tot mijn allernaaste
omgeving, en dus mijn eigen straatje maar eens onder de loep te nemen.
Tenslotte is ook dat een 'heel klein stukje aarde'.
Erfdienstbaarheden
Eenmaal achter de computer probeerde ik me volledig op deze blog te concentreren,
maar dat valt niet mee als in het
huis naast ons de makelaar bezig is om potentiële kopers over te halen om nu
eindelijk eens een beslissing te nemen. Over kippestront op het terras spreken ze,
over de diepte van de tuin en 'de afstanden die je daartoe moet overbruggen',
over wel/geen erfdienstbaarheden en over de boemeltrein op het aanpalende spoortalud.
Tja, die woning valt met de onze 'onder één kap', dus het gepraat
achter het huis valt niet te negeren - een van de nadelen van
een halfvrijstaand huis. Buren lijken dan algauw 'luidruchtig' als ze 'normaal'
doen. - 'Eén op de vijf Nederlanders klaagt geregeld over de buren,' lees ik in
de krant. Zelf heb ik goede én slechte ervaringen, en ja, het is dus glad ijs waar ik
me op bevind, in een smalle dorpsstraat nog al liefst, met een bol wegdek
van visgraatbestrating.
En met een zekere bemossing en begrassing tussen de steentjes waar slechts
betrekkelijk weinig doorgaand verkeer overheen rijdt. Maar daar wordt intussen
aan gewerkt: steeds meer huizen tellen nu twee of meer auto's aan de straat,
vooral in het weekeinde is het 'volle bak'. Sommige mensen noemen dat
vooruitgang, anderen verloedering. Onze 'andere' buren en wij doen het zonder
auto, dat is te weinig om te voorkomen dat ons straatje een en al parkeerplaats
wordt. En wie weet wat de nieuwe kopers doen. Vandaag kwamen de kijkers
het huis alvast met drie auto's bezichtigen, één daarvan was van de
makelaar.
'Uw buurthoofd'
Af en toe steekt er een A4'tje met weinig tekst door onze brievenbus. Het komt
van ene Freek op nummer 20A, die de mededeling steevast ondertekent met
'uw buurthoofd'. Wat dat is, buurthoofd, weet ik nog steeds niet, maar het doet
me denken aan de tijd van de BB ('Bescherming Bevolking' uit de jaren
vijftig, een van overheidswege opgelegde buurtpreventie zeg maar) toen er
'blokhoofden' waren aan wie je formeel moest gehoorzamen in tijden van nood
of onlust. BB en blokhoofden waren niet geliefd, bazige amateurs in nep-overalls
als het waren. Ons zelfbenoemde 'buurthoofd' kan derhalve rekenen op mijn
spontane wrevel, nog vóór ik ook maar één letter van zijn missieve gelezen heb.
Meestal gaat het A4'tje van Freek over importante zaken als het vlaggen tijdens de
oranjefeesten, de strikte uitvoering van de straatversiering, de buurtspelen-met-praalwagen
of de jaarlijkse 'buurtbarbecue'-in-de-augustusregen achterin de tuin van
Jolalita ('oja, en wie heeft er nog een grote partytent te leen?'). Allemaal
aangelegenheden waar ik licht allergisch voor ben, en waar ik Freek dan tijdig van in
kennis moet stellen. Anders komt hij langs voor hom of kuit, en waarom dan
wel niet. Freek heeft er maar druk mee, en anders ik wel. - Maar tevreden
zijn we geen van tweeën.
Een goede buur...
Buurman E. van drie deuren verderop is met de stille trom vertrokken. Ineens
lopen zijn kinderen zijn huis leeg te sjouwen, en (ook al) te koop te zetten. Viavia
horen we dat ie een aanleunappartement betrokken heeft in het plaatselijke
'woonzorgcomplex'. Daar meende hij al sinds de dood van zijn vrouw recht op te
hebben, en nu is het dan eindelijk toch gelukt. E. is dik in de tachtig, was zo'n
beetje de personificatie van ons deel van de straat, altijd en alom aanwezig - en
daarom is het nu zo vreemd dat ie er van het ene op het andere moment en
zo totaal niet meer is. Achteraf had ie er liever nooit van z'n leven gewoond, in
ons straatje, het kwam allemaal door zijn vrouw, uiteraard. - Maar dat van die stille
trom... ik voel me er merkwaardigerwijs toch een beetje door miskend.
Viavia is onze enige echt goede bekende in de straat, van haar horen we de nieuwtjes
die de rest van het dorp allang schijnt te weten. Met haar delen we een krant
en menig etensmaal. Zij woont al tientallen jaren in ons straatje, en brengt ons
van lieverlede op de hoogte van zijn volledige ontwikkelingsgang. (Zo heb ik
bij gelegenheid bij voorbeeld wel eens de indruk dat zij ons huis beter kent dan
wijzelf!) Na de dood van haar man - die ik nog persoonlijk mede ten grave
heb mogen dragen - heeft onze vriendschap zich verdiept, terwijl die tóch
niets kneuterigs heeft gekregen. Dat geeft me een gevoel van volwassen
tevredenheid.
Moestuinen
De forse achtertuinen in onze straat demonstreren uiteraard ook enigszins de
karakters van zijn bewoners. Sommige tuinen bieden geen enkele interne of
externe beschutting, alles en iedereen loopt er los in het open en bloot van
de eigen natuur. Andere tuinen neigen van voor naar achter en van links naar rechts
naar het donkere bos. Wat wij niet allemaal aangeplant hebben in die acht jaar dat
wij er wonen! En met achterin ook nog eens een schuur van nagenoeg volle breedte.
Over de dieren die ons dat onder andere allemaal oplevert schreef ik onlangs al
eens. Maar gisteravond nog trof ik bij het afsluiten van ons erf een salamander voor de
deur van het boekhuis aan, en onder het lezen in het wonderlijke boek
'Leve de vrijheid' van Tom Hodgkinson kronkelden er minimaal twee miniregenwormpjes
over Tom's hilarische pagina's heen. (Lees vooral toch de interessante recensie van dit
boek op de 'recensie'-pagina van deze Zeepkist, zie de linkerkolom bovenin deze
pagina. Zéér de moeite waard, net als het boek. Ik kan het niet genoeg benadrukken.)
Maar noch in de open, noch in de gesloten tuinen (buiten die van ons dan) neem
ik moestuinen waar. Een enkele kan natuurlijk in het 'bos' verscholen liggen, in
de open tuinen wordt overduidelijk niets verbouwd. Wat doen mensen eigenlijk
met hun tuinen? Gazon maaien met veel elektrisch geweld, voetballen, laten verwilderen,
barbecuen, en nog eens barbecuen, en dan ineens weer met de bladblazer elk
verkeerd liggend sprietje verwijderen als er 'kijkers' komen voor de aankoop/verkoop:
in ons straatje is er geen standaardgebruik van de tuin. Ik geloof dat wíj er
misschien wel de meeste tijd en energie in steken, omdat we die hebben! Door
toepassing van sijpelend meer ideeën van de permacultuur is het aanzien van
onze tuin tevens aan het veranderen, het parklandschap is inmiddels míjlen ver
weg. Wie weet volgen er meer tuin-intensiveringen als de crises eens
écht beginnen door te werken.
'O, er is zoveel!' (Toon Hermans)
Werkelijk, zo'n straatje kan gerust model staan voor een veel groter geheel. Er
zijn immers nog zoveel aspecten... Zo woont er bij mijn weten - ondanks het
Turkse Döner-busje dat ik vanmorgen bij de te
koop staande slagerij zag staan - nog geen enkele 'nieuwe Nederlander met
een inburgeringsdiploma'
in onze straat, hebben een aantal bomen in voortuinen inmiddels een onverantwoorde
hoogte bereikt, viert de Wereldwinkel binnenkort haar 25-jarig fair trade bestaan, en
heb ik doorlopende bedenkingen bij de vuurwerkopslag in de schuur achter het
Visserijpaleis. In onze straat staan minimaal vier huizen te koop waarvan één al
meer dan zes jaar, heb ik hier inmiddels ook een bakfiets met kinderen voorin
gesignaleerd, en heeft een overbuurman voor zijn derde auto een aparte stalling
laten bouwen. Elke week komen er minstens twee collectanten aan de deur waarvan
zeker de helft met geraniums of oliebollen voor een plaatselijke club, bonst Zwarte Piet op 5
december gegarandeerd aan je voorraam, en wordt de krant sinds enkele weken
niet voor 8 uur 's morgens bezorgd. In de plaatselijke sufferdjes wordt
elk babykreetje tot olifantengeschal opgeblazen, en is de aanhouding van een
bestuurster wegens vermeend drankgebruik groot voorpaginanieuws. Soms
zie ik ook wel eens een foto van schoolkinderen die hardlopen voor het goede
doel, een kindertehuis in een van de jumelage-steden aan de
andere kant van de wereld. Toevallig niet Afrika, mevrouw Prinsen, maar ergens
in Nicaragua.
Elke dorpsstraat is de aardbol in miniformaat. Maar hoelang nog? O, was er alvast
maar een 'café op de hoek' om daar eens over door te bomen! Alsmede over
de kwetsbare geneugten van de kleinschaligheid, de schonere luchten, het
lange-afstands-wandelpad langs je voordeur, het grote water aan de overkant
van de snelweg: de vele paradijselijke kanten van de gelukzaligheid kortom.
In de woorden van de dichter
Dat kan niet missen: bij zo'n tekst over 'je eigen straatje' past
natuurlijk en vanzelfsprekend het gedicht 'De Dapperstraat' van J.C.
Bloem (1887-1966). Het stamt uit 1947 (uit de bundel: 'Quiet though sad') en
ook toen al stelde de dichter
zich de vraag: 'Wat is natuur nog in dit land?' Plus het beroemde
antwoord natuurlijk. - Het mooiste vind ik nog de laatste alinea: het is net
als vandaag een regenachtige dag, ook ik was in een licht filosofische bui, en
eindigde bij de conclusie: dik tevreden met m'n eigen straatje!
DE DAPPERSTRAAT
Natuur is voor tevredenen of legen.
En dan: wat is natuur nog in dit land?
Een stukje bos, ter grootte van een krant.
Een heuvel met wat villaatjes ertegen.
Geef mij de grauwe, stedelijke wegen,
De in kaden vastgeklonken waterkant,
De wolken, nooit zo schoon dan als ze, omrand
Door zolderramen, langs de lucht bewegen.
Alles is veel voor wie niet veel verwacht.
Het leven houdt zijn wonderen verborgen
Tot het ze, opeens, toont in hun hoge staat.
Dit heb ik bij mijzelve overdacht,
Verregend, op een miezerige morgen,
Domweg gelukkig, in de Dapperstraat.
10 augustus 2010 Hallo Bandoeng, hier Radio Kootwijk
Hier gaat het allemaal níet over!
Vier dagen fietsen over de Veluwe, en onderwerpen bij de vleet om een
balthasarsblog over te schrijven. Een paar voorbeelden:
- aan een picknicktafel midden in de bossen rond Leuvenheim
hadden wij een ontmoeting met de reïncarnatie van acteur en komiek Jan Blaaser
(1922-1988, en toch vooral bekend van het lied M'n tante
heeft een olifant - tètèterèttètè - dat ding ligt in een ledikant - tètèterèttètè. Het slurrefie
hangt buitenboord - tètèterèttètè - zodat je niet zijn snurken hoort - tètèterèttètè. Enzovoort,
wie kent het niet?), die tegenwoordig vooral in kilometerslange wandelingen doet,
met de paraplu én de electronische stappenteller als enige gezelschap ('hihaheerlijkjes, meneer!');
- op de open heide nabij Nieuw Milligen klampte een fietsend echtpaar uit
de Zaanstreek ons aan over de geneugten van de supergrote paraplu als wapen tegen het
hemelwater maar vooral toch als liefdesschuilhut ('want daar moet je toch altijd aan
blijven werken, nietwaar?, oja, en altijd vakantie in Nederland, met de caravan, jazeker!');
- en in de eetzaal van het Mennorode-complex in Elspeet liepen 's morgens in alle
vroegte al ge-badge-te mensen rond met de Jehova-vraag 'of u gezelschap tijdens
het ontbijt op prijs stelt. Maar u mag natuurlijk ook nee zeggen, hoor.'
- En dan zwijg ik nog maar over de stipt op de openingstijd geloste bus Japanse
toeristen die in grote drommen de witte fietsen naar het Kröller-Müller Museum
bestegen en aldaar alle doeken van Van Gogh kiekten;
- zo zwijg ik ook over de museumsuppoost ('wilt u zachtjes praten, er wordt hier
gefilmd!') die zich als rashumorist ontpopte aangaande
de heilige pointillist Theo van Rijsselberghe ('toen de kunstenaar klaar was met dit schilderij
wist ie alleen nog uit te brengen dat ie er een punthoofd van gekregen had');
- en over de heerlijke vegetarische soep met ster-anijs te Otterlo ('o, die is gemaakt op basis
van... 's even navragen, oja, kippebouillon!').
- Inderdaad, hier gaat het allemaal níet over in deze blog. Want het toppunt
van onze vierdaagse
was toch wel het bezoek aan Radio Kootwijk, Zendgebouw A - die Betonnen Wachter temidden van
450 hectare bos en heide, bijgenaamd 'De Sfinx' of ook wel 'De Kathedraal', en waar
wij de imponerende kunstmanifestatie 'De Volgende Toon' bezochten.
Radio Kootwijk
Uit de taai beschreven geschiedenis op Wikipedia haal ik de volgende
gegevens over het ontstaan van Radio Kootwijk. Met deze informatie bij de
hand is de tentoonstelling 'De Volgende Toon' (Installaties
in voormalig zendgebouw Radio Kootwijk - Project van Odd
Enjinears - 14 juli t/m 22 augustus 2010) een stuk beter te volgen. Dus...
Begin twintigste eeuw ontstond er grote behoefte aan radiocontact tussen
'Nederlandsch-Indië' en het moederland Nederland. In 1917 verrees er een
zend/ontvang-station nabij Bandoeng op het eiland Java. Voor de Nederlandse
locatie viel de keuze op een
stuk Veluwe. Het terrein werd geëgaliseerd, wat inhield dat alle begroeiing werd verwijderd om zo
een ongestoorde 'zendcirkel' te kunnen creëren. Toen het goederenvervoer
intensiever werd, werd er een spoorlijn aangelegd naar Station Kootwijk,
de latere naamgever van het zend- en ontvang-complex.
Er werd een grote antenne gebouwd, bestaande uit koperen kabels die met
elkaar verbonden waren en die rustten op 200 meter hoge masten, en koperen
kabels onder de grond. In het hart van dit systeem werd een radiostation gebouwd.
Dit werd ondergebracht in een gebouw van gewapend beton, ontworpen door de
Amsterdamse architect Julius Luthmann (1890-1973). Deze had bij het ontwerp
gedacht aan een Egyptische sfinx, die bij goed kijken ook nu nog te ontwaren is.
Op 7 januari 1929 werd de radiotelefoondienst officieel geopend voor het
publiek door koningin-moeder Emma. Na deze gebeurtenis werden de woorden "Hallo
Bandoeng, hier Den Haag" legendarisch. Nu kon het Nederlandse publiek
met Nederlands-Indië bellen. Zo'n gesprek was een hele gebeurtenis.
Men moest ervoor naar een telegraafkantoor in een van de vier grootste
steden van Nederland, en kon dan voor ruim 30 gulden, wat toen
een heel vermogen was, een gesprek van drie minuten voeren.
Door de ontwikkeling van nieuwe telecommunicatietechnieken zoals
satellietverbindingen verloor Radio Kootwijk in de loop van de twintigste eeuw zijn
positie als belangrijk radioverbindingspunt. In maart 1980 werd de laatste
zendmast neergehaald. In 1999 verloor het park elke zendfunctie.
Het gebouw is een wonder van schoonheid en absurdisme in één, met name
door de imposante grootte en de solitaire ligging. Daar kun je overigens langzaam aan
wennen als je erheen gaat: het is echt een heel eind (om)-fietsen. En je moet ook weer
terug om je eigen route te vervolgen. Maar wat een beloning krijg je er!
De Volgende Toon
In de immense hal, en ook op de twee verdiepingen hoge omgang van Zendgebouw A
staan ruim tien 'installaties' opgesteld. Daar mag je aankomen en inkomen, sterker: de
meeste installaties
worden pas door publieke activiteit tot levende geluiden gewekt. Zo is er een Morse
Knikker Baan van twee 15 meter lange rails, waar je stalen ballen op kunt laten rollen.
Terwijl de ballen
rollen klinken er morseboodschappen: de 'zender' en de 'ontvanger' wisselen
gecodeerde begroetingen uit, één in het Nederlands, één in het Indonesisch.
Het eerste bericht luidt: Hallo Bandoeng, hier Radio Kootwijk. Het retourbericht
luidt natuurlijk: Hallo Radio Kootwijk, hier Bandoeng. D-Fence is een klinkende doolhof van anti-inbraak-hekwerk dat middenin de
enorme ruimte staat. Met estafettestokjes
kun je tegen de 'tralies' slaan (of rammen!), muziek maken zoals het jou uitkomt. En denk maar
niet dat er alleen kinderen tegen het hekwerk staan te timmeren hoor, ik zag voornamelijk
'ouderen' die de lol van hun leven hadden! - In de informatiefolder wordt gesuggereerd
dat deze installatie een vrije interpretatie is van de Javaanse gamelan, ik hoorde er voornamelijk
jeugdherinneringen in.
De Gladiator is de grootste bashoorn van het westelijk halfrond (zegt de folder). Het is
een enorme toeter met een open bek van zeker drie meter doorsnee. Op bepaalde plekken
in de D-Fence kun je de hoorn in werking stellen. Oef!
Elders loop je door een hangend Bamboebos. Het is onmogelijk om erdoorheen te gaan
zonder de bamboestokken in beweging te brengen. En de geluiden die je dan veroorzaakt!
Enfin, zo kan ik nog wel even doorgaan, Maar veel beter is het om er zelf een keer heen te gaan.
Trek er wel voldoende tijd voor uit, want na alle installaties in werking gezet te hebben, moet je zeker
nog wat tijd besteden aan het interieur van dit werkelijk magistrale gebouw. Richt je blik zeker
ook op de 'hemel' met die ongelooflijk enorme spanten (hoe zouden ze die daar gekregen
hebben?). En vergeet ook het trappenhuis niet: een en al Jugendstil-gewaarwordingen! Gaat dat zien!
Het is onmogelijk om deze Balthasarsblog níet te besluiten met het lied Hallo!
Bandoeng! van Willy Derby (muziek) en E. Paoli (tekst), uit 1929. Zo'n eerste
enerverende radio-telefoongesprek, dat móest wel tot de volgende smartlap leiden,
en tot de 'dood' van de 'ouwe vrouw'. - Later ook nog eens vertolkt door Wieteke van
Dort, maar dan ietsje anders.
HALLO! BANDOENG!
't Kleine moedertje stond bevend
Op het telegraafkantoor
Vriendelijk sprak de ambtenaar: Juffrouw
Aanstonds geeft Bandoeng gehoor!
Trillend op haar stramme benen
Greep zij naar de microfoon
En toen hoorde zij, o wonder
Zacht de stem van haren zoon:
Hallo! Bandoeng!
- Ja moeder, hier ben ik!
Dag lieve jongen, zegt zij, met een snik Hallo, hallo!
- Hoe gaat het ouwe vrouw?
Dan zegt ze alleen:
Ik verlang zo erg naar jou!
Lieve jongen, zegt ze teder
Ik heb maanden lang gespaard
't Was me, om jou te kunnen spreken
M'n allerlaatste gulden waard!
En ontroerd zegt hij dan: Moeder
Nog vier jaar, dan is het om
Oudjelief, wat zal 'k je pakken
Als ik weer in Holland kom!
Hallo! Bandoeng!
Jongenlief, vraagt ze, hoe gaat het
Met je kleine, bruine vrouw?
Best hoor, zegt hij, en wij spreken
Elke dag hier over jou
En m'n kleuters zeggen 's avonds
Voor 't gaan slapen 'n schietgebed
Voor hun onbekende opoe
Met 'n kus op jouw portret
Hallo! Bandoeng!
Wacht eens, moeder, zegt hij lachend
'k Bracht mijn jongste zoontje mee
Even later hoort ze duidelijk:
Opoelief, tabé, tabé!
Maar dan wordt het haar te machtig
Zachtjes fluistert ze: O Heer!
Dank, dat 'k dat heb mogen horen!
En dan valt ze wenend neer
Hallo! Bandoeng!
Ja moeder, hier ben ik!
Zij antwoordt niet, hij hoort alleen 'n snik
Hallo, hallo! klinkt over verre zee...
Zij is niet meer
En het kindje roept: Tabé!
In de aanbieding
In de stille tijd van de zomer probeerden winkeliers vroeger van hun
zogenaamde winkeldochters af te komen, kennelijke misinkopen waar
niemand de vraagprijs voor wilde betalen. Ze zetten een enkele
aanbieding voor een appel en een ei in de etalage, en hoopten
daarmee vakantie-klanten hun nering binnen te lokken. En als die eenmaal
binnen waren, dan vonden ze bijna altijd wel iets van hun gading,
al was het maar omdat die extraordinaire schoentjes of dat licht
beschadigde regenjek voor bijna niks meegenomen konden worden.
Klant blij met het koopje waar ie al maanden z'n zinnen op gezet had,
winkelier opgelucht omdat hij nu eindelijk ruimte kreeg voor de nieuwe
collectie zonder ál te veel verlies te lijden.
Toen ik nog 'op kantoor' werkte, deed ik vlak voor m'n vakantie niet
anders: ik ruimde m'n bureau grondig op om na de vrije tijd met een
schone lei te kunnen beginnen. Of de collega's altijd blij waren met de
cadeautjes die ik ze in die tijd in hun maag splitste, dat betwijfel ik. Ik
denk dat er op kantoren heel wat vakantieaanbiedingen ongeopend
het ronde archief in gaan. - Hoe dan ook: volgende week geen
Balthasarsblog wegens een korte fietsvakantie. En vandaar dus deze
week enkele restanten in de zomeropruiming.
Levendig buitenleven
Onze buren hebben hun huis te koop staan omdat ze ergens anders gaan
wonen, ze gaan boeren. De laatste tijd hebben ze daarom (?) hun assortiment
huisdieren drastisch uitgebreid en vervangen: ze hebben nu kippen in diverse
kakelvarianten, katten, honden, marmotten en een kooi met parkieten, de
sierduiven hebben het inmiddels afgelegd tegen enkele afgetrainde buizerds. De
honden oefenen hun stembanden dagelijks minimaal vijfmaal met grote
uitbundigheid, de kippen klagen elke dag harder en vaker, tevens hebben ze
nu ontdekt dat onze groentetuin lekkerder is dan hun eigen grasveld, de
marmotten beginnen te piepen en in hun tredmolentjes rond te rennen zodra
ik de achterdeur maar opendoe, de witte kat springt nu 's nachts geregeld
door de openstaande slaapkamerdeur op ons bed, kabaalhondje Bart heeft
na de slaapkamer nu ook onze badkamer ontdekt, de parkieten staan onder
hun theedoek onze buiteneettafel te bejubelen of te beschimpen, ik kan het
verschil niet horen. - De hele menagerie is driftig op weg om uit zijn
eigen krachten te groeien.
Vanmorgen nog probeerde ik een van de hooggepote hennen naar haar eigen
erf terug te jagen. Nooit geweten trouwens dat dat zulke slimme dieren zijn: bij elke
struik of heggetje wist ze me schichtig te ontsnappen, terug onze woonkamer
in of op zoek naar de hoogte binnen het boekhuis. Ten einde raad riep ik een
grote lege verhuisdoos te hulp, de kip bleef onaanraakbaar. Ik gaf het op, en
ging naar m'n Balthasarsblog terug. In de spiegeling van het glas zag ik de
bruine kip via de composthoop, de houtwal en de heg schel schaterlachend
huiswaarts keren.
Ik ging naar de kelder om m'n nederlaag op een verse appel te verhalen.
En wie zat daar in de kist met elstars? De grote vette kikker uit onze eigen
vijver, timide, bibberend en duidelijk de weg kwijt. Hoe ik 'Kikker' uiteindelijk
terug de vijver in kreeg, vertel ik misschien een andere keer. Alsdan wellicht
ook de geschiedenis van de vlaamse gaai die vorige week in onze broeikas verzeild
geraakt was, en hoe ik die daar ten langen leste uit wist te bevrijden. - Jaja, het
buitenleven zit vol onverwachte wendingen!
Boekenmarkt
Gister nog even naar de Boekenmarkt aan de IJsel geweest. Drommen volks en
een levendige handel, aardige ontspannen sfeer ook. Ik ga tegenwoordig nooit meer
op de bonnefooi naar zo'n evenement, ik
bepaal vooraf welke twee of drie titels of schrijvers ik op het oog heb, en daar
houd ik het bij, grandioze uitzonderingen natuurlijk daargelaten. Gister ging ik voor
de dichters Pierre Kemp en Joseph Brodsky. Kemp heb ik momenteel 'in studie'
na de aanschaf van de biografie 'Pierre Kemp - Een leven' die Wiel Kusters over
hem schreef, van Brodsky wil ik al langer 'meer weten', dat is tenslotte een wereldster.
Bij de eerste de beste kraam al viel mijn oog op 'Bij nader inzien' van Voskuil, lang
gewenst, nooit verkregen. 15 euro, beetje duur, en 'momenteel niet in het oog'. Maar
wat zie ik daar in het staande fruitkistje liggen? Merlyn, tweemaandelijks
literair tijdschrift, 1e jaargang 1962/3 (zie ook mijn blog 'Close reading' dd.
25 mei jl.). - 'Moet dat kosten, meneer?' / 'Even kijken. 3 euro per aflevering. 1e jaargang
compleet, geef maar 15 euro.' / 'Verkocht!' - En daar liep ik al met m'n eerste
'grandioze uitzondering'.
10 kramen verder lacht me daar zomaar 'De herfstkreet van de havik' tegemoet, Joseph Brodsky,
een keuze uit de gedichten 1961-1986. Ik pak de ingesealde uitgave en loop er mee
naar de verkoper die net een praatje maakt met Martin Ross, notoire
boekenmarktbezoeker waar ook in Nederland. - 'Aaah, Joseph Brodsky!' kraait Ross, 'waar hebt u die
in godsnaam vandaan? Geweldige schrijver!' / 'Gewoon uit de kraam van meneer hier.
Wat moet ie kosten, meneer?' / 'Voor 10 euro bent u de bofkont, meneer!' - Ik ben
de bofkont. En Martin Ross begint op zijn bekende van-dik-hout-wijze af te geven op
een boekje waar de naam Geert Wilders op voorkomt. Omstanders gaan meteen
met hem in discussie, van leve Geert en zo! Ik ontsnap naar de grafische kraam met
de keur aan ex libris-boeken, veel interessanter, en je hóeft er niks te kopen! Eén kraam
verder hangt 'De geschiedenis van de NSB in Nederland' aan de waslijn. Hoog tijd om
naar huis te gaan.
Dwangarbeiders
Niet van de boekenmarkt, maar geleend van m'n zwager: Marloes van Westrienen,
'Dwangarbeiders - Nederlandse jongens tewerkgesteld in het Derde Rijk'. Of ik dat niet
eens wilde bekijken, 'want er staat een verhaal in over de vader van een vriendin van ons'. -
Dat wilde ik wel, omdat het een heel bijzondere uitwas van de tweede wereldoorlog betreft,
en omdat ik er hoegenaamd niets van wist. En het boek heeft me geraakt, meer dan ik
in aanvang gedacht had. Mede omdat
het verscheidene parallellen blijkt te hebben met 'De kleine sjoa - Joden in naoorlogs Nederland',
dat verpletterende boek van Isaac Lipschits over de meer dan kille ontvangst in Nederland
van joden die uit de concentratiekampen terugkeerden (zie ook Balthasarsblog 'Godbewaarne', dd.
24 december 2008).
Tijdens de tweede wereldoorlog waren miljoenen Duitse mannen als soldaat in het leger van
Hitler. Dus hadden handel en (oorlogs)-industrie een schreeuwend tekort aan mannelijke arbeidskrachten.
De oplossing die de nazi's daarvoor bedachten, heette de 'Arbeitseinsatz' en behelsde
een grootschalig dwangarbeidproject van mannen uit alle veroverde landen. Een
half miljoen Nederlandse jongens (17 jaar en ouder) en mannen werden vanaf 1943 opgepakt en
onvrijwillig tewerk gesteld in alle
uithoeken van Het Derde Rijk (30.000 van hen overleefden het niet). Toen ze na het einde
van de oorlog in Nederland terugkeerden, werden de meesten van hen niet bepaald met
open armen ontvangen. Veel mannen werden verguisd als landverraders en
collaborateurs, 'ze hadden immers voor de vijand gewerkt'.
Marloes van Westrienen heeft voor het eerst de verhalen van veel oud-dwangarbeiders
opgetekend en daardoor 'in een breder kader gezet'. Vlak na de oorlog hadden ze immers niets in te
brengen of werden hun verhalen domweg niet geloofd: de oorlogservaringen van
het thuisfront en die van de teruggekeerde mannen strookten eenvoudigweg niet met elkaar,
ieder had zijn eigen oorlog meegemaakt. Nu, na zoveel jaren, is er over en weer meer ruimte
en dus ook meer begrip. - Nu de asielzoekers nog, welt in mijn gemoed naar boven. Of moeten
die eerst ook maar zo'n jaar of vijftig geduld hebben?
Even weg
Jan Blokker kan dit niet meer boven zijn juli-stukje zetten, Blokker heeft geen vakantie meer,
want van vakantie keer je terug. Zo niet Jan, die heeft nu het eeuwige leven, maar dan elders. -
Ik hoop wel degelijk nog terug te keren van een weekje fietsen, en daarom mag ik Jan z'n
stukjestitel deze keer lenen, 'Even weg', en daarna weer fluks aan het werk, met nieuwe blogjes
en nieuwe gedichten.
Niet nieuw, maar wel fluks en fris is het lied 'Op fietse' van Daniël Lohues, de Drentse
liedjeszanger en performer die een heel groot publiek verdient. Koop nou 's een cd van die jongen,
elke aflevering uit de serie 'Allennig' is raak, van Deel I - Winter (met o.a. 'Pries de dag nie veur 't
aobend is') tot en met Deel IV - Herfst (met o.a. 'Elk Mens Die Hef Zich 'N Kruus Te Dragen'). Lohues
was de zanger van de groep Skik, een paar jaar geleden ging hij alleen ('Allennig') verder. Het nummer
'Op fietse' stamt uit de Skik-tijd (1997), tekst en muziek: Daniël Lohues, ook toen al.
OP FIETSE
Ik trap de fietse deur 't buulzand hen
Op 'n zandpad tussen Slien en Erm
En as ik dalijk even in Diphoorn ben dan fiets ik deur
Langs Ermerzand gao'k op Veenoord an
Neij Amsterdam en dan langs 't Dommersknaal
En as ik dalijk dan de kassen zie dan fiets ik deur
Want ik wul aal wieder ik wul alles zien
De leste mooie dag van 't jaor misschien
Alhoewel 't met de winterdag ok donders mooi kan wezen
Ik wul aal wieder deur naor Weiteveen
Want achter op 't veld daor mag 'k graag wezen
A'k hier zo fietse en 't weijt nie slim dan giet 't haost vanzölf
Wie döt mij wat, wie döt mij wat
Wie döt mij wat vandage
'k Heb de banden vol met wind, nee ik heb ja niks te klagen
Wie döt mij wat, wie döt mij wat
Wie döt mij wat vandage
Ik zol haost zeggen, jao 't mag wel zo
Ik trap de fietse deur 't buulzand hen
op 'n zandpad langs de Duutse grens
Ik denk da'k dalijk even kieken gao in 't buutenland
De gruppe over, op naor Schöningsdorf
Ik stao even te kieken bij'n iemenkörf
En ik stao hier even te denken wat za'k nou doen links of recht deur
Want ik wul aal wieder nog naor Hebelermeer
'n Kaorte he'k nie neudig want ik ken 't hier
Want a'k daor dalijk over 'n slootie gao dan ben'k weer terug in Nederland
Ik wul aal wieder nog naor Barger-Compas
Naor Klazienaveen-Noord en 't Oostersebos
A'k hier zo fietse en 't weijt nie slim dan giet 't haost vanzulf
Wie döt mij wat, wie döt mij wat
En nou gao'k over Barger-Oosterveld
Over 't schoelpattie kört daor bij de Honeywell
En dan recht deur tot de brugge van Oranjedorp
'n Stukkie Bladderswieke en dan de Herendiek
En a'k pastoorse bos en de toren zie dan fiets ik deur want 't
weijt nie slim 't giet vandaag vanzölf
Drie keer toeval is toeval
Via drie toevalligheden op één dag zit ik nu even volop in het verleden van mijn
redactionele werk in de educatieve uitgeverij, dat ik van 1962 tot 2001 gepraktiseerd heb. Het
was waratje mooi werk, en ik heb er in de loop van de jaren heel veel aardige mensen
ontmoet. Vanzelfsprekend ook enkele draken, maar die blijken door de inwerking van
een doorgaans opgewekt humeur steeds verder te verbleken tot onbeduidende
schimmen uit het hiervoormaals.
Een van de aardige redacteuren uit de latere periode kwam ik vanmorgen
bij de Stads-Bio tegen, hij keek nogal zorglijk en meldde dat het met zijn ZZP-'acquisitie'
de laatste tijd
niet erg vlotte, maar dat hij zich had voorgenomen om daar na zijn maand vakantie in
Maastricht eens flink werk van te gaan maken, en dat hij binnenkort 'langs' zou
komen om dat hete hangijzer van de kleine zelfstandige redacteur eens nader met me
te bespreken, en ja, dat adres dat onthield ie wel, maar 'nu'
moest ie toch wel gezwind terug naar zijn vakantieadres. Ik zou van hem horen. En de
lezer van de Balthasarsblog straks dus ook.
Een andere 'educatieve' persoonlijkheid ontmoette ik tijdens de lunch postuum in een
artikel uit de zaterdagbijlage 'Spectrum' van Dagblad De Stentor, hij oogde wat ouwelijk
en onveranderlijk katholiek en vergevingsgezind jegens het taalgebruik van zijn compaan
Witte Veder, Arendsoog dus. Dat artikel van zaterdag jl. leidde gelukkigerwijs weer
tot een greep in de kast met herdenkingsboeken en libri amicorum, in welke greep
zich
tot mijn verrassing enige persoonlijke correspondentie met m'n eerste en allerbeste
uitgeverijcontact Piet Ruys bleek te bevinden. Toeval bestaat niet, zei de profeet,
want alles is toeval.
Arendsoog Jubilaris
Het bewuste artikel in 'Spectrum' heeft de knallende kop 'Arendsoog wordt 75', en heeft
de volgende intro: 'Arendsoog, de enige Nederlandse cowboy, viert dit jaar (2010) zijn 75e
verjaardag. Nog altijd lopen er op boekenmarkten fans, vaak de 40 al gepasseerd, die
de serie van 63 delen compleet proberen te krijgen. Arendsoog en zijn grote vriend
Witte Veder zijn nog springlevend.' - Daaronder
het omslag van deel 1 ('Arendsoog') op ware grootte, met op de jaren vijftig-tekening van Hans
G. Kresse de J.R. Ewing avant la lettre, en uiteraard de naam van de schrijver: J. Nowee,
en die van de uitgeverij: Malmberg. - 'Malmberg' was mijn eerste echte baan, ik begon
er meteen na mijn diensttijd, 5 februari 1962, en heb er het redactionele vak geleerd van hoofdredacteur
en adjunct-directeur Piet Ruys (ik eer hem hier met zijn nom de plume).
'Arendsoog' was een van de projecten waar ik me bijna meteen na binnenkomst in
het bedrijf mee moest bemoeien, nou ja, ik mocht de fouten uit het zetsel halen, en er
op toezien dat de tekenaar de omstandigheden uit de tekst getrouw in zijn illustraties
realiseerde. Die tekenaar was Hans G. Kresse, kunstenaar van een niveau dat de kwaliteit van de
Arendsoog-verhalen naar mijn idee verre overtrof. En die Kresse was niet gek hoor, ook al
was hij naar de normen van toen een beetje een grappig-merkwaardige man. Trof
hij in de kopij van de Arendsoog-auteur het stadje 'Dessert town' aan, dan kon hij het niet laten om
in de marge te noteren: 'Jaja, en maar toetjes eten in de woestijn, jaja!' - Een Arendsoog
moest altijd onder hoge spanning geproduceerd worden omdat de auteur altijd
te laat was met zijn manuscript. Hans Kresse deed daar meestal nog een schepje
bovenop: ook te laat, bovendien moest er altijd nog wel iets veranderd worden aan
de tekeningen. Hans kwam deze correcties meestal ter uitgeverij uitvoeren en schrok
er niet voor terug om daartoe onder de tafel te verdwijnen. Een serieuze man om mee
te lachen, zeker.
Vader en zoon Arendsoog
In het artikel in de Stentor stipt kleinzoon Jack Nowee o.a. de geschiedenis aan hoe
het schrijverschap van J. Nowee na diens dood overging op zoon P. Nowee. Bij de
dood van J. in 1958 lag de helft van deel 20 ('Arendsoog en de goudkoorts') in
typoscript gereed, ideeën over de
tweede helft gingen met J. het graf in. Uitgeverij Malmberg vroeg de familie Nowee
toestemming om een andere auteur het boek - anoniem - af te laten maken. Die
'anonieme andere auteur' was mijn baas bij Malmberg, Piet Ruys.
Vooruit met de geit, Malmberg kreeg de toestemming en Ruys schreef het boek
af. In zijn memoires ('Van aanleiding tot zucht (van verlichting) - Klein
uitgeverswoordenboek')
beschrijft hij dat als volgt: 'Ik heb het gedáán, d.w.z. ik heb me
in wat ik voor de stijl van Jan Nowee aanzag een paar weken in mijn avonduren
uit de naad gewerkt, om een voltooiing te produceren met zo'n turbulentie aan
verwikkelingen dat het kruit voor nóg vier Arendsogen verschoten leek.' - De
familie Nowee wees deze versie af, en kwam schoorvoetend met een eigen
resultaat op de proppen: zoon Paul had zich in het diepste geheim
teruggetrokken met een doorslag van het onvoltooide meesterwerk, en nou
ja, u begrijpt... memoreert Ruys: 'De familie was er ook door overvallen, maar het
zou toch wel heel mooi zijn als een zoon van de Schepper van Arendsoog...'
Kleinzoon Jack geeft in De Stentor een wat pittiger versie van deze bijeenkomst:
'Het manuscript was volgens de familie niet slecht, maar het was geen Arendsoog.
De familie zei: "Dit willen we niet. Als het zo moet, dan maar niet!" Zoon Paul
Nowee werd zelfs boos en vond het van de gekke dat een ander met zijn vingers
aan het boek van zijn vader zat.' - Ruys schrijft hierover in zijn levensterugblik:
'Ik zag mijn (anonieme) voltooiing al wegsmelten vóór ik dat stuntelige, primitieve
geschrift van Paultje gelezen had.'
Piet Ruys, bewonderaar
En zo geschiedde, en nog eens en nog eens en... Tot de serie uit 63 delen bestond: 19,5 van
vader J. en 43,5 van zoon P. Verder ging het niet, P. stierf in 1993, en had bij testament
bepaald dat niemand de serie voort mocht zetten, ook niet als er een halfvoltooid
manuscript zou liggen. Paul had zelf geen kinderen, vandaar misschien.
De anonieme voltooier van deel 20 (Piet Ruys zelve dus) zette niet alleen zijn teleurstelling
uiteindelijk van zich af, in zijn memoires gunt hij 'Paultje' zelfs de volledige eer. Op bladzij
16 schrijft hij daarover: '[...] Paul Nowee genoot niet alleen de voorkeur, hij genoot die ook
terecht. Een betere opvolger van Jan Nowee viel er niet te bedenken. Hij heeft in [ruim]
dertig jaar [43] titels aan de reeks toegevoegd, en kennelijk zó trefzeker voor de betrokken
doelgroep dat de hele backlist leverbaar moe[s]t blijven. Dat lukt alleen iemand die echt
gelóóft in Arendsoog, en daar een levensvervuling in ziet. Als mijn lezers menen dat ik
daarop zou neerkijken, moet ik ze teleurstellen, ik vind zoiets bewonderenswaardig en
legitiem.'
Enig bewijs voor deze - in dit geval misschien wel bewonderenswaardige - stellingname
meen ik bovendien uit Ruys
z'n memoires te kunnen destilleren. Ruys schreef zelf ook enkele jeugdboeken voor dezelfde
doelgroep als de 'Arendsogen'. Het betreft de tweedelige Steven Berger-serie, met de
titels 'Steven Berger en het geheim van de vulpen' en 'Steven Berger en de drie
schatgravers'. In de complete memoires van Ruys is Steven Berger in geen velden of wegen
te bekennen. Maar wel nog antiquarisch te verkrijgen, kijk maar op Google.
O, het zijnde
Piet Ruys stierf in 2004, ik heb veel aan hem te danken in die beginjaren van mijn
werkzame leven. Hij leerde me écht acribisch te zijn, onderrichtte mij en alle anderen
om hem heen dat 'eten' meer
is dan 'je voeden' en toonde aan dat het onverstandig is om hele literaire genres
(zoals bv. de detective) te negeren. Hij had het werk van Proust weliswaar niet gelezen, maar
wist wél hoe je zijn naam moest uitspreken, De 'Ring des Nibelungen' van Wagner kende
hij als zijn broekzak, voor neerlandicus en taalkundevorser Piet Paardekooper en de 'antieke'
filosoof Cees Verhoeven hadden we allebei een heilig ontzag. Piet Ruys zelf had tenslotte
een grote naam in het uitgeversvak, althans onder zijn echte naam.
Met Piet - later Pieter - had ik vaak gesprekken over van alles en nog wat, zoals ook over
de poëzie. Hij bleef het liefst met twee benen op de grond, en al te experimenteel moest het
niet worden. Een Buddingh', ja die kon hij wel hebben, Johnnie van Doorn en Jules
Deelder: top! - Herman de Coninck, die kenden wij toen nog niet. Toch wil ik Piet/Pieter
bij deze eren met diens gedicht 'Zoals - 1'. Het staat op bladzij 434 van het boek 'Herman
de Coninck - De gedichten', het kwam in 1998 uit bij Uitgeverij De Arbeiderspers. Ik
zou er nog eens graag met Pieter over gesproken hebben, want zo eenvoudig is dat
gedicht nou ook weer niet. Wel mooi dat het met Witte Veder begint, die sprak immers ook in
een verwarring zaaiende Indianentaal!
ZOALS - 1
Zoals Witte Veder zijn oor op de aarde kon leggen
en mededelen dat een bende bandieten in aantocht was,
zo luister ik aan taal om te weten welke betekenis
het straks weer in mijn gedicht voor het zeggen
zal hebben. Taal? Het maal tien, maal toen dat een woord
kan geven, ja aan wat. Wat wil de dichter
eigenlijk horen? Een eredienst van gemis voor wat er nog is?
Het cadeau van o aan werkelijkheid: dat ze bijna zo?
O, het zijnde. Zwijgen
is goed in hebben. Papier is goed in krijgen.
Het wordt ochtend. Praatjes van de merel
over alles heen: blokfluit met drie gaatjes.
Zo nu en dan bespreek ik een vijfsterrenboek in de Balthasarsblog. Het gaat dan
altijd om een boek dat ik iedere lezer gun, of je 'iedere lezer' nou als lijdend voorwerp
of als meewerkend voorwerp opvat. Dat is natuurlijk mijn particuliere mening die
het gevolg is van mijn enthousiasme over zo'n titel. In het recente verleden
schreef ik bijvoorbeeld over: De familie Masjber van de Russische
meesterschrijver Der Nister, De opwindvogel kronieken van de Japanse
duivelskunstenaar Haruki Murakami, De rokken van de ui van Duitslands
verguisde Günther Grass, Sprakeloos van de Vlaming Tom Lanoye. Allemaal vijf
sterren, allemaal dikke pillen, en allemaal van buitenlandse auteurs valt me nu
ineens op. (Er kruisen tegenwoordig blijkbaar weinig Nederlandse vijfsterrenpillen
mijn pad.) En ook deze keer is het weer raak: De niet verhoorde gebeden
van Jacob de Zoet***** (Amsterdam, 2010) is van de Britse schrijver David Mitchell,
het is 622 pagina's dik, en zo briljant gecomponeerd en geschreven dat de vijf
sterren beslist in de vette versie uitgeleverd dienen te worden.
De vertalers Harm Damsma en Niek Miedema zullen voor hun meer dan adequate
'overzetting in het Nederlands' binnen zeer afzienbare termijn gelauwerd worden
met de Martinus Nijhoff-prijs, dat is míjn stellige voorspelling. Van Uitgeverij Ailantus in
Amsterdam had ik nog niet eerder gehoord. Toch bestaan ze al sinds september 2007.
De naam Ailantus betekent volgens eigen zeggen: hemelboom. Met de uitgave van
'Jacob de Zoet' groeien ze inderdaad een heel eind in de juiste richting.
Voor de hiernavolgende bespreking ben ik o.a. te rade gegaan bij de recensie van
Hans Bouman in deVolkskrant van 22 mei 2010. Die recensie was voor mij de
aanleiding om het boek onmiddellijk aan te schaffen.
Deshima
Om te beginnen brengt David Mitchell een stukje Nederlandse geschiedenis
in beeld waar ik nooit een helder idee van gehad heb: de rol van de Hollandse VOC
op het eilandje Deshima voor de Japanse kust. Mitchell doet dat zo 'van binnenuit'
dat je niet kunt geloven dat deze Brit (Ier, eigenlijk) geen Nederlander en geen Japanner is.
Ter verklaring hiervan is het handig om te weten dat Mitchell met een Japanse vrouw
getrouwd is, en voor deze roman acht jaar research deed in Hiroshima.
Deshima is de belichaming van de Japans-Hollandse handelsbetrekkingen tussen pakweg
1650 en 1850. Gedurende die 200 jaar was Deshima een kunstmatig eilandje vlak
voor de kust van Nagasaki. Het was zegge en schrijve 'tweehonderd passen lang
en zo'n tachtig passen breed'. Op dit piepkleine Deshima mocht zich van Japan een
handjevol Hollanders vestigen, inclusief een wachttoren, Het Hoge Huis en een stel pakhuizen.
De VOC-schepen legden er aan, de goederen werden via een landbrug van en naar
het Japanse vasteland vervoerd. De Hollanders mochten het eiland niet af, en zaten
in feite dus min of meer 'gevangen' op Deshima. Tot ze via een VOC-schip afgelost
werden natuurlijk.
Boekhouder Jacob de Zoet ging in 1799 voor één jaar naar Deshima met de bedoeling
om daarna 'als een vermogend man terug te keren naar Zeeland om zijn geliefde
Anna te kunnen trouwen'. Dat ene jaar werden er zeventien.
Jacob de Zoet en Orito Aibigawa
'Klerk De Zoet' moet de boekhouding van de handelspost op orde brengen, want die is na
jaren van corrupt beleid in een puinhoop verkeerd. Het Opperhoofd, zoals de gouverneur
van Deshima genoemd wordt, is van zijn taak ontheven en zal berecht worden. Al snel ontdekt
De Zoet dat er dan wel een regime change plaatsgevonden heeft op Deshima, maar dat
de oude gewoonten van zelfverrijking en corruptie gebleven zijn. Jacob wordt als een
'doetje' beschouwd door de bestuurderen en dienaren die 'het spel weten te spelen', de
mannen van 'die VOC-mentaliteit, toch!', een uitspraak waar Jan Peter Balkenende
eeuwen later nog goede sier mee dacht te maken. - En dan wordt Jacob ook nog eens
verliefd op de Japanse vroedvrouw Orito Aibigawa, een praktisch onbegaanbaar
pad, dat een wel heel ingewikkelde Japanse uithoudingskunst blijkt te vergen.
Is Jacob de Zoet de hoofdpersoon van het eerste deel, halverwege de roman vindt
een onverwachte perspectiefwisseling plaats. Wanneer Orito's vader overlijdt en er grote
financiële problemen opdoemen, belandt zij via de machinaties van 'Abt Enomoto' in een
merkwaardig klooster, waar zij als 'de nieuwe zuster' aan seksuele slavernij en gedwongen
opiumgebruik ten prooi valt. Vanaf dat moment wordt het verhaal voor een groot
deel vanuit Orito verteld.
Europa en de koloniën
Auteur Mitchell heeft zijn roman op een wankelmoedig moment in de geschiedenis
geplaatst. In Europa is Napoleon aan de macht, de Republiek der Zeven Verenigde
Nederlanden is de door Frankrijk bezette Bataafse Republiek geworden, en
Groot-Brittannië maakt van deze machtswisseling gebruik om alle overzeese
koloniën in te pikken. Het kleine eilandje voor de kust van Nagasaki is de
enige plek op aarde waar het rood-wit-blauw nog wappert. De Britten zijn
serieus van plan om de bevoorrechte Hollandse handelspost met geweld
aan te pakken. In de roman zijn het de tijden van de bescheiden heldenrol
voor respectievelijk Klerk / Waarnemend Opperhoofd / President Jacob
de Zoet.
Maar ook in Japan begint men door te krijgen dat de Hollanders misschien
niet langer 'het venster op de buitenwereld' vormen. Andere landen zijn
intussen belangrijker en machtiger geworden. Het failliet van de VOC is
onafwendbaar gebleken. Tijd voor 'waarnemend Opperhoofd' De Zoet
om eindelijk naar Zeeland, meer in het bijzonder naar Domburg terug
te keren. Het is dan inmiddels 1817 geworden.
Tolken van rang en stand
In de roman is een aparte rol weggelegd voor de communicatie tussen de
'Japannezen' en de Hollanders. Een belangrijke rol dus voor de tolken, meer in
het bijzonder voor het rangensysteem van de Japanse vertalers. Belangrijke
documenten, transacties en besprekingen worden aanvankelijk begeleid door de tolken van
de derde rang, vervolgens door die van de tweede rang, en tenslotte door
de Tolk van de Eerste rang: een toppositie in de Japanse magistratuur van
Nagasaki.
De taal- en cultuurverschillen tussen de Japanners en de Hollanders maken
goede communicatie moeilijk, maar bieden ook bescherming: 'In duisternis
gehuld blijven is de buitenste verdedigingslinie van de Japannezen,' constateert
Jacob de Zoet. 'Het land wil niet begrepen worden.'
Op de slotpagina van de Nederlandse boekuitgave noemen de vertalers
Damsma en Miedema zich 'Tolken van de Derde Rang'. Die hier gecelebreerde
bescheidenheid vertoont alle kenmerken van het Japanse Formalisme. Dat krijg
je ervan, als je je hele ziel en zaligheid in een vertaling legt. David Mitchell mag
ze dankbaar zijn, die Tolken van de Eerste Rang. En anders de Nederlandse lezer wel!
Ware ik een Jacob de Zoet geweest, en had ik een geschenk voor Orito Aibigawa
moeten bedenken, dan was ik beslist uitgekomen bij het gedicht Visser van Ma Yuan
van de Nederlandse dichter Lucebert (1924-1994): stof voor eindeloze gesprekken
en tekstinterpretaties. Dat zou de hoofdpersonen hebben kunnen bekoren, dunkt me.
VISSER VAN MA YUAN
onder wolken vogels varen
onder golven vliegen vissen
maar daartussen rust de visser
golven worden hoge wolken
wolken worden hoge golven
maar intussen rust de visser
Ook mensen die het eeuwige leven hebben, of van wie je vermoedt dat
ze daarmee begiftigd zijn, gaan uiteindelijk dood. Zo iemand vond ik
bij voorbeeld politiek tekenaar Opland, CHU-politicus prof. dr. ir. I.A. Diepenhorst,
de schrijver Hugo Claus, en ook wel mijn bestebroer Krelis aan wie ik bij deze
het epitheton 'multatuli' wens te verlenen. - En gister dus
Jan Blokker. De eeuwige columnist, journalist, filmcriticus, televisiemaker,
beterweter en tweevingertypist is geveld, gesneuveld, en zwaar tegen
zijn zin van zijn taken ontheven. De dood van zulke iconen vervult je met
ongeloof: hoe kon dit gebeuren? Maar daar geeft geen enkele necrologie
antwoord op.
Scribent Jan Blokker 'ken' ik - als talloos veel anderen - al jaaaren, van zijn
columns en zijn historische artikelen (voornamelijk boekbesprekingen) in
deVolkskrant. Daar liep ie vier jaar geleden boos weg omdat ie viavia
gehoord had dat zijn geschiedenisrubriek 'Als de dag van gisteren' dreigde te sneuvelen
in het bezuinigingsgeweld en de verjongingswoede waar de krant zichzelf
mee opgezadeld had. Hij liep over naar concurrent NRC Handelsblad, met
de pest in z'n lijf, en in dat van z'n trouwe deVolkskrantlezers (die er sindsdien
dus drie keer per week een krant bij moesten kopen). Dinsdag nog had ie
een column in nrc.next, zijn laatste, dus wat je noemt 'in het harnas'. Die
column was getiteld 'Joseph Goebbels en Walter Ulbricht', en ging over
de (in)-formatie-ideeën van Felix Rottenberg. Niet eens zo heel erg tussen
de regels door (dat was zijn stijl niet) las Blokker hem de les, gaf hem er
unverfroren van langs. O,o,o, wat heb ik dit soort krantestukjes de laatste
jaren gemist, en nu helpt zelfs het bijkopen van een andere krant dus niet
meer. Om u en mijzelf te plezieren - en ook om u op de hoogte te
brengen van wat ook míjn gevoelens zijn bij dat onderwerp - citeer ik
daarom hieronder een deel van die laatste column.
Jan Blokker dus, op maandag 5 juli 2010 in nrc.next: 'Maar ik vrees dat
Rottenberg - alleslezer - een beetje heeft zitten snuffelen in de tientallen
boeken en geschriften die ooit zijn verschenen over de laatste jaren, de
laatste maanden, de laatste dagen en de laatste uren van de Weimarrepubliek,
toen politieke dromers als Papen, Streicher, Strasser en Hitler op hun kans
loerden en allemaal de aanstaande dictator wilden ‘inkaderen’ - waar Felix
in zijn allegorie dus de weergaloze Wiegel voor dacht te gebruiken.
Felix moet een mooi citaat van Sebastian Haffner (Von Bismarck zu Hitler)
gemist hebben. "De nationaal-socialisten," schreef die, "slingerden
voortdurend tussen links en rechts. In 1932 lieten zij zich vooral van
hun ‘linkse’, populistische kant zien. Dat ging zo ver dat zij bij een
staking bij het openbaar vervoer in Berlijn in november 1932 met de
communisten samengingen. Er bestaat een foto uit die tijd met Joseph
Goebbels en Walter Ulbricht samen op hetzelfde spreekgestoelte."
Ik heb nog twee vragen. Waarom lijkt Felix vooral bewondering te hebben
voor oudere politici als Jaap Burger, Hans Wiegel, Hans Hillen,
Alexander Rinnooy Kan en Dries van Agt - en denkt hij zo aan 1933?
En houdt zijn jonge vriend Maurice de Hond nog steeds gretig bij hoe
groot de PVV zou zijn als er vandaag was gekozen?'
Natuurlijk, een klein stukje column uit een gigantisch krantenoeuvre doet
geen recht aan de statuur van het geweten van de Nederlandse journalistiek
(en van wie weet wel van heel weldenkend Nederland). Een hele
column trouwens ook niet, noch een enkele aflevering van de tv-series Diogenes, Macchiavelli,
Het gat van Nederland of 'Zo is het toevallig ook nog eens een keer'. Maar
als u deze titels kent of herkent, dan komen - zo verging het mij tenminste - vanzelf allerlei
kwalitatieve flarden tijdsbeeld uw geheugen binnengedenderd. Zat daar in de jaren
zeventig, tachtig, negentig allemaal
de hand van Blokker achter? Ja, daar zat al die tijd de hand van Blokker achter.
Gisteravond
deed NOVA een poging om dat allemaal nog eens tot ons te laten doordringen. Het
was een wat ongelukkige poging. Allereerst natuurlijk omdat het de avond van 'de
halve finale' was, en er dus praktisch geen hond naar Nederland 2 keek. Maar ook
omdat er bij NOVA kennelijk niemand van de vaste crew thuis was: de regie was
volledig van slag, de presentator deelde (ongetwijfeld mede daardoor) volledig mee in de malaise,
en de eeuwige kornuiten Hans Keller en Hans Fels waren als gast te zeer onder de indruk van
Blokker's dood om de uitzending te redden. Het is maar de vraag of Jan Blokker zelf dat erg
had gevonden. Al die aandacht... dat leidt maar af van waar het in de wereld, en in het bijzonder
Nederland, in wezen om gaat: serieus lessen trekken uit het verleden.
Bijzonder was wel dat NOVA een
klein deel mocht uitzenden van het ruwe filmmateriaal voor een driedelig televisieportret
van Jan Blokker, dat de filmmakers Kris Kijne, Thomas Doebele en Maarten Schmidt de
laatste twee jaar bij
elkaar geschoten hebben. Het is de bedoeling dat Blokker daarin zelf 'het hele verhaal'
vertelt. - Ik kan bijna niet wachten tot 'de beste geschiedenisleraar van Nederland'
zijn eigen verhaal bij ons aan huis komt brengen.
'Blokker al gelezen?' Jarenlang was dat niet alleen een gevleugelde uitdrukking, hij
verwoordde toch vooral hoe belangrijk we het vonden om de mening van Jan Blokker
geconsumeerd te hebben alvorens zelf tot een definitiever oordeel over de onderhavige
kwestie te komen. Kom daar nog eens om! Helaas, zo'n columnist bestaat niet meer.
'Even weg': onder die even simpele als doeltreffende kop boven zijn column kondigde
Jan Blokker altijd aan dat ie een paar weken met vakantie ging. In die periode waren we allemaal
een beetje verweesd en bang dat er iets belangrijks zou gebeuren. Want wat zou
Blokker daar wel niet van gevonden hebben? - Bij testament is de kop inmiddels
vervangen door de nog simpeler, nog doeltreffender, en vooral definitiever
mededeling: 'Weg'. Daaronder geen column. We zijn op onszelf aangewezen.
Gister en vandaag is in alle serieuze media de dood van Jan Blokker gememoreerd en
bezongen. Daar wil ik niet bij achterblijven, hij was een belangrijk man. Hier in de Balthasarsblog
wil ik hem daarom een saluut brengen met het historiserende gedicht De eerste foto van
Hitler, van Wislawa Szymborska (ja, die alweer!). Het is een gedicht in de geest van Blokker:
wat kan het verleden ons leren? Maar oordeelt u vooral zelf. - Het
gedicht komt uit de bundel 'De mensen
op de brug' (1986), de vertaling is van Gerard Rasch.
DE EERSTE FOTO VAN HITLER
Wie is dat snoesje in dat babyjurkje toch?
Dat is nu de kleine Adolf, 't zoontje van de Hitlers.
Zou hij misschien doctor in de rechten worden?
Of als tenor in de Weense opera gaan zingen?
Van wie is dat handje, van wie dat oortje, oogje, neusje?
Van wie dat volle melkbuikje is, weten we nog niet:
van een drukker, chirurgijn, koopman, pastoor?
Waarheen zullen die grappige beentjes hem brengen?
Naar de speeltuin, school, kantoor, een huwelijk
met de burgemeestersdochter misschien?
Ons dreumesje, engeltje, kruimeltje, zonnetje,
toen het een jaar geleden ter wereld kwam,
ontbrak het niet aan tekens te land en in de lucht:
de voorjaarszon, geraniums voor de ramen,
de muziek van een draaiorgel buiten op straat,
een voorspelling van voorspoed in roze zijdepapier,
vlak voor de bevalling de profetische droom van de moeder:
een duifje zien betekent een blijde boodschap,
deze duif vangen; er komt een langverbeide gast.
Klop, klop, wie is daar, dat is kleine Adolfs hartje.
Een speentje, luiertje, slabbetje, rammelaar,
wat een joch, God zij geloofd en afkloppen, gezond,
hij lijkt op zijn ouders, op de kat in haar mandje,
op de kindertjes in andere familiealbums.
Nee, we gaan nu toch niet huilen,
meneer de fotograaf doet dadelijk klik onder zijn zwarte doek.
Atelier Klinger, Grabenstrasse Braunau,
en Braunau is een kleine, maar keurige plaats,
degelijke winkels, nette buren,
de geur van verse bolletjes en huishoudzeep.
Geen jankende honden of onheilspellende voetstappen.
De geschiedenisleraar doet zijn boordje los
en gaapt onder het nakijken.
Deze week voor het eerst van m'n leven in Wolfheze geweest, dorp
aan de spoorlijn naar Ede/Wageningen, zo'n 16 km wandelen vanaf
station Arnhem, uitgang Sonsbeekzijde - ook bekend van het Protestants
Psychiatrisch Gesticht Wolfheze. Het was maandag, 'n graad of
18, nauwelijks wind, veel bos en 'n aangenaam zonnetje. 'Ideaal
wandelweer,' zeggen liefhebbers dan. En dat was het. - Sterker: het
was zonder meer een prachtige wandeldag, met dank aan de NS, het
geringe aantal medewandelaars en
het schitterende landschap wijd en zijd. Gevieren hebben wij ervan
genoten, van de Warnsborn-wandeling, zegt het voort (al heb ik daar
persoonlijk dan al meteen weer bedenkingen bij, er zijn
inmiddels toch wel ruim voldoende wandelaars die allemaal hun weg wel
weten te vinden?). - Want bewegen móet.
Punt van voorbereiding bij álle NS-wandelingen: is er ergens een
mooie pauzeplaats, om comfortabel wat uit te rusten en een kopje
soep te eten (die ideale oppepper voor het ouder wordende lijf)?
De routebeschrijving gaf legio mogelijkheden aan, uitzonderlijk!
Maar toch weer helaas: buiten de waard, de crisis en de maandag
gerekend. De startkoffie in het Arnhemse Informatiecentrum viel uit
omdat de zaak verhuurd was aan een 'cursusgezelschap'. Het eerstvolgende
hotel kon niets serveren omdat ze 'in rust waren' aangezien ze
'op dit moment' geen hotelgasten hadden. Bij het andere hotel vielen
we buiten de streng bewaakte blokuren: 'Nee, meneer, de keuken is
om drie uur dicht, tot vijf uur, dan gaan we open voor het diner.' - Het
was zegge en schrijve tien over drie, en de dagsoep zou maar liefst
8 euro gekost hebben! Tel je zegeningen als je geweigerd wordt!
Enfin, honger en dorst zijn eigenlijk nooit issues, omdat een beetje wandelaar
nou eenmaal altijd een fles water, een appel en een krentenbol in zijn
rugzakje heeft zitten. Dáár zat de teleurstelling deze keer dus zeker niet in. Het is
- zoals zo vaak - de onberekenbaarheid van de horeca, de onbegrijpelijke
seizoenssluitingen en het verregaande gebrek aan service om de klant
is het niet vandaag dan wel over enige tijd aan je te verplichten. Maar ho, stop:
zeker even vaak worden we positief verrast door het biologische theehuis met
citroencake van de buurman of de eetcafé-eigenaar die persoonlijk de pan op
het vuur zet al is het tien uur in de avond! - De horeca had afgelopen maandag
gewoon een wat mindere dag, daar heb ik zelf ook wel eens last van, laten we
het daar maar op houden.
De snackbar aan station Wolfheze deelde gratis oranje vuvuzela's uit, maar
wij gaven de voorkeur aan het halen van een 'vroegere' trein. Wij checkten in,
posteerden ons langs het juiste perron, en vergaapten ons aan de laatste houten
spoorbielzen, waarvan er een lustig op los rookte, de sigarettenpeuk binnen
handbereik. Ik sprenkelde er m'n overgebleven water over uit, en dacht zo'n
beetje de held van de dag te zijn. Behaaglijk leunde ik achterover op het
stationsmeubilair en kreeg meteen 'als straffe gods' een zieke zeloot
over me heen die in één lange litanie alle zegeningen en straffen van
de HereHere over me uitstortte. Ik vermeed het haar aan te kijken en
hoopte dat ze een toegankelijker slachtoffer in het vizier zou krijgen. Ik
was geneigd om de HereHere daar vriendelijk doch dringend om te
verzoeken. Maar ik kreeg geen belet.
Ten einde raad ging ik nog maar eens op de vertrekstaat kijken: de halfuursdienst
bleek helaas nog niet ingegaan, en zo hadden we nog een halfuur extra waarin de ene
na de andere sneltrein ons met grof geweld op het smalle perron voorbijdenderde. Ik ontweek
met gebogen hoofd de boetepredikster en ging het brandende bielsbraambos nog
maar eens inspecteren. Dat rookte er weer vrolijk op los, ondanks de leeggegoten
waterflessen van m'n medewandelaars. Was dit een ernstige zaak? Dat konden we
niet echt geloven, ook al niet omdat drie van ons vieren nauwelijks tot geloven geëquipeerd
zijn. - Daar was eindelijk de trein, ons boemeltje naar Arnhem. De oranje vuvuzela
hadden we nog met gemak af kunnen halen, maar helaas, voetbalfanaten zijn we
ook al niet, vergeten dus.
Achter ons stapte nog een gezelschap wandelaars in, waarvan de mannelijkste
onmiddellijk de conducteur overrompelde: dat er een biels lag te roken, en dat hij
bij dezen gewaarschuwd had. De trein vertrok zonder vertraging. En bij het regionale
nieuws was er 's avonds geen melding van rokende bielzen in Wolfheze. Ik kon
een licht gevoel van teleurstelling niet onderdrukken, en meldde dat opgelucht aan
mevrouw B. Die las onverstoorbaar voort in de bestseller
Stoppen met roken van Allen Carr, het boek dat ze geregeld in de arm neemt om haar eigen
bielzen-demonen in het gareel en rookvrij te houden. Als dát geen goddelijke voorzienigheid is!
Om m'n wat ongemakkelijke gedrag tegenover de Zeloot van Wolfheze en
anders wel de HereHere Zelve vandaag enigszins te rechtvaardigen, zocht ik hulp en
toevlucht in de bundel De goddelijke gekte (Amsterdam, 1986) van de
getroebleerde dichter Hans Vlek. Op bladzij 47 trof mij opnieuw het gedicht 'De Heiligen
der Laatste Dagen', niet zozeer als ideale afsluiting van deze Balthasarsblog, veeleer
als hommage en compassie met alle gekken en zeloten onder ons.
DE HEILIGEN DER LAATSTE DAGEN
De Heiligen der Laatste Dagen
hadden een kerk naast mijn kamer.
Ik, net terug uit het gekkenhuis, hoorde
elke zondag een hemels zingen zuiver
en ijl en zag de heiligen,
goedgeknipt in keurig-grijze en blauwe
pakken gezeten onder het portret van
Christus, bruingebronsde technicolorheld
met baard, terwijl ik van eenzaamheid
verteerde en mijn eigen
schaamteloos kruis met
geen ander delen kon.
Op straat meed ik ze als de pest,
de zwarte dood der inkten.
Of ik wel wist wat.
Bedronk me aan 'n droom van woorden
maar huilde bij hun zuiver zingen
bijna om mijn eigen stem.
Dit stukje hoort eigenlijk in de subserie 'Verval 1, 2, 3, ...' (waarvan de tel
inmiddels zoek geraakt is in de krochten van mijn geheugenrest), en betreft de
neergang van het gezichtsvermogen. Op
een manier die niet eerder aan de orde was, sterker, waar ik nooit van gehoord
had. Okee, natuurijk niet goed opgelet al die jaren, want dat het specifiek in mijn geval
over een nieuw fenomeen zou gaan, nou nee. Zolang er niets mee aan de hand
is, meldt niemand je er iets over. Zoals dat met zoveel dingen gebeurt, dat weet
een kind. Ik hoef bij voorbeeld maar het begrip 'PSA-waarde' (23.000 vindplaatsen
op Google) te roepen, en de helft van de manneljke bevolking (onder de veertig)
weet niet waar ik het over heb; de andere helft (boven de veertig) is er
zowat dagelijks mee bezig, of is er in elk geval wel eens van geschrokken (want
praktisch geen enkele man ontkomt eraan). - Enfin, nu over gezichtsscherpte dus.
Afgelopen zaterdagmiddag hadden wij een afspraak bij de opticien - Nederland
moest tegen Japan voetballen, het zou dus wel heel rustig in de winkel zijn meenden
wij. Alle tijd kortom voor een uitvoerige check van onze opgespaarde en al dan niet
vermeende visuele klachten. De zaak had Neela (niet haar echte naam) het veld ingestuurd,
de mannelijke collega's zaten 'boven' aan het televisietoestel. Het grote testen kon beginnen,
en daar ging de winkelbel al. MC 1 (Mannelijke Collega 1) kwam de trap afgestormd, en
hielp een kennis aan een nieuw brillenkoordje en een uitvoerig praatje over een deel van hun
gezamenlijke verleden. De onwil droop uit zijn mondhoeken, maar kon hij anders? -
En Neela, zij checkte voort.
Dingdong, daar waren de klantnummers twee en drie, en daalde ook MC 2 in de
winkel af naar het bejaarde echtpaar met de knellende brillenbenen en een gehavend
neuskussentje. Mister 2 had daartoe tevens
het advies nodig van MC 3, die zich met tegenzin van de vuvuzela losrukte en tegendraadse
aanwijzingen begon te ventileren. - En van boven en uit alle belendende ruimtes binnen en buiten brak toen een
eenmalig maar oorverdovend orkaangeweld zich baan, één nul, en niemand van het brillenvolk
die het gewaarwerd! En Neela, zij checkte voort, met letters en cijfers, in groen en in rood,
met 'zo beter of slechter', 'probeert u het nog eens', '1 scherper of 2, 1 was dit, 2 is dit'. - En
concludeerde met mevrouw B. tot een lichte teruggang in alle functies en een nieuwe bril met
vele mogelijkheden en ijdele aspecten.
- En wat is uw geboortedatum, meneer B.? / Ja... huisnummer? / Laat u de kin hier
maar op rusten. / De laatste keer was... o, u hebt al twee een glas laten vervangen in deze bril? /
Veel vaagheid, letters lopen in elkaar over, te krap panoramabeeld - we zullen eens zien. /
Kunt u de tweede rij lezen? / En wat was uw beroep, meneer B.? / Zo beter? Of zo? /
Focust u alstublieft op de 5 in het groen. / Probeert u de onderste rij nu nog eens. / Wat
is uw geboortedatum? / En als u zich eens extra inspant? / Zo beter? Of zo? / Kunt u
het oog wat verder opendoen? / En als u nu met beide ogen tegelijk... / Kunt u de tweede
rij lezen? / Zo beter? Of zo? / Heel goed. Gaat u maar wat achteruit met het hoofd. Het is klaar.
- Goed dat u gekomen bent. Ik meet rechts een achteruitgang van 0,75 en links van 1,00.
De cilinder is ook veranderd. En ja, dat is minder leuk, de gezichtsscherpte was de
vorige keer nog 100, en nu 80. / Wat dat betekent? / Dat het vermogen tot waarnemen,
ook na maximale correctie, 80% is. Met andere woorden:
die laatste 20% kan ik niet meer met een hogere sterkte compenseren. En dat zal ook
in de toekomst niet meer verbeteren. U zou wel uw waarnemingsbeleving enigszins kunnen
verhogen met een wat groter glas, en met de maximale variluxvariant. Want kijk...
Enfin, tot de aanbevelingen naast een andere bril behoren nu ook nog: een plasmatisch
computerscherm in de plaats van onze oude monitor (liefst een laptop omdat je daarmee
ook de ideale kijk- en leesafstand zelf kunt bepalen en toepassen), en op termijn een platte
televisie. Verzoeken om een grotere letter op verpakkingsetiketten en gebruiksaanwijzingen
zullen weinig uithalen, maar het moet nou ook allemaal weer niet ál te gemakkelijk worden voor
de ouder wordende mens. En ja, het kost weer een paar duiten, maar waar zou je die beter
aan kunnen besteden? - Het hele voetbal was ik tijdens de check volkomen kwijtgeraakt,
dus toen de straat zich ineens begon te vullen met oranje toeters, dito hoofddeksels en
bierglazen van een Brabants Babe-merk wist ik hoe laat het was. Tijd om uit te checken
en een pittig flesje 'ogentroost' in te slaan.
Dat woord brengt mij auf Flügeln des Gesanges op Guido Gezelle (1830-1899),
Vlaams dichter zonder weega die
God en mens en natuur tegelijk was. En dat nog op papier kon krijgen ook. En hoe! Het
gedicht 'Oogentroost' nu voor de doorzetter en de liefhebber. Het stond oorspronkelijk in
de bundel 'Rijmsnoer om en om het jaar' (1897). - Hardop lezen, het werkt, echt! En
anders nog maar een keer. Je kijkt je ogen uit, op de natuur, de natuur, de natuur. Dat
is míjn samenvatting van de naam Gezelle. Over gezichtsscherpte gesproken!
OOGENTROOST
Mijne oogen troost het boomgewaai,
dat groene is, te allen stonde;
maar liever zie ‘k, als alle groen,
het groen, te platten gronde.
Den moederschoot nabij, en nog
maar eerst eruit gekropen,
den borsteling gelijkt het, die
zijn hert heeft zatgezopen.
Het spant, van louter levenslust,
het blijkt, in al zijn' leden,
één maagdelijk vertoog van versche
en vaste groeizaamheden.
o Raaploof, dat, te winterwaard,
zoo mooi, zoo malsch van blâren,
den dooden stoppel groene dekt
de milde koorenaren!
o Bontgepinte klaverdriesch,
o moestuin, o de stalen
van ‘t duistergroene silderloof,
wie weet u af te malen?
Wie al de wisselverwigheid,
wie ‘t donkerende dalen,
wie ‘t scherp- en scherper groene zijn
van ‘t mos, mij af te malen!
o Koorenveld, dat ruwt alreê,
vol duizendduizend naalden,
die rood, en nu ten groene gaande,
uit uwen rugge straalden!
Hoe schoone is uwe uitwendigheid,
van langsten nagekeken,
als al die duizend naaldekens
vol diamanten steken!
o Gers, dat al zoo verre strekt
als ooit mijne oogen droegen,
ik weide in uwe oneindigheid,
met eindeloos genoegen!
De boomen staan, half uitgeleefd,
in kakelbonte reken,
te midden al dien bodempracht,
vol stervend goud gesteken.
De zonne zaait daar zoet geweld
van najaarslicht op neder,
en lachen doet ze, lieflijk, al
die landsche groenheid weder.
Die oogen hebt ge, en God aanziet
in ‘t schoone, komt aanschouwen
hoe schoon de vloer, te najare, is
van Vlanderens landouwen!
Vandaag geen balthasarsblog, geen tijd, geen prioriteit, want.
Dringend vier onderhanden boekwerken uit te lezen:
Wieslaw Mysliwski, Over het doppen van bonen
Henning Mankell, De gekwelde man
David Mitchell, De niet verhoorde gebeden van Jacob de Zoete en
Tom Hodgkinson, Leve de vrijheid - Hoe ontkom ik aan de cultuur van het moeten
Stuk voor stuk pillen, ongemeen boeiend, haastvragend.
Vooral Hodgkinson lijdt onder zijn eigen ondertitel.
In de tuin schreeuwen vier heggen en hagen om snoeischaar en mulch.
Ja juni, dan weet je het wel, we groeien dicht.
De zilvergrijze kamers zijn nog steeds niet helemaal af.
Deur nog, kozijn nog, lamp nog, ik moet er vanaf.
We lopen flink achter op ons eigen wandelprogramma.
Dat schuurt en scharniert niet lekker hoor.
Zeef en afvoer moeten dringend ontstopt en verschoond.
De wasmachine geurt er iedere dag om.
Ik moet, ik moet.
Nou ja, niks.
Nou ja, minder.
Nou ja, wat ik wil.
Nou ja, waar ik zin in heb.
Of wat moet.
Zo, nu eerst maar eens even niks, de cd afzetten, een aardbei eten, het komkommerkruid stutten.
Nou ja, één gedicht dan, van Gerrit Kouwenaar, voor de tijd me ontvalt. men moet, dus:
MEN MOET
Men moet zijn zomers nog tellen, zijn vonnis
nog vellen, men moet zijn winter nog sneeuwen
men moet nog boodschappen doen voor het donker
de weg vraagt, zwarte kaarsen voor in de kelder
men moet de zonen nog moed inspreken, de dochters
een harnas aanmeten, ijswater koken leren
men moet de fotograaf nog de bloedplas wijzen
zijn huis ontwennen, zijn inktlint vernieuwen
men moet nog een kuil graven voor een vlinder
het ogenblik ruilen voor zijn vaders horloge -
In oktober 1963 kocht ik voor mijn meisje en haar verjaardag een reproductie van
Marino Marini, voor op haar kamer in H. Zij werkte er in de gemeentelijke ambtenarij, en
huurde een kamer bij mevrouw J. Heel af en toe ging ik naar H., en dan bezochten
we natuurlijk ook mevrouw J., en M.'s kamer aldaar. Die kamer kon wel iets leuks aan de
muur gebruiken. Vandaar die reproductie van Marini. Gekocht bij een echte
kunsthandel, en daar ook op houtpaneel geplakt, gevernist en voorzien van een witte lijst. Er staat uiteraard
een paard-met-ruiter op, in roden en zwarten, is gesigneerd met 'Marini' en gedateerd
op 1955. Het geheel kostte me 42 gulden 50, ook dat staat in mijn geheugen gegrift. Mijn
moeder vond het één grote geldverspilling, mijn meisje vond het gelukkig prachtig.
Van Marini (1901-1980) had ik geloof ik nog nooit gehoord, hoewel ik daar nu meteen aan twijfel. Want
al in mijn middelbare-schooltijd kocht ik enkele kunstboekjes, 'Phoenix Pockets'
van Uitgeversmaatschappij W. De Haan. Ze staan bij ons nog steeds in de kast, onder
'kunst', en
hebben titels als 'De moderne beeldhouwkunst in Europa' en 'De schilderkunst van
onze tijd', eerste druk september 1958. Wacht, ik pak ze er even bij om te zien of
Marini daar al in voorkomt. - En jawel hoor, tweemaal prijs bij de beeldhouwkunst,
afb. 45 en 46 in zwart-wit. En ze heten allebei 'Paard met ruiter'! Heeft die man nog
wel eens iets anders gemaakt dan 'paard-met-ruiter's? In het boekje
over de 'schilderkunst van onze tijd' kan ik Marini niet vinden, niet bij de
zwart-wit-reproducties en ook niet in de tekstenbrij. Aan registers deden ze in die
tijd bij De Haan kennelijk nog niet.
Enige tijd nadat M. en ik meneer en mevrouw B. geworden waren, bezochten wij voor
het eerst van ons leven een groot museum met beeldentuin, het Kröller-Müller Museum
in Nationaal Park De Hoge Veluwe nabij Otterloo. Bij de ingang van het museum stond
een prachtig paard-met-ruiter-beeld, schitterend geverfd hout in onder andere de tinten
rood en zwart. Wij waren er meteen weg van, waar nog een flinke schep bovenop kwam
toen we ontdekten dat het van de Italiaanse meesterschilder/beeldhouwer Marino Marini was! -
Sindsdien heeft het Kröller-Müller ons als vaste klant, en steevast gaan we eerst
op zoek waar de Marini gebleven is, want bij de ingang staat ie allang niet meer. Pas
na deze begroeting staan wij open voor de rest van de collectie, inclusief actuele
tentoonstellingen, installaties en natuurlijk de beeldentuin. Een feest in
hoofdletters, elke keer weer.
De reproductie van onze eigen paard-met-ruiter-variant - in zwart en rood, paard
met drie poten, ruiter met één been - hoort nog steeds tot onze vaste collectie. Marini
is in al die jaren niet verdreven door verworven originelen en andere unieke werken van mindere
goden en godinnen. Tot mijn genoegen hangt Marino Marini's 'Paard-met-ruiter' al sinds onze laatste
verhuizing, nu alweer zo'n achteneenhalf jaar geleden, boven de computertafel. Vreemd dat ik
daar niet eerder over begonnen ben... Om op een recente reclamecampagne te variëren:
er zal toch niets mis zijn in mijn bovenkamer?
Bladerend in de kunstboekjes van mijn jeugd herken ik veel waar ik later écht van ben
gaan houden, de 'echt groten der aarde'. Sommige foto's zijn uit de boekjes geknipt
(de potjes van Morandi!), een
omslag moet het doen zonder het beeld van Maillol dat ook in Kröller-Müller te vinden is,
de helft van de beeldenfoto's heb ik dubbel 'wegens een bindfout'. Het blíjft heerlijk om
in je oude boeken te snuffelen, een reden te meer om er nooit een weg te doen.
Een beetje blogger plaatst natuurlijk een afbeelding van het besproken kunstwerk bij
zijn tekst. Maar ónze Marini heb ik nergens kunnen vinden, wel vergelijkbare
paard-met-ruiter's, alleen niet de enige echte! Beter is het natuurlijk om zelf naar het
Kröller-Müller te gaan, en daar in meervoud te genieten van 'de Marini' en al dat andere
moois. - Intussen - en dat tot troost en verbreding van
het onderwerp - hieronder het gedicht 'De twee apen van Bruegel' van de Poolse
dichteres Wislawa Szymborska. Daar staat ook geen reproductie bij, en toch zie
je het schilderij zó voor je. Maar ja, Szymborska, over 'echte groten' gesproken...
DE TWEE APEN VAN BRUEGEL
Zo ziet mijn grote eindexamendroom eruit:
twee apen zitten aan de ketting voor het raam,
buiten waait de hemel voorbij
en baadt de zee.
Ik leg examen af in de geschiedenis van de mensen.
Ik stotter en modder.
De ene aap, die me aanstaart, luistert ironisch,
de andere doet alsof hij dut -
maar wanneer op een vraag een stilte volgt,
zegt hij me voor
met een zacht gerammel van zijn ketting.
Wat is er eenvoudiger dan een tafel? Vier poten en een blad, stoel erbij en schrijven maar,
eten maar, krantje lezen maar, was opvouwen maar, fietsroutekaart bekijken maar, nieuwe
aanwinsten opstapelen maar, kaartje leggen maar. Niets zo handig en multifunctioneel als een
tafel, de tafel kun je niet missen, geen minuut - maar wiebelen mag ie niet!
De aankoop
Over het waarom en hoe van een nieuwe tafel schreef ik begin deze maand al (5 mei,
Zilvergrijze toekomst). Dat gaan we dus niet overdoen. Maar intussen zaten wij er
wel op te wachten, op onze nieuwe tafel, die besteld moest worden omdat de juiste
maat niet in de zaak aanwezig was, maar nog wel bij de makers die aflevering binnen
een week toezegden. Hergebruikte brede delen teakhout, loeizwaar en getekend door
een intens en krijgshaftig verleden.
Tot de telefoon ging: vrijdagochtend 11 uur, of dat schikte. Het schikte, en meteen
maakten wij de eetkamer gereed voor de ontvangst. Oude tafel eruit, oude stoelen eruit,
oud kleedje eruit, vloertje gedweild, vloertje geboend. Oja, en te zijner tijd misschien
toch ook eens een ander lampje aan het plafond? Een juweeltje misschien deze keer?
Jaja, dat zien we nog wel, dat kan wachten, B. Eerst die nieuwe tafel nou maar eens.
De bezorging
De jonge en de oudere sterke man droegen een omgekeerd tafelblad van stoffige
allure door de openstaande tuindeuren naar de gereedstaande stoelen. De stoelen
stonden in twee rijen van drie en waren inmiddels voorzien van grijze verhuisdekens.
Handig deponeerden de twee mannetjesputters het zware omgekeerde blad op
de zes aldus toegeruste stoelen. Waarom dat zo moest, het was me een raadsel. Vooralsnog.
Even later brachten de mannen vier zware poten binnen, elk in de kop voorzien van twee
fors uitstekende pennen, koperen bouten bij nader inzien. In een mum van tijd waren
de poten in het blad geschroefd, sleuteltje veertien geloof ik, en toen kwam de truc. Ik werd
vriendelijk gesommeerd om één rij van drie stoelen terzijde te schuiven
terwijl de twee mannen het blad lichtten, en met een handige zwaai brachten zij de
tafel vervolgens tot staan. Hun knieën hadden nog geen knikje gegeven!
De verhuisdekens werden opgevouwen, 'reukloze' teakolie royaal over de tafel uitgegoten
en met een soort van theedoek ingewreven, de rekening voldaan en 'als er iets is, dan
hebt u hier ons kaartje'. Nog veel plezier ermee en wie weet tot een volgende keer. -
Wij schoven meteen aan.
Ingebruikneming
En zwegen stille. Want wat zullen we nou krijgen?! Die tafel is ons te hoog, veel
hoger dan het exemplaar in de winkel, die van dat andere formaat dat ons niet paste.
- 'Ach, dat valt toch wel mee. Even wennen, en misschien moeten we van die glijspijkers
onder de stoelpoten slaan, en de viltjes onder de tafelpoten vandaan halen, dan zal het misschien toch
wel gaan, zou het niet?'
Het zou niet. We voelden ons als aapjes voor het hoge venster, de handjes in de
strekstand voor het gezicht. Maar over de rand naar buiten kijken konden we niet. Moeilijk
vol te houden dus dat wij er lekker bij zaten. We maten de hoogte
van onze oude tafel nog eens na, en ook de tuintafel, en de computertafel. Duizend
bommen en granaten! - Hoe
laat is die zaak morgen open? 10 uur? Dan ga ik de kwestie meteen bespreken: deze
tafel moet 4,5 cm lager worden. 'En wat denkt u daaraan te doen?'
'O, maar dan gaan we die tafelpoten toch zeker even voor u inkorten. Brengt u de poten
maandag even langs? Dinsdag is de timmerman hier, die zaagt er dan wel een
stukje af. Let u er wel even op dat
elke poot uniek is, en een eigen codering heeft, sleuteltje veertien ja, en dan zijn ze
's avonds weer klaar, zodat u ze weer elk op hun eigen plaats kunt monteren. De
afgezaagde stukken krijgt u van mij retour, want veel mensen komen later toch weer terug
van hun hoogte, en willen er dan weer een stukje bij. Zit u altijd goed!'
En retour
Mevrouw B. en ik probeerden de tafel om te keren en op de zes stoelen neer te vlijen. Vergeet
het maar: wij waren duidelijk niet de sterke mannen met de juiste trucs. Ten langen leste
kregen we het blad wel op de grond, met een kritiek moment van twee poten
in kwetsbaar schuine stand vlak voor de definitieve omkering. Het zweet stond ons op de
bovenlippen en de onderste ruggenwervels krijsten alarm! - En toen moest het
lossleutelen van de poten op de knieën nog beginnen. Wat een zondagavond!
Op maandagochtend bleken de poten te groot en te zwaar om ze per fiets te vervoeren.
Dus dat werd nog een heel geregel voordat de timmerman op dinsdag aan de slag kon.
Evengoed kregen wij de bewerkte poten wel degelijk dinsdagavonds te tien uren wederom
thuisbezorgd. Inclusief de vier bij elkaar getapete overblijfselen, en een handdruk met
sterkte van de bode.
Tegen middernacht had ik de poten gemonteerd (inderdaad met sleuteltje veertien dat
zich tot mijn verrassing in mijn oude gereedschapskist bleek te bevinden), met behulp
van de buurvrouw keerden wij de tafel, en constateerden dat die stond als een huis!
En paste als een handschoen. - Het werd een late borrel, een genot aan de eettafel!
Krijg nou wat!
Opruimerig als ik ben, wilde ik de volgende ochtend, woensdagochtend, de pootrestanten,
nog steeds als één pakketje bij elkaar
getapet, in de schuur opbergen. Ik keek die vier stukken zo eens aan, en vond er iets vreemds
aan. Ik pakte de duimstok en mat ze allevier, stuk voor stuk, na. Vier keer een andere
uitslag, met een bandbreedte van vier mm! Hoe kan een tafel waterpas staan, als er per
poot 'zo'n beetje ongeveer 4,5 cm' van afgezaagd is?!
Ik belde meteen 'de zaak' om van dit raadsel af te komen. - 'De timmerman? Nee, die is hier alleen
op dinsdag, Dus dan moet u volgende week nog eens bellen. Een bijzondere man? Ja,
dat is ie zeker, een beetje een kunstenaar zeg maar.' - Enfin, over een week hoop ik u nader
te berichten aangaande de tafelpoten.
Superieur eenvoudig gedicht
Al bij al genomen blijkt een gemiddeld mens als ik toch nog heel wat woorden
nodig te hebben om een reeksje eenvoudige gebeurtenisjes een beetje logisch
achter elkaar te vertellen. Dat moet toch beter kunnen, denk ik in zulke gevallen altijd.
En jawel hoor, het kan beter. Neem bij voorbeeld het gedicht Pluk de dag
van C. Buddingh'. Superieure eenvoud voor een superieur eenvoudig onderwerpje
van niks. Maar wel briljant helder en beknopt verteld. Doe dat maar eens na!
Het mooiste is het natuurlijk als je de dichter zelf dit vers hoort voorlezen:
superieure monotonie in een superieur karakteristiek timbre. Maar helaas, Buddingh'
is reeds in 1985 overleden. Dat was een dichtertje, hoor! En een superieure
performer! Hoort:
PLUK DE DAG
vanochtend na het ontbijt
ontdekte ik, door mijn verstrooidheid,
dat het deksel van een middelgroot potje marmite
(het 4 oz net formaat)
precies past op een klein potje heinz sandwich spread
natuurlijk heb ik toen meteen geprobeerd
of het sandwich spread-dekseltje
ook op het marmite-potje paste
Mijn oude vriend Bé schreef me enige tijd geleden: 'Hoe verhelderend kan een
biografie zijn? In die van Wislawa Szymborska las ik dat ze het gedicht 'Een
kat in een lege woning' schreef vlak na de dood van haar geliefde, Kornel
Filipowicz. Deze wetenschap plaatst het gedicht, waar ik eerder om had
gelachen, in een heel ander daglicht.' - Dat gedicht staat onderin deze
Balthasarsblog, dus oordeelt u zelf. Maar eerst nog even wat ander oefenwerk.
Er staat wat er staat
Zelf ben ik nogal van de school die close reading heet. Uitgangspunt van
deze methode van lezen is: alles staat in de tekst zelf, biografische of
andere literaire informatie doet in feite niet terzake. Het tijdschrift dat deze
methode van literatuurbeschouwing met verve uitdroeg heette Merlijn; het
verscheen gedurende vier jaargangen, van 1962 tot 1966 (de tijd dat ik zelf M.O.
Nederlands studeerde aan de Leergangen in Tilburg). Kees Fens was een van
de oprichters van dit literaire tijdschrift. Literatuur moest op een meer wetenschappelijke
manier worden benaderd, dat was het idee erachter. Het ging om de tekstanalyse.
In een interview met het Rotterdams Dagblad zei Kees Fens in oktober 1999:
'Ik denk dat Merlijn het belangrijkste tijdschrift is geweest. De methode
van Merlijn heeft zich op de universiteiten, naast de mode van de dag,
ontwikkeld tot de klassieke vorm van tekstanalyse. Het idee dat je niet zomaar
alles kunt beweren over een roman of een gedicht, maar dat je ook moet aantonen
dat het er echt in de tekst staat.' Merlijn was een geweldig blad, prachtig vormgegeven ook, een aanwinst
voor mijn toenmalige bescheiden boekenkastje, een statussymbool misschien wel.
Bij een onbeholpen binnenbrandje op de studeerkamer is dat complete bezit
van vier unieke jaargangen
rücksichtslos door de brandweer het raam uitgesmeten, een verlies waar ik
vaak om treur. Want er zijn nog steeds momenten dat ik wel eens zou willen
checken hoe gestreng de auteurs hun methode van tekstanalyse in de
praktijk en over het voetlicht brachten.
En daar moet je het mee doen
Wikipedia draait de zaak een klein beetje om, en ventileert zijn mening over close
reading als volgt: 'Close reading gaat ervan uit dat geen enkel element in een literaire
tekst er 'zomaar' staat: alles heeft zijn functie en de tekst vertoont een hechte samenhang
in al zijn lagen. De zuivere close reading wordt tegenwoordig overigens bijna niet meer
beoefend. Onder invloed van de 'cultural studies' wordt literatuur weer bestudeerd
als onderdeel van een historisch, maatschappelijk en cultureel netwerk.' - En dát
wil ik hier nou wel eens uitproberen.
Ik neem een voorbeeld uit mijn eigen schrijverij, het gedicht zondagmiddag toen.
Ik schreef het in 1973, en zonder nou zelf te beweren dat het een goed gedicht is, kun je
er wel degelijk close in readen. Eerst het gedicht nu maar eens geciteerd:
ZONDAGMIDDAG TOEN
The quick brown fox jumps over the lazy dog.
The quick brown fox
The quick b
ik hoor wel vogels geen vogels fluiten
mussen, merels, mannetjes nou ja
gebrek aan creativiteit of zin erin
leeslustwalging vette soep en stoofperen
slenteren langs lege gezichten
achter open gesloten gor
dijnen/tjes
stof op mijn nieuwe schoenen
dat is
knellend zondagsleer/knellende zondagsleer
de anderen komen van het stadion en
denken met zin in tegenzin
aan de dag
maandag/wasdag
de zon of de wolken
dat maakt niet uit
sombere gedachten met
geen film te verdrijven
zelfs het kaartspel
mijn god praat er niet
over
die schoonfamilie
heeft wel schone schoenen
en afgrijslijk
goede zin
in alles...
waar ik ziek
van
naar bed ga (-)
pen
en dan vergat ik nog
de toestand in de wereld en
even afrekenen
met de dag des
heren
Of toch niet?
* Meteen die titel al: daar wou ik onmiddellijk 'zondagmiddag 1955' van maken. Want
hoe kan de lezer nou uit het gedicht te weten komen wanneer dat 'toen' plaatsgreep?
Bij even verder denken verwierp ik het idee weer: er zijn wel degelijk genoeg
elementen in de tekst die zowel het 'toen' als het 'nu' (moment van schrijven) een
nadere invulling geven. Bv. de ik-figuur zit kennelijk op typeles ('The quick brown...' is
de wereldberoemde oefenzin om alle letters van de qwerty-toetsen in één zin onder te
brengen.) Er spreekt een zekere landerigheid uit de herhaling: zondagmiddag,
niks beters te doen, dan maar wat typen, en zonder er denkwerk in te investeren. Een
gedicht schrijven misschien? Maar... hoe dat nieuwe gedicht te beginnen... even uitstel
van executie organiseren dus: 'The quick...'
* Door het woord 'toen' in de titel suggereert de schrijver duidelijk afstand in tijd tussen
het moment van schrijven en de beschreven gebeurtenis zelf. Al te positief over de tijd
van 'toen' is de ik-figuur kennelijk niet, tel maar eens mee: 'gebrek aan creativiteit',
'leeslustwalging', 'vette soep', 'knellend zondagsleer/knellende zondagsleer',
'tegenzin', 'sombere gedachten' - moet ik nog doorgaan? De afkeer van de
zondagmiddagbeleving van toen is tot brakenstoe aanwezig.
* Blijft de vraag: slaat die afkeer op 'toen' of op 'het nu'? Zeker is dat de schrijver
nergens een poging doet om afstand te nemen van het gevoelen van 'toen'. - Dat
zou ik nu (2010) wel anders doen. Want over mijn jaren vijftig ben ik
persoonlijk en geheel en al tegen de trend in tegenwoordig nogal positief. Het waren mijn
middelbare-schooljaren, er gingen werelden voor mij open, en andere werelden werden
gesloten, afscheid nemen en uitzien naar een nieuwe tijd. - Maar dit staat toch
nergens in het gedicht? Nee, voor de dichter vallen het 'toen' en het 'nu' kennelijk
nog volkomen samen.
* Ander gevalletje, neem de vijf slotregels van het gedicht: 'en dan vergat ik nog /
de toestand in de wereld en / even afrekenen / met de dag des / heren'. Twee
duidelijke mededelingen in het licht van het hiervoor besproken 'afscheid nemen
en uitzien naar een nieuwe tijd'. Doet het er iets toe dat er in die tijd twee zondagse
radioprogramma's van de Avro waren die hier impliciet genoemd worden? (T.w. 'De
toestand in de wereld' van de toen legendarische mr. G.B.J. Hilterman, en
'Even afrekenen, heren' over
binnenlandse politieke kwesties.) Nee, voor het begrijpen van het
gedicht doet het er inderdaad niets toe, maar leuk is het wél en bovendien hebben die
mededelingen dus kennelijk hun wortels in de concrete zondagmiddagbeleving van
'toen', tóch een extraatje dus!
* En natuurlijk valt er over dit gedicht nog zoveel meer te close readen, bijvoorbeeld
dat het wel erg typisch jaren zeventig is. Neem alleen al de vormkenmerken van die
afgeknepen zinnetjes/regeltjes/woord-/delen... Duidelijk 'toen'!
En dan tot slot dus het gedicht 'Een kat in een lege woning' van de Poolse
Nobelprijswinnares (1996) Wislawa Szymborska. Het staat in de Nederlandse
verzamelbundel Uitzicht met zandkorrel, en is vertaald door Gerard Rasch.
Meulenhoff is de uitgever. - Doet het er inderdaad toe dat ze het schreef na
de dood van haar geliefde?
EEN KAT IN EEN LEGE WONING
Doodgaan - dat doe je een kat niet aan.
Want wat moet een kat
in een lege woning beginnen.
Tegen de muren op lopen.
Langs de meubels wrijven.
Zogenaamd niets veranderd,
maar alles toch anders.
Zogenaamd niets verplaatst,
maar toch alles opzij geschoven.
En 's avonds schijnt de lamp niet meer.
Stappen op de trap,
maar niet die stappen.
De hand die de vis op het bordje legt
is ook niet de hand die dat deed.
Iets begint hier niet
om zijn gewone tijd.
Iets gaat hier niet zo
als het moet.
Iemand was hier steeds,
verdween toen plotseling
en blijft koppig weg.
In alle kasten gekeken.
Alle planken afgerend.
Onder het kleed gekropen en gecontroleerd.
Zelfs het verbod getrotseerd
en de papieren rondgestrooid.
Wat is er meer te doen.
Slapen en wachten.
Als hij nou toch terugkomt,
zich nou vertoont,
dan zal hij het weten:
zo ga je niet met een kat om.
Naar hem toe lopen
als met de grootste tegenzin,
op het dooie gemak,
op diep beledigde poten.
En om te beginnen niks geen gespring en gepiep.
Herfstige hoffelijkheid
Dinsdag 11 mei 2010, buiten is het 9 graden, de regen tikt in hoog tempo op de lichtkoepels, ik zit met
de verwarming aan achter de computer, over mijn trui draag ik een extra fleece
bodywarmer, snot loopt uit mijn neus en de keel is ook niet helemaal wat het moet zijn -
kortom en om met Erwin Krol te spreken: 'Het is herfst. Houdt u daar rekening mee als u
naar buiten gaat.'
En naar buiten ging ik, moest ik. Even wat boodschappen doen, en meteen wat lege
doosjes meenemen voor overtollige kranten en tijdschriften, mevrouw B. is aan het
opruimen, vandaar. En Krol zat er niet ver naast: Boreas woei me koud en nat in het
gezicht, maar gelukkig was ik er goed op gekleed, en wist ik m'n regenbroek en m'n
winterwanten in m'n linkerfietstas. Een tegemoetkomende vrachtwagen blies m'n
regenhoedje de weg op, een volgende werkbus stopte om mij de gelegenheid
te geven om dat hoedje te redden, we deden de duimen omhoog, er klonk groetgetoeter.
- Ja, mensen, hier is alles wel, ook al is het niet alle dagen zondag.
Wijn als boosdoener
In de supermarkt begon meneer WA. tegen me te spreken alsof we al jaren de beste
vrienden zijn, en niet alleen maar buren met groetcontact.
- Ik zie dat je lekker spul in je karretje hebt, B. - Mag ik niet.
- Ja, deze huiswijn is heel goed getest en ik vind 'm nog lekker ook, WA.
- Nee, ik krijg daar last van, aan m'n maag. Ik loop bij de huisarts. Die zegt dat
het van de sulfiet komt. Conserveermiddelen zijn slecht voor m'n maag. Hebben
meer mensen problemen mee. Hoe hoger het alcoholpercentage hoe beter
het is voor m'n maag, zegt de dokter. Dus nou drink ik port.
- Tja, als je nou weet dat je d'r last van krijgt, van dit soort wijn, dan maar iets anders he.
En bij de wijnen kom je dan algauw bij de duurdere soorten uit. Of bij port natuurlijk,
dat begrijp ik.
- Zeg B., weet jij waar de oranjebitter hier staat, ik kan weer eens niet vinden wat ik moet
halen.
- De oranjebitter? Bij de port, WA.
- Oja, natuurlijk. Stom. Alcohol! - Leuk je gesproken te hebben, B. Ben je weer met de fiets, en
de rugzak? Goed hoor, heel goed! Zou ik ook kunnen doen.
- Ja, WA. Zeker, WA. Dag, WA.
De klant is Koning Voetbal
- Morgen, slijter. Wat ziet uw winkel er tegenwoordig toch prachtig uit, met dat mooie zitje,
en die solide uitstalkasten. Een heel verschil met hoe het hier vroeger was. - Mag ik deze fles
ouzo van u?
- Ja, meneer, we doen ons best. Voor een rommelige zaak ben ik niet in dit vak gegaan. Maar
nou moet ik de balbekjoe gaan verkopen. Ik dacht dat ik me bij een serieuze bracheorganisatie
aangesloten had! - Dat is dan 11 euro 95. Hebt u niet kleiner?
- Hoe bedoelt u, een balbekjoe? - Nee, helaas niet.
- Nou, kijk hier, deze folder. Ik moet proberen wijn en bier te verkopen voor bij de 'balbekjoe', ziet
u wel, een soortement van ronde barbeque met een voetbal als deksel, voor de gekte van het WK
en zo. Maar ik zet dat ene exemplaar dat ze me toesturen hierachter in een hoekje. Wil ik
wel eens zien wat mijn klanten daarvan vinden. En als ze het allemaal willen hebben, ja, wie
ben ik dan... - O, nou, het gaat zo ook wel hoor, 8 euro 5, ziet u wel?
- Een 'balbekjoe', nee, die zult u aan mij niet slijten. - Graag een papiertje erom, tasje hoeft niet.
- Van mij hoeft het ook niet, maar als m'n klanten, tja... - Het is je vak, he!
Bij de Hollandse Marokkaanse Turk
Bij 'De Turk', die eigenlijk uit Marokko komt, doe ik 's zomers altijd m'n speciale inkopen:
olijven, fèta, olie, vleestomaten, pepertjes, soms een Turks brood. In de winkel
hangen overal gifblauwe tasjes uit het plafond: kun je zelf je
spullen pakken en inpakken. Bedienen doen ze uitsluitend aan de kassa, eerst halen ze alles
uit de blauwe tasjes, wegen het, toetsen de kassa in, doen de spullen weer in de blauwe
tasjes en knopen die bij de hengseltjes dicht met een dubbele knoop. Als je ze de kans
geeft doen ze op het laatst alle geknoopte blauwe tasjes bij elkaar in een grote blauwe
plastic tas, even dun en kwetsbaar als de kleine blauwe tasjes. - Zo niet vandaag. Want
vandaag word ik verrast met het aanbod van een grote oranje plastic tas.
- Zo, gaan jullie over op oranje?
- Ja, de voetbal.
- De voetbal? Dat is toch pas over een paar maanden?
- Is volgende maand, voetbal.
- Of is het nog van koninginnedag?
- Nee. Voetbal, WK. Wilt u oranje tas?
- Nee, dank u. Geen voetbal, geen WK, geen oranje tas.
- Is mooie kleur, oranje. Volgende week ook kleine tas oranje.
- O? Nou, tot volgende week dan maar. En bedankt.
- Tot volgende week, meneer. Oranje boven!
Van 'geuzenlied' tot 'inburgerings-item'
Onderweg naar huis krijg ik het 'Oranje boven, Oranje boven' niet meer uit m'n kop.
Zo min als het: 'Leve de Koningin', gevolgd door: 'En haar vriendin!',
zoals 'ze' dat in de jaren zeventig en tachtig nogal eens wilden zingen
op roze zaterdagen en alternatieve demonstraties en feestjes van
allesbehalve koningsgezinde fietsers, homo/lesbo's en antikernwapendemonstranten. Toch
zijn dit soort vileine geintjes me heel wat liever dan de brave aubades en
oranjefestiviteiten die 'ons' deel van het land eind april/begin mei teisteren -
en dan zwijg ik nog maar van Het
Officiële Nederlandsche Volkslied, Het Wilhelmus. Die
tekst (Ben ick, van Duytschen bloet) kan een weldenkend mens zo langzamerhand
toch niet meer uit zijn bek krijgen (Den Vaderlant ghetrouwe blijf ick tot inden doet).
Daarvoor zijn die teksten (Een Prince van Oraengien ben ick, vrij,
onverveert) in de loop der tijden toch te zeer belast geraakt met
gruwelijke oorlogervaringen en de strapatsen van bepaalde leden van Ons Koninklijk
Huis. Bij de laatste dodenherdenking werd overal om me heen, door vriend en vijand,
door autochtoon en allochtoon, die tekst weer uit volle borst meegezongen. Het
was mij zwaar te moede, zij het dan dat ik ook wel begrijp dat de meeste mensen
totaal geen benul meer hebben van wat ze eigenlijk zingen (Dat ick doch vroom mach
blijven U dienaer taller stondt). - En dan te bedenken dat het 'Wilhelmus' oorspronkelijk
een geuzenlied was, uit de tijd van 'den opstand' (tachtigjarige oorlog), en historisch en letterkundig
van grote waarde.
Kunnen we niet afspreken dat alle Nationalistische Volksliederen als zodanig afgeschaft
worden? Over 'de wyse van' (de melodie, zeg maar) hebben we het een andere keer nog wel.
Want ook muziek kan, historisch gezien, van vorm en inhoud ontredderd raken.
Brocante per bushalte
Het begon allemaal een paar weken geleden in Eerbeek, laat in de middag, toen
we na een lange wandeling langs Apeldoorns Kanaal en Hallse dreven
op de bus stonden te wachten. Die bus bleek aan een uursdienst begonnen te zijn,
en was volgens de vertrekstaat nog maar goed en wel gepasseerd. Tijd genoeg
dus om het aanpalende winkelcentrum eens even door te neuzen. Ons oog viel
op een bloemen-en-plantenzaak met nevenartikelen. Waar mevrouw B. meteen
de witgeweestzijnde en rankgepote eettafel zag staan. Hij had iets
romantisch, iets verlopens, iets oudchicks, en zeker ook iets oprecht aaibaars.
- Dat zou nog eens een leuk alternatief voor onze krak-en-miktafel zijn, B.!
- Aardig, zei ik, heel aardig. Maar niet een tikje te wild, amigo - of is het 'amiga'?
- Nouja, tis maar om de gedachten te bepalen... zie je die poten, die sierranden - en
stévig dat ie is!
- Stevig is ie zeker. En bij nader inzien hééft ie ook wel iets, zeg, iets gimmicks,
iets eens héél anders. Dat heeft niemand. Mmmpja, misschien nog niet zo gek
nee. Zou die kosten?
Enfin, de tafel bleek niet te koop, dat hadden al meer mensen gevraagd, maar ja, zelf zo
aan gehecht ziet u, dus... En meteen beknaagde ons al een beetje de spijt, het was leuk
fantaseren geweest. En een andere tafel zou er hoe dan ook eens moeten
komen, dat wisten we nu wel zeker. En stoelen ook, die zijn na ruim dertig jaar
écht wel een beetje shabby, en ze zakken door, en... Enfin, ineens leek het hoog
tijd voor nader onderzoek.
En te Winterswijk
En niet eens per se in dat kader, hadden we afgelopen zaterdag zomaar ineens zin om
naar Winterswijk te gaan - Winterswijk, Komrij!, Mondriaan! - zou daar misschien de actie zijn? Het weer was
koud en miezerig, de treinreis druk en guur, en Winterswijk navenant: beetje kil,
beetje miezerig ook, beetje erg rommelig, beetje half uitgewoond, druk met
Duits sprekende winkelaars evenwel, en met een pedant nieuw stadskantoor alsof
een grote geboortegolf én een immigratie-invasie aanstaande zijn
en de afdeling 'Burgerzaken Winterswijk' alleen al minimaal twee grote verdiepingen
opeist. Dat die nu nog even leegstaan, soit, maar binnenkort, écht wel! Winterswijk
heeft het, Winterswijk krijgt het, Winterswijk gaat het helemaal maken! - Zou 't?
- Laten we even bij die woonwinkel gaan kijken, B. Zomaar, voor de leuk, en ik heb
het koud.
- Best, maar als je naar tafels of stoelen wilt kijken, kunnen we dan niet beter bij ons in Zet
naar die tweedehandszaken in de Es-straat gaan? Volgens mij heb ik daar wel eens
aardige dingen gezien. Gaan we daarna even naar die Nieuwe Turk, als we tevreden met onszelf
en de uitkomst zijn. Want hier in Winterswijk is de actie zeker niet!
- Opschieten dan B., want de trein gaat over tien minuten.
En hollen dat we deden...
Maar hoe dichter bij huis...
Tussen de verregende restanten van koninginnedag door fietsten we de hele
Es-straat uit. 'Ik wíst het wel,' riep ik op het eind naar mevrouw B., 'het moest hier
ergens zijn. Kijk: Het Snuffelpaleis. Gaan we mooi 's rustig rondkijken.' - Maar
ik communiceerde in het luchtledige, want mevrouw B. was het Paleis Hoog en Droog
al binnen gevlucht.
Het Snuffelpaleis is een snoepje, een toverbal, een dubbele pijp kaneel. In een doolhof
aan luxe kamers, werkvertrekken, opkamers, halve zalen, entresols, zolderijen
en tussendoorsels trekt een stoet aan begerenswaardigs aan je voorbij, nee niet zij,
maar wij trekken voorbij, en ook nog eens weer. Vier aaneengesloten huizen en
achterhuizen vol tafels, stoelen, fauteuils, kasten, spiegels en lampen waar je
wat in kunt zien. Na een duizelend uurtje namen we een optie op één stoel, tot
maandag. - En tevreden met onszelf en de uitkomst reden we richting
Top Kapi, de Nieuwe Turk. Maar ojee, niet gereserveerd natuurlijk!
Na het eten - écht heerlijke vegetarische hapjes! zegt het voort -
slopen we op kousevoeten naar buiten. Nog steeds nul andere gasten!
- U hebt een prachtige zaak, mevrouw, schitterend ingericht, prachtig geverfd, en
heerlijk eten. Jammer dat er niet meer mensen gekomen zijn.
- Er is geen peil op te trekken, meneer, gisteren zat het hier nog vol. En we zijn nog niet al
te bekend natuurlijk. Dat zal even duren.
- Wij komen terug. En we zullen het doorgeven, vooral van die vegetarische heerlijkheden.
- Fijn, meneer, mevrouw. Hier hebt u ons kaartje.
...hoe schoner Snuffelpaleis
Gister zijn we terug geweest, in Het Snuffelpaleis. Tafel gekocht, twee lopertjes, stoelen
en een sisalkleedje. Na zo'n honderd jaar wonen lijkt alles 'n beetje versleten en
uitgewoond. Moet je dat dan maar zo laten? Alleen omdat je zelf ook 'n beetje richting de honderd neigt?
- Tjee, wat was je losjes met geld, vandaag, B. Gaat het wel goed met je?
- Tja, kweenie. Ik lijd geloof ik een beetje aan de toekomst. Daar is bij voorbeeld over twee jaar
alweer twee jaar van af, en over drie jaar drie jaar. Maar dan hebben wij al die tijd toch al mooi
aan die nieuwe tafel en op die leuke nieuwe stoelen gezeten. En zal ik je nog eens wat
zeggen? Als we de muren nou eens grijs verven, net als bij die Nieuwe Turk en bij
Meubel Lies, zilvergrijs? Maken we er helemaal een nieuwe kamer van!
- Rustig nou, B., rustig. Zullen we eerst niet eens met één muurtje beginnen?
- Strak plan. Kunnen we altijd nog zien.
- Mmm, lichtgrijs, niet lelijk. Denk ik.
- Zeker niet achter de zwarte boekenkast.
- Of achter het rode schilderij.
- Dan gaan we nou nog vlug even een potje verf kopen.
- Grijs, zilvergrijs!
Eerst grijs, dan wit, dan...
Over de begrippen 'grijs' en 'honderd' schreef Judith Herzberg een 'gevoelig'
gedicht, Grijs-trap heet het, en het gaat niet over geverfde muren,
zwarte boekenkasten of rode schilderijen - maar over haren, witte koppies en
de filosofie van de verkeerde beslissing. Nieuwsgierig geworden? Lezen dan. Hieronder.
Oorspronkelijk stond het gedicht in de bundel 'Uit Botshol', maar het staat ook
in de verzamelbundel 'Doen en laten', Rainbow Pocket, nr. 172, telkens en telkens
herdrukt. Uitgeverij Maarten Muntinga.
GRIJS-TRAP
Het eerste vond ik raar. Ik stuurde het naar Londen
waar mijn geliefde het in de brief, waarin het opgevouwen was
niet zag, zodat het even later op de grond lag
waar niemand het meer kon vinden. Have one of mine
bood een oudere dame daar aan, maar
mijn haar was toen voor hem nog onvervangbaar.
Het tweede werd door de kapper ontdekt.
Wilt U dat ik het laat zitten of wilt U
dat ik het uit-trek. Dat hij U zei vond
ik al gek, trek maar zei ik maar wist
meteen dat dit, filosofisch, verkeerd was,
en besloot me bij het derde, als het ooit
zou komen, wijzer te tonen.
Het derde kwam, dat had ik niet verwacht.
Ik heb het nog een rode schijn gegeven
maar J. vond dat niet mooi en hij
kon het weten want hij was zelf juist
bijna dood geweest, zodat ik, ja
bij het vierde en vijfde
toen geloofde ik er aan.
Nu heb ik er honderd en dat verschaft
toegang. Tot hoofden die precies even wit
en niet wit zijn als het mijne, tot lijnen
die nu nog bijna geheel kunnen verdwijnen.
Verwant vind ik die tussen-in-gezichten
die af en toe geheel verdord, alles al weten,
maar soms ook nog, illusionisten
rimpelloos oplichten. Les absents ont tort,
geverfden hebben iets gemist.
Fifty-fifty
De Volkskrant hield op eigen gezag een mini-enquête onder de eerste lichting
OV-chipkaartgebruikers. Vanochtend kwam de krant met de uitslag. De helft van de
respondenten is tevreden, de andere helft zeer ontevreden. Let op het woordje
'zeer'. Mensen die (nog) geen problemen tegengekomen zijn, scoren 'positief
zonder meer'. Reizigers die wél ergens 'tegenaan' gelopen zijn, zijn geneigd
om de kaart tot de grond toe af te breken. - Het wachten is op het moment dat
ook de positivo's tegen een probleempje aanlopen, en dat kan écht niet lang
meer duren: dus voorspel ik dat binnen no time de OV-chipkaart praktisch zijn
volledige aanhang kwijt zal zijn. Sterker: als er niet snel een heleboel verbeteringen
doorgevoerd worden, is het dit jaar nog gedaan met die plastic chip.
Ik geef u een paar van mijn eigen ervaringen van afgelopen vrijdag, toen ik heen en
weer reisde tussen Zutphen en Hardinxveld-Giessendam. Hoe, zegt u?
Hardinxveld-Giessendam! Pak er de NS-treinenplattegrond even bij, en u kunt
me volgen.
Van Zutphen naar Arnhem ...
Op papier een halve wereldreis van 2.44 uur, met drie overstappen op in totaal
vier verschillende treinen, en via drie verschillende vervoersmaatschappijen. Op
de helft van het traject is geen 1e klas mogelijk, maar dat acht ik vandaag geen probleem
omdat ik na wel heel veel gedoe eindelijk over een 2e klas OV-chipkaart beschik,
mét automatisch opladen, dat dan
weer wel. Dus welgemoed check ik op het uitgeprinte tijdstip in op station Zutphen,
waar ik de incheckpaaltjes inmiddels wel weet te vinden.
Op station Arnhem - o, dat vermaledijde station Arnhem met zijn onmenselijke
overstaptrappen en onvindbare vertrekstaten op de perrons - moet ik van spoor
8 naar spoor 3b om m'n vervolgtrein naar Tiel te halen. Op m'n uitdraai staat
dat ik nu met Syntus ga reizen, dat wordt dus uitchecken en weer inchecken, met een
minimale tussentijd van drie minuten. Waar zijn die verdomde in- en uitcheckpaaltjes?
De NS-medewerker: 'O, maar met Syntus kunt u
helemaal niet met de OV-chipkaart reizen, meneer! U moet gewoon een papieren kaartje
kopen in de automaat. Die vindt u bovenaan op de overloop naar de andere perrons.' -
Lekker zeg, die reclame voor de OV-chipkaart dat 'het afgelopen is met
al die losse kaartjes in uw portemonnee' (het enige reclame-argument waarmee de overstap
naar het chip-systeem gerechtvaardigd wordt).
... naar Tiel ...
Op het laatste nippertje spring ik in het
aansluitende boemeltje naar station Tiel Centraal (ja, zo heet dat, echt!), de riante
overstaptijd van 12 minuten is er volledig mee heengegaan. Veertig minuten later
en met gesloten toiletten arriveer ik met Syntus op Tiel Centraal. Aan de
overkant van het enige perron staat de trein naar Geldermalsen al gereed. Hoewel...
dat is toch een NS-trein? Inchecken dus, met de OV-chipkaart, en papieren retourtje
Arnhem-Tiel goed bewaren, hup in de portemonnee ermee! Waar is in godsnaam het
uit- en incheckpaaltje? Hele perron af, tot bij de spoorwegovergang, alwaar inderdaad
een paaltje, en weer terug, naar de gelukkig nog steeds gereed staande NS-trein.
Had ik hier naar een automaat gemoeten voor een papieren kaartje: was de trein
gevlogen en ik gedupeerd geweest. Maar komaan zeg, niet zeuren, op naar Geldermalsen,
daar is de conducteur al,
onee, het zijn er twee. Geroutineerd wordt m'n OV-chipkaart in een controle-apparaatje
gestoken. 'Vertrokken in Tiel, prima, zie je wel?' zegt de ervaren conducteur tegen de nieuwelinge. - Ik
haal opgelucht adem, en duik in m'n boek. Ik heb 20 minuten, dat zijn zeker twee stukjes in de
'Kronieken van S. Montag', lees dat boek!
... naar Geldermalsen ...
Ruim op tijd raadpleeg ik nog even m'n 9292-uitdraai: in Geldermalsen overstappen
op de trein richting Dordrecht, een Arriva-trein! Ik spoor de conducteur op en vraag of
Arriva met OV-chip reist. Maar niks ervan, ook bij Arriva doen ze niet aan de OV-chipkaart.
Kaartje kopen dus. De overstaptijd bedraagt 5 minuten, en ik heb geen idee waar
de uitcheck-paal en de kaartjesautomaat staan. En, u raadt het al, ik kan de aansluitende trein
naar Hardinxveld-Giessendam niet halen. Halfuursdienst, da's nog een geluk. Ik posteer me
met een beker koffie - ik ben tenslotte al ruim tweeëneenhalf uur van huis - op een
bankje in de zon, berg mijn nieuwe kaartje bij de andere in de portemonnee, en prijs me
gelukkig dat ik niet over Utrecht ben gaan reizen. Daar blijkt namelijk het hele treinverkeer
inmiddels plat te liggen wegens een 'stroomstoring'. In Geldermalsen
ziet het dan ook zwart van de gestrande reizigers met weekendspullen. Daarbij vergeleken
valt mijn gemiste aansluiting slechts in de categorie 'klein leed', die afspraak kan een
halfuur uitstel gelukkig wel hebben. Daar komt via de omroepinstallatie nog een kwartier bij,
it's all in the game, Utrecht ligt nog steeds plat.
... naar Hardinxveld-Giessendam ...
De trein richting Dordrecht stroomt vol Utrecht- en Amsterdam-gangers, op avontuur naar
hun eindbestemming. Gelaten wachten ze op de conducteur, die van niks weet, maar
wel boetes wil uitdelen 'wegens rijden zonder geldig vervoersbewijs'. Nooit eerder meegemaakt:
protesten die helpen! - Even raken we achterop, en sukkelen we haast in slaap, 'wegens een rood
sein'. Uiteindelijk arriveer ik met een uur vertraging in Hardinxveld-Giessendam. Ik wil uitchecken,
maar bedenk me nét op tijd dat ik het laatste stuk weer met een papieren kaartje gereisd heb. Ik
bloos welhaast van voldoening dat ikzelf op deze combinatiereis uiteindelijk geen enkele fout gemaakt heb!
De afspraak in Hardinxveld-Giessendam gaat door: met een uur vertraging, en met het voornemen
om een uur eerder weg te gaan. Ik vertrouw het spoor op dit samengestelde traject, en in de avond, maar
voor de helft.
...en terug...
Om goed half acht - de afspraak was plezierig, ja, dankuwel - zoek ik het station H-G voor
de trein van 19.51 uur naar Zutphen via Geldermalsen, Tiel en Arnhem. Want ja, die gekochte
retourtjes voor twee van de vier treinen ga ik natuurlijk wel gebruiken. Er zijn vertragingen 'wegens
de problemen rond Utrecht', dus arriveer ik te laat in Geldermalsen. Alla, dat had ik ingecalculeerd. Op
naar Tiel, waar we nog eens tien minuten te laat aankomen, trein naar Arnhem is weg, de halfuursdienst
blijkt inmiddels in een uursdienst verkeerd te zijn, Tiel Centraal is niet meer dan 'een abri in the
middle of nowhere', en dan is drie kwartier nutteloos wachten in het donker aan de deprimerende kant.
Gelukkig sleept S. Montag me er met zijn hilarische stukjes kronieken doorheen, en om half twaalf reeds
kan ik m'n fiets thuis in de berging zetten, vier uur na m'n vertrek uit Hardinxveld-Giessendam.
'En, hoe was het?' is de logische vraag van mevrouw B. En ik begin over het avontuurlijke reizen met
de trein en de OV-chipkaart op vrijdag 23 april 2010, maar het ging
mevrouw B. over de afspraak natuurlijk. 'O, die afspraak, nou, die was aardig en heel gezellig hoor. Een
beetje kort misschien, twee uur minder dan gepland, en je moet de hartelijke groeten hebben
van ...'
Fijn met de trein
Ik ben een groot voorstander van het reizen per trein versus het reizen per auto, ook al
zou u uit bovenstaand relaas wellicht anders kunnen concluderen. Doorgaans loopt het
allemaal heel aardig, en het is nog beter voor het milieu en de ruimtelijke ordening en je
leesgedrag ook. En ach,
soms zit het een beetje tegen, zoals afgelopen vrijdag, een ervaren reiziger weet daar
mee om te gaan. Maar als ze bij het spoor nou eens wat beter hun best deden op de
software en de sneeuwsmelters, als ze die onzinnige privatisering nou eens terugdraaiden,
en dat hele circus van de OV-chipkaart subiet opdoekten, en ons gewoon met één eenvoudig
papieren kaartje
en strippenkaart verder lieten reizen, dan was het allemaal wat aangenamer, effectiever, sneller
en beslist ook goedkoper - en vooral: beter te begrijpen en te behappen voor nieuwkomers en
ex-automobilisten. Gewoon even afschaffen dus, die privatisering én die OV-chipkaart. Er is niet één
voordeel te concluderen uit de praktijk van alledag, voor de reiziger bedoel ik. Hoe het
precies zit met de bankrekeningen van de aandeelhouders en hun vrienden, dáár heb ik geen
zuivere kijk op.
En die OV-chipkaart? Broddelwerk, meneer, en dat is het! Puin. Het is kortom de hoogste tijd om het
openbaar vervoer geheel en al gratis te maken. Graag zou ik het Centraal Planbureau uitnodigen om dat eens
goed uit te rekenen. Is er al een politieke partij die dat in zijn programma heeft staan? Waarom eigenlijk
niet? Dáár zou iemand nou eens een mooi gedicht over moeten schrijven! Iets voor Nico Dijkshoorn
misschien?
20 april 2010 'De verwondering is de belangrijkste missie van de dichter'
De keuze van een leeskring
Eens per jaar bespreekt de leeskring in het dromerige stadje Y. een dichter, juister gezegd:
een poëziebundel. Dat kan het recente werkje 'Varkensroze ansichten' zijn van een betrekkelijk
onbekende poeet als Moustafa Stitou, een evergreen als 'Parken en woestijnen' van M. Vasalis,
een bloemlezing van Gerrit Komrij over Afrikaanse poëzie, of een extreem gelauwerde dichter
uit binnen- of buitenland zoals een Gerrit Kouwenaar of een Joseph Brodsky. Voor 2010
viel de keuze op de bloemlezing 'Uitzicht met zandkorrel' van de Poolse
Nobelprijswinnares Wislawa Szymborska. Wie zegt u?
Wislawa Szymborska, onthoud die naam, ze komt uit Krakaw en is inmiddels 87 jaar. Oja,
en die Nobelprijs won ze in 1996, haar laatste bundel heet 'Hier' en die verscheen bij ons in
2009. 4080 Nederlandse internetpagina's onder de zoeknaam
'wislawa szymborska - gedichten' en 932 onder 'wislawa szymborska - biografie'.
Ga er maar aanstaan! - Maar je kunt natuurlijk ook de rest van dit stukje even lezen.
De eye-opener van Michael Zeeman
Kort na haar Nobelprijs schreef Michael Zeeman een prachtrecensie in de
Volkskrant (4 april 2007) naar
aanleiding van het verschijnen van de Nederlandse vertaling van 'Uitzicht met zandkorrel'
(Meulenhoff, 1997). Zeeman besprak daarin maar liefst 11 gedichten, en wist intussen ook nog even de
Szymborska-begrippen 'uitzicht' en 'zandkorrel' tot de hoekstenen, beter: het oculair, van haar
poëzie te verklaren. De bloemlezing van meer dan 100 gedichten betekende de doorbraak
van Wislawa Szymborska in het Nederlands (tien drukken in één jaar!). Met dank, gróte dank,
aan haar vertaler Gerard Rasch, die
voor deze vertaling de prestigieuze Martinus Nijhoff-prijs ontving.
In de Balthasarsblog heb ik al menig keer uit deze bloemlezing geciteerd. Ik noem bij
voorbeeld: 'Uitzicht met zandkorrel' (18/7/2007), 'Gesprek met een steen' (22/5/09),
'Gelukkige liefde' (2/8/2009), 'Het korte leven van onze voorouders' (24/8/2009). - In deze
aflevering van de Balthasarsblog eer ik én WS én GR met het nu volgende:
AUTOTOMIE - Ter nagedachtenis aan Halina Poswiatowska
Bij gevaar deelt de zeekomkommer zich in tweeën:
zijn ene helft staat hij de wereld af om op te eten,
terwijl hij met zijn andere vlucht.
Hij valt heftig uiteen in ondergang en overleven,
in boete en beloning, in wat was en wat zal zijn.
Halverwege de zeekomkommer splijt de afgrond open
en beide randen zijn elkaar onmiddellijk vreemd.
Op de ene rand de dood, op de andere het leven.
Hier is wanhoop, ginds een nieuw begin.
Als de weegschaal bestaat, wankelt geen van beide helften.
Als er rechtvaardigheid is - voilà.
Sterven zoveel als nodig, binnen de proporties.
Aangroeien zoveel als nodig, uit de behouden rest.
Wij kunnen onszelf ook delen, o zeker, wij ook.
Maar alleen in lichaam en afgebroken fluisteringen.
In lichaam en poëzie.
Aan de ene kant de keel, aan de andere de lach,
licht en snel verstommend.
Hier het zware hart, daar het *non omnis moriar, [ *niet geheel zal ik sterven ]
drie woordjes slechts, drie veertjes om mee weg te vliegen.
Ons snijdt de afgrond niet doormidden.
Ons omringt de afgrond.
Het email-gesprek van Arjan Peters
Zes jaar na de Nobelprijs voor WS slaagde literair criticus Arjan Peters er eindelijk in een
interview met WS te krijgen, per email, dat wel. Het verscheen in de Volkskrant van 25
april 2003, en werd bijgewerkt op 20 januari 2009. De mailwisseling vond plaats kort na
het verschijnen van de nieuwe dichtbundel 'Het moment'. Peters sluit daar natuurlijk
voortvarend op aan met o.a. de volgende vraag:
- In het gedicht 'Een van zeer vele' uit uw nieuwe bundel prijst u het lot te zijn wie u
bent: 'Ik kon ook niet kiezen, / maar ik klaag niet. / Ik had iemand kunnen zijn / die lang
niet zo afzonderlijk was.' Maakt dat gevoel van terzijde staan u bij uitstek geschikt voor
het dichterschap?
- Szymborska: 'Vermoedelijk heeft iedereen wel het idee dat hij of zij een afzonderlijk
wezen is, hoewel ondergedompeld in de wereld. En vermoedelijk kent iedereen de
momenten wel daarover verbaasd te zijn. Dichters bezitten niet het monopolie op die
verbazing. Alleen slagen sommigen van hen erin die verbazing uit te drukken in
geschikte bewoordingen.'
Ik citeer hierna het slot van genoemd gedicht, uit de bundel 'Het moment':
EEN VAN ZEER VELE - fragment
Tegenover mij heeft het lot
zich tot dusver genadig betoond.
De herinnering aan goede ogenblikken
had me niet gegeven kunnen zijn.
Mijn geneigdheid tot vergelijken
had me afgenomen kunnen worden.
Ik had mij kunnen zijn - maar zonder verbazing,
en dat had betekend
heel iemand anders.
NRC-interview van Margot Dijkgraaf
De intro van dit paginalange interview (NRC, 17 augustus 2007) luidt: 'Volgende week verschijnt een
nieuwe bundel van Wislawa Szymborska [Dubbele punt, vertaling Karol Lesman - B.]. Van niets is ze zo moe
geworden als van haar Nobelprijs, zegt ze. Ík leg mijn gevoel in de vrieskist. Na een tijdje
maak ik die open.' - Hieronder nog twee citaten uit dit interview, dat uiteraard in zijn geheel
op internet te vinden is:
- MD: Kun je dan alleen dichter zijn in een wereld vol absurdisme?
- Szymborska: O ja, absoluut. die absurde wereld is zijn materiaal, die moet hij verbeelden,
al kan hij dat natuurlijk nooit helemaal. Bij mij komt een gedicht soms
voort uit irritatie of uit boosheid, maar hoofdzakelijk toch uit verbazing over het feit dat
we leven op deze aarde, dat is het allerbelangrijkste.
- MD: Een van de ontroerendste gedichten in de bundel is 'De oude professor', een gedicht
over ouder worden en vergankelijkheid. Een oude man wordt gevraagd naar de tijd van
vroeger, zijn vrienden, zijn gezondheid. ‘Zij verbieden mij koffie, wodka, sigaretten, / het
meedragen van zware herinneringen of voorwerpen. / Ik moet doen of ik het niet hoor,' /
antwoordde hij. [...] 'Als het ’s avonds mooi weer is, kijk ik naar de hemel. / Ik blijf me
verbazen.'
- Szymborska: 'Ja, dat gedicht gaat over mijzelf. De verbazing, de verwondering mag je
niet verliezen. Bij alle desillusie moeten die overeind blijven. De verwondering is de
belangrijkste missie van de dichter. Ik ben nu ook bezig met een gedicht over verbazing,
het is het hoofdthema van de poëzie. Natuurlijk zijn er ook nog andere. Welke dat zijn?
Het zoeken naar innerlijke waarheid. Ook al weet je nooit precies wat dat is. Wat ook in
je gedichten tot uitdrukking moet komen, zijn de gevoelens die je hebt voor anderen.'
Meer, meer?!
Tot besluit van deze Balthasarsblog over Wislawa Szymborska citeer ik hieronder het
hele gedicht over die 'oude professor' die zij dus eigenlijk zelf is... Het staat in de bundel
'Dubbele punt', op p. 16/17/18 (Uitgeverij De Geus, 2007).
Geïnteresseerd geraakt in WS? Op internet zijn spotgoedkope edities te verkrijgen
van o.a. 'Uitzicht met zandkorrel'. Er bestaat ook een prachtig uitgevoerde biografie van WS.
Die heet 'Prullaria, dromen en vrienden', is van de hand van Anna Bikont en
Joanna Szczesna, vertaald door Karol Lesman, en is uitgegeven bij De Geus (2007).
U zult er geen spijt van hebben, menselijkerwijs.
DE OUDE PROFESSOR
Ik vroeg hem naar de tijd van vroeger,
toen we nog jong waren,
naïef, gedreven, dom, onvoorbereid.
'Van dat alles rest nog iets, alleen geen jeugd,'
antwoordde hij.
Ik vroeg hem of hij nog steeds zeker wist
wat goed was voor de mensheid en wat slecht.
'De dodelijkste aller illusies,'
antwoordde hij.
Ik vroeg hem naar de toekomst,
of hij die nog altijd helder zag.
'Te veel geschiedenisboeken gelezen,'
antwoordde hij.
Ik vroeg hem naar de foto,
die in het lijstje, op het bureau.
'Verleden tijd, ze zijn niet meer. Broer, neef, schoonzus,
mijn vrouw, dochtertje op de knieën van mijn vrouw,
de poes in de armen van mijn dochtertje
en de bloeiende kersenboom, en boven die kersenboom
een niet-geïdentificeerd vliegend vogeltje,'
antwoordde hij.
Ik vroeg hem of hij nog weleens gelukkig was.
'Ik werk,'
antwoordde hij.
Ik vroeg hem naar zijn vrienden, of hij die nog had.
'Een paar van mijn voormalige assistenten,
die ook alweer voormalige assistenten hebben,
juffrouw Ludmila, die in huis de baas is,
iemand heel nabij, maar dan wel in het buitenland,
twee dames uit de bibliotheek, beide met een glimlach,
kleine Gres van de overkant en Marcus Aurelius,'
antwoordde hij.
Ik vroeg hem naar zijn gezondheid en zijn gemoed.
'Ze verbieden me koffie, wodka, sigaretten,
het meedragen van zware herinneringen of voorwerpen.
Ik moet doen of ik het niet hoor,'
antwoordde hij.
Ik vroeg hem naar het tuintje en de bank in het tuintje.
'Als het 's avonds mooi weer is, kijk ik naar de hemel.
Ik blijf me verbazen
over het aantal gezichtspunten daar,'
antwoordde hij.
Hebt u dat ook wel eens...
...dat de buitenlamp het 'ineens' niet meer doet, al druk je de schakelaar wel tíen keer
heen en weer? Dat had ik gisteravond dus. Nog een geluk dat het pas laat donker wordt,
en ik na half tien geen bezoek meer aan de voordeur verwacht. 'Morgen even een
nieuwe lamp indraaien,' zei ik half tegen mezelf en half tegen mevrouw B. Niet dat het haar
aangaat of een klap interesseert, ik heb nou eenmaal de gewoonte om dit soort
dingen hardop te communiceren, net zo goed als dat ik altijd laat weten waar ik
naartoe ga of anderszins te vinden ben. Gewoon een overblijfsel uit m'n kantoorverleden, toen het altijd
handig was als m'n kamergenoten me wisten te vinden als er telefoon voor me
was. - Ja, dat zal met al dat gemobiel tegenwoordig wel anders zijn, maar dat
doet hier nou niet terzake. Net zo min als dat ik heel vaak niet weet waar mevrouw
B. uithangt, omdat ze er niet aan denkt om me dat te vertellen, kwaad steekt er niet
achter, ze heeft gewoon niet zo'n kantoorverleden. Enfin, zo zijn er massa's dingen
die er voor de een wél en voor de ander níet toe doen. Het zij zo.
Even een nieuwe lamp indraaien
Ja, dat dacht ik. Maar wederom buiten de waard gerekend. Ook de nieuwe lamp
gaf geen sjoege, óók niet na tien keer heen en weer schakelen. Daar moet dus wat
anders aan de hand zijn, Wattson. Dus ik haal de nieuwe lamp weer uit het buitenarmatuur,
en probeer de fitting los te draaien. Nou, dat hoefde helemaal niet: de fitting zat
van zichzelf al volkomen los, en eronder staken twee draadjes slapjes omhoog uit de armatuurbuis.
Aha, losse draadjes, die moeten dus even vastgezet worden, ik hoor het u zeggen. Maar...
de fitting was niet los te krijgen uit het omgevende armatuurdeel, aangegoten?,
de draadjes kon ik zodoende niet in de voorgeprogrammeerde buisjes duwen,
én... de aandraaischroefjes zelf ontbraken, snapt u wel?! Schaak. En mat.
Hoe heeft dit kunnen gebeuren? Vandalisme? Een ongelukje van de een of ander?
De glazenwasser? De firma muurisolatie van afgelopen vrijdag? Autonome implosie? Wat te doen,
Tom Poes? Verzin een list.
Dus snel naar de vakman
- Dingdong, dingdong. Goedemiddag, mevrouw P.
- Goedemiddag, meneer B.
- Wat kan ik voor u doen, meneer B.?
- Nou, mevrouw P., - en ineens voel ik me net de overspannen werknemer Snip
uit de Snip-en-Snap-act van honderd jaar geleden, die over de moertjes en de
schroefjes en de nippeltjes en de niet-begrijpende bedrijfsarts Snap, maar het is niet erg als u
dit niks zegt, even goede vrienden hoor - ik heb hier het bovenste deel van m'n
voortuinverlichting die stuk is, maar ik kan de fitting niet uit het armatuurhuis
krijgen, want ziet u, de twee elektriciteitsdraadjes die hier inmoeten, die krijg
ik er zo niet in, en bovendien ontbreken de noodzakelijke schroefjes, en nou
vraag ik me dus af...
- Ho, meneer B., daar snap ik geen jota van, daar kan ik u niet mee helpen.
En er is hier momenteel niemand van de monteurs aanwezig die u misschien...
en Maarten, ja, die is er nog wel, maar die moet nu onmiddellijk weg ziet u, en...
- Ja, dat begrijp ik allemaal, mevrouw P. Maar misschien...
- Kan ik u straks even bellen als er iemand binnen is, die er verstand van heeft?
- Zeker, mevrouw P. Dan kom ik gezwind weer even hierheen gefietst. Ja, dat
is een strak plan, mevrouw P.
- Mag ik uw telefoonnummer dan nog even noteren? Hoe zei u? 51negentien90?
O, negentien99! Is genoteerd, meneer B. Do'nt call us, we call you!
- Tot straks, mevrouw P. Hoop ik. En nog een goedendag.
- Goedemiddag, meneer B.
Nadere actie is geboden
En daar ging ik weer op m'n fietsje, met m'n buitenlamparmatuurdeel, en
vooralsnog zonder oplossing. Nu allereerst mevrouw B. even volledig
op de hoogte stellen. En daar gaat het verhaal dan weer, van m'n
buitenlamparmatuuronderdelen, de schroefjes en een niet begrijpende
bedrijfsarts alias mevrouw B. die het verhaal liever ook niet wil horen, maar
begrijpend genoeg is om uit te brengen dat het ronduit een schande is, maar
toch geen ramp? Toch?
Inmiddels is de middag al ver gevorderd, wat zie ik, het is al zes uur geweest!,
de telefoon is niet gegaan, en het ziet er dus naar uit dat de buitenlamp ook
hedenavond niet zal branden. Dat wordt weer wachtlopen, Willem, of misschien
toch beter een kaars voor het raam? En maar blijven hopen dat mevrouw P.
morgen zal bellen. Intussen zin ik op nadere actie, want wachten... dat is geen echte actie!
Actie! Actie!
Met dank aan de heer Valkenier
Ja, want ik had beter meteen naar hen kunnen gaan, naar de gebroeders Ed
en Willem Bever. Want die weten niet van dralen, van aanhouden en morgen misschien.
Niks d'rvan, meteen actie, als je maar kikt, als je maar kikt, 't Is Willem die het flikt!
Kortom, hieronder niet Snip en Snap, maar Ed en Willem Bever, uit de Fabeltjeskrant
van 1971. Tekst: Leen Valkenier, muziek: Ruud Bos, in de coulissen: Bor de Wolf en
Balthasar.
HUP DAAR IS WILLEM!
- O, alles is nat!
- Huhh, flictatie, overstroming, Willem!!!
Refrein:
Hup, daar is Willem met de waterpomptang
De nijptang of de combinatietang
Hup, daar is Willem met de waterpomptang
Want Willem is niet bang
Je hoeft het maar te vragen - (Ja hoor)
Dan staat ie al te zagen - (Bijvoorbeeld)
Te kotteren en te boren
De gaatjes in je oren - (Nou...)
Als je maar kikt
Als je maar kikt
't Is Willem die het flikt, hoi!
Refrein:
Hup, daar is Willem met de waterpomptang
Zit er iemand in de dalles - (Dat gebeurt)
Roep Willem, hij ken alles - (Nou alles)
Want Willem weet van wanten
Ja vraag het an m'n klanten:
Als je maar kikt
Als je maar kikt
't Is Willem die het flikt, hoi!
Refrein:
Hup, daar is Willem met de waterpomptang
- Willem, Willem, waar hejje dat nou geleerd?
- Op de Technische Beverschool, man!
Me broer dat is een prima vent - (Dank u)
Die van de zweep het klappen kent - (Och)
Een goeie vakman tot en met
En plichtsgetrouw tot in zijn bed - (Hh hh)
Daar ligt-ie starend naar 't behang - (Met bloemetjes)
Met naast z'n hoofd z'n waterpomptang
En 's morgens dan begint het weer
En dan klinkt het keer op keer - (Hoi):
Refrein:
Hup, daar is Willem met de waterpomptang
(Allemaal:)
Als je maar kikt
Als je maar kikt
't Is Willem die het flikt, hoi!
Hup, daar is Willem met de waterpomptang
De nijptang of de combinatietang
Hup, daar is Willem met de waterpomptang
Want Willem is niet bang, hoi!
De fraters van Tilburg
Mijn Aloysius-lagereschool aan De Kempenlandstraat bestaat niet meer. Samen met
de Leonardus aan de andere kant van de muur en het aangrenzende patronaatsgebouw
werd de Aloysius weggesaneerd en vervangen
door een donker appartementengebouw. De bomen aan de spoorlijnkant zijn gespaard gebleven, en
staan er nu een stuk hoger en grimmiger bij - zo lang als het duurt natuurlijk. Elke keer dat ik met
de trein langs De Kempenland kom, ben ik weer even tien, 1950, zomer in klas 4,
eerste verdieping, bij meneer Van Mier die wel érg graag met krijt gooit als
iets of iemand hem in de weg zit. Elke dag dus wel.
Ik noem nou wel meneer Van Mier, misschien omdat ie een beetje een sfinx was, maar
in klas vier hebben we wel vier of vijf leerkrachten
versleten. Het was gewoon zo'n jaar... eerst werd frater Hubertus naar Tilburg
teruggeroepen en tijdelijk vervangen door frater Bellarmino uit klas 2, toen kwam meneer
Gerritsen tot ie als luchtmachtofficier 'voor herhaling' werd opgeroepen, dus frater Bellarmino
weer even terug, en tenslotte dan meneer Van Mier tot het einde van het jaar. Een stijve man in
een dito grijs pak, zwartgerande bril, begrafenisstropdas, dunne bruine aktentas. Maar de fraters waren
altijd de baas, in heel klas vier, en in alle andere jaren. Dat we 'voor even' een 'meneer' hadden,
was overmacht, en zeker niet de bedoeling. Meneer Van Mier bleef de enige meneer,
de man van klas vier. Je bent tenslotte een fratersschool of je bent géén fratersschool.
De weg naar school
Net als de Kanaalschool en de Leonardus en de Joseph was de Aloysius een jongensschool.
Meisjes hadden nonnenscholen, dat was een andere wereld. Niks mee te maken, en niks
bijzonders in die tijd. Tja, aan een old boys network kun je niet jong genoeg beginnen. Ik liep
dus ook altijd met een of meer klasgenootjes naar school, en weer naar huis, ook als dat een
kleine omweg vergde. Haasten was niet de bedoeling, de bedoeling was juist om onderweg
zo veel mogelijk te beleven - en tóch op tijd te komen, want op de speelplaats was natuurlijk
ook nog van alles te doen voordat de schoolbel ging en je met de armen over elkaar netjes op
de juiste plaats in je eigen rij moest gaan staan. Drillen en kneden en knoeten maar! En dus... monden
dicht, tikje hier en daar, knietje in de knieholte, bloesje uit je broek, afgezakte kousen,
snot aan je neus en zakdoek kwijtgeraakt - het moet er erg zwart-wit uitgezien hebben
in die tijd, comedy capers op punt van uitrukken.
Van de vier gangen per dag - twee keer heen, twee keer terug - was de middagloop
naar school de belangrijkste. Dit kwartier wilde nog wel eens vroeg beginnen omdat
je 'afgesproken had' om de knikkers mee te nemen en alle goten en gootjes tot aan school aan te doen.
'Loden knikkers' waren daarbij favoriet, en ja, dat gat in je broekzak kwam natuurlijk ook
érgens vandaan. Handen wassen was er in mijn herinnering niet bij, kranen waren op
de Aoysius onbekend en de urinoirs onder het afdak waren niet meer dan in de lengte
doorgezaagde gresbuizen, echte pisbakken, heerlijk in de open lucht. - En meneer Van
Mier, ach meneer Van Mier, die surveilleerde in zijn jasje-dasje op de zonovergoten speelplaats,
was de strenge scheidsrechter, en moet zich van de weeromstuit af en toe toch ook
wel eens jong gevoeld hebben? Een meneer is tenslotte geen frater, is het wel?
De Aloysius-didactiek
Het onderwijs dat we van de fraters en ook van meneer Van Mier kregen was exclusief gericht
op kennis, kennis en nog eens kennis: alle katechismusvragen van klas drie én vier plus de bijbehorende
antwoorden in de juiste volgorde van buiten leren en om beurten opdreunen, alle jaartallen
uit het 'Rood-wit-blauw'-geschiedenisboekje van het zelfde laken een pak en idem dito, duizend keer
eenzelfde staartdelingssom, dictees met het lastige woord 'bisschop' eindeloos vaak
herhaald, de blinde kaart van Nederland net zo lang voor het bord tot iedereen
alle provinciesteden volledig geautomatuiseerd had, en wee degene die het presteerde om
alsnog een onvoldoende voor het proefwerk te halen! Hel en verdoemenis en paarse strafpunten
aan de linkerkant van het bord, en een slecht weekrapport met onvoldoendes voor gedrag,
vlijt en ijver! - 'Dat zal uw Jantje leren!', nee, dat stond er nog net niet bij, maar dat was
dan ook niet nodig. Elk gezin had hiervoor zijn eigen aanvullende straffen. Ach, die heerlijke
Jugendzeit, die kommt nicht mehr!
Maar fratersscholen, desnoods mét een meneer Van Mier, wisten ook te belonen: voor elk
schriftelijk rekenwerkje, meerdere keren per week, moest je natuurlijk een tien zien te halen.
en wie het eerst tien tienen had, ja, die mocht een prijs uitkiezen van de 'prijzentafel'. Onnozele
prijzen lagen erop: een afgepakte bal, heiligenprentjes waar het wijwater van afdroop, een zompige inktlap,
een klein kladblokje waar de houtsnippers prominent in aanwezig waren. Toen ik voor tien tienen
rekenen een
keer mocht kiezen, was de beste prijs... een lekke gummibal! Uit uitgestelde verontwaardiging, maar
vanzelfsprekend ook uit ijver, haalde ik daarna ook als eerste tien tienen voor taal. Ik
mocht kiezen: voor twee weken het heiligenleven van Peerke Donders lenen, of gedurende
één week oefenen op een muf ruikende kleppenfluit. Ik koos voor 'Peerke Donders tussen de melaatsen
van Molokai'... En na twee weken had ik het uit, van kaft tot kaft!
En elke dag naar de kerk
Natuurlijk hingen op de Aloysius de befaamde wandschoolplaten aan de muren: 'In een
Middeleeuwse stad', 'Noormannen in Dorestad', 'Frederik Hendrik voor 's-Hertogenbosch',
en ook wel de natuurplaten met 'Weidevogels', 'In sloot en plas', en
natuurlijk de beroepenplaten: 'Bij de smid', 'De glasblazerij'. Het beroep van mijn vader,
'De lijkkistenmaker', was er helaas niet bij. Een misser als je het mij vraagt. - Maar één wand van klas vier had meneer
Van Mier gereserveerd voor een uitgebreid vilt-paneel waarop alle onderdelen van
'Het Heilig Misoffer' in eigen vorm en kleur uitgebeeld werden. Van het Introitus via
Het Evangelie en De Offerande naar De Consecratie, De Communie en De Heenzending. En
elke dag, aan het begin van de lessen, was er aandacht voor, zodat je vanzelf een
beetje heilig werd, en thuis ging zeuren om een eigen altaartje of op z'n minst toch
een kinder-kazuifel. Geen wonder dat er aan het einde van de vijfde/begin zesde
klas prominente aandacht was voor het seminarie als vervolgonderwijs, en dat
'priester worden' toch wel het allerhoogste was dat een kind van God kon bereiken!
Elke morgen ook telde meneer Van Mier hoeveel kinderen er die dag naar de mis
geweest waren. Waren het er soms maar 18 van de 40, dan was zijn dag vergald - en
anders die van ons wel! Bij zes keer kerkbezoek in één week ontving je een
heiligenprentje, na drie keer zes mocht je je drie heiligenprentjes inwisselen
voor een heiligenPRENT: groter en veel mooier nog dan de kleine exemplaren.
Het was natuurlijk de bedoeling om zo veel mogelijk grote prenten te verzamelen en
die thuis een aandacht vragende plaats te geven. Achteraf gezien was het allemaal natuurlijk
van een welhaast misdadige kwezelachtigheid en indoctrinatie, en
het is misschien wel een wonder (o,o wat een omen is dit nomen!) dat de
meesten van ons zich nog tot vrij normale mensen hebben weten te ontwikkelen.
Maar bij fenomenen als een Ratzinger, een Gijssen, een Bodar heb ik dan ook al sinds de jaren
des onderscheids zo m'n twijfels. 'L'enfer? Ce sont les autres.' Sartre zei het al. - En meneer
Van Mier? Ach, meneer Van Mier, die was
natuurlijk ook maar slachtoffer van zijn tijd. Ik hoop dat ie nog bijtijds De Ontnuchtering Zelve
tegen het lijf gelopen is.
Uit volle borst graag!
Zangles kregen we ook van meneer Van Mier. Zo nu en dan. Het Wilhelmus natuurlijk,
en Maria te minnen, wat zalig genot, maar ook Ozewiezewooze en
Advocaatjeleefjenog? Eén keer zelfs een Frans lied met als refrein
de onbegrijpelijk intrigerende tekst: Tomtarinete tomtapi, tappi tappi rouge. Tomtarinete
tomtapi, tappi tappi cri!' - Nooit zal ik het vergeten, wat zeg ik, ik zing het nog geregeld (zachtjes
in mezelf dan, want ik weet nog steeds niet wat het betekent, en om daar nou mee te koop te lopen...)
Ook de Trots Op Brabant (TOB) is ons op de Aloysius met de paplepel ingegoten: Edele Brabant
Were Di en
Toen Hertog Jan kwam varen, te peerd parmant, al triomfant. Maar het hardst zongen wij toch van
Brabant, ik zing van je groene gouwen, drie coupletten lang, drie keer het refrein. (Het heeft
overigens lang geduurd voor ik die 'gouwen' in de knip had!) - Ik geef
hieronder het eerste coulet plus refrein, dat volstaat lijkt me, zó Brabants ben ik
inmiddels nou ook weer niet (meer)! Het lied heet eigenlijk Mijn Brabant, en het is ooit
gecomponeerd door Rob Gevers. 'En uit volle borst graag, ja!'
MIJN BRABANT
Brabant, ik zing van je groene gouwen.
Goudgeel kleurt zich de hei met de brem.
Heerlijk bloeien uw landouwen,
rijen zich langs bos en ven.
D'herder stouwt z'n blatende schaapkens
langs de dreven ongerept.
Vlug naar kooi als 't klokje
in de avondstilte klept.
Refrein: Dan moet ik zingen van mijn Brabant,
waar toch eens m'n wiegske stond.
Van ons volk gehecht aan zeden,
dat bij strijd z'n menneke stond.
Dan wil ik zingen van 't liefste
wat ik ooit bezat op aard:
van m'n goeie Brabants moeke,
trouwe ziel van huis en haard.
Okee, door omstandigheden en druktes lukt het tegenwoordig vrijwel nooit, maar
het streven is en blijft 25 kilometer per week. Eén langere wandeling van zo'n 15 km, en
twee kortere van elk 5. De lange wandelingen vereisen doorgaans enige voorbereiding
en reistijd, en nemen zodoende meestal een hele dag in beslag. Want godja, een
beetje rustigaan natuurlijk, en de nodige pauzes omdat het voor iedereen leuk
moet blijven. En ja hoor, door de bank of de boomstam of het grasveld genomen zijn
het heerlijke dagen. Zeker de helft van Nederland hebben we op deze manier al
doorkruist en gespot. Nu en dan heb ik daar al verslag van gedaan in de Balthasarsblog
(zie bijvoorbeeld 3 juni 2009: En zij lagen langs 's-Heeren Wegen, wat ik
onbescheiden gezegd zelf wel een aardig stukje vond en vind, of lees anders:
Therapeutisch wandelen bij 13 oktober 2008, ook leuk),
binnenkort treft u nog meer over deze 'dagwandelingen' in dit theater aan.
De korte wandelingen zijn onze 'onderhoudswandelingen', we doen ze altijd in de buurt
vanuit huis, en op onze tuinschoenen. Het
zijn ook meer een soort 'inspectiewandelingen' om alle ontwikkelingen in de natuur
en van de omgeving te observeren en te genieten. Op dit moment wordt er misschien hier
en daar door deze of gene wat al te
enthousiast gekapt en gesnoeid. Maar dat vind ik elk jaar weer. En het komt bijna altijd 'wel goed'.
Ook met ons, want dit soort bewegingstherapie in de ochtend ervaren wij als een weldaad voor
de knoken, de knieën en de knuisten, en de korstmossen en spinnewebben in onze
hersenen. - Hieronder drie van onze favorieten.
Het landgoed en de aanpalende uitlopers
Eén flinke straat verder, op een ruimbemeten hoek, ligt ons eigen dorpse landgoed 'Het Haveke'. Groot
kasteelachtig huis met aanbouwen tussen onafzienbare grasvelden en een vloed aan
bospercelen en rustieke doorkijkjes. Dorpsbeek en spoorlijn begrenzen
de tegenoverliggende hoek, zo'n kilometer verderop. Het landgoed is wat je noemt
grotendeels opengesteld, en je hebt er toch wel een stief uurtje voor nodig om alle
begaanbare paden te overlopen. Bij de hoofdingang staan altijd wel een paar fietsen
gestald, maar van de fietsers nooit een spoor. Huize en landgoed zijn doorlopend
'in onderhoud' en elke wandeling is een beetje feest, weer of geen weer, dat maakt niet
uit. En voor aangewaaid bezoek (dat 'even' meeloopt) is het een belevenis om aldoende achter
de extra-betekenis van onze uitnodiging 'In de Hof van Eefde' te komen.
Het landgoed is een particuliere bedoening, de eigenaresse verhuurt ook voor bruiloften en
partijen mét overnachting, en je zou hopen dat dat nog lang zo mag blijven. Soms vinden
op het grasveld bij de moestuinen godsdienstige of culinaire 'bijeenkomsten' plaats. Daar is
naderhand nooit meer een spoor van terug te vinden. Heerlijk, om in zo'n braaf dorp te
wonen!
Momenteel zijn er vooral verse houtwallen, blauwe sterhyacinten en openknappende
kastanjetakken in de aanbieding. De nieuwe aanplant van jonge beuken op opengevallen
plaatsen is één en al vooruitziende blik. Binnen een maandje zweeft hier het jonge groen
eindeloos teder door de invallende zonnebundels heen. Yes!
Langs de rivier langs
Op andere ochtenden voelen we meer iets voor een pittig stapje 'langs de IJssel'. Grote
stukken open rivierlandschap, uiterwaarden vol ganzen, opvliegende meeuwen achter
landbouwtrekkers. Altijd weer een openbaring van weidsheid en groot water, opwellende
gedichten (Nijhoff, Marsman, Slauerhoff) en liederen ('Vive la peperbusse, vive la spa, tralalala,
giezegazegoeze, ronflonfloeze, tralalalala'). En altijd weer die tranende ogen, die
tuitende oren...
De rivier en het landschap wijd en zijd zijn elke dag anders, de knotwilgen staan met hun poten
in het water of steken hun wilde kruinen koninklijk de lucht in, de ganzen zijn er wel of
de ganzen zijn er niet, de koeien loeien in de open weides of in de open stallen, het water
is breed of het water is smal, het pontje vaart wel of het pontje vaart niet: lopen
langs een grote rivier eist altijd weer aandacht voor de juiste kleding, windsterkte,
zonnebrand, en een altijd nutteloze paraplu. Na zo'n wandelingetje van een dik uur ben je echt wel uitgewaaid en
doorgedold, nu nog een heerlijke bruine boterham met kaas. En een sterke kop
koffie. - En aaahhh, wie zijn wij dat we dit doen mogen... Tóch!?
Langs moestuinman, kwekerij en ooievaarsstation
Als we iets meer tijd hebben of nemen, voert onze ochtendoefening door beemd en veld,
en wordt ons tuinschoeisel vervangen door wandelschoenen. Buskaarten niet vergeten!,
want we lopen tot aan Halte Kerkhof Gorssel om met de bus weerom te keren na een vol uur
sappige korenvelden, bedrijvige kwekerijen, velden vol nesten jonge ooievaars, groen
bedekt water in de ronde wielen, eindeloos veel honden en hun uitgelaten baasjes en
bazinnekes. En dan vergeet ik nog het oponthoud bij de moestuinman - dat kan
vandaag wel anderhalf uur worden, dat wandelingetje van ons!
De moestuinman is op de een of andere manier het grote voorbeeld. Alles staat er
altijd even prachtig bij, blozend in de rij, en voor minimaal vier gezinnen. Want ja,
die kinderen he, die komen hier elke dag hun groenten halen. Nee, daar hoeven ze
niks voor te doen, hoeft echt niet, ik doe dit al veertig jaar, nou dan weet je het wel,
he! En altijd hier op dezelfde grond, en hetzelfde assortiment hoor! - Soms krijgen
we plantjes mee, of zaden, en altijd wel adviezen en praktische tips. Heel soms
hopen we dat ie niet in zijn tuin aan het werk is, als we door willen lopen, of
als we gewoon zelf ons oordeel over zijn tuin willen vellen, kijk, bij hem
is de boerenkool ook bevroren, hoe kan dát nou?!
Afgelopen winter was er geen doorkomen aan, aan deze onderhoudswandeling. Overal
één en al grote gladde ijsvlakte en dreigend gevaar voor gebroken enkels en polsen.
Toch hebben we hem nog twee keer gelopen (geslibberd zeg maar), de tocht naar Halte Kerkhof Gorssel. Ruim
anderhalve keer de normale tijd, ijzige wachttijden in het bushokje, geen ooievaar gezien, het
kerkhof ook al in mineur. Maar thuis deden we een extra houtje op de kachel, één van de
drie truien uit, en anijsmelk op het vuur. Tot we lichamelijk en geestelijk weer volledig
'op peil' waren. Met deze korte onderhoudswandeling waren we telkens de hele ochtend zoet.
Tja, soms moet je er wat extra's voor over hebben, als je aan je 25 km per week wilt komen.
Onderhoudswandelingenliedjes
Onder het lopen van de korte ochtendwandelingen heeft zich al menig lied in mijn kop
geplant. Er zijn liederen - of fragmenten - van de blijmoedige stap (Allen die willen ter
kaperen varen, moeten mannen met baarden zijn), onzinliederen (En mevrouw van
Roozendaal, die had vier jujujuutjes), liederen van de
ochtendradio die maar niet weg willen gaan (Heb je even voor mij?), liedjes van stilte
(Snachts rusten meest de dieren, oock menschen goet en quaat) en liedjes
van niks (Lieke van 1 minuut). - En altijd alleen maar 'in mijn kop', nooit hardop
tenzij het heel hard waait en niemand je hoort al gil je nog zo giga je nonsensteksten
uit ('Daar was een juf die spon... daar zat geen toorteltje aan').
Vooral op zomerse dagen schieten mij de liedjes van Gerard van
Maasakkers te binnen, dat wil zeggen de liedjes van z’n eerste LP ‘Komt er mer in’ (1977).
En dan vooral ‘Van m’n bengske’, en daaruit dan eindeloos het couplet ‘De koei van De
Vries’, dat gaat zo: De koei van De Vries / zwaaie sloom mee hun sterte / de mugge, die dansen er
bove de sloot / en weit, weit genoeg / schiet ‘nen trein naor de stad, / de kraaie worre
stil, d’n dag die gao dood. (2x)
Ach, er zijn zoveel liedjes en liedekens die je onverhoeds
te binnen kunnen schieten. Hoe te kiezen? Nou, net als in de praktijk! In dit geval betekent dat:
ik pak het boek 'Straatliederen van Nederland', ik sla het open op een volkomen willekeurige
plaats, pagina 173, en lees (ojee, het lied is meer dan twee pagina's lang, daarom volsta ik met het
eerste couplet en het refrein):
HET FIERE SCHOOIERSHART
(Tekst: Otto Zeegers (1919) - Melodie 49
Oorspronkelijk gezongen door Willy Derby)
Ik loop als een schooier door weer en door wind
Bij dag en tot diep in de nacht
Er is haast geen mens me wat vriend'lijk gezind
Ik word door eenieder veracht
De dames en heren die gaan me voorbij
Er zijn er die 'k goed heb gekend
Ze houden vol afschuw hun kleren opzij
Uit angst voor zo'n schunnige vent
Refrein: Maar onder m'n lompen, daar draag ik nog iets
Waarmee ik de wereld tart
Daar klopt en daar leeft
Daar lijdt en daar beeft
M'n fiere schooiershart
Gisteren maakten wij met onze vriendin J. een loomwarme wandeling in de buurt van De
Wildenborch, het landgoed tussen Lochem en Vorden dat nog steeds bekendheid geniet
namens de negentiende-eeuwse dichter en bosbouwer A.C.W. Staring. De imposante voortuin
van het kasteel stond de sneeuwklokjes en paarse krokussen massaal uit te venten, en ook
overigens was het landschap een en al allure op weg naar de lente. Omdat de luchtvochtigheid
op deze zaterdag bijzonder hoog was, braken wij de moeizame wandeling
voortijdig af, en lieten ons vervolgens door J. en haar automobiel welwillend door het
landschap van Het Grote Veld voeren. Tot we plotseling 'in the middle of nowhere'
voor een aantrekkelijke boerenbedoening stonden. 'Kijk,' sprak vriendin J., 'dit was nou
het ouderlijk huis van G. Mooi, he.' - G. is de onlangs overleden echtgenoot van J. De 'stop'
leidde dan ook tot een korte maar roerende stilte bij ons alledrie. En voelde als
een weemoedige hommage aan de verleden tijd van onze jeugd.
Madenkwekerij
Zo had Tonnie W. ook deel aan mijn jeugd. Zijn naam en fysionomie en huiselijke setting
komen vlot uit mijn geheugenlaatjes tevoorschijn als ik aan klas vier, meneer Van Mier, en oktober
1949 denk. Tonnie liep zomer en winter in korte broek en op gummilaarzen, zijn vader
dreef een rommelige fietsenwinkel naast bakkerij Jordens, en op de achterplaats hield
hij er een madenkwekerij in betonnen bakken op na. Ja, ze hielden daar nogal van vis en
troep en Jan Steen, geloof ik, bij Tonnie thuis. Je werd er ook niet echt opgemerkt of
gemist, je was er gewoon of je was er niet, altijd goed.
Eén keer ben ik met Tonnie op de vuist gegaan,
op het terrein van het Mariaklooster aan de Dommel dat nog steeds in puin lag 'wegens
oorlogshandelingen' - en geen spoor meer in mijn geheugen van de 'kwestie'
waar die knokpartij dan wel over ging. Noch over de gevolgen van ons partijtje 'benzen'. De
volgende dag was alles weer 'gewoon', en liepen we evenwichtsbalkje over de ijzeren grasafzetting
van het Emmaplein, of verbaasden we ons erover dat je eigenlijk poep eet als je verse
groenten op je bord hebt, want mest leerden we is poep met stro van de mesthopen op
de boerderijen. - Later is Tonnie nog eens in de motorracerij gegaan, heb ik viavia
gehoord, maar ik heb daar zelf geen waarnemingen of herinneringen bij, dus dan telt het
niet. Dit is alles wat ik van Tonnie weet, zo ongeveer.
Hofmeester
Later kwam Tonnie W. nog een keer sterk opzetten, indirect dan. Dat was toen
ik in 1960 soldaat was in Apeldoorn, dienstplichtig sergeant B., toegevoegd aan de
Administratieve Staf van het Eerste Legerkorps van Generaal Gips. Onze maaltijden genoten wij in de
onderofficiersmess van de marechausseekazerne waar onze eenheid bij ingekwartierd
was. Daar ontmoette ik Jan W., de iets jongere broer van Tonnie W. Jan was daar 'hofmeester',
wat wil zeggen dat hij 'in de bediening' was. Met hem kon je dingen 'ritselen', nou ja,
alles in het onschuldige natuurlijk, het was 1960, en nog ruim 8 jaar voor '1968' toen de
verhouding tussen autoriteit en klootjesvolk langzaam maar gestaag begon te veranderen, en
Bill Haley en Elvis Presley alweer op hun retour leken te zijn.
Jan was de rustige en aardige variant van Tonnie. Hij speelde zijn rol als hofmeester
met verve, en zeker in de 'parate' weekends, als de stijve en kale marechaussees
met verlof waren en alleen het ongeregeld zootje van de staf van het eerste legerkorps
in de 'mess' kwam eten. Extra krentenbrood voor tafel 3? Nog een meeneemtoetje voor
sergeant G.? Thermoskannetje koffie bijvullen? Met Jan kon je zaken doen, vooral
bij de zondagavondmaaltijd. Gebakken ei bij de boterham? Dat is dan 10 cent
(in plaats van 15). Een 'dubbele' was 5 cent extra. Dat waren niet 2 eieren zoals ik
aanvankelijk dacht, maar een aan twee kanten gebakken ei, waar Jan
een ster in was. Ja, met Jan W., de broer van Tonnie W., was het goed kersen eten, toen,
in 1960, in de 'mess' in Apeldoorn, op zondag. - Het moet ook toen geweest zijn
dat Jan me van de raceactiviteiten van Tonnie verteld heeft. En van het ongeluk,
maar daar weet ik het fijne niet van.
Verdwenen bewijs
In tegenstelling tot de ouderlijke boerenwoning van vriend G. - godhebbezijnziel - bestaat
de fietsenmakerij van Tonnie's en Jan's vader allang niet meer. Gesneuveld in de
stratenopknapwoede van de jaren zeventig. Die betonnen bakken van de
madenkwekerij vallen dus niet meer te bewijzen, zomin als het gebouw met de
speelplaats en de buiten-wc's waar wij schoolgingen, of de kerk waarin wij maandelijks onze
pekelzonden moesten opbiechten en elke morgen vroeg onze knorrende magen met
één enkele hostie moesten zien te voeden. Het politiebureau is afgebroken, de cinema
verkoopt vrijetijdskleding, waar ik vroeger tolde en straatvoetbalde puilen nu de terrassen, en waar
ik zangkoorrepetitie had kun je alleen nog warm en duur eten, mijn eerste werkplek is inmiddels
een modern museum, een goeie deal. En ja, ik ben mezelf natuurlijk ook allang niet meer, in elk geval
anders en wie weet wel onherkenbaar verbouwd voor wie er met me speelde en schoolging
rond 1950. Dat is 60 jaar geleden, onherhaalbaar, maar zoet van herinnering en uiterst persoonlijk.
Al met al niet gek, dus.
Volgens Douwe Draaisma en andere geheugendeskundigen gaat het leven sneller als je ouder
wordt. Dat zit intussen nog: als je veel plannen maakt, veel onderneemt, gezond eet en veel beweegt,
dan valt er op veel terug te zien, waardoor het leven weer wat langzamer lijkt te gaan terwijl je
voortijlt - en dat ontkracht en passant ook nog even het gevoel dat het leven je als zand door de
vingers glijdt. Dat lijkt me wel wat, alles in het mogelijke natuurlijk. En af en toe een dagje rust is
ook zéér gezond. Ja, aan die Douwe Draaisma, daar heb je wat aan, lees zijn boeken!
A.C.W. Staring, dichter en landman
In de Achterhoek is A.C.W. Staring (1767-1840) een heel bekende figuur. Zo is er, ik noem maar wat,
een regionale trein naar hem vernoemd. Hij was (Wikipedia) 'dichter
en landman met oog voor de natuur en voor de noden van de mensheid. Hij blonk uit
in de dichterlijke vertelkunst.' Mocht je ooit te Almen geraken, verpoos dan even in Herberg
De Hoofdige Boer. Die herberg is genoemd naar een van de beroemdste gedichten van Staring,
dat uiteraard in die herberg te lezen valt. Oja, en je kunt er ook heel lekker eten.
Ik kies hieronder voor een ander gedicht van Staring, het heet Lentezang. Als je het tot
het einde toe leest, herken je wat wij gister op onze wandeling over landgoed De Wildenborch
ervoeren. - En die taal? Dat valt allemaal best mee. En anders:
hardop lezen, dat wil nog wel eens helpen.
LENTEZANG
Geen nevelig duister
Bedekt meer het veld;
Geen blinkende kluister,
Die 't beekje meer knelt;
Het stormen is over;
De buijen zijn heen;
Wat ritselt in 't loover,
Is zefir alleen. - [zachte westenwind]
Vol bloeisel van boven,
Vol bloemen omlaag,
Staan velden, en hoven,
En telgen en haag!
De Vrolijkheid dartelt,
In klaverrijk Gras;
Zij wemelt, zij spartelt,
In vlieten en plas.
De wouden herhalen - [laten opnieuw horen]
Hun feestelijk lied;
Ook zwijgt, in de dalen,
De Leeuwerik niet.
Van echo vervangen, - [door de echo afgewisseld]
Bij 't rijzen der maan,
Heft GIJ nog uw zangen,
O Nachtegaal, aan!
Geen nevelig duister
Bedekt meer het veld;
Geen blinkende kluister,
Die 't beekje meer knelt!
Ontvlugt nu de steden,
Wie vreugde begeert!
Ontvlugt ze nog heden -
De Lente regeert!
Dit stukje gaat over de boekenweek en over boeken die ik deze week al wel gekocht
maar nog niet gelezen heb. Kan dat wel, schrijven over iets dat je nog niet kunt kennen?
Ja, dat gaat best. Leest u maar even mee - ook al is het niet gezegd dat u daar iets
wijzer van wordt. Terwijl dat toch wel de bedoeling is, dat je van lezen iets wijzer
wordt, of iets vrolijker, ontroerd desnoods of boos en opstandig, of slaperig misschien,
ontspannen of anderszins emotioneel geraakt. Het boek is immers als
'een bijl voor de bevroren zee in ons' (Kafka). Nou dan, lezen dus!
Boekenweekmotto
Nog tot en met zaterdag 20 maart 2010 is het boekenweek, een merkwaardige week
omdat hij in totaal tien dagen duurt. Dit jaar is een jubileumjaar omdat de boekenweek
75 wordt. Elke boekenweek kent een eigen motto. In 2010 is dat: 'Titaantjes - Opgroeien
in de letteren'.
Het motto komt ongetwijfeld het beste tot zijn recht in de speciale uitgave van de CPNB
(Stichting Collectieve Propaganda van het Nederlandse Boek) met de titel Titaantjes
waren we - Schrijvers schrijven zichzelf ter gelegenheid van de 75ste boekenweek. Een
kloek en luchtig boek van ruim 300 pagina's, waarin 75 bekende Nederlandse schrijvers
een brief 'aan hun jonge ik' schrijven, en dat alles voor de weggeefprijs van 10 euro. Misschien
moet je alleen daarom al even naar de boekhandel, deze week.
- Oja, de bekende schrijvers komen in dit boek alfabetisch aan bod, op hun voornaam! Dus van A.F.Th.
van der Heijden tot en met Willem van Toorn. - Waarom? Geen idee.
- En nog een keer oja: wat zijn titaantjes? Daarvoor moet u het boek Titaantjes van de
schrijver Nescio (1882-1961) kennen. Dat boek begint zo: 'Jongens waren we - maar
aardige jongens. Al zeg ik 't zelf. We zijn nu veel wijzer, stakkerig wijs zijn we, behalve
Bavink, die mal geworden is.' Jong zijn in de literatuur, daar gaat het dus om, dit jaar. - En
waarom? Ook hier: geen idee.
Boekenweekgeschenk
Sinds 1930 krijg je van de boekhandelaar een 'geschenk' cadeau als je voor een bepaald
bedrag aan boeken bij hem/haar koopt. Dat geschenk is sinds jaar en dag een literair
boek van 96 pagina's, met nogal kleine letters omdat de meeste literaire auteurs moeite
hebben om hun verhaal in zo weinig pagina's te doen. Het onderwerp van het geschenk heeft
meestal niets met het motto van de boekenweek te maken, de auteur is volledig vrij in zijn
onderwerpskeuze. Daar zit een verhaal aan vast dat te maken heeft met 1981 en de schrijver
Gerard Reve. Zijn ingezonden manuscript (De vierde man) werd door de desbetreffende
werkgroep van het CPNB geweigerd, en vervangen
door het volkomen zouteloze en slaapverwekkende De ronde van '43 van Henri Knap. Dat kon
zo natuurlijk niet langer! De nieuwe CPNB-directeur was de schoonvegende bezem, en dus...
[ Wie over dit voorval en alle andere ins en outs van het
boekenweekgeschenk wil lezen, raadplege het boek Zolang de voorraad strekt - De literaire
boekenweekgeschenken 1984-2000 van Onno Blom. Tevens een heerlijk boek voor
verzamelaars van boekenweekgeschenken. Dáár zouden ze bij de CPNB nog eens een
bijgewerkte herdruk van moeten maken! ]
Dit jaar
is het boekenweekgeschenk geschreven door Joost Zwagerman, en het heet Duel. Ik heb het
nog niet gelezen, en er nog bijna niets over gelezen. Dat kan ook haast niet omdat er een
gentlemen's agreement bestaat om dat pas een maand na de boekenweek te doen. Slechte
kritieken kunnen ze natuurlijk niet hebben in de boekenweek! Dit jaar moeten er - let op! -
zo'n 960.000 van die geschenkboeken uitgedeeld worden! Omzet dit jaar dus minimaal 960.000 x
€ 11,50. Minimaal, want de meeste boeken kosten immers beduidend meer dan 11,50. - De boekhandelaar
ontvangt meestal 40% van de verkoopprijs van het boek. Nou, dan kun je één keer per jaar ook best
eens een 'boekenweekgeschenk' weggeven, tóch!?
En... er zit nóg een leuk voordeel aan de boekenweek van tegenwoordig. De NS sponsort en
stimuleert het lezen (en dus de boekenverkoop). Op zondag 14 maart (elk jaar de eerste zondag in de
boekenweek) kun je de hele dag gratis met de trein reizen als je het boekenweekgeschenk aan de
conducteur kunt laten zien! Niet van gehoord? Niet aan gedacht? Volgend jaar dan maar.
Andere boekenweekaankopen
- Tirade is een belangwekkend literair tijdschrift in Nederland. Het wordt uitgegeven door Uitgeverij
Van Oorschot, 5 nummers per jaar voor € 40,-, losse nummers € 12,50. Deze keer kocht ik weer
eens een los nummer (Tirade 432 / 2010 / Nr 1) omdat de begintekst van de achterflap me
meteen intrigeerde. Leest u even mee: 'Carel Peeters [ literair criticus van o.a. Vrij Nederland.
B. ] verbaast zich er in zijn eerste 'Kroniek van de roman' over dat Godenslaap van
Erwin Mortier de AKO Literatuurprijs heeft gekregen: Er zijn zinnen en vergelijkingen,
waarvan het mij niet duidelijk is of het schitterend dan wel al te mooi gezegd is.' - Nou, dat wil
ik dan wel eens bewezen zien!
- Brieven uit Veere is een uitgave van - alweer - Van Oorschot. Het bevat twee brieven van
de hierboven al genoemde schrijver Nescio aan zijn geliefde vrouw Agathe Tiket. Twee
brieven, hoor ik u al monkelen. Maar wát voor brieven, schrijft de achterflap die ik hier nog
verder zal citeren, want gelezen heb ik ook dit boekje nog niet. Wél bekeken, want mooi! Een
boekje om te hebben. Leest u even mee (alweer): 'De 26-jarige Frits Grönloh, de latere
schrijver Nescio, is in juli 1908 veertien dagen in Middelburg en Veere, in z'n eentje; zijn
hoogzwangere vrouw is thuisgebleven. Aanvankelijk kan hij er zijn draai niet goed vinden,
maar dan wordt hij gegrepen door Veere en het dagelijkse leven daar. Hij geeft zich
geheel over aan het ritme van de getijden en het uitvaren en binnenkomen van
de boten, gaat mee met de vissers, zit uren op de toren van de Grote kerk en
verliest ieder besef van tijd en plaats: "Ik doe aldoor 't zelfde net als 't water en
de Arnemuiders. De eene golf rolt over de andere en daarna zie je ze nooit weer om,
zoo leef ik hier, de uren beteekenen hoogstens eten, overigens is 't water
hoog of 't is laag en als 't een tijdje donker is ga je naar bed." Het is alsof
Japie-de-uitvreter hier aan het woord is. Drie jaar later verschijnt het verhaal
De uitvreter in het tijdschrift 'De Gids'; in 1918 zal het met Titaantjes
en Dichtertje worden gebundeld.' - Nou, en dan ben je weer thuis, als je net
het boek Titaantjes waren we (zie hierboven) gekocht hebt! Schitterend!
- Tot slot kocht ik in een opwelling De kronieken van S. Montag - Nederland
1975-2010 van H.J.A. Hofland (Bezige Bij). Het boek is samengesteld door Bas Blokker,
Sjoerd de Jong, Geert Mak en Hubert Smeets. Met een inleiding van Geert Mak
onder de titel 'De smaak van de tijd'. S. Montag is het pseudoniem van H.J.A.
Hofland, journalist en columnist, en uitgeroepen tot dé Nederlandse journalist van
de twintigste eeuw. S. Montag schrijft 'overpeinzingen' in NRC Handelsblad.
Over het aangezicht van straten en pleinen bij voorbeeld, over de voor- en
nadelen van de technologische vooruitgang, over het gedrag van mensen in
het openbaar vervoer, over... De overpeinzingen worden gevoed door actuele
gebeurtenissen of verse waarnemingen. Kortom: 'S. Montag schetst een
continu bewegend beeld van het veranderende Nederland.' - Aangezien ik
NRC Handelsblad maar incidenteel lees, Henk Hofland vooral ken van radio-
en televisie-columns, leek me dit boek een mooie gelegenheid voor een bredere
kennismaking met het afgesplitste fenomeen S. Montag. Bovendien ontroerde me de
aanbeveling van Geert Mak: 'Dit boek gaat over het plankton van de
geschiedenis. Het gaat over de minigebeurtenissen die de grote
verhalen voeden, de kleinigheden die alles zeggen.' - Bied daar maar
eens weerstand aan. In de boekenweek.
Ontbrekende reus
Gerrit Kouwenaar komt niet voor in het schrijversboek Titaantjes waren wij,
maar daar zou bij een herdruk verandering in gebracht kunnen worden. En mocht
de oude bard dan intussen overleden zijn, dan kan 'in het kader van "jong zijn"
in de letteren' met een gerust en goed hart zijn gedicht 'a happy childhood' opgenomen
worden. Bij deze van harte en gratis aanbevolen. Het gedicht stamt uit de bundel
'een glas om te breken', tevens opgenomen in 'totaal witte kamer' (2002).
A HAPPY CHILDHOOD
vergeet je wel eens je vaders klok op te winden?
ja, ik vergeet wel eens mijn vaders tijd te vergeten
draag je wel eens een strohoed een ooglap een vadermoorder?
nee, ik draag een gedicht op, een zomer van bladgoud
schrijf je wel eens de laatste lippen om te verwoorden?
ja, ik ontcijfer een kus van bemodderde rozen
loop je wel eens door gras dat nodig gemaaid moet?
nee, ik sta stil in gras dat niemand gezaaid heeft -
Zoals ik eerder al eens meldde stam ik uit een groot gezin, 13 kinderen, opa inwonend.
Ik was nummer 10, 1940, van voor de oorlog. Ik scheelde 13 jaar met mijn oudste broer,
ik ben nu 3 jaar ouder dan hij ooit geworden is, en toch is hij nog steeds diezelfde broer
van 13 jaar ouder, een prettig verschil. Mijn jongste zus is 7 jaar jonger. Zij weet
praktisch niets van mijn jeugd, maar is daar wel altijd heel nieuwsgierig naar. Dat
maakt haar een gewillige en gretige consument van deze serie 'Flarden' in de
Balthasarsblog. Sterker, zij begint mij steeds vaker dingen te vertellen, over míj,
die ik zelf nergens op mijn netvlies heb staan. Een prettige bijkomstigheid, én een
extra reden om nog maar even met deze mini-serie door te gaan. Vandaag mijn
zondagsvriendje Sjakie en zijn broer Joop. Eigenlijk gaat het niet over Sjakie of
over Joop, maar over de familie S., waarvan de ouders belangrijker waren (en bleven)
dan hun twee kinderen die mijn lagere-schoolgenoten en speelvriendjes waren.
Paardemoppen en overzeese verhuiskisten
Sjakie was dun en had hele smalle enkels die gemakkelijk omzwikten. Daarom droeg
hij hoge schoenen, iets zeer opmerkelijks in de dagen rond 1950. Hoewel, zijn
buurjongen Ferry droeg ook hoge schoenen. Maar die had dan ook astma, woonde
de helft van het schooljaar op een berg in Zwitserland, dus dan begrijp je dat wel, van
die hoge schoenen. Nee, de hoge schoenen van Sjakie waren bijzonderder dan die
van Ferry. Zó bijzonder dat ik dat een tijdje ook wel wilde, hóge schoenen! Maar het
heeft jaren en jaren geduurd voor ik die had, zelf gekocht, van zelf verdiend geld. Maar
toen was ik helaas geen kind meer.
Sjakies vader was 'voerman' zoals ie zichzelf trots noemde, en samen met twee broers
had hij een verhuis- en transportbedrijf in de kentering der tijden, met paarden,
vrachtauto's en opslagloodsen. Het bedrijf evolueerde zelfs naar 'internationaal',
wat betekende dat ze ook verschepingen naar Canada en Australië
verzorgden. Niet dat ik dat toentertijd allemaal begreep, maar het was zo leuk spelen
in die enorme overzeese verhuiskisten van timmerman Jan, en op en
rond de mesthoop van de trekpaarden - enorme knollen die haast even enorme
bergen paardemoppen produceerden. Van de hooizolder kon je zó in de mesthoop
springen, zachte landing verzekerd, spelletje verboden, slecht voor Sjakies enkels,
en dan die vieze kleren ('Wat moet moeder B. daar wel niet van denken?!'). - Maar leuk!
Andere kringen
Sjakies thuis was boven het transportbedrijf, rook naar dure mottenballen, en had een deftig
ingerichte goeie kamer met dikke tapijten, boeken achter glasdeurtjes en een onmiskenbaar
echt geschilderd bloemstilleven aan de muur. Ook stonden er twee luxe leren fauteuils waar
ik mevrouw S. nooit maar dan ook nooit in heb zien zitten. Meneer S. des te vaker. En anders
de drie heerooms wel die bij elk feestje van de partij waren, en gespecialiseerd waren in
onnozele grapjes en een grote eetlust.
Sjakie noemde zijn vader 'vader' of 'patje', zijn moeder 'moeder' en zijn ome Leo 'oom
Leeuwe'. Ik heb dat altijd heel apart
gevonden, maar niet navolgenswaardig. Het was kennelijk iets voor andere kringen, waar ik
gelukkigerwijs af en toe in mocht verkeren. Ik kon beter leren dan Sjakie, mooier schrijven
dan Sjakie, betere opstellen maken dan Sjakie én ik zong in een kerkkoor - dat
heeft denk ik erg geholpen bij papa en mama S. Meneer S. had de verzamelde
gedichten van Guido Gezelle achter
die glasdeurtjes staan, alsmede enige religieuze werken rond de Maagd Maria, Moeder
Gods, Sterre der Zee, en daarnaast natuurlijk de onbedaarlijke kopstukken Bomans en
Kortooms. Meneer S. gebruikte
bovendien woorden die ik niet kende ('plutocratenmanieren' bijvoorbeeld) en zette een
interessante zwarte bril op als ie ging lezen. Jazeker, meneer S. was mijn eerste intellectueel, en een
verdomd aardige volwassene voor het kind dat ik was. Sjakie leek in niets op hem, toen.
Voor een kwartje huzarensalade
Sjakie was een teer kind dat bruine pilletjes slikte en extra sinaasappels kreeg, zijn broertje
Joop daarentegen een reus in de dop met wie het algauw moeizaam stoeien was
(want zelf was ik ook nogal schriel en weinig succesvol in de strijd, ondanks het 'klein maar fijn' dat mij
thuis met de paplepel ingegoten werd). Mevrouw S. verzorgde haar twee zoons met grote toewijding
en kookkunst, waar ikzelf ook menig keer een heerlijk gevuld buikje aan overgehouden heb. 'Wil
jij ook voor een kwartje huzarensalade, B.? Of liever een gebakken eitje met de dooier heel en
toch gaar?' Daar kon ik niet tussen kiezen, hoe zou ik dat kunnen?, dat werd dus tweemaal
schranzen, als was ik haar eigen zoon, of anders wel een langdurig zieke uit de parochie
die haar niet aflatende zonnebloemzorg ondervond. Het predicaat 'Moeder Theresa' komt
haar met terugwerkende kracht toe. En ook om andere redenen (die ik nu onvermeld laat)
neem ik mijn virtuele hoed diep en postuum voor haar af.
Dankzij mijn vriendschap met Sjakie (en ook wel Joop), heb ik (en ook wel mijn broer J.)
menig zomers uitje gemaakt,
achterop de fiets bij meneer of mevrouw, en met de goedkeurende instemming van moeder
B. Met hen ook heb ik voor het eerst van mijn leven 'iets buiten de deur' gegeten, grote kroketten
bijvoorbeeld bij Restaurant Mulders, of een 'sandwich' bij Hotel De IJzeren Man - in een tijd
dat mijn zakgeld 50 cent bedroeg, waarvan ik 35 cent spaarde voor de zilveren bruiloft van
mijn ouders die namens ons hele gezin een nieuwe traploper alsmede een
doublégouden horloge in ontvangst mochten nemen. Wij hebben er twee jaar voor gespaard.
Pasfoto met ingemonteerde ogen
Dit stukje 'Flarden' rond de familie S. dreigt uit de hand te lopen, er is te veel, het is te mooi,
het is niet samen te vatten of af te raffelen. Een tweede stukje dan wellicht, over een paar
weken? Dat zou de serie doorbreken, alsook de magie, het moet nu rond. Maar hoe
kun je extreem kort zijn over het genot van álle Kuifje-albums die Sjakie had, over je
eerste witlofsalade aan een kloosterlijk gedekte paterstafel, over het kaartspel met
witte-bonengeld dat aan het eind van de zondagmiddag in klinkende munt werd
uitbetaald, over het busreisje-op-voorspraak dat ik met de misdienaars mocht maken
naar de watervallen
van Coo, het bijbehorende 'identiteitsbewijs' inclusief pasfoto met door fotograaf Mulders ingezette
ogen wegens fotomislukking en gebrek aan tijd om de zaak te herstellen, over... ja, over nog
zo veel meer dat mijn dankbaarheid en dierbare herinnering vergt aan ten eerste de
moeder van Sjakie, ten tweede de vader van Sjakie, ten derde het broertje van Sjakie, en ten
vierde aan Sjakie zelf die ik al eeuwen uit het oog verloren ben zonder dat ik er om treur - maar
misschien ook wel omdat in die paar jongensjaren alles al gedaan en gezegd en ondervonden
is wat gedaan en gezegd en ondervonden moest worden. - Peace man, peace!
En gelukkig vind ik finale hulp en begrip bij Gerrit Kouwenaar. Die schreef in 1998 het
gedicht 'Toen wij nog jong waren', in de bundel een glas om te breken, later ook
opgenomen in de nu al klassieke bundel totaal witte kamer (2002). Kouwenaar
schreef het gedicht bij de dood van Bert Schierbeek. - Sjakie (en ook Joop) gun ik dat
ie nog járen leeft, en dat ie aan die jaren rond 1950 net zulke aangename herinneringen heeft
als Balthasar. Maar ja, een 'reisgids' ben ik niet, want ook geen Schierbeek.
TOEN WIJ NOG JONG WAREN
Toen wij nog jong waren en de wereld nog oud was
en wij in een ver land op hoge bergen stonden
en in het dal diep beneden een lange roerloze
roestige trein zagen, onbestaanbaar alleen
in het oog van een hevige leegte, riep jij
terwijl je de hemel een kushand toewierp
ik ben een reisgids kinderen
leer mij lezen
en 's avonds op het plein onder kwijnende palmen
waren er wijn en olijven en een ritselend zwijgen
uit klagende kelen en het donker was week
op het scherp van de snede, en jij
jij kocht het ondraaglijke lot van een blinde
en riep het oor drinkt
nu is het dus later, een avond na jaren, de dood
stille trein is vertrokken, de tijd van het lot
is verstreken, je reisgids ligt open
onder eendere oudere bomen drink ik
de hese stem van je woorden, hoor ik je stilte -
Het daghet inden oosten
Gelukkig lengen de dagen nu al merkbaar, morgen immers alweer 1 maart. En de
temperatuur is navenant hoger, nu en dan al wel een graad of tien. Kortom, we
zijn in de overgang, van de winter naar de lente, van de sneeuw naar de klokjes,
van binnen naar buiten, het voorjaar is nakend.
En vanmorgen hadden we er dus zin in,
om de winter uit de tuin te verdrijven en de lente de ruimte te geven. Maar ja, die
regengoden he, die hadden ook hun zinnen gezet op deze zondag. Dus verder dan
een inspectieronde kwamen we nog niet. - Geen spetterende dageraad allicht, máár...
een dageraad!
Het lichtet overal
En is het niet vandaag, dan gaat het wel vanaf morgen gebeuren: kruiwagens blad
ruimen uit de borders, composthopen verzetten, erfafscheidingsbomen en
struiken terugsnoeien naar tweeëneenhalve meter, houtwallen grondig vernieuwen,
grasmatten herstellen en inzaaien, de moestuinvelden keren, omkeren en
toerusten, de aangeschafte 'tunnel' in gebruik nemen, de kas broeiklaar maken.
En dan vergeet ik nog al het hark- en schoffelwerk, het verticuteren, het mesten, het kalken,
het zagen, het padvoegen schonen en borstelen, en het voorzaaien en stekken
in de resterende uren. Een heerlijke massa werk, die ook nog eens verlicht wordt door de
eerste waasjes groen en openklokkend krokuspaars. - Soep met brood dan maar 's avonds,
als het licht verdaagt?
Hoe luttel weet ons liefken
Gelukkig krijgen we hulp. Want nicht M komt hier logeren, om hoofd en hart te verlichten,
en wie weet de bakens te verzetten als overvolle kruiwagens tuinafval. Dat zal haar nog niet
glad zitten, want we gooien niks weg en hergebruiken alles, oud blad, oud hout, het wordt
vanzelf iets nieuws. Iets om naar uit te zien, om rekening mee te houden, en dankbaar
voor te zijn, zoals een uitbottende avocado in de dagcompost.
Als tegenprestatie lenen wij haar zo nu en dan het oor, een fiets en wandelschoenen,
boeken en muziek, hier en daar een film, de rust van de omgeving, een leeg hoofd, de
tijd aan d'r eigen, kortom we zetten de wereld 's even stil. - Maar opgepast,
één zwaluw maakt nog geen lente. Die vraagt om geduld, om teder beginnen, om een
draadje per dag voor een hemdsmouw in het jaar. Dat ons liefken het weet!
Och waer si henen sal
Elk jaar weer is onze tuin op z'n mooist als het voorjaar is, maart, april, mei, als hosta's en
jodenverdriet gelijk speren omhoogschieten, ribes en forsitia tegen elkaar opkleuren,
hortensia's zichzelf kronen en kerrieplanten hun gouden plakken showen. De blauwe regen
verkwikt ons als de ochtenddauw, terwijl de gouden regen concurreert met de zon. En alles
kondigt zichzelf reeds mondjesmaat aan, per maandag 1 maart, als de ochtendkoffie gedaan is en
nicht M zich meldt, de eerste aarzelende zon in de rug.
Met haar mantel en haar sores, haar hoofd vol proleptische droefte, haar vragen,
haar toekomst, alles bijeengebonden in haar valies met verloren dromen. - Het
zoeken begint morgen, een nieuwe maart, en een nieuw geluid.
Al totter linde groene / Daer si den dooden vant
De middeleeuwse letterkunde kent een aantal prachtige liefdesliederen, zoals
'Het waren twee coninckskinderen' en 'Het Egidiuslied'. Maar het beroemdste is
toch wel 'Het daghet inden oosten', over een meisje dat haar minnaar onder een
groene linde vermoord vindt, hem zelf begraaft, en daarna in het klooster treedt.
Groot verdriet én de bijbehorende middeleeuwse oplossing! Maar niks voor nicht
M hoor!
HET DAGHET INDEN OOSTEN - fragment
'Och ligdi hier verslaghen,
Die mi te troosten plach?
Wat hebdy mi ghelaten
So menigen droeven dach.'
Tmeysken nam haren mantel
Ende si ghinck enen ganck,
Al voor haers vaders poorte,
Die si ontsloten vant.
'Och, is hier enich here
Oft enich edel man,
Die mi minen dooden
Begraven helpen can?'
Die heren sweghen stille,
Si en maecten gheen gheluyt;
Dat meisken keerde haer omme,
Si ghinc al weenende uit.
[ ... ]
'Nu wil ic mi gaen begheven
In een cleyn cloosterkijn,
Ende draghen zwarte wilen
Ende worden een nonnekijn.'
Met haere claerder stemme,
Die misse dat si sanck,
Met haer snee witten handen
Dat si dat belleken clanck.
Een geval apart
In mijn tijd en mijn buurt waren de gezinnen groot, de vaders aan de (handen)-arbeid,
de moeders altijd aanwezig. Tussen de middag gingen we thuis eten, en na school speelden
we buiten op straat. De bakker en de groentenboer kwamen aan huis, de kruidenier zat
op de hoek, en bij de hoefsmid was altijd wat te beleven. Je had je taken in de huishouding en
de werkplaats, en
het was de bedoeling dat je van je zakgeld nog wat spaarde ook. Iedereen haalde leesboeken
in stapels bij de bibliotheek, en je was óf koorlid óf misdienaar óf je ging 'later' misschien bij
een club. De
'grote wereld' was iets uit de plaatselijke courant, de Tour-de-France stond gelijk aan het
radiocommentaar van Jan Cottaar. - En elke dag naar de kerk natuurlijk!
Alleen bij Tejo thuis was dat allemaal anders. Tejo was enig kind, zijn
vader deed in auto's en had later een Frans café. Van Tejo's moeder kreeg je altijd een
onbestaanbaar duur ijsje met slagroom bij de IJsvogel, want bij Tejo waren ze rijk. Ook
trakteerde ze vaak bij Jamin op soldatencaramels, van tandartsen hadden wij geen weet. - In
de vierde klas, februari 1950, was ik een korte tijd hevig
bevriend met Tejo. Tot ongenoegen van mijn moeder, die Tejo's ouders niet kon
'zetten' omdat die het nou eenmaal breed hadden.
Uit logeren
Tejo woonde één straat bij mij vandaan, op een bovenwoning, en met een fel gekoperpoetste
naamplaat op de deur. Tejo's moeder stond met naam én meisjesnaam in het koper
gegraveerd, wat wel héél bijzonder was. Volgens Tejo was zijn moeder nou eenmaal
een beetje 'apart'. Zo was zij er bijvoorbeeld voortdurend op uit om speelgenoten voor haar Tejo te
organiseren. Want ja, alleen is natuurlijk maar alleen, denk ik daar nu van. Enfin, zodoende
was ik dus een tijdje de beste vriend van Tejo. Daar kwam zelfs een nachtje
logeren van, etwas bis dahin noch nicht dagewesenes! Dat mijn moeder mij dat heeft
toegestaan, is me tot op de dag van
vandaag een raadsel. Om te beginnen had ik in die tijd nog geen piama's, wist ik nauwelijks
wat lakens waren, en deed ik een weeklang met m'n bloes, sokken en ondergoed. - Ik begin de
afhoudende reactie van mijn moeder steeds beter te begrijpen. Maar tóch ging het
logeerpartijtje van één nacht door, nogmaals: een raadsel.
De dag voor en de dag na het logeren, hebben Tejo en ik geen stap buiten de deur gezet.
Tejo beschikte over een immense hoeveelheid 'bouwmateriaal', het equivalent van zo'n honderd
blokkendozen schat ik achteraf. En niet van lego, want dat was toen bij ons nog onbekend,
dat maakt Tejo's verzameling er voor mij alleen maar indrukwekkender op. Twee dagen lang hebben wij
van 's morgens tot 's avonds forten en kastelen gebouwd, oorlogen gevoerd, de
vredespijp gerookt en nieuwe nederzettingen gesticht. Voor het overvloedige eten hadden
wij nauwelijks belangstelling, en ook alle andere 'algemene dagelijkse levensverrichtingen'
voelden wij als verstoringen van ons werk. - Na twee dagen was 'alles' voorbij, om
ook nooit meer terug te keren. Mijn moeder kwam mij persoonlijk ophalen, iets zéér
uitzonderlijks en van een definitief karakter.
Paling en poffertjes
Ook Tejo's vader was van de grote gebaren, had altijd pakken geld op zak, en liep in
een kostuum met vest en colbert. Op een mooie zomerse dag mocht ik mee
naar Marken en Volendam. Voorin hun auto zaten natuurlijk meneer en
mevrouw zelf, Tejo en ik achterin, samen met de proviand voor onderweg en
hond Blackie, een bijtgrage foxterriër met plannen.
Van de dag zelf herinner ik me nauwelijks iets, alleen en voornamelijk dat het
een onvergetelijke dag was die ik me nog lang zou heugen, zoals iedereen
in mijn omgeving wist te melden. Foto's zijn er niet gemaakt, souvenirs heb ik nergens
terug kunnen vinden. Er moet iets met klederdrachten geweest zijn, en met paling en
poffertjes in een onmetelijke kermistent. Enfin, toen we
tegen het einde van de middag zowat terug waren
in onze straat, bracht Blackie zijn plannen eindelijk ten uitvoer, en beet mij in mijn
blote linkerbeen. Onvervaard zette Tejo's vader koers naar de apotheek aan de
markt, en liet mij daar bejodiummen en verbinden. Ja, ik wist ook niet dat apotheken
daarvoor waren, maar ze hielpen mij onverbiddelijk, en wel meteen. Maar wat een
doortastende man, die vader van Tejo!
Met mijn linkeronderbeen in het verband
kwam ik naar huis gehinkt. Tejo bracht me thuis en verklaarde het verband
en het hinken. Zijn vader en moeder vonden het ook heel erg, zei hij nog. En dat het
verder een hele leuke dag geweest was. Tejo was waarlijk welopgevoed. - Bij
mijn vader bleef Tejo nog lang in de gratie. Hij heeft hem later nog eens vijf gulden
(vijf gulden!) betaald voor een paar tweedehands
voetbalschoenen, voor míj. Van zijn vader mocht Tejo die vijf gulden houden.
Wat een vaders! En ík, ik voetbalde ineens een stuk professioneler. Nou ja, voor
een tienjarige dan...
Ons soort mensen
Tejo woonde weliswaar maar één straat bij mij vandaan, toch ben ik niet vaak met
hem naar school en naar huis gelopen. Je was geen 'vaste' vriend van Tejo, Tejo kon
iedereen krijgen, en mocht bovendien zijn mooie kleren nooit vuil maken. Toch hebben
wij tot en met het tweede jaar van de middelbare school bij elkaar in de klas gezeten,
oppervlakkige vrienden, geen ruzies. Toen
scheidden zich onze wegen, hij de hbs-kant op, ik de gymnasium-kant, welhaast een
ideologisch schisma. Hoedanook, sindsdien heb ik nooit meer iets van hem vernomen, en
omgekeerd ook niet naar ik aanneem.
Sterker, ik herinner me beter zijn leefomgeving dan m'n klasgenoot Tejo zelf. Die leefomgeving
stond voor een ander milieu, geld, grote gebaren, mensen van de wereld, gebrek
aan gebrek, drukte en delen met anderen. Mensen die mijn moeder afwees, omdat
ze niet 'van ons soort' waren. Tot een zekere leeftijd krijg je daar natuurlijk een
tik van mee. Maar later kan dat gelukkig alsnog verkeren. Niet tot ieders genoegen overigens...
Vroeger, ja, vroeger
Veel dichters schreven verzen over vroeger, hun jeugd, hun moeder, spelen op
straat. Maar... hoe waarheidsgetrouw zijn die herinneringen,
en ook wel: hoe belangrijk is het of alles eigenlijk wel klopt? Op 31 januari jl. schreef ik
hierover al: '... opduikende herinneringen of vermeende herinneringen aan mijn lagere-schooltijd.
Ik pas namen een beetje aan om mogelijke kritiek uit directe of indirecte
omgeving voor te zijn. Het gaat mij er namelijk niet om of iets werkelijk precies en voor 100% zó
plaatsgevonden heeft; ik geef gewoon mijn 'flarden herinnering' waarvan de kern volgens mij klopt,
maar de bewoordingen ernstig aanleunen tegen de vaardigheden en omstandigheden
(het geheugen bijvoorbeeld) van het heden.'
Bij de dichter Rien Vroegindeweij vond ik het gedicht 'Laat ons zingen', en het gaat over...
de betrekkelijkheid van herinneringen, het bijbehorende 'gevoel', en wat je er het beste
mee kunt doen. Kortom, een ideaal gedicht bij deze aflevering van de rubriek 'Flarden'.
En ook wel een beetje om Tejo voldoende recht te doen. - Het gedicht komt uit de
verzamelbundel met de voorspellende titel Later wordt alles echter, en werd
in 2009 uitgegeven door Nieuw Amsterdam Uitgevers.
LAAT ONS ZINGEN
Neem een herinnering, snijd haar in stukken
van een zomer lengte, zet ze op met water
waaraan wat onwaarheid is toegevoegd.
Roer met een garde het ongeduld tot een gladde
substantie; laten inkoken. Tik ondertussen
met een houten lepel op een deksel, draai
een lege roerzeef om en om. Hoor de paarden
in de straat, het slepen van de wagens,
het ronken van de eerste motoren. Neem de pan
van het vuur, laat het gerecht opstijven
in de koelkast. Vergeet wat gebeurd is.
Nodig je vrienden uit. Vertel ze wat je weet.
Ogen dichtdoen in het donker
Mijn stemming vandaag is nogal ongewis. Het was mijn plan
om een wervend stukje te schrijven over de indrukwekkende film 'Das Weisse Band',
die wij onlangs in Filmhuis De Keizer gezien hebben. Ik had er ook al een soort van begin mee
gemaakt, maar de juiste invalshoek had ik nog niet gevonden. In de diverse
filmkritieken die je op het internet kunt vinden, komt van alles voorbij waarvan
ik dacht: hee, daar was ik nog niet op gekomen, leuk! Overigens naast meer obligate noties
en invuloefeningen op het niveau van het gemiddelde straatinterview, zoals dat bij
actualiteitenprogramma's tegenwoordig als quasi-feitelijke onderbouwing ingezet wordt.
Kortom: ik was er nog niet uit.
Tussen het surfen door wilde ik ook nog even kaartjes reserveren voor de avond die gewijd wordt
aan de uitreiking van de Ida Gerhardt poëzieprijs 2010. Ik belde het 06-nummer. Maar mevrouw
de secretaris was niet thuis, en vroeg me voorgeprogrammeerd om allerlei gegevens,
waarna zij me 'zo spoedig mogelijk' terug zou bellen. Maar óf ze nog kaartjes heeft,
is me niet duidelijk geworden, dat zit me niet lekker.
Ondertussen - want ja, hoe gaat dat als je achter de computer of voor het filmdoek zit - keek ik nog even naar
de inkomende post, en trof daar een onprettig aandoend mailtje aangaande een door mij
geretourneerd 'humor'-bericht. Nou was ik zelf natuurlijk mede debet
aan de verongelijkte toon van dat mailtje, maar tóch bracht de reactie me enigszins
van m'n reeds verstoorde à propos.
En zo zit ik nu dus met een enigszins getroubleerd gemoed te dubben over
die prachtfilm, die overigens van zichzelf nogal aan de sombere kant is. Ik stel u voor
om deze intro gewoon maar te negeren, en als een onbeduidend voorprogramma te beschouwen:
lekker de ogen dichtdoen in het donker, doorgaan met ademhalen, en op het juiste ogenblik
weer aanhaken bij het echte werk. U kunt ook nog even gaan plassen, want de hoofdfilm duurt
zo'n tweeëneenhalf uur.
Noord-Duitsland, 1914, een boerendorp, zwart-wit, stilte, dreiging alom
Alle geplande voorstellingen van 'Das Weisse Band' zijn ruim van tevoren volgeboekt. Komt
vaker voor, maar is in
de middagen toch vrij uitzonderlijk. Onze zaal zit vol grijs matinee-publiek, als vanouds op
fluistersterkte, maar gretig, glazen thee in de aanslag en onder de stoelen. Toch nog
volkomen onverwacht start de geluidloze intro van onleesbaar kleine letters, diapositief in zwarte
ondergrond. En over die duisternis heen meldt de van weemoed en betrokkenheid
vervulde vertellersstem: 'Ik weet niet zeker of het verhaal dat ik jullie vertellen wil in alle
details overeenstemt met de waarheid, maar toch geloof ik dat ik het relaas van de
eigenaardige gebeurtenissen in ons dorp vertellen moet, omdat deze mogelijk een
licht kunnen werpen op de ontwikkelingen van ons land.' - De toon is gezet, we
schrijven 1914, en vallen hard terug in de tijd van onder- en bovenmensen. We zijn in
het kleine Duitse boerendorp, waar de macht tussen grootgrondbezitter en dominee
verdeeld is en waar de grond nog met paard en ploeg en eeltige handen
bewerkt wordt.
De filmladder van 'De Keizer' meldt: 'Net voor het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog
wordt een rustig protestants Duits boerendorpje opgeschrikt door een aantal onverklaarbare
gebeurtenissen. Een kabel wordt gespannen om de dokter met zijn paard ten val te
brengen, een schuur vliegt in brand en twee kinderen worden ontvoerd en gemarteld.
De schoolleraar observeert en onderzoekt de gebeurtenissen, die steeds meer
neigen naar rituele straffen, en komt steeds dichter bij de verschrikkelijke waarheid.' -
Het is pas gedurende de film zelf dat deze sobere en sombere tekst in zijn volle
omvang tot me doordringt. Maar dan zitten we al met de brokken, die we tijdens de 'nazit'
enigszins van ons proberen af te schudden. We hebben echter buiten de waard gerekend: ook
de uitgebreide aftiteling
vindt in volkomen stilte plaats, keihard wit op zwart, raadsels van levensbelang
blijven onopgelost, vlokjes tekst dwarrelen als sneeuw op ons neer. Een collectieve rilling
dwingt ons naar buiten.
Wat wij zagen
Wat wij zagen was - volgens alle reclame - een superieure film die overladen werd met
prijzen uit de hele wereld, onder andere de Gouden Palm op het filmfestival van Cannes
en de European Film Award voor beste regisseur (Michael Haneke), beste film en
beste scenarioschrijver. Dat is 'buitenkant'. Wat wij vooral zagen was een film waarin
de have nots onvermijdelijk de daders én slachtoffers van gruwelijke gebeurtenissen zijn,
geprovoceerd, arm en dom gehouden als ze zijn door de haves. En opgezadeld met een
dominee als allerkwalijkste diender van god en gebod. Het is zo'n vader die - als ultieme
autoriteit namens god - het witte lint ('Das Weisse Band') om de linkerarm van zijn kinderen
strikt als ze hem ongehoorzaam en onwillig zijn. Dat iedereen het maar goed beseffe: deze
vaders wil is wet, en méér dan dat. Met zo'n vader (én geestelijk leidsman!) ligt de hel praktisch in het
verschiet. - Maar natuurlijk vertelt de film ook het verhaal van de liefde die ondanks
alle onderdrukking zijn plaats vindt, en over het verliezen van onschuld, het verdrinken
in woede, en over het gewaarworden van de dood.
Ondergrond en achtergrond
Onderwerp, sfeer, uitwerking van de film: in m'n hoofd strijden allerlei herinneringen aan
boeken en films om de voorrang. Godenslaap van Erwin Mortier, Dood van een soldaat
van Johanna Spaey, de prachtfilms Fanny en Alexander van Ingmar Bergman en
de 'Heimat'-trilogie van Edgar Reitz. Ja zelfs 'historische'
romans als de Boerenpsalm van Felix Timmermans of De loteling van Hendrik
Conscience. Maar
het meest van al toch komen in mijn gedachten de gedichten uit de cyclus Requiem
van Ed. Hoornik: 'Te Middelharnis is een kind verdronken. / Sober bericht in het
avondblad: / onder een hooiberg die had vlam gevat / en naast een zolderschuit, die was
gezonken.'
De cyclus 'Requiem' staat onder andere in Hoorniks bloemlezing 'Vijf
gedichten - Mattheus, Geboorte, Requiem, De vis, De overweg', en werd in 1966
uitgegeven door Meulenhoff, Amsterdam. Hieronder een gedeelte uit het 'Requiem'.
TE MIDDELHARNIS IS EEN KIND VERDRONKEN
Te Middelharnis is een kind verdronken.
Men vond zijn mutsje aan de waterkant.
Zwaar en aanhoudend heeft de klok geklonken.
Boerinnen kwamen haastig over 't land.
Dit is het beeld. Het wijkt. Het is verzonken.
Ik ben weer bij mijn uitgangspunt beland.
Te Middelharnis is een kind verdronken.
Het houdt met alles en met niets verband.
** Ik ging dus achter de computer zitten, bracht routineus de Balthasarsblog in stelling,
leunde intensief achterover, de armen gevouwen voor de borst, sloot de ogen dichter
en dichter, en dacht diep en dromerig tegelijk waar ik het ook alweer over ging hebben. Ik
zette alle schakelaars nog een tandje sharper, veerde eens door de rug van
de bureaustoel, en nog eens, en dacht aan de boodschappen van morgen,
zaterdag, marktdag, stokbrood, wilde spinazie van Jan van Arragon, vegetarische
spekreepjes, en oja, cashewnootjes. Is er nog voldoende lintmacaroni
in huis? Parmezzaan? Links hoor ik de verwarming tikken, en waarlijk: ook rechts, en
onduldbaar gestaag glijd ik in een soes alsof ik planmatig aan het werk ben.
De gangdeur onder aan de trap klapt met het overbekende klikje dicht en daar is de
trefzekere stem van Jaak die op sterkte roept: 'Zjos!' - Maar Zjos is er niet. Ik doe de
kamerdeur open en roep naar beneden: 'Zjos is er niet! Maar ík wel. Kom maar boven,
Jaak.'
* Juni 1950 - In het huis van Jaak hangt het koperen vliegtuig links aan de muur naast de trap.
Het vliegtuig daalt in dezelfde hoek als de trap stijgt. Als je naar boven loopt kun je in de cockpit
kijken, en door de roodgetinte passagiersraampjes van mica. Piloten of passagiers zijn er niet, die
zijn op. Het vliegtuig is het 'meesterstuk' van Vader Piet, erkend loodgieter en gasfitter
tegenover de doodskistenmakerij van de Balthasars. Het vliegtuig van Vader Piet is een
wonder dat maar niet over gaat, het is een zondagsvliegtuig. Want bij Jaak mag je
alleen maar 's zondags boven komen, als Vader Piet zijn rekeningen schrijft aan het
houten cilinderbureau met de geheime laatjes en vakjes en uittrekplankjes. Doordeweeks spelen
wij in de grote werkplaats, de kleine werkplaats, de binnenplaats of de stal. Soms is Jaak mijn
beste vriend, want we wonen tegenover elkaar en zitten in dezelfde vierde klas bij meneer Van
Mier, maar ik ben wel mooi een halfjaar ouder dan hij. - 'Nietes,' zegt Jaak, 'vijf maanden!
Van 6 januari tot 7 juni is vijf maanden en één dag en geen half jaar!' Ik vind dat muggezifterij.
Bovendien ben ík van vóór de oorlog, en Jaak van ín de oorlog. Een verschil van levensbelang.
* Jaak ruilt met Zjos de bibliotheekboeken van J. Nowee: Arendsoog, Witte Veder,
Het Raadsel van De Mosquito-vallei, Om de Juwelen van
Zambezia. Zjos is jonger, en ligt steeds een titel achter op Jaak. Ik verdenk Jaak ervan dat ie elk boek
twee keer leest, voor de zekerheid, en om het goed te begrijpen. Vandaag komt Jaak vragen of hij
'Het geheimzinnige vliegtuig' nog even langer mag houden. Van mij mag het. Zjos is er toch niet.
En zelf ben ik meer van
de Bob Evers-serie, van Willy van der Heide: Een overval in de lucht, Kabaal om een varkensleren
koffer, De jacht op het koperen kanon, en nog een deel over 'een Duitser met bloemkooloren' waarvan
ik de titel vergeten ben, maar dat op school door Frater Francois op het einde van de dinsdagmiddag
bloedstollend realistisch voorgelezen én afgebroken wordt, want tijd is nou eenmaal tijd. En zo
wordt ons het fenomeen cliffhanger met de paplepel en de
schoolbel ingegoten, wat zeg ik: genadeloos ingehamerd. Was het maar weer dinsdagmiddag...
* Maar dan niet die van vorige week! Toen was de dinsdag een ramp voor Jaak en mij. Tussen de middag
lopen we via een korte omweg van school naar huis. Even langs de bouwplaats aan de Vischstraat,
waar de nieuwe Rotterdamsche Bank uit zijn oorlogsas herrijst. Er wordt beton
gestort, en overal liggen resten zand en kiezelstenen op de aanpalende straten. Lekker om
tegenaan te trappen, en de mooiste mee naar huis te nemen. Bij de bouwplaats is natuurlijk veel
bekijks en rumoer van de betere stuurlui, en ineens klinkt er een scherp knalletje, alsof er een
steen tegen een ruit gaat. Net op dat moment zweven wij met brede armgebaren als
oorlogsvliegers langs de etalage van klokkenmaker
en juwelier Jonkergouw die met een verhitte kop naar buiten gerend komt. Meteen gooien
Jaak en ik de hoogste versnelling erin, want meneer Jonkergouw is echt een bullebak hoor! We
splitsen ons als volleerde jachtvliegers, en drie minuten later zit ik thuis met bonkend hart en
een hoogrood gezicht vol onschuld aan tafel. - Enfin, om een lang
verhaal kort te maken: Jaak wordt gepakt, 's middags verschijnt 'de recherche' op
school, en onze vaders moeten op het bureau verschijnen. Ik vind het stom dat Jaak
zich heeft overgegeven, wij hebben toch zeker niks gedaan?! Toch? En toen moesten
Jaak en ik een opstel schrijven over de weg van school naar huis. Onder het voorlezen!
* Maart 1962 - Jaak is KVV'er geworden, kort-verband-vrijwilliger, bij de luchtmacht. Jaak
wil geld verdienen, een mooi uniform aan, en ondertussen Engels studeren, werken aan
de toekomst. Jaak gaat vliegenier worden. Maar nee, KVV'ers zijn grondtroepers, en
zo mag Jaak als vaandrig de compagniescommandant administratief gaan schaduwen. Die commandant blijkt
een afgekeurde jachtvlieger met bloemkooloren, een jonkergouw van de gestampte pot en ons
kent ons die Jaak maar niet wil verstaan. De twee vliegen uit elkaar, en Jaak verkiest
de vrijheid van het burgerbestaan. Intussen heeft hij wél dat vliegtuig van Vader Piet
geërfd, het daalt opnieuw links naast de trap in een onvoltooide
zweefduik naar het verleden van grote werkplaats, kleine werkplaats, binnenplaats en stal.
** Kan ik even een spelletje doen? haalt mevrouw B. me uit mijn concentratie. Ik kom net uit de
kleine werkplaats waar ik mee heb mogen helpen om soldeerstaven te gieten, de
geur van brandend gas en smeltend lood nog in mijn neus. Ik moet naar huis om te eten.
Dag Jaak, tot straks, kwart voor twee? En nemen we de knikkers mee? Kunnen we
'goten'. - Een spelletje, een spelletje... natuurlijk, schat, alleen nog even het gedicht plaatsen,
dan is de computer vrij. Vijf minuten, okee?
Het gedicht over een vliegtuig dat bij deze balthasarsblog moet komen zit al van het begin af aan
in mijn hoofd. Het komt uit de bundel 'Later wordt alles echter', en is van de hand van Rien
Vroegindeweij; het is min of meer zijn credo. Oftewel, om een stukje uit het 'Vooraf' bij de
bundel te citeren: 'Wat mij betreft is poëzie geschiedschrijving van gebeurtenissen
zonder datum of jaartal. Een draai geven aan het bedrieglijk alledaagse. Mededelingen
doen op een muur van onverschilligheid. Een fluistering in het oor van de
goede verstaander.' - Het gedicht heeft eigenlijk geen titel, maar is niettemin erg bekend.
Zegt iemand: 'Rien Vroegindeweij', dan zegt een ander: 'Een vliegtuig van beton'. Wat mij
betreft kan het gedicht vanaf nu ook heten: 'Het geheimzinnige vliegtuig', of misschien
nog beter: 'Het zondagsvliegtuig' - vrij naar Jaak en Nowee en Balthasar.
POËZIE IS VOOR MIJ
Poëzie is voor mij het verhaal
Dat men vroeger vertelde
Van een man die op zolder
Een vliegtuig van beton gebouwd had
En trots tegen iedereen zei
Dat het wel kon vliegen
Maar niet door het dakraam kon
Een enkele lezer van de Balthasarsblog vond mijn laatste stukje (dd. 26 januari 2010,
Flarden 1 - ADJE) 'anders dan anders' en wat ik daar nou mee bedoelde... Daarop schreef
ik mijn correspondentievriend N. het volgende mailtje:
'Het enige dat ik [ ... ] gedaan heb is een nieuwe rubriek openen in de Balthasarsblog,
'Flarden' geheten. Deel 1 is [ ... ] verschenen onder de noemer 'Adje', en heeft als
uitgangspunt: opduikende herinneringen of vermeende herinneringen aan mijn lagere-schooltijd
(en wellicht verder). Ik pas namen een beetje aan om mogelijke kritiek uit directe of indirecte
omgeving voor te zijn. Het gaat mij er namelijk niet om of iets werkelijk precies en voor 100% zó
plaatsgevonden heeft; ik geef gewoon mijn 'flarden herinnering' waarvan de kern [ volgens mij ] klopt,
maar de bewoordingen ernstig aanleunen tegen de vaardigheden en omstandigheden
(het geheugen bijvoorbeeld) van het heden. Zo heb ik me
er bij het eerstgenoemde stukje over verbaasd hoe verbaal en hoe 'dwingend' mijn eigen
rol eruit komt. Was dat toen wel zo, vraag ik me nu (en wellicht in een volgende aflevering)
af. Ik vind het spannend en ben zelf tamelijk nieuwsgierig hoe dit gaat verlopen. De meeste
stukjes zullen - zoals ik het nu zie - verschijnen onder de naam van een toentertijd-vriendje
of schoolgenootje. Ik moet nog een klassefoto hebben van genoemde vierde klas (1949/50),
met wel vier verschillende onderwijzers en één weggelopen frater. Misschien moet ik
maar eens op zoek gaan naar die foto - of misschien juist wel niet, en zet ik
alles op het geheugen!'
Ik zou er nog aan kunnen toevoegen dat het opschrijven van zo'n 'flard' uit het verleden, dat
verleden in veel meer facetten opent dan ik vooraf had gedacht. Het kan dan misschien wel zo zijn dat
je 'herinnering' niet voor de volle 100% strookt met die van een ander die erbij betrokken was,
het opschrijven (of er anderszins mee bezig zijn) levert veel meer aan verleden op. Een heel
aardige geheugenoefening dus! Althans, dat zou ik best wel eens willen voorleggen aan
Douwe Draaisma, die immers als geen ander in Nederland over de werking van het
geheugen nagedacht heeft. (Zie bijvoorbeeld zijn geweldige boeken 'Waarom het leven
sneller gaat als je ouder wordt' en 'De heimweefabriek'). - Het geheugen, ach ja, dat
geheugen, daar is gelukkig geen einde aan.
Blijft natuurlijk de vraag in hoeverre dit voor 'de lezer' interessant is... Daar heb ik helaas
geen antwoord op. En ik geloof ook niet dat het maar enig belang heeft om me daar het
hoofd over te breken. Met de hele Balthasarsblog heb ik geen andere bedoeling dan
een onbevangen inkijkje te geven in de faits divers uit het leven van een gepensioneerde.
Niet meer, niet minder. Ik doe het zolang ik het zelf leuk vind, ik jaag er totaal niets
mee na. Als je me in het begin gevraagd had of ik dit jaren ging volhouden, dan had
ik daar absoluut geen antwoord op gehad. Maar inmiddels is dit wel het vijfde jaar,
en het is nog steeds leuk. En zeker is het intrigerend om weer eens een andere kijk
op de dingen te geven, bijvoorbeeld in een nieuw rubriekje 'Flarden', waar ik
eens in de zoveel tijd dus... enfin, zie hierboven.
Zo, dat moest ik even kwijt, deze week, in dit blogje. Hoewel ik eerder overwoog om
een stukje te schrijven over onze lappenmand: twee weken diepe verkoudheden met
harde hoest en eindeloze snotternijen. Of een stukje over de geneugten van het samenstellen van
een dossier over de Poolse dichteres Wislawa Szymborska (nobelprijs 1996). Of over
de nieuwe boeken waar we ons momenteel in Huize Balthasar over buigen, t.w.
'Ademschommel' van Herta Müller en 'Over het doppen van bonen' van
Wieslaw Mysliwski - [op dit moment verdween de hele tekst van het laatste
uur van het scherm, inclusief alle onderstaande gecodeerde blogs van het
laatste jaar. Pas via de knop escape bereikte mij tenslotte de vraag of ik mijn
laatste wijzigingen in de tekst wilde opslaan of juist niet. Ik koos met het zweet in
mijn handen voor 'niet opslaan' omdat ik vreesde het werk van meer dan een
heel jaar weg te gooien. Wat herverscheen was de tekst van het laatste uur
minus het laatste kwartier maar inclusief dat hele laatste jaar. Ik hield op met
beven, en zette me meteen aan het herscheppen van het laatste kwartier. Oef! ] - maar
dat krijgt u deze week dus allemaal NIET in de Balthasarsblog.
U moet het met het bovenstaande doen. En met onderstaand gedicht natuurlijk, een
herinnering aan mijn tijd in de vierde klas, toen ik een hekel had aan de vrijdag,
als ik dan thuiskwam uit school, en de boenwas rook, en de worteltjes en... Nou ja,
het is uit de tijd van veel regels en weinig poëtische woorden, maar zo kreeg je
wél veel 'gedicht'!
VRIJDAG
en
ik zag
2 x
2
benen op de vloer het zeil
een kale trap
de mat als roede
in de hoek
mijn voetbal
wat verdwaasd ernaast
het stonk naar
worteltjes
en naar
botersaus met mosterd
1 half ei
* Via Via had de receptionist van het verzorgingshuis laten weten dat ie me
dolgraag eens wilde spreken. Van Bezeiden heette hij, Arnold van Bezeiden. En
hij was eigenlijk geen receptionist, maar instellingskok. In het weekend
dat hij vrij had, viel hij zo nu en dan in, als receptionist. Zodoende. En oja, dat ie
me nog van vroeger dacht te kennen, meende Via Via. Volgende week zondag,
drie uur, of me dat schikte. Hij zou aan de balie zitten.
April 1950 - De cafédeur had zo'n grote glimmende schuinlopende koperen stang om
mee naar binnen te komen. En een afgetrapte metalen onderkant.
Dan een duister portaaltje
van zwaarbruine gordijnen met een leren split in het midden, en dan stond je pardoes
middenin de zaak: houten vloer, hoge krukken, bruine toog, koperen bierkranen. Zure
lucht. Tabaksrook.
- Is Adje d'r, meneer Van Bezeiden?
- Ga maar naar boven, Balthasar, hij wacht op je. Heb je je postzegels bij je?
- Ja, meneer, hele mooie. Uit Costa Rica, van mijn ome Theo en Tante Sis.
- Dan kom ik straks even kijken.
Adje zat al in de dubbele schoolbank die hij voor z'n voorvorige verjaardag gekregen had,
met zo'n zinken inktpotje-zonder-inkt en gekraste namen aan de binnenkant van de klep.
Misschien wat sloom voor een tienjarige van de Fratersschool, maar daar had Adje
geen boodschap aan, en ik ook niet.
- Zullen we eerst handtekeningen oefenen? Ik heb hier kladblaadjes.
- Goed, ik heb m'n nieuwe vulpen bij me.
- Heb jij een nieuwe vulpen? Zomaar?
- Heeft m'n moeder gevonden, in het Eerste Torenstraatje. Een hele dure, zeggen ze.
Het ging heel goed met de vulpen, en na een dik kwartier en wel honderd probeersels
meende ik de handtekening van mijn vader wel onder de knie te hebben. Bij Adje ging het
wat minder snel, die had nou eenmaal een halfstijf been en zo, maar ik had er genoeg van.
- Ik heb de opstelling voor zondag bij me. Tegen die van Dennendaal. Van Kris en Bertie Jansen.
Wil je 'm zien?
- Sta ik erin?
- Ja, links-half, dan hoef je niet zo hard te lopen. Maar je moet misschien afwisselen met Theo.
- Met Theo? Maar die is toch slechter?
- Ja, maar hij heeft een nieuwe bal. Echt leer. Maat 3. En Jan doet ook mee, die is knoertgoed,
ook al zit ie pas in de derde. We zetten hem midvoor. En Freeke rechtsbuiten. Jac neemt
de fietspomp mee, voor als de bal zacht wordt.
- Ik krijg misschien voetbalschoenen, m'n vader kan ze overkopen van De Zeeuw hierachter, als
Lieuwe nieuwe krijgt. Zullen we nou postzegels gaan doen?
We haalden onze DAVO-albums Nederland en De Overzeese Gebiedsdelen en Europa
In Al Zijn Delen tevoorschijn. En net op dat moment kwam Adje's vader naar boven.
- Ah, ik kom net op tijd zie ik. En wat zei je nou, had jij nieuwe postzegels uit Costa Rica? Waar ligt
dat land in godsnaam?
- Tussen Noord- en Zuid-Amerika, meneer. Daar wonen mijn Tante Sis en Ome Theo. Kijk, dit zijn ze,
mooie kleuren he? En groot he?
- Dus jij hebt een oom en tante in Costa Rica wonen?
- Ja, meneer, die zijn daar na de oorlog gaan wonen, zegt m'n moeder, met al hun geld en sieraden. Die
zijn rijk hoor. Tante Sis heeft het hoog in haar bol, zegt mijn moeder altijd. Maar ze stuurt wel mooie
postzegels hoor. En eerst woonden ze in Amsterdam, daar ben ik wel eens geweest. Die
praten echt deftig, En toen waren ze ook al rijk, hoor. En ze hebben een wc die je door kunt
spoelen. En toen gingen ze emigreren, naar Costa Rica. En ze komen nooit meer terug. Dat
kan niet, zegt mijn moeder, want ze zijn owee. Wat dat is weet ik niet.
- Costa Rica... Midden-Amerika... Owee... tja, ik weet ook niet wat dat is. Maar ik heb wel klanten
aan wie ik dat kan vragen...
- En ik heb ook nog een tante in Duitsland, tante Sientje en Onkel Peter. Daar heb ik ook postzegels
van, kijk, Bochum. Maar die zijn niet zo mooi als die van Costa Rica. En ze zijn arm, mijn moeder stuurt
ze wel eens koffie.
- Heb je ook dubbele zegels uit Costa... eh... Rieka, Balthasar?
- Ja, Adje, ik heb er een die ik met je wil ruilen. Tegen die twee van Helvetia die jij hebt.
- Twee?! Waarom twee?
- Omdat Costa Rica een heel stuk verder weg ligt, Adje!
* Het schikte, had ik Via Via laten weten. Maar aan de balie herkende ik Arnold, die vroeger
dus Adje heette, niet meteen. Of eigenlijk: helemaal niet. Ik zag z'n vader: een vriendelijke,
ouwelijke, naar het dikke neigende man, stram in de benen, jasjedasje, scheiding
links in het kalende hoofd, de joviale kroegbaas uit het tijdperk Maigret. 'Hallo Balthasar,
ken je me nog?' / 'Tuurlijk Adje, je bent geen spat veranderd. En hoe is het met je been?'
Uit deze tijd stammen m'n eerste gedichten, notities noemde ik ze toen. Simpele observaties
van een lagere-schoolkind, beperkt in tijd en in ruimte. - Het gedicht
Feest heb ik al 's eerder geciteerd in de Balthasarsblog. Maar nog nooit in een
context als hier. Hoe onbevangen kun je zijn...
FEEST
ik weet nog
hoe mijn vader
mijn eerste paar voetbalschoenen
in centen en dubbeltjes
op zijn werkbank uittelde
vijf gulden
het waren tweedehandse
Het chique adreskaartje bleef bewaard na een vorige wandeling. We hadden er een
heuglijk kopje koffie gedronken, en waren enthousiast geweest over de verbouwde
entourage en de ontvangst in de
eeuwenoude boerderij middenin het Leuvenumse Woud. Het chic-zwarte kaartje stak in de
agenda bij de memorabelste datum van het jaar, daar wist mevrouw B. wel raad mee.
Op dus naar Leuvenum (gem. Ermelo), voor ontspanning op niveau!
Eerst spoorden wij naar Apeldoorn, en vandaaruit negen strippen met de bus naar Elsspeet. Daar
'genoten' wij in Pannekoekenhuis 'De Veluwe' een ouwetaaie-uitsmijter, en
liepen tenslotte de laatste 7 kilometers naar
Leuvenum. Het besneeuwde heideland was ronduit sprookjesachtig, de wandelstok
voluit noodzakelijk, en de rugzak aan de zware kant, vooral op de rechterschouder.
Wij arriveerden rond vieren, de gelagkamer was rijkelijk gevuld, de open haard geurde
ons tegemoet.
Ontvangst met instructie...
Van de zeven beschikbare kamers was ons de 'Zomerkamer' toegedacht, en
bediende 1 zou ons die graag laten zien. Zij pakte resoluut de rugzak van
mevrouw B., en ging ons voor een breedbeloperde trap op. De kamer was modern
en luxe, met geavanceerde apparatuur ook, maar vooral het 'natte gedeelte' was
de show en de instructie ten volle waard. De uitleg bij de stoomcabine annex douche
annex massagegestraalte vergde het uiterste van onze concentratie. Wij dachten het
zo ongeveer wel begrepen te hebben, zeiden we. En daarna liet ze ons alleen.
Het was mevrouw B. natuurlijk meteen om de stoomcabine te doen, dus repeteerde ze
verwoed de achtereenvolgens te bedienen knopjes. En binnen twee knopjes al sloeg de twijfel
toe: hoe kwam je nou ook alweer aan die eucalyptusdampen? En die dwarse stralentuitjes,
hoe gingen we die te lijf? Inmiddels had ik zelf het zware zwartbelederde hotel-boek in de
vensterbank gevonden en doorgekeken, en trof daar de mededeling dat een 'Instructie
der stoomcabine' zich in de badkamer bevond. Geen Instructie te bekennen natuurlijk. Mevrouw B.
naar beneden dus.
...door het voltallige personeel
En kwam terug met bediende 2, een beetje een 'boven'-bediende. Die
begon opnieuw en van voren af aan met de instructie van de stoomcabine annex douche
annex massagegestraalte. Sommige knopjes moesten anders begrepen worden dan bij
bediende 1, maar zij had ze zelf ook nog nooit volledig uitgeprobeerd. Ja, één keer, maar
toen had een straal 'verkeerd gericht' gestaan, was ze nat geworden en was het
uitproberen voortijdig gestaakt. Daar wist ze nu
raad op: we gingen bediende 3 raadplegen, want die ging daar eigenlijk over.
Deze vlotte jongeman kwam gezwind aangedenderd met een dikke ordner papieren
onder de arm. Hij straalde zelfverzekerd uit dat ie dit mineure klusje wel 's even in een
mimi-mumpje zou klaren, en dat het al met al en eigenlijk beneden zijn stand was. En zo begon Instructie III, met ons vieren in de deuropening van de
stoomcabine annex douche annex massagegestraalte. - 'Nee, deze knop is voor de
watertemperatuurregeling, en met déze hendel, kijk, zó, bedien je de waterstra...' Zodat we alle vier
door alle gestraalten van onder tot boven natgespoten werden en er twee grote nieuwe badlakens
aan te pas moesten komen om de vloer en onszelf weer enigszins op het droge te
krijgen. Dat was lachen, dat was kicken, en tot overmaat van hilariteit bleek die hele
genoemde Stoom-Cabine-Instructie nog ontworpen en op papier gezet te moeten
worden! Inderdaad, de taak van bediende 3.
In de Heerenkamer
Zonder nadere instructie hebben wij vervolgens zelf by trial and error het hele arsenaal aan
mogelijkheden uit de stoomcabine annex douche annex massagegestraalte weten te halen. En
daarna meldden wij ons geheel en al opgefrist en redelijk hoog gerood rond zes uur in de
Heerenkamer, voor aperitief en kennismaking met de andere gasten.
Dat bleken twee wandelaars te zijn, oude vrienden die nu als gepensioneerden maandelijks
een wandeling met overnachting genieten, en daarbij vooral prat gaan op hun onderlinge verschillen.
Het werd een aangenaam en halfintiem gesprek tussen gelijkgestemden, waar ik in een andere balthasarsblog
nog eens nader op terug zal komen.
Net als op de 'wastafel', die ik hier in het stoomcabinegeweld wel onderbelicht heb moeten laten. Het
komt er kort gezegd op neer dat het schitterende design van Belgisch graniet verhindert dat je je er aan
kunt wassen of scheren. Het water gutst je rechtstreeks uit de platte kom tegen de buik en over de
voeten. En hup!, daar moet alweer een badlaken naar de vloer. - Maar mooi! Ongekend! En dan
zwijg ik nog over de designkraan, dat is geen kraan, en bovendien wil hij niet wat jij doet. Leg alvast
maar een nieuw badlaken klaar!
Een chefkok zonder weerga
Nee, maar dan het eten bij De Zwarte Boer, dat kan hier niet langer onbesproken blijven. Wij hadden
ons bij de reservering gemeld als vegetariërs, en dat had de receptie 'een leuke uitdaging geleken'.
Bij nader inzien bleek De Zwarte Boer te beschikken over een onalledaagse chef-kok. Of eigenlijk:
over een chef-kok zoals je die overal zou moeten hebben, iemand die net zo goed voor
vegetariërs, veganisten als voor vleeseters kookt. En die niet schrikt van bietencarpaccio of krokant
gebakken rooktofu. Warm eten bij De Zwarte Boer was een feestje, niet het alternatief van de
vleesloze maaltijd, maar een vegetarisch totaalmenu waar de carnivoren het water bij in de mond liep.
En dat begon al bij de voorgerechtsoep van knolselderij met schorsenerenstukjes, waar mevrouw B.
de chef-kok het recept van wist te ontfutselen. De man nam er de tijd voor, en kwam het ons allemaal
eens netjes uitleggen en toelichten. Op papier!
In de belendende diner-zaal zat een gezelschap van vijfentwintig man. Twaalf ervan aten vegetarisch,
en nog drie hadden een uitgekiend specialiteitendieet. De chef-kok maakte er zingend werk van!
Nu alleen nog alternatieve boter en beleg bij het ontbijt, want daar heeft De Zwarte Boer kennelijk nog geen
eigen chef-kok voor.
Even afrekenen en een flinke wandeling toe
Bushalte 'De Zwarte Boer' (lijn 104) bevindt zich pal voor de deur, en bevestigt een dienstregeling die nogal
mager is. Maar je kunt er komen en gaan, ook in winterse omstandigheden. Maar sportief als wij zijn, gingen wij
natuurlijk lopen. Naar Harderwijk, zo'n kilometer of vijftien, en met een verouderde wandelbeschrijving.
Veel genoemde paddestoelen bleken verdwenen, en vervangen door fietsknooppunten. Het sneeuwlandschap
had veel paden 'weggemaakt', speelpleintjes en hoogspanningskabels bleken verdwenen. Maar
we zijn er gekomen, in Harderwijk. En daar wilde ik mijn OV-chipkaart nu eindelijk wel eens uitproberen. Maar
ik werd geweigerd bij het incheckpoortje, net als in Deventer en Zutphen ook al gebeurd was. Enfin,
met die OV-chipkaart van mij is het me wat. Daarover een andere keer, want deze blog loopt toch al de
spuigaten van de lengte uit!
En oja, dat afrekenen. Dat was niet mals hoor, dat badkamerdesign ook... Bovendien las ik het te
betalen bedrag verkeerd, en gaf daardoor een veel te ruime fooi. Maar ja, als ze ook drie bedienden
inzetten om je 'badbeleving' te verhogen... wat zou je dan simmen over een paar euro's meer
of minder! - Nee, dan schrijf ik liever een kort gedicht over een winterwandeling, van Leuvenum
naar Harderwijk, op een bankje van sneeuw en ijs.
KORTE WINTERWANDELING
Kijk, hier waren wilde zwijnen,
zie je al dat opgewoelde blad
onder de bomen
waar de sneeuw zwart is?
En dit bandenspoor, zou dat van die jongen zijn
die hier een wandeling aan het uitzetten was?
Dat hij hier kon fietsen over die ijzige wortels
en diepgevroren kuilen! Snap je dat?
Een wonder is het, is het niet, zo'n tocht,
of anders toch een sprookje,
als heg en steg en wandelweg
zo onder pakken sneeuw zijn gaan zitten?
O, kijk, daar heb je dat witte stenen huis
met dat gele bijgebouw, en al die rododendrons.
Vandaaraf is het nog geen uur meer, ziejewel?
Ik kan de erwtensoep al ruiken. En jij?
Mooie gesprekken
Heb zojuist een volledig afgeronde balthasarsblog weggegooid. 'Want tevreden was hij
niet.' Dat overkomt iedereen natuurlijk wel eens, dus daar moet je niet al te
dramatisch over doen. Gewoon uithuilen en opnieuw beginnen, want 'je kunt toch
nieuwe bakken' om wijlen Wim Kan er nog maar eens bij te halen. Toen ging het
over oliebollen, nu over een balthasarsblogje - wat maakt het uit?
Geïnspireerd door een serie van vier 'Mooie gesprekken' van Rutger Kopland (in de
dichtbundel 'Een man in de tuin') had ik een stukje geschreven met
verjaardagsgesprekservaringen. Dat je je daar soms zo wezenloos en displaced bij kunt
voelen, bijvoorbeeld omdat de onderwerpen je niet liggen of omdat de
invalshoeken de jouwe niet zijn of ook wel omdat een of twee dominante types de
enige sprekers blijken te zijn. - Bij nader inzien
vond ik het stukje (onbedoeld) wat te klagerig en te onheus van toon
tegenover lotgenoten die er ook niet veel aan kunnen doen dat ze zijn zoals ze zijn, net
als ik zelf overigens. Toen ging ik er aan prutsen en prutsen tot het helemaal verprutst was. Alleen het
gekozen gedicht van Kopland (I - Over de ziel) stond nog recht overeind. Dat
is wat magertjes, voor een balthasarsblog... Toch zal ik het hieronder alvast citeren, daar
heeft het gedicht immers recht op.
I - OVER DE ZIEL
Dat de ziel het lichaam verlaat bij het sterven
daarover bestaat geen twijfel - waarom immers
zou de ziel willen blijven
maar waar hij heen gaat is onzeker
iemand van ons meende dat hij nergens heen gaat
want hoe zou hij zonder lichaam kunnen bestaan
iemand dacht dat hij naar een ander lichaam zou
kunnen verhuizen, hij moest toch ergens heen
iemand veronderstelde dat hij teruggaat naar waar
hij vandaan kwam voordat hij een lichaam nodig had
en natuurlijk was er ook iemand in het gezelschap
die zei dat er volgens hem meer aan de hand was
dat er zijns inziens nog iets was blijven liggen
dat achter iedere vraag een andere vraag schuilt
en ik - ik begon hevig te verlangen naar
de troost van een sigaret
Retourpost
Om mezelf wat af te leiden dook ik even in de Outlook Express. In de Inbox stonden nog
wat felicitatiemailtjes op beantwoording te wachten. Nou niks geen gedraal meer, je
bent al bijna een week 70, dus vort met de geit, laat die mensen wat weten! Gemotiveerd
ging ik aan de slag. Het eerste mailtje liep gesmeerd ('Jullie cd van Nigel Kennedy is
werkelijk wonderschoon. Veel bekende prachtstukken, gespeeld in een warme stijl. Die ga ik
nog vaak draaien hoor!), het tweede ging ook vlot ('En dan ook nog zo'n hele 'kleutersite'
erbij, met historie en al, Brabantse liederen en hoe je Driekoningenkoek maakt: werkelijk
een 'totaalbeleving' die je niet vaak voorgeschoteld krijgt!'), en bij het derde pakte ik
ook nog fors uit met een overzicht van onze kunstactiviteiten van het complete laatste jaar.
Maar toen, toen was ik aan het laatste retourmailtje toe, en dat ging gewoon niet, het leek wel
een mislukte balthasarsblog, een goederentrein van zinnen zonder inhoud of logica waar N.
beslist geen touw aan vast zou kunnen knopen. Kappen dus, en morgen maar verder.
Over De Zwarte Boer later meer
Maar er is geen 'morgen', want... dan ben ik m'n verjaarscadeau aan het concretiseren, twee
overnachtingen bij De Zwarte Boer, met dagelijkse omzwervingen door de aanpalende
dreven van Het Leuvenumse Woud. Dan doe ik niet aan blogs of mails, dan zijn wij 'eropuit'
met rugzak en wandelschoenen, per trein en bus, én... ga ik voor het eerst mijn OV-chipkaart
uitproberen. Eindelijk, want het had nog heel wat voeten in de aarde voordat die chipkaart
op de juiste manier (en op de juiste plaats!) 'geactiveerd' was. Daar kan ik een
heel verhaal over vertellen. Maar dat bewaar ik voor een volgende keer, als 'papa weer
eens geen plotje heeft' (om met de kinderen van de tekenaar van Jan, Jans en de
kinderen, de kinderen van Jan Kruis over hun vader dus, te spreken).
Oja, en over onze logeerpartij bij De Zwarte Boer dus later meer. Want ik ga nu opnieuw
proberen om N. te antwoorden, daar heeft N. recht op. Maar het
moet ook van soliede kwaliteit zijn, want dat zijn de briefjes van N. zelf ook altijd, alsmede
een beetje archaïsch en toch hoogst origineel. Vandaar.
Oja, en het gedicht, dat hebt u hierboven al gehad. Maar het loont en het troost om het nóg eens
te lezen. Vandaar, again.
I - OVER DE ZIEL
Dat de ziel het lichaam verlaat bij het sterven
daarover bestaat geen twijfel - waarom immers
zou de ziel willen blijven
maar waar hij heen gaat is onzeker
iemand van ons meende dat hij nergens heen gaat
want hoe zou hij zonder lichaam kunnen bestaan
iemand dacht dat hij naar een ander lichaam zou
kunnen verhuizen, hij moest toch ergens heen
iemand veronderstelde dat hij teruggaat naar waar
hij vandaan kwam voordat hij een lichaam nodig had
en natuurlijk was er ook iemand in het gezelschap
die zei dat er volgens hem meer aan de hand was
dat er zijns inziens nog iets was blijven liggen
dat achter iedere vraag een andere vraag schuilt
en ik - ik begon hevig te verlangen naar
de troost van een sigaret
Laps Landschap
Zondagavond 3 januari ontvingen wij onze jongste Nieuwjaarskaart, een buurwens, per
eigen onderstel naar onze brievenbus gebracht. Het betreft een in ijzige blauwtinten afgedrukte eigen
foto van paardjes in het Lapse Landschap. Extra aandacht krijgt het natuurlijk wel, zo'n
verlate wens, een eigen foto, geen postzegel, en een handschrift vol bravoure. Zo zie je
maar weer: het is nooit te laat om iets te laten weten, het gaat om de intentie, en om de
presentatie natuurlijk.
Dus wens ik alle lezers van de Balthasarsblog - oprecht gemeend - het allerbeste in het
vijfde Balthasarsjaar. - Dat kan tenslotte ook niet iedereen zeggen!
IJzigwitte uiterwaarden en altijd weer die autodrop
's Ochtends op de dijk langs de IJssel was zo te zien nog weinig gelopen, drie onderling sterk
verschillende paren schoenen, een flinke hond. De sneeuw was rul, als Spul van de
Rul, er kraakte muziek onder onze zolen. Een diffuse zon deed
schijnpogingen om door de zwangere wolken heen te breken, stukjes blauw
bleven evenwel op afstand. Over de ijzigwitte uiterwaarden gakte een
gigantische vlucht ganzen, en in de verte schoof een boer zijn erf zwart. Daarmee
was het shot wel zo'n beetje totaal, een sfeervolle prent van Opland (God hebbe zijn
ziel) - ook al ontbreekt dan het wak en een onfortuinlijke minister-president. Jaja,
2010 is best begonnen, echt winter. En het is goed om dat vast te leggen,
voor als ik nog eens wil weten hoe 2010 ook alweer begonnen was. Want dat ben ik
over een poosje geheid weer kwijt.
Het is nu 'ruim' vier jaar geleden dat ik met de balthasarsblog begon, om precies te
zijn op 31 december 2005. Ik schreef toen een stukje over het geheugen, hoe
bedrieglijk dat kan zijn, en over foto's die (niet) kunnen liegen. Inmiddels ben ik
zo'n 235 (!) stukjes verder, en raadpleeg ik de balthasarsblog geregeld als ik me iets
niet goed kan herinneren. In acht van de tien gevallen vind ik het desbetreffende
'stukje' terug, en minstens een op de twee keer verbaas ik me over mijn eigen tekst.
Het blijkt telkens toch weer nét iets anders te zitten dan ik had gedacht, én ik vind het
vaak nog best aardig opgeschreven ook. Jezelf kietelen is natuurlijk uit den boze,
het is als de befaamde autodrop: 'Het zou verboden moeten worden.' - Maar alla,
al met al is er reden genoeg om nog een tijdje door te gaan met de balthasarsblog. Dat
is alvast één goed voornemen.
En oja, die allerbeste wensen
Voort dus maar met die goede voornemens voor een nieuw Balthasarsjaar. En die
betreffen toch vooral het lot van de aarde en wat een particulier mens daaraan
kan doen. Want een andere ingang heb je niet, een andere verantwoordelijkheid
ook niet. Dat komt goed uit, want dat is al pittig genoeg.
* Zo heb ik een tijdje geleden een offerte laten maken voor het verder isoleren van
onze woning. Om de stookkosten te verlagen, en de CO2-uitstoot te verminderen. Nou
hebben wij niet echt een grote woning, maar toch vergen de kosten voor
spouwmuurisolatie en het impregneren van de gevel het lieve bedrag van wel 5000
euro. Okee, je krijgt er ook een portie comfort voor terug, maar hoofdzaak is toch
het milieu. Dat wordt dus nog hard sparen de komende jaren. Het is maar net waar je
je geld aan uit wilt geven, om mevrouw B. nog maar eens te citeren.
* Dat geldt ook voor het eten van biologische producten. Merkwaardigerwijs kosten
die een klauw meer dan bespoten en bewerkte spullen, maar dat is natuurlijk
een kwestie van politiek. Terwijl ze beter zijn voor mens, aarde en milieu, worden ze
door overheid en bedrijfsleven kunstmatig duur gehouden ten gunste van de
niet-biologisch boerende bedrijven. Eigenlijk is het natuurlijk omgekeerd: aan niet-biologische
producten worden ten onrechte subsidies gegeven, en worden veel werkelijke kosten
voor aarde, mens en milieu uit de prijs gemanipuleerd. Net zo krom is het als het
niet heffen van belasting op kerosine (vliegtuigbenzine). De wereld zit in menig opzicht
raar in elkaar, en het zou de aarde grote rampen besparen als er wat logischer
en eerlijker geredeneerd werd door de mensen aan de knoppen. Dan zou een hamburger
bij McDonalds of De Burgerking geen negentig cent, maar negentig dollar kosten, écht
waar. - Enfin, wij gaan er dit jaar nog een stuk beter op letten, op het biologische.
* Vlees is nu wel echt uit. Lees alle kook- en receptenstukjes (op één na, Sylvia Witteman!) uit deVolkskrant
er maar op na. En lees beslist ook het boek 'Dieren eten' van Jonathan Safran Foer: zie de
uitgebreide recensie op voedselencyclopedie.nl. Een site om trouwens eens lekker een uurtje in
rond te darren!
* En blijven wandelen, dat doen we zeker ook. Goed voor lichaam en geest, kost haast
niks, bevordert het milieu en de samenspraak in ons wandelclubje. Het is in een woord
geweldig, en als het niet al bestond, dan zou ik het dit jaar met genoegen uitvinden. En
aan die vijfentwintig kilometer per week... komen we lang niet altijd. En dat is niet erg.
Je kunt ook te hoog grijpen! Dat moest ik ook maar eens wat minder gaan doen...
* Tenslotte wens ik u werkelijk het allerbeste in het vijfde Balthasarsjaar. O, pardon, dat heb ik al
gezegd. Maar ik wist het niet zeker meer. Dat geheugen ook! Maar ik meen het hoor: het
allerbeste!
De winterwegen van Bernlef
Ik pakte de bloemlezing 'Dingen die niet overgaan' om een mooi wintergedicht te zoeken als
afsluiting van dit eerste stukje in het vijfde Balthasarsblogjaar. Die bloemlezing kreeg ik
een jaar of twee geleden van mijn dochter Mi, zij heeft het zelf niet zo op
gedichten, en zij moest wat boeken kwijt om ruimte te maken in haar kast, vandaar. Op pagina 23
troffen mij de 'Winterwegen' van J. Bernlef, een mooie keus. Ineens herinnerde ik me
parbleu nog an toe dat ik zelf een bundel 'Winterwegen' in de poëziekast heb staan. En
ja hoor, pagina 32 in die bundel, hetzelfde gedicht met dezelfde titel. Hoe kom ik ook alweer (jaja, het
geheugen!) aan die bundel van Bernlef (met dezelfde titel als het gedicht)? Op 6 januari
1984 gekregen van zoon Ma! Verbluffend, niet?! En - ik zeg het nog maar eens - geen
woord gelogen!
Uit: J. Bernlef, Winterwegen, het gedicht 'Winterwegen', p. 32. Querido, Amsterdam 1983.
Tevens uit: Hubert van Herreweghen en Willy Spillebeen, Dingen die niet overgaan - Een
bloemlezing poëzie uit Vlaanderen en Nederland 1945 - 1985, p. 23. Davidsfonds,
Leuven z.j.
WINTERWEGEN
Niet alleen vossesporen, de achterwaarts
wijzende patrijzeprenten in de sneeuw,
maar ook de winterwegen,
smalle looppaden tussen schuur en erf
op geen kaart te vinden.
Ieder huis rust als een spin
in 't midden van zijn eigen wegennet
Een tijdelijke taal
zoals het blaffen van een hond
stemmen achter een bosrand
Taal die niet begrepen hoeft te worden
zoals een kinderkrabbel: teken van
iets dat achter de rug is
Wanneer de winterwegen smelten
blijft het vermoeden van een landkaart
onder onze voeten
De eerste zwaluwen hoog in de
lege lucht, zij kunnen hem lezen wellicht
zij volgen andere wegen.
31 december 2009 / 1 januari 2010 Nieuwjaarswens - Op de wijze van 'De marsch van den braven Kapitein'
Maria van Heyst (1741-1821) was ooit een veelgezongen volksliedjesschrijfster. Haar bekendste
werk heette Volks-liedjens, en werd tussen 1789 en 1807 in maar liefst vijf delen
uitgegeven door de toentertijd bekende 'Maatschappij tot Nut van 't Algemeen'. Brave
liedekens en smartlappen allemaal hoor, met sprekende titels als: 'De dankbare zoon',
'Verdraagzaamheid', 'Buur-praatjen', 'De wollennaaister' of 'De beste vooruitzicht'. En
soms, heel soms, overtrof ze zichzelf met een 'echt mooi gedicht', zoals onderstaande Nieuwjaarswens -
Op de wijze van 'De marsch van den braven Kapitein'. - En braaf was het, en is het!
Net als de meeste nieuwjaarswensen en bijbehorende voornemens, ook die van nu nog: met wenst elkaar
'het allerbeste', 'veel heil en zegen' en besluit nu eindelijk eens te stoppen met roken.
Welgemeend of niet, zo zijn de mores. En daarin passen alle Hallmark- en HEMA-kaarten,
de e-cards, de nieuwjaarsrecepties, de eindejaarsborrels, de buurtbegroetingen in de
koude nieuwjaarsnacht. Verzet je er niet tegen, geniet er gewoon van, want 'alles komt
goed'. Wat wil je nog meer? Nou dan! - Oja, en om met mijn ouders zaliger te spreken:
Zalig Nieuwjaor! Gij ok, wor! - Zalig toch?!
NIEUWJAARSWENS
Op de wijze van 'De marsch van den braven Kapitein'
Het was zo lang mij heugen mag,
Een vast gebruik op dezen dag,
Zich op te schikken naar zijn' staat,
En druk te loopen langs de straat;
Om aan de menschen, geluk te wenschen;
Schoon het niet altijd van harten gaat.
Maar was 'er ooit een dag van 't jaar,
Waar op het liegen geen zonde waar'?
't Is dikwijls veiligst, dat ik zwijg';
En dat ik slegts wat buig' en nijg'.
'k Zal 't overleggen, om niets te zeggen,
Daar 'k mij om schaam, of een kleur bij krijg'.
Hoor dan nu ook eens, wat ik wensch',
Aan ieder braaf en eerlijk mensch!
Lang leven, rijkdom, eer en staat
En dat hem nooit iets tegen gaat,
Maar zagt... de weelde, zo 'k mij verbeelde,
Maakt somtijds dat men de deugd verlaat.
Ik wensch hem liever een vrolijk hart,
Een vast gemoed in vreugd of smart,
Gezondheid en zijn daag'lijksch brood,
Een vriend, die trouw blijft in den nood,
Des Hemels zegen, op al zijn wegen,
En eind'lijk eens een zaaligen dood.
Nu heb ik gedaan; ik gaa weer heên,
'k Heb niets gezegd dan dat ik meen.
Ik weet wel meer, maar 't staat niet vrij,
Veel spreeken brengt ons maar in lij.
Zo dit niet gaan kan, of niet bestaan kan
Zing 'er dan nog wat versjens bij.
Vroeger, en toch dichtbij
Als je oude blogjes (her)-leest is het leuk als je daarin ook iets van de actuele
omstandigheden meekrijgt. Bij voorbeeld dat het een bloedhete zomerherfst is met
veel vallend blad (24/07/06), of dat de natuur van het begin van de lente af aan
wel twee weken op alle eerdere jaren voorloopt (vanaf 25/02/08). Niet dat ik u ervan
verdenk dat u me daar een beetje oude balthasarblogjes gaat zitten lezen,
verre van dat, maar zelf doe ik het met enige regelmaat. Ook om te zien of ik een gedicht niet al
eens eerder geciteerd heb. Of om moed te putten uit stukjes die ik zelf wel aan
de aardige kant vind.
En vandaag gewoon ook omdat het een beetje zo'n
dag is: om half negen pas wakker geworden met de radio die ons afraadt om
naar buiten te gaan, met de auto niet en zéker met de trein niet. Want gans het
raderwerk van wegen en sporen ligt zo'n beetje stil, omdat Het Weer En De
Sneeuw - en dus Gerrit Hiemstra en in zijn kielzog Erwin Krol en dus ook God
zelve en zalve - dat nou eenmaal wil. Per telefoon meldt onze dochter vanzelfsprekend dat
ze heerlijk naar buiten is geweest, met twee dassen, twee jassen, twee truien
en uiteindelijk met stijve broekspijpen van de aangevroren sneeuw 'en alles' - om
taalonderzoekster Paulien Cornelisse maar eens te citeren. Zeker, het wintert in
het staartje van 2009.
Deze week bij voorbeeld, en dan die terugreis
De afgelopen nachten vroor het hier zo'n 16 graden, overdag is het iets van min 8;
guur en koud is het, en er hangt zelfs een versgespannen gordijntje voor het tochtige wc-raampje,
voor het eerst, ooit. En sneeuw natuurlijk, sneeuw! Om 11 uur vanochtend mat ik met de
duimstok 12 cm op de tuintafel. Nou, dan moet je wél de toegang tot je voordeur sneeuwvrij
maken natuurlijk, en nog eens, en nog eens, en nog eens, want het stuift maar door. En
zo heeft buurman J. genietenderwijs een nieuwe toepassing voor z'n bladblazer
gevonden.
Maar dan wij, wij zijn tijdens de zondagochtendkoffie nog steeds aan het bekomen van ons
reisje van afgelopen
donderdag, naar de Vughtse dreven rond de Lunetten en het Drongelens Kanaal. Heen ging
de treinreis nog vrij gemoedelijk: vanaf Arnhem sneeuwde het weliswaar fors, en het was
duidelijk drukker op de stations dan anders, maar alles bij elkaar en ondanks het lichte
gemopper om ons heen, liepen we toch niet meer dan een uur op
ons reisschema uit. In de Vughtse besneeuwde bossen hadden we het moeilijker: geen
pad te bekennen of te herkennen, alle rood-witte wegwijs-streepjes op de bomen weggesneeuwd,
hellinkjes absoluut verraderlijk glad, een beetje een avontuurlijk tochtje zeg maar. En hup,
daar gingen de beentjes de lucht in, het achterwerk tegen de vlakte, en de banaantjes in de
rugzak richting pap. De stemming zat er goed in! Tot en met het afsluitende cafébezoek,
want dat was noodzakelijk, dat begrijpt u.
Maar dan de terugreis! Ruim zes uur deden we over honderd avondlijke kilometers. Een stukje
met een uitgesteld boemeltje, anderhalf uur met z'n vijfhonderden op een bevroren stationspleintje,
een hortje mee met een overvolle touringcar, met een dot geluk en een particuliere
station wagon dóór maar weer naar een afgelegen bij-stationnetje, hollend naar een
sneltrein achter een halfkapotte stoptrein, een half baantje
met wisselstoringen in doorlopend overvolle treintjes - nou, de stemming ging op en neer
met het totale gebrek aan informatie en het verbroederende gegrap 'en alles', want het was
vinnig koud ziet u. En toen
was de laatste bus naar huis natuurlijk al lang en breed vertrokken. Enfin, nog een stevig voettochtje
van zo'n drie kwartier en toen waren wij er dan toch maar mooi, thuis! Alreeds om elf uur
des avonds. En halleluja, in driewerf! Daarna eindelijk weer eens naar Pauw en Witteman
gekeken. Over het klimaat ging het, over 'Kopenhagen', en over global warming
natuurlijk. Ik viel vanzelf in slaap.
Wat voor weer zal het zijn op 7 januari 2010?
Dat weet geen mens. Behalve de weersvoorspellers natuurlijk. Met toenemende
onzekerheid, en per dag, dat wel. Dus daar heb je niet echt veel aan. Terwijl ik toch met
'matig' weer al tevreden zal zijn. Liever geen striemende stortregens of weids
waaiende sneeuwstormen. Want dat wandelt niet echt lekker. Dat schrikt potentiële
deelnemers af. En dat zou zonde zijn van onze Winter-Jubel-Nieuwjaars-Wandeling door
Vughtse Bossen en Dreven, langs Lunetten en Drongelens Kanaal, met
afsluitende borrel nog aan toe. - Kijk, vroeger kon je in zo'n geval nog bidden tot
de Heilige Clara, want die ging toen over het weer. Je hoefde er alleen maar een grote
worst voor te offeren en een eerbiedig prevelementje te doen, en dan zou alles beslist
in orde komen. Ja, er zijn
toentertijd heel wat goedgelovige worsten op de eettafels van de heren pastoors en kapelaans
terecht gekomen. En achteraf wisten ze zich altijd wel te verschuilen onder het
onweerlegbare adagium dat Gods Wegen Nou Eenmaal
Ondoorgrondelijk zijn, en dus... - Niettemin zou ik er vandaag de dag graag een
vegetarische worst of twee op inzetten om te mogen geloven dat het op 7 januari aanstaande heerlijk
wandelweer zal zijn. 'Deus lo vult' - 'Zo God en dus Erwin Krol en in zijn kielzog
Gerrit Hiemstra het wil'. Amen.
Onze eerste Nieuwjaars-Wandeling (toen nog niet 'Jubel' of 'Winter' geheten) liepen wij op 2 januari
2002. De regen kwam met bakken uit de hemel, de paraplu's lekten door, de
reservebroeken in de rugzak bleken tot op de draad doorweekt, maar de stemming van
het gezelschap doorzetters was
geweldig! Dankzij de eindeloze mantra van kinderliedekens en regenversjes als:
HEERTJE
Onze lieve Heertje,
Geef mooi Weertje,
Geef mooi Dag,
Dat het Zonnetje weer schijnen mag.
RAS
Dans maar ras, ras, ras,
dans maar vrolijk door de plas,
dans maar voort, voort, voort,
dans maar vrolijk door de poort;
dans maar ras, ras, ras,
dans maar vrolijk door de plas,
van je één, twee; drie!
GAT
Het regent, het regent.
De pannen worden nat.
En alle boerderinnekes,
Die vallen op hun gat.
'De wereld zal nooit meer hetzelfde zijn' (Den Uyl, oliecrisis 1973)
Toen zo'n kleine veertig jaar geleden, het was 1972 en een actieve tijd, de Club van Rome het rapport
'De grenzen aan de groei' uitbracht, sloeg dat bij ons in als de spreekwoordelijke bom.
En wij verbonden er bewust en beslist onze eigen conclusies aan. Zo liet ik in versneld
tempo mijn net behaalde
rijbewijs verlopen, en praktiseerde mevrouw B. van meet af aan de milieuvriendelijke
huishouding. Dat we altijd, onmiddellijk en bij iedereen begrip ondervonden, kan ik niet
zeggen. Zelf waren we van mening dat we de goede afslag genomen hadden, en heus zonder tot
radicalisme te vervallen. Het lastigste
was nog dat de kinderen er somtijds negatief op aangekeken werden.
Nu, nu de wetenschap inmiddels algemeen en verpletterend eensgezind de scenario's uit 1972
onderbouwd, verbreed en in samenhang aangescherpt heeft, erkent zo'n beetje de halve
wereld dat we in een rampzalige
klimaatcrisis / voedselcrisis / economische crisis verzeild geraakt zijn. Onorthodox
ingrijpende maatregelen zijn nodig, de westerse mens zal zijn
spilzieke gedrag moeten veranderen, maar de desinteresse van de gemiddelde consument,
radio-praatjesmaker, overheid en het visserke-vis langs de waterkant is vooral toch ontmoedigend -
'na ons de zondvloed' steekt het vroegere 'geen gezeik, iedereen rijk' in
bewusteloosheid naar de kroon. Toch... staan er ook sterren aan de hemel: de ledlamp
bijvoorbeeld, een voedselencyclopedie, een oudminister Winsemius, een Jonathan Safran Foer,
een kroost dat haar ouders in consequenties radicaal voorbijstreeft, de moestuin van Michelle
Obama, de glorieuze overwinning op de zure regen. Dat moet je ook willen zien.
De wasdroger van Thijs van den Brink (EO-programma 'Dit is de dag')
Citaat van de (vorige) week: 'Maar moet ik dan met van die knijpers en lijnen op
zolder onze was gaan ophangen, in plaats van in de wasdroger te doen? Dat gaat
niet werken, hoor.' - Zoals zoveel omroepen besteedt ook de EO aandacht aan
Kopenhagen, het klimaat en het milieu. Met grote woorden over smeltende poolkappen
en stijgende zeespiegels. Daar zal 'DV de DV nog aan toe' de regering wat aan moeten doen,
en rap een beetje, niet dan, en liefst nog met harde hand. Maar als de studiogast dan begint te refereren aan ieders
persoonlijke gedrag en verantwoordelijkheid, haakt de presentator resoluut en dreinerig af.
Thijs van den Brink, ideale representant van het bewusteloze deel der natie. Net als de
aanhang van de PVV, want die 'liggen echt niet wakker van het klimaat' lees ik vanmorgen
in de Metro. Dácht ik het niet!
Een week 'klimaatneutraal' leven (Marie-Claire in Volkskrantmagazine)
De journaliste Marie-Claire van den Berg kwam naar eigen zeggen van heel ver
(zeg maar gerust uit de totale bewusteloosheid van gemakzucht en een overvloed aan geld),
ging door de hel ('Na vier dagen aan de waslijn zijn de dikke katoenen luiers nog niet
droog. Bovendien is Donne ziek geworden en ligt ze rillend van de kou in bed. Mijn
moedergevoel wint het van mijn no-impact-voornemens. Ik zet even de verwarming
aan.'), en hield er nog iets van over ook ('Eén keer per week naar de boer fietsen
is een verademing vergeleken bij de kwelling van boodschappen doen rond het
spitsuur in de supermarkt.').
Wat Marie-Claire een week deed, hield de Amerikaan
Colin Beavan een jaar lang vol: 'een leven zonder wc-papier' zeg maar. Hij liet een
documentaire over zijn project maken, en schreef het boek No impact Man:
over een jaar lang geen afval
produceren, elektriciteit verbruiken, televisie kijken en autorijden, en alleen maar
ecologische producten uit de omgeving kopen. Om Marie-Claire van den Berg
nog maar eens te citeren:
'Met twee kleine kinderen en twee fulltime banen is het een mission impossible
om zo te leven.' - Maar zó ingrijpend zullen de noodzakelijke maatregelen ook
niet hoeven te zijn, Marie-Claire. Het is meer dat we met z'n allen van bewusteloze weer wel-denkende
mensen moeten zien te worden. Bovendien ken ik verscheidene personen die de beoogde
levensstijl van Beavan en Van den Berg aardig weten te benaderen, en toch heel
gelukkig en gezond zijn.
'Klimaattrein naar Kopenhagen' (Opening deVolkskrant, 14 december 2009)
Een citaat 'van onze verslaggever Michael Persson': 'Vanaf spoor 9 van Utrecht CS
stappen tweehonderd Kopenhagengangers op de klimaattrein. In de NS-trein alle min
of meer bekende klimaat-Nederlanders, van Jacqueline Cramer en Diederik Samson
tot poolreizigers Marc Cornelissen en Bernice Nooteboom. En vertegenwoordigers
van bedrijven als Philips, Rabo-bank en Eneco. De trein is zuiniger dan
het vliegtuig, is het idee. Maar dit is ook een plek om te netwerken. Sommige treinreizigers
vliegen zondag al terug naar Nederland. Anderen zijn speciaal uit Kopenhagen
gevlogen om met de trein naar Kopenhagen te gaan.' - Kijk, daar zakt mijn broek nou van
af: uit Kopenhagen komen vliegen om goede sier te maken met een klimaattrein, en
na afloop van de conferentie natuurlijk meteen weer met het vliegtuig naar Nederland
om daar verder net te werken. - 'Ach wat? Kleinigheidje. Incidentje. Moet toch
kunnen voor het goede doel? Dat ene vliegreisje van mij? Je moet niet zo klein
denken. Denk je dat de wereld vergaat door één extra vliegtuig?', en massa's
meer van dit soort kutsmoezen (excusez le mot, 'grote kots' was misschien beter
geweest). 'Maar m'n moeder woont
in Spanje. Dan mag ik toch wel vier keer per jaar met het vliegtuig gaan kijken hoe
ze het maakt?' - 'Voor m'n zwembad houd ik standaard achtentwintig graden aan,
vind ik lekker, ja. Zou eventueel een graadje lager kunnen. Lever ik tenminste
ook een bijdrage aan het klimaatprobleem...' - Een olifantenhuid moet je hebben
om te blijven geloven! Te bekomen in de feestartikelenwinkel NEP.
KLIMAATPAP
Bovenstaande krenten zaten in de pap,
de klimaatpap der laatste dagen.
Het klimaat is immers hot.
Dat komt door Kopenhagen, en omdat
Obama naar de slotbijeenkomst gaat.
Daar 'duikt' iedereen en alles op.
De wereld is vol bezorgde mensen, zegt de een.
Vol zorgeloze mensen, zegt de ander. Ziet u,
het glas is halfvol, onee,
het glas is halfleeg. Maar ach,
ze vinden er wel wat op, daar
in Kopenhagen, en op de hellingen
van de Himalaja.
Volgende week gelukkig weer vakantie. Wat
zit er in jouw kerstpakket?
Een schone lei, zozo. Maar
zonder griffel? Lastig,
wat u zegt. Lastig.
Kleine kroniek van een aangekondigde dood
Vorige zondag was het zover: buurman J. gaf de geest. En het was goed, zo, het was volbracht. - De kanker
had zijn slopende werk gedaan, de familie zat erdoorheen, ten langen leste was de vlag gestreken. Good
Heavens,
indeed Good Lord, alle menselijks is eindig. En elk einde dwingt een nieuw begin af, een leven zonder J.,
het leven zonder J.
Twee keer eerder al schreef ik over buurman J. en zijn aangezegde dood: op 18 maart 2007,
toen de eerste jobstijding de familie met mokers getroffen had, en op 12 november 2008, toen de
berichten over de
voortschrijdende kanker finale vormen hadden aangenomen. 2009 was het rampjaar,
tevens het jaar van de hoogste intensiteit en intimiteit - het zijn de woorden van J. en zijn geliefden. Good
Heavens indeed, zij hebben het samen volbracht.
Van zijn naaste, zijn absolute zekerheid, zijn weduwe ontving ik de uitnodiging om één
van de zes 'dragers' te zijn. Een kist ten grave dragen, dat had ik nog niet eerder gedaan. Ik
was er stil van, ontroerd, vereerd. - Drie kwartier voor de funerale dienst werd ik besteld, in de aula van het
kerkhof, voor nadere instructies ('de kleinsten voor, de langsten achter') en enige oefening ('houd
drie meter afstand tot de uitvaartleider'). Terstond hing ik mijn beste goed gereed, zocht
voor het eerst in jaren een passende stropdas, en borstelde mijn netste schoenen. J. en zijn
nagelatene konden op me rekenen.
Ten grave gedragen en ter aarde besteld
Het weer was donker, het weer was guur, en toen de dienst gedaan was deden zes senioren
jas en das over hun goeie goed, maar hielden het hoofd ontbloot. Onze opdracht, onze vererende
opdracht was begonnen.
De kist ging op een karretje, en werd gezekerd. Dat
bleek geen overbodige luxe. Om bij het graf te komen, manoeuvreerden wij
gezessen de kar met de breekbare lading over zandpaden en hoekige afslagen. Ik liep links
voor, en moest me op elke kruising naar links teweer stellen tegen een ontluisterende afgang
richting struiken. En elke keer ging het nét, net goed. Mijn handen trilden, maar mijn rug was
recht. Zonder ongelukken hielden wij uiteindelijk, en vijfentwintig meter voor het graf,
eerbiedig halt. Op commando tilden wij de ontzekerde kist van het karretje. En begon het
échte werk.
Links en rechts van de grafdiepte lag een metalen gaatjesrooster, drie metalen draden waren
tussen de roosters gespannen. De kist moesten wij precies op de drie draden zetten, terwijl
wij zelf op de metalen roosters stonden. Om daar te komen schuifelden wij haast struikelend
over elkaars nabije voeten over gras en modderpad, en veerden wij de metalen roosters
over. Een heel precies werkje,
dat beslist geen minimale misstap richting grafdiepte kon hebben. Dat je dat zonder gedegen
oefening redt, het is een mirakel. Toen de kist stond, rechtten wij zessen de rug, richtten
ons naar de kist, en negen het hoofd naar buurman J. - Ultiemer vaarwel heb ik nooit ervaren.
Het leven gaat door, maar dan anders
In Herberg De R. was op ons gerekend. Stijlvolle zaal, uitnodigende tafels, dienbladen vol
verse en fonkelende drankjes. Op uitdrukkelijk verzoek van hemzelf, hieven wij het glas op
buurman J. om
zijn afscheid te onderstrepen, en het volgende hoofdstuk onder ogen te zien. De familie maakte
een aangrijpende ronde met knuffels en hernieuwde afspraken - maar bleef uiteindelijk en
vanzelfsprekend met de brokken zitten.
Het leven gaat door, jaja, maar hoe dan? Niets is meer hetzelfde, de weg is onbekend.
Buurvrouw J. gaat het zwaar krijgen, zo zonder anker, in dat huis met de zwijgende muren. Nog
een geluk dat ze 'overal' bij is, en een kordate aard heeft - van een kapotte gloeilamp of
een doorgeschoten beukenhaag zal ze niet ontredderd raken. En dan zijn wíj er natuurlijk nog!
En al die anderen die haar naasten zijn, haar vrienden, stukjes reddingboei. - Maar J., haar J.,
zal er niet
meer zijn, gemis blijft, al zoekt ze natuurlijk een nieuwe balans, háár balans.
Daarom tot slot het gedicht 'Balans' van Gerrit Achterberg (1905-1962) - altijd en eeuwig op zoek naar
de verloren geliefde, zijn Thebe, zijn Openbaring, zijn Pasen en Pinksteren. Maar er helpt geen
Sneeuw, geen Slaapwandeling, geen Reïncarnatie, geen Sterre aan. Maar toch, altijd
en eeuwig op zoek... - Het gedicht 'Balans' komt uit de bundel Thebe (1941), en is opgenomen
in 'Verzamelde Gedichten' (Querido, 1980).
BALANS
Liefste, zover ik u verlies
begint het nu te sneeuwen;
zover ik u bezit
staan achter mij de eeuwen
wit.
Zodicht ik bij u lag
ontstonden de poëmen,
van slaap en liefde naakt.
Sinds ik u niet meer zag
schrijf ik het vers dat wacht en waakt.
Toen we thuiskwamen van ons bezoek aan Museum Hermitage Amsterdam lag
'Spoor Nummer 4' in de brievenbus, 'Editie winter 2009' - jaja, maar wel dááágen later dan bij andere
NS-abonnementshouders. Ik sla het NS-promotieblad open nog voor ik m'n jas uit heb, pagina 26/27,
en wat lees ik:
'Pracht en praal aan het Russische Hof - Tentoonstelling Hermitage - Speciaal arrangement
voor Spoor-lezers'. Tja, dat was voor ons misschien ook wel leuk geweest, een arrangementje...
'Aan het Russsche Hof - Paleis en protocol in de 19e eeuw' is de openingstentoonstelling
van het brandnieuwe museum De Hermitage in Amsterdam, aan de Amstel. Wij gingen eerlijk gezegd
meer voor het nieuwe museumgebouw dan voor de tentoonstelling over het Russische Hof.
Maar bovenal gingen we natuurlijk een dagje uit met ons kunstclubje, inclusief toeristische rondvaart met de
museumboot 'Golden Age Line' van Lovers, en een test-maaltijd bij 'Pamukkale' in Utrecht.
Eerst maar even iets over de lokatie, want dat is een geval apart. Het
historische carré-gebouw 'De Amstelhof' was eeuwenlang een zorginstelling voor oude mensen. Maar vanaf
zo rond 2000 werd er een nieuwe bestemming voor gezocht. En na een ingrijpende verbouwing (er waren
maar liefst drie architectenbureaus bij betrokken!) zit er
dan nu het nieuwe Museum Hermitage in: kijkt u op www.hermitage.nl vooral even naar het
animatiefilmpje over het gebouw, inderdaad allemachtig interessant en informatief. (Tot zover de folder.)
Overigens en
slechts terzijde: van mij hadden ze aan de binnenkant van het gebouw gerust wat meer kleur mogen
gebruiken in plaats van al dat grijs en wit, al was het maar om noodzakelijke overgangen (hoogteverschillen,
doorgangen) wat duidelijker te markeren, en een iets intiemere sfeer te creëren. Tegelijkertijd mag het
af en toe ook wel wat rustiger, vooral die lintlange lichtkranten op onverwachte plaatsen vond ik nogal
storend en vermoeiend. De glazen lift in de centrale hal moet ik apart noemen, het is een
kunstwerk, geheel opengewerkt en doorzichtig, maar er is totaal niets te zien van de
'onderliggende' machinerie. Zo aaibaar kan techniek dus zijn.
Om binnen te komen moesten we eerst in een lange rij. En iedereen komt er voor het eerst, dus
het is vooral gehannes bij de digitale toegangspoortjes en de doe-het-zelfkassa's. Aha, dus daar
komen die lange rijen vandaan! Geen wonder dan ook dat ze bij de garderobe geen jassen meer aannemen.
Bij het interne restaurant 'Neva' is het al niet anders: overmatig druk, dus in de rij tot er een plaatsje
vrijkomt en je 'bediend' wordt. Dat laatste gaat trouwens sneller dan je vreest, en het eten is er ook
best snel, en goed. Tis alleen dat je er door de drukte zo krap bij zit dat je mes en vork beter in hun
papieren zakje kunt laten. Bovendien kijkt de rij wachtenden je zo voortdurend zo smekend aan
dat je vanzelf plaats maakt nog voordat je je laatste kruimel genoten hebt. Allez, je komt hier
ook voor een tentoonstelling nietwaar!
In twee grote zalen met talloze terzijdes (een soort nis-kamertjes) in etages is alle pracht en praal uit de tsarentijd
in eindeloze variatie uitgestald. Wil je iets van de hof-waaiers zien? Dan krijg je meteen ook een hele
wand vol, alle stijlen, alle stoffen, alle afbeeldingen. Nieuwsgierig naar de prinsessenparasolletjes?
Dan ook een complete filmscène à la 'Les parapluies de Cherbourg' (1964) of dat filmbeeld uit de
documentaire film 'Kandahar' (2001) waarin al die
kunstledematen aan parachutes uit de hemelen nedergedaald komen. Robes, manchetknopen,
zadeldekjes, tunieken, laarzen? Telkens van hetzelfde laken een pak. - Kortom, beslist iets voor
de liefhebber, mij kon het maar matig bekoren: telkens en overal te veel van hetzelfde. En eerlijk gezegd
heb ik het niet zo op die praalhansjes en dito grietjes. Bovendien
was het overal zo overstelpend druk, dat ook die ene vitrine die je beslist wilde bekijken, onbereikbaar
was. Opvallend veel rolstoelen en rollators ook, en bijna altijd in duo's. Ga d'r maar aanstaan - want zitten
kon je nergens.
Van 1 februari t/m 5 maart 2010 is de Hermitage Amsterdam gesloten voor de opbouw van de volgende
tentoonstelling: 'Van Matisse tot Malevich - Pioniers van de moderne kunst' - ik denk dat die expositie mij
meer zal bekoren (6 maart - 17 september 2010). Maar eerst moeten we nog even naar
Cézanne / Picasso / Mondriaan in het Haags Gemeentemuseum. Kunnen we straks misschien mooi
vergelijken... Tenminste: als die tentoonstelling in de Hermitage niet zo'n erg groot succes wordt.
Want anders kun je door de bomen van het bezoek het bos van de kunstwerken waarschijnlijk weer
niet zien. (Tis ook nooit goed, of het deugt niet. Tja.)
Oja, het eten bij Pamukkale is een aanrader (ook voor vegetariërs!), vooral de 'mezè'
(www.pamukkale.nl). En de expliquerende
rondvaartbootjongen van Lovers verdient een veer voor zijn individuele aanpak ('mijn opa
van moederszijde die uit Zwolle kwam, heeft nog persoonlijk meegewerkt aan [...], dit lelijke gebouw
aan uw linkerhand, zeg maar gerust kunstgebit...'). Zijn fooienschoteltje was dan ook rijkelijk gevuld.
Net als onze dag, van schoonheid en van kunst, en van 'gezelschap goed ende fijn'. In één 'woord' gezegd:
het was A thing of beauty en a joy forever (John Keats, 1795-1821).
ENDYMION (fragment)
A thing of beauty is a joy forever:
Its lovelyness increases; it will never
Pass into nothingness; but still will keep
A bower quiet for us, and a sleep
Full of sweet dreams, and health, and quiet breathing
Wat schoon is blijft ons eeuwig bij;
Steeds liever wordt het ons, gaat nooit voorbij;
Weet tot ons diepste wezen door te dringen
Rustig, met zoete mijmeringen;
In krachtige, kalme cadans.
Op de fiets naar de stad zingt Gé Reinders voortdurend door mijn kop met z'n lied
Tisveurjoar-tisveurjoar-tisveurjoar! - Jaja, zaterdag 21 november 2009, een
stralende ochtendzon en vijftien graden! En ik kraai nog maar eens hardop
met Erwin Krol mee: 'Vrienden! 21 november 2009! En voluit lente! Dus gaat u naar buiten!
Zeven à acht graden te warm! Datuhetweet!' - Da's nog 's wat anders dan een
jaar geleden. Toen schreef ik in de Balthasarsblog (25 november 2008): 'Vorige week
was het heftig herfstweer - maar intussen heeft de winter hier met kracht toegeslagen, het
is koud, een ijzige wind, en een flink pak sneeuw in het afgelopen weekend.' Precies een
jaar geleden, een verschil van dag en nacht met nu, lente of winter, er zijn geen zekerheden meer...
Behalve op de kalender dan, want die schrijft onverbiddelijk voor: Zaterdag 21
november 2009, 10.00 uur, aankomst van de Sint in Zutphen, aan de IJsselkade,
grootse intocht door de binnenstad. - Maar op die kalender heb ik natuurlijk nog niet gekeken
als ik op de fiets naar de stad zit.
Om 11 uur ben ik er, in die binnenstad, voor m'n brood en m'n boodschapjes. En dat zal ik weten! Het
is er kennelijk nét gedaan met de aankomst van de Sint, en dus is de stad tot m'n verrassing
vól met jonge vaders
en moeders en hun Sinterklaaskinderen. Die kinderen zijn bijna allemaal verkleed als Pietjes, met bontgekleurde
baretten en grijszwart gemaakte gezichten, roodgestifte lippen. En veel muziek natuurlijk, twee hoempa-orkesten, een
losse trompettist, en een aangepast draaiorgelprogramma. Ik zie een eindeloze stoet stoomboten
uit Spanje weer aankomen, en ik hoor telkens en telkens de wind krachtig door de bomen waaien.
Bij de bakker staan ze tot midden op de stoep, de grote en de kleine klanten, manmoedig
sluit ik me aan - want, tja, voor dat brood kom ik toch eigenlijk vooral naar de stad. Als ik na een
kwartiertje de toonbank, de rekken met lekkers en de batterij broodsnijders in het vizier krijg, valt
me op hoe ver de mensen allemaal van elkaar af staan. Dat krijg je ervan als je een extra peloton
kleine Pietjes over de vloer hebt. Ze strooien hun pepernoten tot achter in de
bakkerij, en kruipen iedereen vrolijk voor de voeten. De vadertjes en moedertjes kan het
uiteraard geen bal schelen, alles is best vandaag met dit weer en de Sint, er valt geen
opvoedkundig verwijt of halfmislukte tik, en het draaiorgel reikt met gemak tot achter de toonbank met
z'n Hier in huis zelfs waait de wind.
Op weg naar de markt kom ik in slow motion vanwege de drukte langs de viskraam van Hoekstra,
jarenlang 'De
gezelligste winkel van Zutphen'. Het is er vol van grote en kleine Pieten met hun aanhang, de
Hoekstraatjes kunnen het allemaal nauwelijks bijbenen. En nooit heb ik geweten
dat Zwarte Pieten en Kleine Pietjes zo'n zwak voor haring hebben, broodjes haring, haring bij
het staartje, in-stukjes-gesneden haring, mét uitjes, zónder, doe mij er nog maar twee,
meenemen meneer? - Het is werkelijk een apart gezicht, al die zwarte koppen
met kersenrode monden aan de Hollandse Nieuwe.
- Zegt de ene grote Piet tegen een belendend klein Pietje tussen het haringhappen door: 'En
is jouw kamer wel netjes opgeruimd, vriend? Want ik kom vanmiddag kijken hoor.'
- Verslikt het kleine Pietje zich in z'n haringstukjes en huilt dan tegen z'n vader: 'Naar huis, pap.
Naar huis. Want ik moet m'n kamer nog opruimen. En anders krijg ik niks.'
- Koopt Grote Piet de situatie af met twee haringhanden pepernoten in de zakken van z'n
kleine collega, en een schuldbewuste glimlach in de richting van vader-pap.
En dan pas ben ik de kraam van de Hoekstra's voorbij. En knoester ik mezelf in de
marktzon als een echte knezidon (met dank aan 'De Blauwbilgorgel' van Cees Buddingh', ook al
zo'n zonnetje in huis).
Eenmaal weer op de fiets buiten het stadsgewoel passeer ik het ideale Sinterklaasgezin, ook
op de fiets. Vader Piet rijdt voorop met naast zich De Ene Kleine Piet. Daarachter Moeder
Sint, met een superklein rood mijtertje van de HEMA in het haar, en naast haar De Andere Kleine
Piet. Onder leiding van die ene losse trompettist in de zijstraat zingt vader luide en met overtuiging,
en met De Ene Kleine Piet in z'n kielzog: 'Gooi wat in mijn laarsje! Dank u Sinterklaasje.' - En
de zang straalt af op het hele gezin.
Even kijk ik om me heen om te zien of er camera's van Het Sinterklaasjournaal of het Lentecarnaval
op de stoep staan. Maar nee hoor, ik zie enkel Paul de Leeuw, schattig verkleed als Dieuwertje Blok In
Pietendracht. Onee, dat was 's avonds, tijdens de reclame, op het andere net. - Die laagstaande
lentezon ook!
Tot besluit van Klaaszaterdag 2009 duik ik in 'Het prentenboek van Tante Pauw' voor een degelijke
en opvoedkundige afsluiting. Ik vind er alleen een paginalang gedicht over een arme schoenlapper
die door de wondere Sint-Nicolaas uit de brand geholpen wordt. Te lang, te flauw, te verleden.
Dus: op naar de 'Nederlandsche Baker- en Kinderrijmen' (1894) van Dr. J. van Vloten, afd. Sint-Nikolaas,
p. 74-77, waar een serie bijterige tekstjes staat die niet altijd 'van de brave' zijn. Wat
dunkt u bijvoorbeeld van volgend Leeuwardens liedje?
SINT-NIKOLAAS (Leeuwarden)
Sinte Niklaas,
Die speult den baas
Al op 't papieren *souderke; * [zoldertje]
Hij miende, dat ik 'r bang foor waar,
En 'k beet 'm een stuk uut 't skouderke.
Of er ook alternatieven zijn voor 'Boer zoekt vrouw' (viereneenhalf miljoen kijkers op de
zondagavond, Nederland 1)? Wat dacht u bijvoorbeeld van de documentaire series 'De oorlog' en
'De reis van de Beagle' op Nederland 2? - Ik ken mensen die nog nooit iets
op Nederland 2 gezien hebben. Voor hen is de huidige zondagavond een mooie gelegenheid om
daar verandering in te brengen.
'De oorlog' bij voorbeeld is echt een serie van déze tijd: ongelooflijk veel nieuw en authentiek beeldmateriaal,
onbegrijpelijk vaak in kleur, en onthutsend direct uit de omgeving van 'de gewone man'. Dus zó
zag de oorlog er voor de gemiddelde Nederlander uit? O, en zó verliep die oorlog dus? In een breed
uitwaaierend palet aan grijstonen, en niet langer uitsluitend in de achteraf gewilde wereld van wit en
zwart, goed en fout, wij en zij, de wereld van 'De bezetting', de serie uit de jaren zestig, van
Doctor Lou de Jong. - Presentator Rob Trip ziet het in verwondering aan, alsof het ook voor
hem allemaal nieuw is, hij is nieuwsgierig en geïnteresseerd als de kijker zelf, de ideale man
namens mij. - Gaat dat zien!
Met 'De reis van de Beagle' wordt de vijf jaar durende reis van Charles Darwin uit de jaren
dertig van de negentiende eeuw herhaald. (De reis van wie? Charles Darwin, de man van de
evolutietheorie, de onderzoeker en bioloog die het denken over het ontstaan van de mens
en al het leven op aarde in een allesomvattende studie op z'n kop zette. Geheel en al, en
volkomen verantwoord, verbeeld en genoteerd in zijn boek 'On the origin of species', 1859.)
De huidige clipper (voor scheepsliefhebbers een snoepje om je vingers bij af te likken)
doet de reis van Darwin over in een bestek van enkele maanden, met meer manschappen, en
moderne hulpmiddelen, maar nauwgezet en secuur, en onder veel interessant discours. Alleen
al de verfilming van de wederwaardigheden van de mensen aan boord is de moeite van m'n tijd
volkomen waard. En dan daarnaast nog al die veranderingen ten opzichte van Darwins tijd te land,
ter zee en in de lucht. Een machtige verkenning van de 'huidige stand van zaken' met betrekking
tot de aarde en haar toekomst(on)mogelijkheden.
Kunnen viereneenhalf miljoen Nederlandse tv-kijkers naar 'Boer zoekt vrouw' van de zondagavond
op Nederland 1 ongelijk hebben, om deze Telegraafvraag ook hier maar eens te stellen? - Nou,
reken maar! Zelfs afgezien van hoe je het
begrip 'ongelijk' definieert. Vervang bijvoorbeeld 'Boer zoekt vrouw' door 'Boer zoekt man' en
hopla, daar stuiteren de kijkcijfers al in het ravijn. - 'Gaan we moeilijk doen? Dan míj niet meer gezien hoor.'
Tegenover al dat onnozele, kinderlijke, voyeuristische KRO-geweld op Nederland 1 scoren de
NPS-geschiedenisserie 'De oorlog' en de VPRO-serie 'De reis van de Beagle' op 2 nog
verrassend hoog met elk zo'n 1 miljoen kijkers. En ik ben blij dat ik daar bij hoor. Voor deze ene
keer denk ik daar graag in zwart/wit-tint over. Maar u moet het zelf weten, hoor!
De dichter J.C. Bloem (1887-1966) schreef in 1946 het vers 'Na de bevrijding I', misschien wel
speciaal 'voor de ongeborenen' (de meesten van ons, dus). Hoe het is en was om je vrijheid te beseffen 'na vijf jaren
gesmacht te hebben, nu opstandig, dan weer gelaten'. Het gedicht komt uit de
Verzamelde gedichten, Stols, Den Haag 1947. Ik weet niet of het de serie 'De oorlog' haalt,
maar het zóu mooi zijn...
NA DE BEVRIJDING I
Schoon en stralend is, gelijk toen, het voorjaar,
Koud des morgens, maar als de dagen verder
Opengaan, is de eeuwige lucht een wonder
Voor de geredden.
In 't doorzichtig waas over al de brake
Landen ploegen weder de trage paarden
Als altijd, wijl nog de nabije verten
Dreunen van oorlog.
Dit beleefd te hebben, dit heellijfs uit te
Mogen spreken, ieder ontwaken weer te
Weten: heen is, en nu voorgoed, de welhaast
Duldlooze knechtschap -
Waard is het, vijf jaren gesmacht te hebben,
Nu opstandig, dan weer gelaten, en niet
Eén van de ongeborenen zal de vrijheid
Ooit zoo beseffen.
Tom Lanoye schreef eindelijk dan toch het boek over zijn moeder, over haar levenseinde,
haar taalverlies. Voor 'Sprakeloos' (Prometheus, Amsterdam 2009) gebruikte hij een zee
van woorden, bezweringsformule
zonder einde, het laatste woord van het boek luidt dan ook: 'Begin.'
'Begin.' is ook het slotwoord van pagina 71, het einde van de aarzelende aanloop
naar het boek over de moeder ('Zij'), de slagersvrouw, amateuractrice, spraakwaterval Josée -
dat geen roman mag heten, geen literatuur mag zijn, maar het alleszins wel is.
Het boek gaat natuurlijk ook over de vader ('Hij'), de verongelukte broer ('Haar lastigste'), en
vooral ook over de 'Ik' - Tom Lanoye, slagerszoon met een brilletje, repetitor van moeders
toneelrollen, gevierd schrijver en causeur, afvallige jongste, het altijd andere kind,
homo-zonder-moeders-zegen. 33.600 Googlesites binnen anderhalve week
'Sprakeloos', in advertentietermen heet dat: 'Reeds 25.000 exemplaren verkocht!'
Het leed van de aftakeling, de ontmenselijking, het bizarre einde - het is verweven met de
jeugdherinneringen in het Vlaamse Sint-Niklaas, onherstelbaar veranderd verleden, script van een
aflevering Andere tijden die je met instemming en vochtige ogen beleeft.
Ik zal dat met twee citaten staven, een tragi-komische anekdote en een dramatisch
eindebericht. Dat
moet volstaan, ten eerste omdat mijn stukjes sowieso wat korter moeten, maar vooral
toch omdat de woordenvloed aan Lanoye is - en die wil ik hier zeker niet beconcurreren met mijn
goederentreinzinnen en zinsdeeldeelnevenschikkingen. 'Sprakeloos' is een 360 pagina's dikke
sprankelbox waar 'alles van het leven' in zit, wat in één grote golf naar buiten dartelt zodra je
de klep geopend hebt.
Allereerst het tragi-komische stukje van bladzijde 140 in de roman. Vader zit wegens
zijn 'sloddervoetje' bekneld in de badkuip, moeder kan hem er met haar verouderde
krachten niet uit krijgen. Het water wordt al kouder en kouder. Dan besluit zij resoluut
om 'onze oudste' te bellen:
Een halfuur daarna laat hij zich onder haar toezicht de
kuip uit tillen door zijn oudste zoon. Naakt, beschaamd,
tot kind gereduceerd door wie hij nog de papfles heeft
gegeven, door wie hij nog eigenhandig een propere luier
heeft omgedaan, onder hun eikenhouten tafelblad, in
hun voorlopige hemelbed, luisterend naar de nachtelijke
stilte, vrezend voor vliegende bommen. Hij laat zich
door hem een grote handdoek omslaan en droogwrij-
ven, zoals hij dat zelf heeft gedaan bij elk van zijn vijf
spruiten - toen ze nog klein genoeg waren gooide hij
ze, van kop tot teen in hun handdoek gewikkeld, over
zijn schouder als waren ze een pas geleverd varkens-
kwartier, en hij stapte er tot hun joelend afgrijzen de
winkel mee in, om aan geamuseerde klanten te vragen
of ze geen mals koteletje wilden, 'verser bestaat niet!',
waarna hij hun bips ontblootte om er met zijn vlakke
hand liefdevol op te slaan dat het kletste.
En dan tot slot een stukje uit de laatste boekpagina's, het dramatische maar ook
manhaftige en programmatische slot. De zoon zit aan het sterfbed van zijn moeder,
en ziet hoe een verpleegster:
uit de zak van haar schort
twee latex handschoentjes tevoorschijn haalt. Ze trekt ze rou-
tineus aan. Even kijkt ze weer naar mij, in dubio. Dan
doet ze toch haar werk. Ze wurmt twee vingers van
haar ene hand behoedzaam tussen de onder- en bovenkaak
van de patiënt en spert ze open. Met de wijsvinger van
haar andere hand bevrijdt ze, uit de plek waaruit de taal
kwam die ik heb geleerd, alleen nog een paar slijmen en
wrijft die af aan een tissue. En daar en dan heb ik me-
zelf gezworen dat ik voortaan, van nu af aan, één roe-
ping heb, één doel, één godverloren zelfgekozen plicht,
omdat ik weinig anders kan, niets anders heb geleerd en
nergens anders in geloof. Dat ik, wanneer en waar ik er
de kans toe zie, de stilte zal bestrijden met mijn stem, de
leegte zal proberen te betwisten met mijn woord, al het
beschikbare papier ter wereld zal proberen te bevechten
met mijn taal. Laat dat mijn rebellie zijn, mijn revolte,
tegen slijm, tegen gereutel. Laat me minstens dit als muiterij.'
'Sprakeloos' is een absoluut liefdevol en eerlijk moederportret ('Als ons Joséeke
zich iets voorneemt? Ga dan maar uit de weg.'), familieportret,
zelfportret, dorpsportret. Tom Lanoye heeft er misschien wat veel woorden voor nodig,
maar hij is dan ook van de school die het exuberante niet schuwt: 'Waarom iets
in één woord gezegd als je er wel twee, drie, vier goeie voor bij de hand hebt?' Zelf hou ik
wel van die school, van dat exuberante, dat preciserende... In tegenstelling tot
sommige critici vind ik 'Sprakeloos' geen woord te dik. - Maar als ik dan toch iets
te mekkeren heb, dan betreft dat het stofomslag. Wat een spuuglelijke, modieuze,
aanstellerige letter heeft Dooreman (Gent) daar toegepast! Het moederportretje
wordt er bijkans door verpletterd..., en om háár gaat het toch, is 't niet?
Ik ben toe aan m'n vierwekelijkse knipbeurt bij KapSalon KnipKunst. Voor ik erheen fiets
constateer ik thuis nog even in de spiegel dat m'n pruik inderdaad niet meer om aan te zien is.
En dat ik - om met m'n moeder zaliger te spreken - 'duidelijk met het geld voor de kapper
op zak loop'.
Na afloop van de knipsessie ligt er een minuuscuul klein waaiertje zilverkleurige flintertjes
op de kappersvloer, voelt m'n kop volkomen leeggewaaid aan, en is m'n inzicht in het dorpse
kappersleven weer danig vergroot.
RITUELEN
- U kunt plaatsnemen, meneer B.
- Dankjewel, Lidewij. Maar we hadden toch afgesproken dat dat 'meneer'
weg kon blijven? Of was dat met Helena?
- Helena? Ja, met Helena ook. Maar ik voel me er bij nader inzien toch niet zo prettig bij, meneer
B. Maar als het u stoort... - Niet te strak zo, in de hals?
- Absoluut niet. - En nee, je moet vooral doen waar je je wél prettig bij voelt. En zal ik
jou dan maar 'u' noemen?
- Vindt u Lidewij geen mooie naam dan?
- Lidewij is een prachtige naam, Lidewij. Dus als het jou om het even is, zeg ik gewoon Lidewij.
- Daar voel ik me het prettigste bij, meneer B. - Zegt u het 's, kort maar weer?
- Ja, bovenop met de kam. En goed kort van achter en opzij, maar dan graag één millimetertje
langer dan de zomercoupe.
- Kamdik dus overal. En de zijbovenkanten nóg ietsje langer laten, hier, de corona?
- Graag ja, anders wordt het zo'n eitje, niet, dat hoofd van mij?
- Maar niet echt een blokheadje, toch?
- Nounee, mooi afronden juist, zo'n beetje tussen een eitje en een blokheadje in, zeg maar... - Als
ik nou nog háár had voor een blokhead...
VROEGER, JA VROEGER...
- Dat is waar ook. Helena zei laatst dat u nog 's een foto mee zou brengen met lang haar. Die zou ik ook
wel 's willen zien. Dus als u...
- Pak die grote plastic tas daar 's even, onder de kapstok. Daar zitten foto's in, want ik dacht
dat Helena er vandaag zou zijn, ingelijste foto's. - Kijk, uit 1980 en 1990. Dat is even different koek, niet?
- Bent ú dat? En dan is dat mevrouw B., die ik vanmorgen nog geknipt heb? En dan
die kleren, net foto's van mijn opa en oma, als ik niet te brutaal ben. - Ja, toen had u nog een
flinke bos, zeg! En anders uw vrouw wel. Daar begin ik met een tondeuse niks tegen. - Maar wel
mooi niet? Ik vind ze wel...
- Ja, ik vind het zelf ook wel leuke foto's, al zeg ik het zelf. En het was de tijd, he. Iedereen droeg
toen lang haar. En grote brillen, wat een lelijke grote brillen, vind je niet?
- Onee, ik vind die brillen juist wel leuk, en dan dat gekleurde glas, vetcool als je het mij vraagt.
- Jammer dat Helena ze nu niet kan zien. Is ze d'r niet?
- Nee, die is overwerkdagen aan het opmaken. Het is nu de slappe tijd. En ze worden toch niet uitbetaald.
Dus... - bakkebaarden korten, of helemaal d'raf? - Dus...
- Helemaal d'raf graag.
- ...dan kun je ze net zo goed maar opmaken als het kan. Ik heb zelf nog vijf weken overwerk staan, en...
- En wiek je straks ook de wenkbrauwen nog even kort?
- ...en geen tijd om ze op te nemen. Nee, die krijg ik natuurlijk nooit meer op. Ach, we
zien wel. Wat zei u nou?
DE BEROEPSPRAKTIJK
- Wiek je m'n wenkbrauwen straks ook nog even kort?
- Wiekkorten, haha. Ik dacht dat ik u niet goed verstaan had. Wiekkorten, die is leuk. Die ga
ik onthouden.
- Maar mag je die overwerkdagen meenemen naar het volgende jaar?
- Ja, gelukkig wel. Omdat ze ze anders moeten uitbetalen, he. En daar hebben ze
hier geen zin in hoor. - Even m'n nek masseren, 'n ogenblikje.
- Ja, jullie stáán natuurlijk wél de hele dag. En dan krijg je pijn in je nek. Zijn jullie niet een
van de zware beroepen?
- En in je schouders. En in je rug. En in je heupen. Ja, ik ben al heel wat keren naar de buren
hiernaast geweest, de fysio's op nummer 10. En die zeggen dan altijd: maar je stáát ook verkeerd.
Je moet zó staan, met je kin naar voren, rechte rug, en iets door je knieën
zakken. - Die mensen hebben mooi praten, die kennen de praktijk van ons werk niet.
Want je kunt wel zó gaan staan (volgt unieke demonstratie van hoe het zou moeten), maar binnen een
minuut sta je dan toch weer zó (volgt een tweede demonstratie, met de kin naar
de borst en licht gekromde rug, en niks door de knieën, écht niet). En dan moet je ook
nog met de klant in de
spiegel praten. - Vindt u het van achteren kort genoeg zo?
- Klasse, Lidewij. - Een van de zware beroepen, dat hebben jullie. Dan hoef je dus maar
tot je vijfenzestigste te werken.
- Hebt u wel eens een kapster van boven de vijftig gezien? Nee hoor, dat halen wij niet. Of
je moet natuurlijk een eigen zaak beginnen, en dan lekker zelf de administratie gaan zitten
doen. En allemaal jonge meisjes van rond de twintig in je zaak laten werken. - Beetje gel erin?
- Neenee, geen gel. Blaas die kleine haartjes er maar even uit, dan vind ik het allang mooi. - Janee,
maar ik begin toch wel een beetje met jullie mee te voelen, zeg, een echt zwaar beroep. Kun je
die overwerkdagen niet blijven oppotten, en er dan eerder mee ophouden?
- Maar meneer B. Ik ben koud achtentwintig hoor. Ik heb er nog steeds hartstikke veel zin in, en ik ga
u nog heel wat keren knippen hoor, met uw korte grijze stekeltjes en kale kruintjes. - Zo, dat was
het voor deze keer, bent u tevreden?
- Meer dan dat. - Kan ik pinnen? En waar is de vakantiepot?
Gesterkt en dankbaar kijk ik thuis tenslotte in m'n eigen spiegel
wat er van m'n grijze eitje geworden is. 'Het groeit wel weer aan, B.,' is het bemoedigende
commentaar van mevrouw B. achter me. Ik heb daar zo m'n twijfels over, maar fluitend steek ik m'n
kop onder de kraan om de achtergebleven kriebelhaartjes weg te wassen.
En bij de computer heb ik de bundel Snikken en grimlachjes van Piet Paaltjens al
klaargelegd, bladzijde 27, 'Immortellen' nummer LX, zo ongeveer
het enige gedicht over een kapper dat ik ken. Maar het ligt er toch vooral vanwege die laatste
strofe: Paaltjens eigen beroepspijn. Dus vijfenzestig is híj lang niet geworden, dit
zwaarmoedige type...
TOEN KNAAP MIJ DE LAATSTE MAAL KNIPTE
Toen Knaap mij de laatste maal knipte,
Was hij aangedaan onder zijn werk.
'Wat wordt u al grijs!' sprak hij somber,
'Ik vrees, u studeert te sterk.'
En Jongmans, toen hij gistren
De maat voor een pantalon nam,
Keek van mijn magerheid zóó op,
Dat ik dacht, dat hem iets overkwam.
Vater Muller ontzei me zijn tafel.
Ze verliep anders helemaal.
Mijn holle kaak deed de lui denken,
Het eten was bij hem zoo schraal.
En mijn oppasser heeft zelfs den ploert al
Een goed woord voor een draagplaats verzocht,
Als soms mijnheers begraafnis
Te Leiden plaats hebben mocht.
Maar wie er ook zien en beweenen,
Dat ik zoo jong moet vergaan,
Niet hare grijsblauwe oogjes,
En die hebben 't mij juist gedaan.
BOSLAAN
Na goed drie uur openbaar vervoer verlieten we Station Roermond, en misten door eigen getreuzel de
aansluitende bus naar Vlodrop, gemeente Roerdaelen. Een halfuur tijd dus voor een kopje koffie.
'Gewone koffie?' vroeg de
serveerster nog. 'Gewone koffie!' Maar... 'gewone koffie' blijkt in Nederlandse stationsrestauraties
tegenwoordig van schier onlesbaar Amerikaanse grootte en prijs te zijn, zo ook in Roermond.
(Dus: als je echt een 'gewone kop koffie' wilt, moet je uitdrukkelijk 'een kleintje
koffie' bestellen, dat u het weet!) - Enfin, het beoogde Bos-hotel bleek ook nog eens een
halfuur gaans van de dichtstbijzijnde bushalte te liggen. Voor de ware voetreiziger geen
bezwaar natuurlijk, die komt overal, en zeult geen koffer. Maar een minpuntje voor
het hotel, meende ik. Dat laatste leverde me een lichte schrobbering van mevrouw B. op: 'We
komen hier toch om te wandelen?' - Maar ik zag daar zelf geen tegenstrijdigheid in.
Ruim voor donker checkten wij in, wentelden ons in de luxe kamer, en wilden toen ook
nog even de omgeving gaan
verkennen. Dat werd ons beleefd en beslist afgeraden: 'Dit hotel ligt aan de Boslaan, meneer. Die is
onverlicht en doodlopend, heeft geen stoep of fietspad, maar wel auto's, wilde zwijnen en
dreigende wolken. Bent u levensmoe of wát?' ('Of wát?', ja, zo zeggen ze dat daar,
Midden-Limburg tenslotte... Weer eens wat anders, wát?)
Tot morgen wachten dan maar voor ons eerste tochtje in het 'Nationaal Park
De Meinweg'.
VLODROP STATION
Thuis hadden we op de kaart al gezien dat er diverse fraaie paaltjeswandelingen aan
de Boslaan ontspringen: de St.-Ludwig-route bijvoorbeeld (met blauwe koppen), en de
Hooibaan-route (rode mutsen). Tevens is het er een dorado van fietsknooppunten,
dat onvolprezen wegwijssysteem voor fietsers en wandelaars, die eigen
Tomtom-in-het-platte-vlak voor het langzame verkeer, geniaal van eenvoud, onmisbaar
van uitvoering. Zodoende begonnen wij natuurlijk aan een eigen optie tussen
rood en blauw, richting Vlodrop Station.
Nou weet elke OV-reiziger dat Vlodrop helemaal geen station heeft, dus dat
'Vlodrop' en dat 'Station' zijn slechts een magisch-realistische combinatie. De
historische naam 'Vlodrop Station'
vind je op de kaart ergens halverwege de plaatsjes Rothenbach en Dalheim. In de
werkelijkheid van het Limburgse landschap blijkt Vlodrop Station een rijtje witte
huisjes langs de doodlopende Boslaan, in de omgeving van wat eens een
niet-overwoekerde spoorlijn
was tussen Antwerpen en Roergebied (De IJzeren Rijn), en vlak voor de
toegangsweg naar de Maharishi European
Research University - het vroegere
Franciscaner Klooster, dat in alle opzichten op instorten staat. De Maharishi
geloofde er zelf kennelijk ook niet meer in, want hij vlood vorig jaar op zijn eenennegentigste
hemelwaarts, of elders heen - de leer en de bedoelingen van de Maharishi Mahesh Yogi ken ik
niet bijzonder goed, want geen Research University gedaan, wát!
SINT-LUDWIG
De blauwe paaltjes leidden ons via de wonderschone herfstnatuur en een grote boog om
de University heen, behalve ter hoogte van de vrijstaande KloosterKapel (met
hoofdletters, jawel) die
uitdrukkelijk binnen de paaltjes valt. Die kapel is tegenwoordig van
Staatsbosbeheer, vandaar, net als het aanpalende kerkhof. Daar liggen nog de
gestorven monniken en leerlingen van wat ooit het Klooster en
Opleidingsinstituut Sint-Ludwig was - strakke rijen goed onderhouden graven,
aantrekkelijke dodenakker, hemeltergende aanklacht tegen de verwaarlozing
van het Ludwig-complex door de Yogi-yogi's.
Begin- en eindpunt van de blauwe-paaltjesroute is een halfverharde parkeerplaats
met café en hotel. Beide uiteraard naar St.-Ludwig geheten, en eveneens in
treurig stemmende staat. Niettemin wilden wij zo tegen twaalven wel een kleintje
koffie van het café.
Het bordje GEOPEND hing voor, de uitbater zat aan het raam de krant
te lezen, en natuurlijk zat de schuif aan de binnenkant er nog op. De man schrok op,
liet ons in, en serveerde koffie die volkomen bij het interieur paste: waterig als
de jaren vijftig, lullig van tafelkleedjes, lambrizering en behang koffiebruin,
een onbestemde geur om te snijden, en 'mijn vrouw is er even niet,
dus geen soep', alles volkomen gedekt door het raambordje 'De koffie
is bruin' en de prietpraat van meneer oubol. - 'Dat is dan drie euro zestig.' Zelden
heb ik me zo bekocht gevoeld.
INTERMEZZO
'De adder is het symbool van NP De Meinweg.' Er moeten zo'n vierhonderd van die gifslangen
in het NP te vinden zijn. ('De meest typerende kenmerken van de adder
zijn,' in de eigen woorden van de NP-site, 'rode ogen met een verticale spleetvormige
pupil en een duidelijke zigzagstreep die over de gehele rug loopt. De volwassen
dieren kunnen wel vijfenzeventig centimeter lang worden.') Maar op onze wandelingen langs blauwe en
roodgekopte paaltjes zijn wij geen slangen tegengekomen. (Logisch, want: 'De meeste
kans om een adder te zien maakt u op een zonnige dag in het voorjaar, als de dieren
na hun lange winterslaap weer zonnewarmte nodig hebben.') - Allemaal aardige en nuttige
informatie, daar niet van, maar waarom is de slang nou het symbool van De Meinweg? Ik
heb het nergens kunnen vinden. Maar...
wij zijn dan ook (nog) niet in het Bezoekerscentrum De Meinweg in Herkenbosch geweest.
Dat schijnt zeer de moeite waard te zijn. Maar...
wij gaan er pas heen als het LAW-boekje Streekpad 10,
Maas-Swalm-Nette-pad, Midden-Limburg, 218 km weer verkrijgbaar is. Dat boekje is al
tijden in herdruk, onbestelbaar, en de site (www.wandelnet.nl) vertelt nergens wanneer
het weer beschikbaar komt. Stuurt u hierover ook even een vraag naar de Stichting
Wandelplatform-LAW? E-mail: slaw@wandelnet.nl. Dankuwel, dat zal ze helpen.
OPENBAAR VERVOER
In de trein terug sprak een Engelstalig meisje me aan. Of ik haar kon helpen. Met
een Nederlandstalige uitdraai van haar reisschema. Van Roermond naar Arnhem. Via een overstap
in Nijmegen. 'Maar nu, hier, kijk, ook nog eens met een bus van hoe heet dit, Blerick?... naar
Venray? Dit is toch een trein?' - Tja, afwijkinkje van de dienstregeling, he, wegens werkzaamheden
aan het spoor, ziet u. - 'Is dat normaal?' - Ja, op het spoor in Nederland is dit normaal. Altijd zijn
ergens wel werkzaamheden aan het spoor, zeker in het weekend. En dan moet je tussendoor
met de bus. En dat kost een half uur extra reistijd. - Het meisje zuchtte eens diep, en
liep met ons mee naar de gereedstaande (ja, dat wel) NS-bus. Ze keek op haar horloge,
diepte een mobieltje op uit haar tas, en zuchtte nog eens diep.
Ach, had zij het Nederlands beheerst, en weet gehad van Jan van Nijlen, de dichter,
voorwaar, ze zou misschien wel opgetogen geweest zijn, niets te zuchten gehad hebben,
haar valies geopend hebben, en gelezen hebben: 'En arriveert de trein in een vreemdsoortig
oord, / waarvan ge in uw bestaan de naam nooit hebt gehoord, // dan is het doel bereikt, dan
leert gij eerst wat reizen / betekent voor de dolaards en de ware wijzen...' - Voor u, lezer van de
Balthasarsblog, nog maar eens het hele gedicht.
BERICHT AAN DE REIZIGERS
Bestijg de trein nooit zonder uw valies met dromen,
dan vindt ge in elke stad behoorlijk onderkomen.
Zit rustig en geduldig naast het open raam:
gij zijt een reiziger en niemand kent uw naam.
Zoek in 't verleden weer uw frisse kinderogen,
kijk nonchalant en scherp, droomrig en opgetogen.
Al wat ge groeien ziet op 't zwarte voorjaarsland,
wees overtuigd: het werd alleen voor u geplant.
Laat handelsreizigers over de filmcensuur
hun woordje zeggen: God glimlacht en kiest zijn uur.
Groet minzaam de stationschefs achter hun groene hekken,
want zonder hun signaal zou nooit één trein vertrekken.
En als de trein niet voort wil, zeer ten detrimente
van uwe lust en hoop en zuurbetaalde centen,
blijf kalm en open uw valies; put uit zijn voorraad
en ge ondervindt dat nooit een enkel uur te loor gaat.
En arriveert de trein in een vreemdsoortig oord,
waarvan ge in uw bestaan de naam nooit hebt gehoord,
dan is het doel bereikt, dan leert gij eerst wat reizen
betekent voor de dolaards en de ware wijzen...
Wees vooral niet verbaasd dat, langs gewone bomen,
een doodgewone trein u voert naar 't hart van Rome.
Afgelopen week begroef ik A. de H., bijna-vierentachtigjarige oom aan mevrouw B.'s familiekant.
Herhaald moment van bezinning, tijd voor reflexie, even stilstaan. De start lag in de koffiekamer van het
crematorium, after all een hele mooie plek voor 'jammer', 'dank', 'berust' en 'hoe nu
verder?'. Intussen verschuilen hier pal tegenover me zo'n tien mussen zich in onze
laurierhaag. Ook zo'n afnemende familie, die mussen, gelijk de Balthasars.
Enfin, tijd voor een stand van zaken dus, een familie(zelf)portret, van Balthasar, en de zijnen. Als u niet
gecharmeerd bent van dit soort openhartigheden, even goeie vrienden (ik kan me er wel
iets bij voorstellen, ik heb deze blog óók een nachtje 'over laten staan'), dan leest u toch
gewoon alleen de twee gedichten. Want die zijn alleszins autonoom, klassiek zeg maar, van de hand
van Gerrit Kouwenaar immers, en allebei afkomstig uit de prachtbundel 'totaal witte kamer'
(Querido, 2002). A propos: die Kouwenaar is inmiddels ook alweer 86 hoor! Sommige experimentelen
gáán maar niet over, maar door - gelukkig. Nu wíj nog, de Balthasars. Ik zou bijvoorbeeld wel
het volgende gedicht willen zijn, een zomer van bladgoud, stilstaan in gras:
A HAPPY CHILDHOOD
Vergeet je wel eens je vaders klok op te winden?
ja, ik vergeet wel eens mijn vaders tijd te vergeten
draag je wel eens een strohoed een ooglap een vadermoorder?
nee, ik draag een gedicht op, een zomer van bladgoud
schrijf je wel eens de laatste lippen om te verwoorden?
ja, ik ontcijfer een kus van bemodderde rozen
loop je wel eens door gras dat nodig gemaaid moet?
nee, ik sta stil in gras dat niemand gezaaid heeft -
MOMENTOPNAME
* Balthasar: gezaaid in 1939, geboren op 6 januari 1940, de laatste onschuldige Driekoningenavond.
Bijna zeventig jaar geleden nu. Dank daarvoor.
* Grootouders: allevier geboren in de negentiende eeuw, allen overleden in de twintigste
eeuw, de generatie van de grensgevallen. Twee van de vier heb ik gekend, geen sympathieën,
geen antipathieën, geen portretten of photografieën in huis, nul aaibare herinneringen.
Markantste voorvader: Opa Malta (zie Balthasarsblog dd. 24 augustus 2009). - Voorbij,
voorbij, o en voorgoed voorbij.
* Ouders: geboren op de scheidslijn van negentiende en twintigste eeuw, overleden
in resp. 1980 en 1981. Dertien kinderen, van wie B. de tiende was, een koninklijk getal, akkoord,
maar verder geen pretenties. Hardwerkende, liefhebbende mensen, die een onvoorstelbare,
onherhaalbare 'klus' geklaard hebben. Logisch dat hun blik alleen naar binnen ging. Met
het ontvangen van hun eerste AOW gingen de poorten van de hemelen open. Maar
katholiek totterdood, dat dan weer wel. En al met al: veel helaasheid der dingen, en de
doodskist als middel van bestaan. Zitten minimaal twee dichtbundels in. De eerste
heette: Lijkkisten en betimmeringen (1973). Nu die tweede nog, B., hup!
* Schoonouders: zo'n tien à 15 jaar jonger dan de Balthasars, zo'n tien à 15 jaar
later overleden. Altijd gastvrij, altijd dorps gebleven, het washuis als familieknooppunt.
De filmische registratie van hun gouden bruiloft vormt een prima uitgangspunt voor een familiekroniek.
Titelsuggestie: Eeuwige Warmte. - Nu nog een schrijver.
* Eigen broers en zussen: van de dertien zijn er nu vier overleden, niet per se de oudsten. Sterker
nog, ze worden steeds jonger in vergelijking met de overlevenden. Ikzelf ben nu bijvoorbeeld
al ouder dan drie van hen geworden zijn, niks om trots op te zijn, en je positie in het gezin
verandert er niet wezenlijk door. De oudste telg is momenteel
81, het jongste 62, onlangs vierden we een vijfde gouden bruiloft, drie scheidingen
lijkt me aan de gemiddelde kant, verjaardagen worden uitsluitend nog in de middag geconsumeerd.
Het medicijngebruik volgt de lijn der statistieken, de overlevingskansen nemen navenant af.
Maar geen van de timmerbroers die nog lijkkisten maakt.
* Schoonbroers en -zussen: in alle soorten en maten, en met allemaal op goede
tot zeer goede voet, is dat evenwichtskunst of is dat levenskunst?! Dat is overlevingskunst, en
van alle kanten een flinke portie geluk natuurlijk, toeval, survival. Alles conform de evolutietheorie
van Darwin in de praktijk. Onze praktijk, ónze evolutie. En ik doe het ermee, graag. - Dus we lachen
allemaal naar het vogeltje van de familiefotograaf.
* Kinderen en schoonkinderen, jaaa mijn kinderen en schoonkinderen!: ik heb ze lief,
lief, lief, lief (vier keer lief). Daar gaat het om, toch? Niettemin zou het eerlijk zijn van Het Leven als ze
allevier wat meer Geluk toebedeeld kregen. Ja, daarvan hoop ik Het Leven nog eens te kunnen overtuigen.
Een gebed zonder end? Ik mag hopen van niet.
* Hartjes - B. en mevrouw B. - Hartjes. Ik bedoel natuurlijk: Het Grote Geluk, midden in
dit portret. De rest mag buiten uw waarneming blijven.
* En intussen valt de avond. De lampen gaan op, en hiernaast blaft de hond. Het bezoek
is naar huis, en ik kijk nog eens goed naar dit portret. Mijn oog blijft aan mijn vader haken, de
lijkkistenmaker is nog altijd aan het werk, ook na zijn dood, hij rookt nog steeds zijn sigaar, eert zijn
familie, en ik moet zijn gedicht nog schrijven. Mijn vader reed zijn kisten met de handkar naar het
mortuarium, onder een dekzeil dat wel, zijn mantel der liefde. Op zijn eenenzestigste was
hij uitgereden, toen hij 81 was stierf hij. Dat moet beter kunnen, mag ik graag denken. Ja, ik moet
het nodig eens gaan dichten. - En oja, die Kouwenaar, die werkt ook nog steeds hoor, wat
ik al zei, een wel héél sterk voorbeeld. Lees maar, er staat wat er staat:
DUS VREDIG DE AVOND
Terwijl het laatste gedicht het tijdstip verteert
staat de maker geledigd op van zijn tafel
hij reinigt zijn vleesmes en kijkt uit het raam
op de sierbestrating zieltogen de bladeren
verlost van hun zomer, de windengel hurkt
in het eeuwige onkruid en wacht tot er tijd is
dus vredig de avond vol afscheid en oorlog
wereld waarheid en liefde behelzen onkwetsbaar
hun ijzeren letters
nu nog iets eetbaars, bloedbeuling witbrood
dan eindelijk slapen, zwart is de mode -
Zondag 4 oktober 2009 was een bijzondere dag. Niet omdat het
werelddierendag was, dat is mij eerlijk gezegd doorgaans worst, een commerciële
truc. Maar! Het was dit jaar een uitzonderlijke dierendag: Theo Jansen
zou naar Zutphen komen om een voordracht te geven over zijn strandbeesten. En
wel op het huiskamerfestival van Zutphen. Op grond van foto's, krantenartikelen, columns
en hearsay wilde ik die beesten en Theo nu wel eens in the flesh ontmoeten. En anders
mevrouw B. wel! Kaartjes voor het festival zaten vroegtijdig in onze knip, met 'Theo
Jansen en zijn strandbeesten' als vierde voorstelling.
[ Terzijde nog even dit: wat is een huiskamerfestival? Uit eigen ervaring ken ik alleen het
huiskamerfestival Gast in Zutphen: 'kunst en cultuur
in zijn intiemste vorm, op de mooiste locaties van Zutphen'. Tja, zo staat het in de
wervingsfolder (sterker, ik schrijf die folder nog even verder over): 'Gast in Zutphen
staat voor dans, theater, muziek en poëzie in kleine vorm. Via intieme optredens in
huiskamers, torens, kelders en schepen maak je op een originele manier kennis
met talentvolle kunstenaars in de breedste zin van het woord. Tegelijk ontdek je
de mooiste plekjes van de oude Zutphense binnenstad.' ]
De drie andere voorstellingen waren charmant (Fabiane Dammers), imponerend
(Sean Bergin & Rogério Bicudo), hilarisch (Theatergroep Flint), maar
'Theo Jansen en zijn strandbeesten' was kunst en cultuur in opperste vorm,
het Luxor-theater de middeleeuwse prachtlocatie. En de belangstelling was totaal.
Zo. Bekijk nu eerst even een YouTube-filmpje. Weten we waar (en over wíe) we het
hebben. Klik hier: Strandbeesten.
Wonderlijk, niet? Meesterlijk, niet? Onbegrijpelijk, niet? Maar GEWELDIG, toch? Nog niet
overtuigd? Kijk dan nog even naar de volgende filmpjes: Meer strandbeesten Nu mét BTW-reclame! Dat ene beest nóg een keer!
Let wel: Theo Jansen (1948) heeft alles van a tot z, evolutionair selectief, bedacht, beproefd, ontwikkeld. Zijn
basismateriaal (het 'eiwit') is de pvc-buis, de verbindingsmiddelen zijn tie-wraps, de
bewegingsenergie is wind. Theo zelf was en is 'De Grote Fantast', een God in het diepst van
zijn gedachten.
Sinds 1990 is hij druk bezig met het maken van nieuwe vormen van leven:
zijn strandbeesten. De evolutie van de strandbeesten strekt zich uit over vele generaties, tot ze
uiteindelijk in staat waren om de stormen en het water van de zee te overleven. Uiteindelijk wil hij
deze beesten in kuddes uitzetten op de stranden. Door op deze manier 'de schepping over te doen',
hoopt hij wijzer te worden wat betreft de bestaande natuur. 'Je ontmoet namelijk dezelfde problemen
als de echte schepper,' zegt hij in het boek De Grote Fantast. Daarin verhaalt TJ over zijn
ervaringen als God: 'Het is niet gemakkelijk om God te zijn, je krijgt veel teleurstellingen
te verwerken. Maar de weinige keren dat iets werkt, ben je als God zeer gelukkig.'
Op het toneel van filmhuis Luxor stond Theo niettemin als een enthousiast mens van vlees
en bloed zijn ideeën te spuien en te demonstreren. Soms met behulp van een vrijwilliger.
En buiten, op de Houtmarkt, liep het beest, de Animaris Ordis, in de wind, 2 x 3,5 meter groot,
en geen grein verstand.
Na afloop van het Huiskamerfestival stond daar de auto van Theo, met op het dak de in
zichzelf gekeerde Animaris Ordis. Hij lag op z'n rug, in volmaakte overgave, verstild als een
gestorven ezel, de poten wijd in de lucht. God was even een pilsje drinken in Galerie De
Leesbibliotheek.
En ontmoette daar de God van de Tachtigers, Willem Kloos, die in zijn Manifest de kunst nog
beschreven had als 'de allerindividueelste expressie van de allerindividueelste emotie'. Dat is niet
per se hetzelfde als 'je hersenen gebruiken' probeerde Theo Jansen hem duidelijk te maken.
Maar Kloos troefde hem af met zijn beroemdste gedicht: Ik ben een God in het diepst
van mijn gedachten. De heren werden het niet eens. En namen er nog een.
Oja, het boek De Grote Fantast bestaat uit 240 rijk geïllustreerde pagina's en bevat
tevens de DVD 'Works of Art by Theo Jansen'. Prijs: € 39.50 plus verzendkosten, bij 010
Uitgeverij. ISBN 978 90 64506 49 3. Binnenkort nog iemand jarig? God misschien?
IK BEN EEN GOD
Ik ben een God in 't diepst van mijn gedachten,
En zit in 't binnenst van mijn ziel ten troon
Over mij zelf en 't al, naar rijksgeboôn
Van eigen strijd en zege, uit eigen krachten.
En als een heir van donkerwilde machten
Joelt aan mij op en valt terug, gevloôn
Voor 't heffen van mijn hand en heldere kroon:
Ik ben een God in 't diepst van mijn gedachten.
- En tóch, zo eindloos smacht ik soms om rond
Úw overdierb're leên den arm te slaan,
En, luid uitsnikkende, met al mijn gloed
En trots en kalme glorie te vergaan
Op úwe lippen in een wilden vloed
Van kussen, waar 'k niet langer woorden vond.
De 'jaarlijkse familiedag' bestelde ons deze keer aan camping De Hoef in het idyllische
plaatsje R., Meijerij, Noord-Brabant. Vanaf deze 'uitgekiende' plaats zouden we een rondje
'groen Brabant' gaan doen. 'Mede te brengen: een rijklare fiets (banden opgepompt, ketting
gesmeerd), regenkleding en 2 plastic boterhamzakjes.'
Drie mysterieuze natuurfoto's begeleidden de uitnodiging. Om acht uur in de mistige ochtend
van zaterdag 26 september fietsten wij richting station Z., en namen de volle trein naar het zuiden.
Het toilet was weer eens 'buiten dienst', het weekend-cryptogram aan de pittige kant. Maar
verder alles kits, niks aan het handje, beloftevol. Veertien uur later keerden wij 'moe doch voldaan' (het 'en
gewapend met een rol rang' is onlangs door mevrouw B. afgeschaft, 'nee zeg, rang heeft hét
niet meer, hoor') huiswaarts. En
konden wij een topdag bijschrijven in de annalen van de familie O., slechts één lekke band op
elf maal veertig kilometer, de koppen bijgebruind in een dartele herfstzon, de familiebanden
herbevestigd als een kabinetsbesluit uit 2007. De '2 plastic boterhamzakjes' bleven ongebruikt.
'Happen en stappen' wordt het wel genoemd, en vast ook nog wel anders: je fietst een stukje
voorgeprogrammeerd groen-van-de-foto's, legt aan bij een besteld café of
kegelcomplex, doet daar een spelletje en een plasje, nuttigt een hapje en een drankje, en voort
maar weer voor fase twee. En zo een keer of vier vijf, tot je met een warm hoofd en een
volle buik terug bent bij het uitgangspunt. Aldaar nog een onverplicht spiegelspelletje,
een ijzig toetje of ander afzakkertje, en rónd is de familiedag: 'geweldig, de mooiste fietstocht
ooit', 'en zo ontspannen allemaal', 'dat weer, dat was in één woord toch fan-tas-tisch, niet!',
'jullie mogen het volgend jaar weer organiseren!', 'wel thuis' en 'bedankt voor alles, he'. -
In de trein naar huis word ik wakker van het slome reistempo: 'Dames en heren, door een
computerstoring zijn tussen A. en V. alle overwegbomen geblokkeerd. U begrijpt dat we
elke overweg met grote omzichtigheid moeten benaderen. Daardoor zullen we een
kwartier te laat in Z. arriveren. Onze excuses daarvoor.' Kunnen we mooi het cryptogram
nog even afmaken. 'Geld voorschieten. Zes letters, tweede letter een e, laatste letter
een s.' Deze laatste opdracht wordt niet op tijd gevonden.
Een van de pleisterplaatsen in onze hap-stap-fiets-route is Olland, een plaatsnaam die
zich niet zonder slag of stoot door de kale letter 'O' laat vervangen. Zeker nu niet, eind
september. Want meteen al bij binnenkomst in het dorp schreeuwt een groot
reclamebord: Olland Kermis 2009 - Met feestrockband Lekke Band - Met
het duo Two For You - En op 28 en 29 september met DJ Rompa - Alles in Café d'n
Toel, Pastoor Smitsstraat 4 - Grote Feesttent op het Evenemententerrein naast
Café d'n Toel - Toegang gratis!!!
In de 'kleine lettertjes' is nog veel meer informatie te vinden, bijvoorbeeld dat er een treintje naar
Liempde en Boskant rijdt, dat Café D'N Toel (nu met kapitale D'N!) helemaal losgaat met de
liveband Tilt, en dat op maandag de middag begint met 'Toep - Thé - Toel', gezellig
toepen om leuke prijzen.
Uitgerekend in dát café moeten wij volgens de afspraken aanleggen. Voor een drankje, een
pasteitje en een spelletje dart. De combinatie Happen-en-Stappen wringt deze zaterdag enigszins met Olland
Kermis, zoals u begrijpt. Het dartspel is op zolder weggeborgen, het biljart afgetimmerd, de glazen 'op last
van de overheid vervangen door plastic', het is een en al gezellige rommeligheid op het terras van
feestcafé D'N Toel. De plastic bekers verschuimen de Blonde Leffe als waren ze van
scherpgeslepen glas,
een slappe tas thee klettert onder de vrolijke klanken van Sarie Marijs tegen de feestvlakte
(al is volgens de kenners een tas alleen mogelijk met koffie), en als we vertrekken staat
daar naast de www.frietkar.nl die ene fietsband dus lek te wezen. Geinig cadeautje van
Feestrockband Lekke Band? We lachen erom, plakken de band, en halen de verloren tijd in
door een stukje af te snijden. Eén 'mysterieuze natuurfoto' raakt daardoor verweesd, maar aan een boom
zo vol geladen...
Olland is afgeleid van 'onlant', wat 'slechte grond' betekent. Maar dat is historie. Olland is nu
Olland, is de laatste week van september de navel van de wereld, het was een voorrecht om
er een hap-stap-uurtje aan te mogen leggen. Dinsdag 29 september
sluit Olland Kermis af met een Hollandse Avond Met Diverse Bekende Artiesten. Jammer dat
Drs. P. daar deze keer niet bij kan zijn. Anders had hij er vast zijn 'Café-chantant' gezongen. Een
lied waar Olland misschien nog wat van had kunnen opsteken. Geniet u even mee? (Ach, kon ik u mijn
LP ((langspeelplaat)) uit 1965 maar even lenen...)
CAFÉ-CHANTANT
Waar honderden sigaren
De atmosfeer bezwaren
Waar obers bij de pinken
De rekenkunst verminken
Waar dartele komieken
Hun kletsverhaal fabrieken
En waar een nette vrouw
Zich nooit vertonen zou
In het Café-chantant
Café-chantant
Daar krijgt u bij uw wijntje
Een Trijntje en refreintje
In het Café-chantant
Café-chantant
Daar heeft u voor een prik
Den helen avond schik
Waar dames die zich verven
De jongelui verderven
Ofwel met blote kuiten
Onkiese liedjes uiten
Waarbij ze vlijtig spieden
Naar welgestelde lieden
Terwijl het huisorkest
Uw trommelvlies verpest
In het Café-chantant
Café-chantant
Daar geven vrouwen graag lucht
Aan wuftheid en behaagzucht
In het Café-chantant
Café-chantant
Is iedereen verzot
Op kunst en zingenot
Waar hoogbejaarde grappen
De aandacht doen verslappen
Doch benen, hoog geheven
De aandacht doen herleven
Waar poezele contouren
Het kennersoog ontroeren
Waar het geweten zwijgt
En waar de bloeddruk stijgt
In het Café-chantant
Café-chantant
Waar vrouwelijke schoonheid
Tot mannelijk vertoon leidt
In het Café-chantant
Café-chantant
Vergeet men menigmaal
Het nut van de moraal...
20 september 2009 Zaterdagochtend in de boekhandel
Het S-boek
- Het S-boek, dat doe ik niet meer. Studieboeken leveren zegge en schrijve 7% op. Daar
kan geen mens van bestaan!
- Ik dacht dat schoolboeken 25% deden. In mijn tijd...
- Ja, het wetenschappelijke boek, inderdaad. Maar S-boeken, studieboeken of
schoolboeken: 7%. En dan moet je ze nog voorschieten ook. Een gemiddeld scholierenpakket
is al gauw zo'n 300 à 400 euro. En soms betalen ze niet eens! Aanmaningen, incassobureaus,
het helpt allemaal niks. Nee, voor mij geen S-boeken meer. Ik stuur de mensen door naar de grote
schoolboekhandels, die kopen grootschalig in, en hebben dus andere kortingen.
- Tjee, 7%, dat is wel een schijntje zeg. En zeker als je 40% gewend bent, zoals op het literaire boek.
- Inderdaad, maar de kosten die je hebt! Huur, verwarming, electra...
- Daar moet je heel wat boekjes voor verkopen natuurlijk. Maar... - O, help die mevrouw
even aan haar krant. Ik wacht wel even.
Het Hofje
- Twee vijfennegentig kost ie op zaterdag,
mevrouw, de NRC. Met vijf cent, dat maakt drie euro. Tot ziens maar weer, mevrouw. - Waar was ik ook alweer? Oja, en
dan woon ik ook nog hierboven, veel te groot, veel te duur. Maar dat gaat veranderen gelukkig.
- De jackpot?
- In zekere zin. Kijk, ik sta nu drie jaar ingeschreven voor een woning aan Het Hofje. Word ik van de
week gebeld. "Nou, we hebben een woning voor u hoor, in Het Hofje. Komt u vanmiddag even kijken?"
Perplex was ik. Zomaar een woning aangeboden! Klein een beetje, dat wel, okee, maar 600 euro per maand
minder huur! Dat laat ik niet lopen! En m'n vriendin ziet het ook helemaal zitten!
- In Het Hofje? Daar zou ik ook wel willen wonen, binnen een jaar of vijf dan. Hoe kom je in
godsnaam aan zo'n huis?
- Gewoon inschrijven bij de BOG, die gaan daar over. Wacht, ik schrijf de gegevens even voor je op.
Telefoonnummer erbij, altijd handig, niet?
- Kijk, daar heb ik nog eens wat aan: een doortastende boekhandelaar met relaties! Zeer bedankt.
- Geen dank. Daar word ik nou gelukkig van: mensen wat kunnen adviseren, en dat ze dat dan nog
appreciëren ook. Net als in de winkel. Ik wacht altijd tot de mensen míj iets vragen, ik dring
me nooit op, daar moet je heel voorzichtig mee zijn. Ik laat ze zelf maar neuzen, zoveel als ze willen.
- Dat stel ik zelf ook altijd op prijs. Rustig je gang kunnen gaan, zonder dat ze iets van je moeten.
Wereldbrand
- Maar goed, en dan nu waar ik eigenlijk voor kom. "Wereldbrand" van meneer Read. Gaat over
het jaar 1919 met al die heftigheid overal in Europa. Heb je dat boek? Stond gister een groot
artikel over in de NRC.
- Tjee, nee, nooit van gehoord. En toen ik gister de boekenbijlage van de NRC wilde inkijken, kocht
een klant net m'n laatste krant voor m'n neus weg. - 's Even op de computer kijken.
- Anthony Read, zei je? Wereldbrand? Ja, hier heb ik 'm. 1919 en de strijd tegen de
bolsjewieken. Uitgeverij Balans. 22,50. - Goeie tip, ik bestel er meteen ook een van voor de winkel.
Of nee, twee! Dinsdag heb ik 'm in huis. Dus je moet het weekend nog even op je nagels bijten.
- Dat valt wel mee hoor. Ik ben nog met drie andere boeken tegelijk bezig. Te weinig tijd om
te lezen, he.
Wat doe je met al je boeken?
- Oja, heb jij het ook al zo druk dan? Wat doe je eigenlijk als ik vragen mag?
- Ja, gepensioneerd he. Ik ben bijna zeventig hoor. En gotbetert te druk om m'n boeken uit te lezen.
- Bijna zeventig?! Dat meen je niet! Van de week had ik hier ook al zo'n geval. Goeie klant van me,
meen ik, ken ik al tijden. Denk ik dat ie zo ongeveer van mijn leeftijd is, tweeënvijftig ben ik. Wat denk je?
Vierenzeventig meneer!!! Wat is er met de mensen aan de hand tegenwoordig?
- Tja, onze generatie ziet er nou eenmaal een stuk jonger uit dan ze vroeger deden, niet? Ik kan
het ook niet helpen. Maar
zeventig voel ik me totaal niet. Hoewel, soms, al dat tuinwerk, soms dan he, als ik het te
druk heb. Daarom denk ik wel eens aan
wonen op Het Hofje, in de toekomst dan. Lijkt me enig, de hele binnenstad als riante uitbreiding
van je woonkamer erbij, dan heb je misschien geen groot huis nodig.
- Alleen, wat doe je met al je boeken?
- Inderdaad, wat doe je met al je boeken? Ik denk dat ik nog maar even blijf zitten waar ik zit.
- Maar inschrijven kan geen kwaad, toch? Zeker niet als je vijf jaar de tijd hebt.
- Zo is het. En nou wil ik nóg een boek bestellen. De brieven van...
Later wordt alles echter
Hoe het is om geen boeken te hebben, lees ik bij Rien Vroegindeweij. Bladzij 22 in de bundel
'Later wordt alles echter' - ik schreef daar enkele weken geleden al eens over. Bladzij 22
dus, met het gedicht 'Boek'. Uiteraard, wat anders?
BOEK
Toen ik nog geen boeken had,
hadden wij één boek.
Het boek der boeken heette dat,
het was geen pocketboek.
Het was een heel dik boek,
dat in een zware omslag
als een baksteen op de hoek
van de schoorsteenmantel lag.
Het bindwerk was versleten,
de rug van leesgenot gekromd,
de bladen vet van 't vette eten.
Het lag daar als een dam,
hoe hoog de kachel ook stond,
het vatte nooit eens vlam.
14 september 2009 Over muziek, de dood en de negende
* Opera omnia (alle de werken, maar dan ook álle!)
Vijftig jaar geleden nam ik afscheid van de middelbare school. Elke
laatste les vulde de docent op geheel eigen wijze in. Zo trakteerde wiskundeleraar K.
ons op klassieke grammofoonmuziek met de Kindertotenlieder van Mahler. Nooit geweten
dat meneer Pi iets met muziek had, en pas op de meet steeg hij in mijn waardering tot boven
de streep. (Louter voor de herinnering surf ik nu even naar
Google, en vind meteen een You Tube-filmpje met een prachtuitvoering van 6 januari
2007, die ik nu maar even auditief onder mijn geschrijf door laat lopen, aaah, jaaah:
http://www.youtube.com/watch?v=hqTyEKB64EE. Maar dit geheel en al terzijde, zoals gebruikelijk.)
Laat ik me hier beperken tot de laatste
les Nederlands. Dankzij docent Jan S. - godhebbezijnzielenzaligheid - was ik
de laatste twee klassejaren nogal enthousiast geraakt over zijn vak. En ik was
bereid om zo ongeveer alles aan te nemen wat de man ons voorhield,
suggereerde, aanbeval. In zijn afscheidsles dicteerde hij ons een lijst schrijvers waar je volgens hem
het een en ander, wat hij aanduidde met 'opera omnia' = álles, van gelezen diende
te hebben - althans voor het einde van je leven. Ik ben de lijst van Jan in de loop van de jaren uit
het oog verloren, maar de teneur en een goed deel van de inhoud staan me nog
helder voor de geest. Herman Gorter: opera omnia; Louis Couperus:
opera omnia; Nescio: opera omnia (ja, er waren ook gemakkelijke 'opera' bij); J.C.
Bloem: opera omnia; Van Ostaijen, Marsman, Slauerhoff, Du Perron: opera
omnia, opera omnia, opera omnia. Enzovoort enzoverder tot en met álles van de
'jongste' auteurs Hermans, Wolkers, Claus en Mulisch (die toen nog aan het échte werk moesten
beginnen!) aan toe. Toen de les om was, stond het volledige
leesprogramma voor de rest van ons leven finaal en onnoemelijk rijk ingevuld vast.
En iedereen wist: dat gaat niet goedkomen, Jan! (Die wij toen overigens in de klas nog gewoon 'meneer',
en daarbuiten meestal 'het rund' noemden - ach ja, die bijnamen...) Al snel daarna heette de lijst
'indicatief', toen: 'dat lijstje van Jan',
en tenslotte raakte hij van lieverlede in vergetelheid, net als Jan zelf. Een beste plek om te
eindigen overigens, dunkt me.
* In der Beschränkung zeigt sich der Meister
En ik heb dat nog lang gehouden hoor, dat ik meende álles van bepaalde 'grote'
schrijvers te moeten hebben, te moeten lezen, gelezen wilde hebben: A.F.Th.,
Coetzee, Grünberg, Musil, Proust, Remarque, Karel van het Reve, Voskuil... En dan nu weer: Joseph Roth,
de Berlijnse observator en literator die in de jaren twintig van de vorige eeuw haarfijn
doorhad, noteerde en doorgaf waar de politieke ontwikkelingen in Duitsland toe zouden
leiden. Een ziener, die uiteraard niet geloofd werd, uit nazi-Duitsland vluchtte en pas
heden ten dage zijn grootheid beleeft. Zijn boeken werden verbrand op de Bebelplatz,
Berlijn 10 mei 1933. Ga de monumenten aldaar zien, en huiver. En denk aan Geert Wilders.
Enfin, dat gaat allemaal over hoor, die dwang, dat hebberige 'alles', dat opera omnia, meestal is het ook
helemaal niet nodig: men kan een schrijver, een thema, een stijl ook exemplarisch benaderen,
volstaan met de precieze lezing van één deel, één boek, één gedicht, één visie. Toen ik nog
boekenweekgeschenken spaarde, was ik een tijdlang
bereid om idiote bedragen te betalen voor ontbrekende deeltjes. Tot ik ontdekte dat
zowat half Nederland boekenweekgeschenken spaart, toen was het bij mij ineens over
en sluiten: ik verloor gaandeweg zelfs alle belangstelling voor het alles, het opera omnia,
ja, voor het verzamelen zelf. Sindsdien leen ik gemakkelijker boeken uit, vergeet zelfs zo nu
en dan te noteren wie wat van me heeft, en erger me vervolgens kapot dat ik een
bepaald boek niet meer kan vinden, de Capitoolgids voor Berlijn bijvoorbeeld. Wil de
eerlijke lener daarvan me dat boek eindelijk eens terugbezorgen, graag, dankuwel, er
zijn plannen ziet u! - Het gaat immers en altijd maar om dat éne boek, die éne cd, dat
ene superbe gedicht.
* En nu de uitzondering op de regel
Op de afscheidsavond van de Vpro-serie 'Zomergasten' (zondag 30 augustus 2009)
wist violist/dirigent Jaap van Zweden
me bijzonder te boeien, vooral met zijn keuze van de muziekfragmenten - precies wat je van
een goede zomergast mag verwachten: bijzondere fragmenten op zijn/haar eigen vakgebied.
Jaap van Zweden bracht onder andere zijn bewondering voor de
componist Gustav Mahler tot uitdrukking in de keuze van het slotdeel van diens negende symfonie,
'Der Abschied' geheten. Wikipedia tekent hierbij aan: 'In de originele partituur heeft de componist
bij de laatste maten dramatische afscheidswoorden
gezet, alsof hij wist dat hij zijn zwanenzang had gecomponeerd. "Vaarwel! Wrede wereld!
Liefste Almschi! Vaarwel! Vaarwel!" En zijn zwanenzang wàs het! De even prachtige als
tragische laatste maten - met de ijle, wegstervende, lange noten van de violen -
symboliseren de laatste adem van een componist, die alle geloof en vertrouwen in zijn
medemens en de wereld was kwijtgeraakt.'
Dat laatste stuk muziek, dat wilde ik per se hebben. Op dus naar de platenboer. Boer 1: 'De
negende? Hebben we
niet.' Boer 2: 'De negende? Dat is dan € 35,95.' Beide boeren waren me te gortig. Dus maar eens op Google
gezocht. En gevonden. Op de webshop van de NRC: alle (10) symfonieën van Mahler op
12 cd's voor de totale afbraak-pakketprijs van € 25,-. Gespeeld door Het Koninklijk
Concertgebouworkest, o.l.v. Riccardo Chailly! Dus voor dat ene slotdeel van de negende van Mahler heb ik me nu
álle symfonieën aangeschaft. Een totale omkering lijkt het, van al het voorafgaande in dit Balthasars-stukje...
Maar ja, voor 'Het afscheid van het leven, op papier
gezet door Mahler' (woorden van Jaap van Zweden) moet men kennelijk wat overhebben.
Het kan niet anders of hierop volgt hét gedicht van Gerrit Kouwenaar: over muziek, de
dood en de negende (weliswaar en waarschijnlijk van een andere componist, maar
toch: de negende!). Het heet muziek voor het slapen gaan, en staat in het
minibundeltje 'Het bezit van een ruïne' (Poetry International/Querido, 2005).
MUZIEK VOOR HET SLAPEN GAAN
Er stond muziek op toen zij hem vond
wat er speelde was zij later vergeten, had zij
afgelegd toegedekt of ingeslikt met zijn leven
zij hoopte dat het strawberries was geweest
zoetrood geneurie op koelere hoogte
en niet de negende kleine steeds weer
voorgoed onvoltooide
maar het liefst dat met die vluchtende vogel
die nooit kon antwoorden waarheen hij op weg was
en onder zijn veren kon uitrusten, inwonen -
De treinreiziger
Het is natuurlijk al vaak beklaagd, gepubliceerd, aan de kaak gesteld - maar intussen nog geen
steek veranderd: het irritante telefoongesprek in de trein. En dan bedoel ik natuurlijk niet
de kortgehouden mededeling aan het thuisfront dat het een halfuurtje later wordt.
Ik doel uiteraard op de 'privé-gesprekken' die bijna zonder uitzondering eindeloos, schaamteloos,
veel te luid, tenenkrommend en voyeuristisch zijn. Ze veroorzaken bij de medereiziger een
gevoel van machteloze gêne en onbehagen. Vooral omdat je er niet echt iets tegen
kunt doen. De beller, vaker belster, er op aanspreken al helemaal niet: je krijgt minimaal een
mondvol onbegrip en onbeschoftheid terug. Zelfs verkassen is geen reële optie meer sinds de treinen op elk moment
van de dag zo vol, overvol, zijn als heden ten dage. Het is uiteindelijk vooral
de onontkoombaarheid van andermans luidrucht, waardoor je je een ouderwetse priester
in de biechtstoel waant: maar dan
zonder diens gezag tot het opleggen van straf, penitentie, kastijding, verbanning. Het
enige wat je kunt oefenen is de lijdzaamheid.
De beller
- Luister jongen. Wie zit hier nou in de trein? Geef antwoord: wat heb je met die honderd
gulden (sic!) gedaan die ik je vanmorgen gegeven heb? Geef antwoord! Kun je niet meer
praten? Hallo! Hallo!!! - Je dacht misschien: die belt niet meer. Luister, schat. Ik zit in de trein, ik ben nu bijna in Zwolle.
Maar het duurt nog even voor ik bij je ben. En ik wil niet komen zonder iets voor de kleine,
ik ben netjes opgevoed weetje schat. Ik breng in elk geval iets voor de kleine mee. Een
pakje of zo. Welke maat? Tachtig tot zesentachtig? Dan doe ik zesentachtig, dan kan ze er
wat langer mee doen. Mag het ook tweeënnegentig zijn? Dat ze er nog langer mee kan doen?
- Luister jongen. Heb je niet geleerd te luisteren? Luister! Ik ben geen kind meer jongen. Binnen
vijf minuten als ik binnen ben, zijn wij al boven. Wij verdoen onze tijd niet met gepraat. Praten
heb ik al met 'r gedaan. Wij gaan meteen naar boven zodra ik er ben, jongen. Luister je wel?
Met-een naar bo-ven!
- Met mij nog even, schat. Kan ik ook iets voor jou meebrengen? Iets van lingerie of zo? O,
dat doe je toch niet aan?! Dan koop ik je binnenkort een mooie jurk. Of toch iets van lingerie?
Geld speelt geen rol. Nog even over die kleine. Was het tweeënnegentig? Ja, dat ze er langer
mee kan doen.
De conducteur
- Goedemorgen, vervoersbewijzen alstublieft. - Dankuwel. - Mag ik uw kortingkaart ook
even zien? - Dankuwel. - Zoekt u maar rustig even verder, kom zo bij u terug. - Dankuwel. -
Hoe laat we in
Deventer zijn? Even kijken... Dat is... dertien over drie. - Vervoersbewijzen alstublieft. - Wilt u
die telefoon uitdoen, meneer.
- Wat!? Dit is openbare ruimte hoor! Ik zit in de trein, dat is o-pen-baar ver-voer, man, O-pen-baar!
Wat zeg je schat? Wacht even.
- U stoort de andere reizigers, meneer. Doet u die telefoon uit. Dit is geen openbare ruimte, u bent
te gast bij NS, meneer, hier gelden regels.
- Ja, d'r is hier een conducteur die zegt dat ik de telefoon uit moet doen. Be-la-che-lijk. Dat zeg ik:
o-pen-ba-re ruimte! Mensen luisteren niet!
- Meneer, als u die telefoon niet uitdoet roep ik de spoorwegrecherche op.
- Nee, ik bel straks terug schat. Hij gaat de spoorwegpolitie roepen. Ik hang je even.
- Dankuwel. - Vervoersbewijzen alstublieft. - Dankuwel. - Dankuwel. - Dankuwel.
De beller weer
- Daar ben ik weer schat. Ja, hij is weg. Ik praat wanneer ik dat zelf wil. Openbaar... dat zeg ik,
ja. In Zwolle stap ik even uit,
voor de kleine. Welke bus in Assen? Lijn drieënzestig? Goed, dan kom ik wel eerder. Ga ik
níet d'r uit in Zwolle. Koop ik jullie morgen cadeautjes. Iets van lingerie of zo? Hou je van
bonbons? Lijn vierenzestig, o, drieënzestig. Luister schat... luisterluisterluister...
De treinlezer
Deze treinreis ben ik niet veel opgeschoten in mijn boek, 'Zwarte gaten', van de dichter Hans
Verhagen. Eerst had ik slaap, toen moest ik nog een stukje krant, vervolgens was er de achterflap van
'Zwarte gaten'. Daardoor raakte ik nogal geïmponeerd, wat ook niet erg opschiet. Leest u even mee:
Verhagen zet de wereld in lichterlaaie (Maria Barnas, Groene Amsterdammer), Om deze toverachtige
macht gaat het in de kunst (Hans Sleutelaar), Verhagen [...] wiens imposante aanwezigheid je
willoos meesleurt in zijn krankzinnige wereld (Piet Gerbrandy, Volkskrant), IJzingwekkend
volmaakt portret van de Condition Humaine in de vroeg-eenentwintigste eeuw (I.L. Pfeiffer,
NRC), Als er gevaarlijke poëzie zou bestaan, zou het die van Hans Verhagen zijn (B. Mourits,
Poëziekrant). - En toen begon die man dus te telefoneren met zijn jongen respectievelijk zijn schat
in het verre noorden, luidop, met zware drankstem, en met een dictie die voortdurend
Martin Szimek tevoorschijn riep. In 'de chaos van het ogenblik' las ik slechts twee gedichten:
Terreur op bladzijde 10 (met de inspirerende aanvangsregels 'Opnieuw laten we de weg bepalen /
door vreeskwezels en aartsverraders') en Ratrace van de geest op bladzijde 45, een
kort gedicht dat me wel toepasselijk leek voor hieronder:
RATRACE VAN DE GEEST
Alles blijft. Alleen de ruimte schuift aan ons voorbij,
het grauw ontaardt in helleblauw,
de kleine conducteur zwaait met zijn spiegelei
Alles komt klaprozenrood, nog tegensputterend, tot leven;
te ver heen om terug te keren naar de moederschoot
zet de zondeval zich in beweging
30 augustus 2009 Dit is een plek om terug te keren
Gister was ik even terug in H., de stad van een vorig leven. We gingen een geplande clubwandeling over
de Moerputtenbrug checken,
even buiten de stad, aan de zuidwest-kant. Op het station huurden we een OV-fiets, en slalomden
ons een uitweg, de stad uit, richting V. Het was zaterdagmiddag en mooi weer, alom
drukte van belang. Ook in het weekend werd er hard gewerkt aan de nieuwe Randweg,
zo'n modernbetonnen monster dat zich een weg vreet door alle bestaande verworvenheden,
door alle liefdes van het verleden heen. Voor een goed zicht op de werkzaamheden was er
ter hoogte van vh de kazerne vh de kaderschool vh het asielzoekerscentrum een tribune gebouwd. Ja, er
is altijd veel belangstelling voor dit soort bouwputten die zich inmiddels de omvang van een
middelgrote meteoorinslag hebben aangemeten. Ik miste alleen nog de helikopters met
de camera's van Hart van Nederland. - Mijn oude stadje H. is een gruwelijk opgeblazen kikker
geworden, een moerasbel op punt van barsten. De moderne tijd, net wat u zegt.
Vooraf had ik even gebeld met Theetuin Het Haantje te G., of ze donderdag toch wel open waren,
aangezien wij zo halverwege de wandeling een mooie pleisterplaats zochten, en Het Haantje ons daar
bij uitstek geschikt voor leek.
- Dat hangt van het weer af, meneer.
- Donderdag, dan is het mooi weer hoor.
- Ja, dat zeiden ze van vandaag ook. En moet je nou 's zien: een en al bewolking, en geen mens
op het terras. Dan zegt mijn vrouw tegen het meisje: 'Ga maar weer naar huis, meisje.' Het kost
ons anders handen vol geld ziet u.
- Maar als het donderdag mooi weer is, bent u dan om twaalf uur open?
- Als het regent, of als het zwaar bewolkt is, dan hebt u goed kans dat u voor een dichte deur staat. Dan komt
er toch niemand. Dan blijft het meisje thuis. Als de zon schijnt, zijn we van 11 tot 5 geopend.
- Tot donderdag dan maar, meneer, dan komen we met een man of tien koffie bij u
drinken, of thee. Want dan is het mooi weer, dat beloof ik u.
- Meneer is een optimist. Maar... enfin, we zien het wel.
Toen we eenmaal in het buitengebied waren, trof ons de stilte van de oude spoorlijn. Tenminste,
de lokatie, het terrein, de omgeving, alles was er nog. Alleen de spoorlijn zelf, die was verdwenen. De
langgerekte tuin was inmiddels zwaar overhuifd geraakt door hazelaar en vogelkers, ook
braam en brandnetel tierden in alle uitbundigheid. Wat een woekerende weelde, de
machete kon maar nét-aan in de schede blijven. We naderden merkbaar het moerasgebied De Moerputten
met de oude spoorbrug van het halvezolenlijntje eroverheen. (Even noteren voor de
wandelgenoten: antimuggenmiddel meenemen.) Hier was het ons om te doen: die oude
spoorbrug van 600 meter lang, over dat unieke moeras met die unieke vegetatie, en
natuurlijk het pimpernelblauwtje, kortom een
sensatie om overheen te lopen. 'Na restauratie van het "wegdek" sinds 2006 opengesteld
voor wandelaars, een loopje voor fijnproevers. Komt dat zien.'
Maar niet heus. Tegen een oude wilgenboom, links terzijde van de brugoprijlaan, zit een wit
A4'tje in plastic gespijkerd. Het is een 'officieel' bericht van Staatsbosbeheer. Dat brug en
pijlers ten finale gerestaureerd worden. Dat het wandelaars verboden is om de brug te betreden. Dat de
werkzaamheden in maart 2009 beginnen. En dat de restauratie in december 2010 klaar
zal zijn. Einde bericht. - De toegang tot de brug was robuust versperd. Einde geplande wandeling.
Tijd voor beraad. En hoe moet het nou met Het Haantje?
In de museumwinkel van het Noord-Brabants Museum heb ik me onlangs
het prachtboek 'de Moerputtenbrug - historie en natuur' resp. 'de
Moerputtenbrug - fotografieken' aangeschaft. Dat boek zijn twee boeken in één band, elk aan zijn eigen
kant, en innig in de rug verbonden.
Wat er allemaal in 'historie en natuur' staat, kunt u raden: de complete geschiedenis van verleden en
toekomst, in woord en beeld. Smullen, zeker voor de liefhebber. Maar dan de fotografieken! Zoiets heb je
nog nooit gezien (menselijkerwijs gesproken dan). Foto's van vóór de restauratie tonen de
'huid' van de oude brug, verweerd, verwaarloosd, vervallen. Paginagrote jaarringen in het hout van
groen uitgeslagen bielzen, roestende krammen, bouten en uitgeleefde klinknagels, verwoestende
schoonheid, gevat
'in het koele blauwe licht van de vrieslucht en het warme rood van de ondergaande zon'. In de
woorden van fotograaf Aad Treijtel: 'De kleurenrijkdom zat in de brug zelf, maar het licht was
mede bepalend. Door de foto's hard
af te drukken, kregen ze een grafisch accent. Het zijn foto's die niet meer te maken zijn, omdat
bij de restauratie alles werd weggestraald en weggeschilderd.'
In de trein naar huis vielen me de spoorbruggen op. Hoe pront en machtig
ze het water overspannen, alles indachtig het 'Denkend aan Holland...', de uiterwaarden, de
vrachtboten met een auto of twee aan boord. Weidsheid en rijkdom, dat vertellen ze, de moderne
tijd ook. Net wat u zegt. Maar kijk, dat is toch weer heel wat anders dan de intimiteit van de
oude Moerputtenbrug, oase in het halvezolenlijntje van de Langstraat met z'n schoenindustrie,
diepdoorleefd verleden tijd. Daaroverheen te wandelen, dat is nostalgie, poëzie, historisch besef. - Maar
nú even niet. Komt u in december 2010 maar eens terug. En in die tussentijd maakt u maar andere
wandelingen, of bezoekt u maar eens een museum, of u koopt een boek, bijvoorbeeld hét boek over
de Moerputtenbrug, door Kees van den Oord, Bert van Opzeeland en Aad Treijtel (een uitgave van
Adr. Heinen in Den Bosch). Ik citeer
daaruit tot slot een stukje van pagina 54:
EEN BRUG IN VERVAL
De bouw van de Moerputtenbrug uit 1885 was een voorbeeld van welijzeren
vakwerk. Het ijzer dat vervaardigd werd in puddelovens, was dusdanig goed dat het
jarenlang nauwelijks onder roestvorming leed. De spoorbalken waren daarentegen
kwetsbaarder. Yke Schotanus uit 's-Hertogenbosch maakte in 2003 over de spoor-
brug in verval de volgende dichtregels:
De bomen breken door de bielzen
Het hek is weggehaald, de grasdijk,
Dus staan wij hier,
Het oude spoor leidt ons het water over
maar tussen dwarse balken,
olieachtig, zwart, nat hout, spekglad
gapen de gaten.
Dit is een plek om terug te keren.
- En wanneer was dat dan, vroeg zoon M. die samen met vriendin V. de grote
afwas deed toen ze onlangs bij ons logeerden en ze eigenlijk niet goed wisten waar ze
aan begonnen waren, wanneer was dat dan, dat die voorvoorvader van mij een
bastaardkind kreeg van wie ik waarschijnlijk deze snel bruinende huid, waarvoor postuum
en alsnog hartelijk dank, geërfd heb? (Zo, dat was eruit.)
- Reken even met me mee, zei ik quasi-deskundig: mijn grootvader van moederszijde, want
over hem hebben we het,
werd in 1879 geboren. En in de familie gaat het hardnekkige gerucht dat de bastaardvader,
om die zo maar eens te noemen, 'in de verte' afkomstig was van Malta. Zijn grootvader,
aldus nadere geruchten, was soldaat in het leger van Napoleon, zeg zo rond 1805.
Napoleon ronselde soldaten
in heel Frankrijk (en desnoods daarbuiten), zo ook op Malta. Het is bekend dat die
legers, en alles te voet he!, zo ongeveer heel Europa doortrokken. Ooit heeft die grootvader,
kun je me nog volgen?, die dus van Malta afkomstig heet te zijn, in de garnizoensstad
H. een kind verwekt vóór ie weer met Napoleon verder trok, misschien richting
Oostenrijk, wie weet wel naar Rusland. Helaas is die
Maltese naam in de loop van de tijd verloren gegaan. Maar ja, ze begonnen pas net in die tijd
en voor het eerst familienamen officieel in de gemeentearchieven op te nemen, dus
verwonderlijk is het niet dat die Maltese naam verloren gegaan is. Tja, het is leuk
fantaseren he, over een mediterrane voorgeschiedenis. Sommige
van mijn verre neven lustten er in de jaren vijftig wel pap van. Maar mijn moeder moest er niks van hebben,
dus van haar werden ze niks wijzer. Stel je voor: een bastaard als vader, en een Napoleontische
schuinsmarcheerder als voorvader, shame and scandle in the family!
- Maar evengoed wél van Malta, riep zoon M.
- Precies, dat riepen die verre neven van mij dan ook. 'Niks mee te maken,' vond mijn moeder
op haar beurt, 'daar is officieel niks van bekend. En daarmee uit!'
- Denk je dat jouw moeder, mijn oma dus, daar meer van geweten heeft, B.?
- Dat denk ik niet. Anders hadden die neven dat heus wel achterhaald. Want die hebben wel
meer pikante details over opa Malta opgeduikeld hoor. Bijvoorbeeld dat ie 'm nogal graag lustte,
en dat ie daarom ook wel 'de kruik' genoemd werd. Als ie even bij 'de Zoete Moeder in de Sint-Jan'
langsging, wist iedereen dat ie naar de kroeg ging, en níet naar de kerk. Nou ja, die beginnen
tenslotte allebei met 'n K.
- Ik moet 's vaker met jou afwassen, pap, dan kom ik tenminste nog 's iets te weten.
- En anders ík wel, riep z'n vriendin V. Interessant hoor, en wat deed die man voor z'n beroep?
- Opa Malta was timmerman, zijn laatste jaren heeft ie nog bij mijn vader in de lijkkistenmakerij
gewerkt. Maar daarvóór schijnt ie overal getimmerd te hebben, tot in Berlijn aan toe. Ook in de
bouw. Maar het fijne weet ik er niet van.
- Allemachtig, wat een interessante man zeg.
- Nou, dat vond in mijn tijd niemand hoor, toen ie bij ons inwoonde. Iedereen had een hekel aan 'm.
Hij was hartstikke doof, erg wantrouwig, en ook wel 'n beetje 'n vieze man die vaak in zichzelf
liep te mompelen. Veel kinderen waren een beetje bang voor 'm. Ik geloof niet dat ik 'm ooit
op ben wezen zoeken toen ie op
het laatst in het oudemannenhuis terecht gekomen was. Achteraf niet zo aardig van me, misschien. Want
van hem heb ik leren fluiten, geloof ik: dat leer je, maakte hij ons wijs, als je veel broodkorstjes eet. Dat
heb ik enige kindertijd geloofd, natuurlijk, en in praktijk gebracht.
- En je andere opa, vroeg V., wat deed die?
- Opa Buitenhaven? Die was kleermaker, die zat de hele dag op een tafel te naaien. Maar die heb ik zelf nooit
gekend. Oma Buitenhaven wel, wij zeiden toen trouwens nog
'opoetje' Buitenhaven. Maar toen was ze al erg oud, en erg dement, eng was ze. Was ik
als klein kind ook al bang van. Tjonge, nou ik het er zo over heb, ik heb zegge en schrijve
één oma en één opa gekend, en ik vond ze allebei eng. Geen mooie score, he. Maar
misschien waren die andere twee wel heel lief en aardig, ik weet het niet. Hoewel... ik geloof niet hard dat
er in mijn tijd überhaupt een erg aaibare relatie tussen grootouders en kleinkinderen bestond. Ze
hadden natuurlijk ook allemaal veel te veel kleinkinderen, dat zal het wel zijn...
- Maar dat jouw opa Buitenhaven kleermaker was, dat heb ik dus van hem dat ik nogal goed met naald
en draad ben. Kijk, ík heb wel iets met die grootouders van jou, mijn voorouders! Een soort
van uitgestelde aaibaarheid! En hoe zit dat eigenlijk bij mama, hoe waren die grootouders,
wat deden ze, hoe leefden ze? Want nou wil ik ook alles weten ook!
- Misschien moeten jullie morgen dan maar met mevrouw B. afwassen! Bij hun was het allemaal
héél anders hoor, dat weet ik er wél van, vrolijker ook, denk ik.
Jajaja, wat weten wij eigenlijk van onze voorouders? Meestal niet veel, hoewel er natuurlijk
uitzonderingen zullen zijn. Misschien weten we wel meer van onze voorouders
naarmate ze ouder zijn, van langer geleden dus. Dan gaat het ook niet meer zo
precies over die ene of die andere voorvader, maar over 'onze voorouders', algemeen
dus. En laat onze geliefde Wislawa Szymborska daar nou net een prachtgedicht
over geschreven hebben: 'Het korte leven van onze voorouders'. Het staat in haar
bundel De mensen op de brug (1986). Als gebruikelijk uit het Pools
vertaald door Gerard Rasch. Hier komt het:
HET KORTE LEVEN VAN ONZE VOOROUDERS
Slechts weinigen haalden de dertig.
De ouderdom was het privilege van stenen en bomen.
Een kindertijd duurde even kort als een wolvenjeugd.
Men moest voortmaken, het leven leven
voor de zon zou ondergaan,
voor de eerste sneeuw zou vallen.
Dertienjarigen die kinderen baarden,
vierjarigen die vogelnesten in het riet opspeurden,
twintigjarigen die de jacht aanvoerden -
voor ze er goed en wel waren, waren ze al weg.
De eindjes van de oneindigheid groeiden snel aan elkaar.
Heksen maalden hun toverspreuken
met nog alle tanden van de jeugd.
Onder vaders oog werd een zoon man,
onder grootvaders oogkas werd de kleinzoon geboren.
Ze telden hun jaren overigens niet.
Ze telden hun netten, potten, hutten, bijlen.
De tijd, zo royaal voor elk sterretje aan de hemel,
stak naar hen een bijna lege hand uit
en trok deze snel terug, alsof hij er spijt van kreeg.
Nog een stap, nog twee,
langs de glinsterende rivier
die aanstroomde uit het duister en in het duister vervloog.
Er was geen ogenblik te verliezen, geen vraag.
die uitstel duldde, niets wat zich later openbaarde,
als het niet tijdig werd ervaren.
De wijsheid kon niet wachten tot ze grijze haren kreeg.
Ze moest helderzien, voor ze helder kon zien,
en elke stem horen alvorens hij weerklonk.
Goed en kwaad -
ze wisten er niet veel van, maar alles:
wanneer het kwaad triomfeert, blijft het goede verborgen;
openbaart het goede zich, dan ligt het kwaad op de loer.
Het een noch het ander is te overwinnen
of onherroepelijk op afstand te houden.
Daarom komt bij vreugde altijd een zweem van angst,
ontbreekt het bij vertwijfeling nooit aan stille hoop.
Ook al is het leven lang, het zal altijd kort zijn.
Te kort om er nog iets aan toe te voegen.
Hoe gaat dat? Zonder dat je het je dagelijks bewust bent, zit je toch min of meer vast in patronen.
Bijvoorbeeld: het avondeten was lekker, meestal heel lekker, en tevreden begin je licht neuriënd
aan de afwas.
Automatisme: je zet de radio aan, standaard op 1. Het loopt tegen zevenen, en na het nieuws
is er 'Kunststof' - dagelijks programma van de NPS, over de wondere wereld van kunst en cultuur. In de
aanloop naar het programma maakt Joost Prinsen je al lekker met een kunstenaarsprofiel dat nét
een beetje 'over de top' is. En daar is presentator Frénk van der Linde al, of Jellie Brouwer of Petra Possel,
wie er dienst heeft. Alledrie uitstekende
interviewers, doorgaans even uitstekend voorbereid, aan hen zal het niet liggen. Nu de gast
nog.
En daar beginnen de grote verschillen. Praters heb je, zwijgers, begeesterden, kletsmajoors, ijdeltuiten,
(te) bedeesden, optimisten, zwartgalligen, provincialen, wijsneuzen, kortom een doorsnee van wat
het kunstwereldje te bieden heeft. Meestal klikt het, soms gaat het stroef,
altijd snelt het uur voorbij. Ik mag er doorgaans graag naar luisteren. Vorige week hadden ze bijvoorbeeld
de Rotterdamse dichter Vroegindeweij. Wie? Rien Vroegindeweij. Nooit van gehoord, geloof ik, maar na dat
uur 'Kunststof' hoef ik dat gelukkig niet meer te zeggen. - Onlangs werd deze dichter 65,
en kwam er een verzamelbundel van hem uit: Later wordt alles echter - Een keuze uit de gedichten
1973-2009. Na 'Kunststof' onmiddellijk besteld (Nieuw Amsterdam Uitgevers, € 22,50). Ik laat jullie meteen
even meegenieten:
Poëzie is voor mij het verhaal
Dat men vroeger vertelde
Van een man die op zijn zolder
Een vliegtuig van beton gebouwd had
En trots tegen iedereen zei
Dat het wel kon vliegen
Maar niet door het dakraam kon
Meer dan 3000 pagina's op Google, niet slecht voor een dichter waar ik nog nooit iets van gelezen
meende te hebben. Mooie documentaire film van zijn zoon Victor ook, Gaandeweg geheten.
En - geweldig! - deze docu blijkt als DVD in de bloemlezing bijgevoegd, tel uit je winst. In
de trailer zie je een gezelschap van 7 familieleden aan de dis. Vader Rien schept uit een
klassieke terrine voor ieder een bordje soep op, zorgvuldig, traag, misschien wel als liefdevol
te typeren. Wat voor soep zou het zijn? Is ie lekker? Vindt iedereen dat? Wie wil er nóg een bordje?
Het beste is om de dichter zelf even
het woord te geven, met een stukje uit het Vooraf aan de bovengenoemde verzamelbundel:
Wat mij betreft is poëzie geschiedschrijving van gebeurte-
nissen zonder datum of jaartal. Een draai geven aan het be-
drieglijk alledaagse. Mededelingen doen op een muur van
onverschilligheid. Een fluistering in het oor van de goede
verstaander.
Taalvermogen is onderdeel van ons biologisch systeem.
Poëzie als levensbehoefte, niet zo dwingend als eten en
drinken, maar dan toch als waken en slapen en dromen.
Je zingt zoals je gebekt bent. Daar komt het wel op neer.
In Later wordt alles echter staan gedichten uit 7 van de 9 bundels die Vroegindeweij
sinds 1972 schreef. Eerst even die negen titels in chronologische volgorde, om met de
dichter mee te evolueren: Gelukkige
dagen & andere poëtise voorvallen, Een vliegtuig van beton, Statig Landschap Achter Glas,
De straatweg, Tussen de middag, Zee & Land, Eerst varen, dan leven, Deze middag
is een eeuwig heden, Gemengde berichten (waarin opgenomen Nieuwe gedichten).
Zonder dat ik nu (al) kan beweren dat ik alle gedichten gelezen heb, is het heerlijk grasduinen
in dit boekwerk. Elk gedicht gaat ergens over, je kunt alles begrijpen, bijna altijd word je
'getroffen', deze man is geen mooischrijver om het mooischrijven.
'Je poëzie
staat in de traditie van het vormvaste, heldere, mededeelzame vers,' zoals Hans Sleutelaar,
de bekende literator, schreef. Het is dan ook geen doen om 'het mooiste vers' te vinden en
te citeren. Want het is zoals de flaptekst meldt: 'De vrucht van een
kleine veertig jaar dichterschap overziend, valt me op hoe bestendig en onverstoorbaar
je poëzie van meet af aan is geweest. Zij rust diep van binnen op een
harde kern - het ongekliefde hakblok, waarvan de oude Chinezen spreken.' - Voorlopig
lees ik heel veel 'mooiste verzen' in deze bloemlezing. En daarom is het slotgedicht van vandaag
(Bennies bas, pag. 194) geen definitieve keuze, nou en?, uit deze bundel zal de
Balthasarsblog immers nog vaak citeren. Wie Bennies bas goed leest, zal in elk geval
de herkomst van de titel van de bloemlezing kennen. Zou dit dus (?) het mooiste gedicht volgens
de dichter zijn? In het programma 'Kunststof' kwam ik dit niet te weten. Daar las de dichter Toen
de dijken braken voor, maar ja, dat is een minicyclus van vijf prachtige pagina's! Ietsje te lang voor
de Balthasarsblog, amigo!
BENNIES BAS
Met bas van theekist de diepte in
van koloniaal verleden
naar feestjes in schuren op zolders
met gekarnde herenboerendochters.
Drummen op deksels, pannen
brushes van kranten.
Als je veel plukt, vioolzaad, tomaten
aardbeien, krijg je een echte.
Als je groot bent wordt alles echter
en verder: terugweg eindigt in modder
wrak in de polder.
Ze zeiden hij zei nog iets maar wat
Als mensen even vaak last van hun gestoorde automobiel zouden hebben als ik van mijn computer,
dan zouden ze denkelijk allang tot de aanschaf van een nieuwe, betere versie besloten hebben. Maar
waarom blijf ík dan maar doormodderen, balen tijd verdoen met proberen
hier en proberen daar zonder verstand van pc-zaken? Dat heeft opgetwijfeld te maken met de
koppigheid der onnozelen: dat ding moet het gewoon doen, en daarmee uit!
Maar zo zit de wereld der dingen blijkbaar en helaas niet in elkaar. Het is de wereld van het
geld, van de vervangbaarheid, van de economie. Dingen moeten eerst echt kapot, en worden
daarna pas vervangen (áls ze al vervangen worden). Niet kapot? Dan nog maar even
niet vervangen, he. - Maar de vraag is natuurlijk: wanneer is iets kapot?
Dat hangt er kennelijk van af. Bij mij lopen de gradaties van 'een beetje kapot' via 'soms doet ie het nog' en
'zou ie kapot zijn?' naar 'nu is ie écht kapot'. Ik geef een voorbeeld, een kleine geschiedenis van
Balthasar's afwasmachine.
* Drie jaar geleden valt het eerste lampje uit, korte tijd later ook de andere lampjes. De machine verzet
geen poot en geen kopje meer. Dus: fabriek gebeld, monteur ontvangen, elektronisch paneel vervangen,
machine opnieuw in bedrijf, dat is dan honderd euro, tot de volgende keer maar weer. - Die dingen gebeuren,
dacht ik nog.
* Kort daarop breekt een deel van de ingebouwde handgreep af waarmee je de machine opent
en sluit. Ik zet me met
lijm en vlijt aan het werk, maar zonder veel succes: het in te klikken onderdeel is en blijft weerspannig,
en springt er telkens weer uit. 'Ach,' dacht ik, 'ach, zó gaat het toch ook nog wel? Bovendien zie je er
niks van. We zijn dapper en we zeuren niet. Tenslotte kost het al vijftig euro als
de fabrieksmonteur maar aanbelt.' - Sindsdien zijn deurgreep en ik allebei onvolmaakt, maar tevreden.
* Nog in dezelfde week (maar het kan ook een maand later geweest zijn, ik weet het niet precies meer):
zelfde verhaal met het zeepbakje. Sluit niet meer (en blíjft dat doen), maar dat lijkt geen nadere nadelige
gevolgen te hebben. - Ik blijf er stoïcijns onder. Machine werkt óók als het zeepbakje kapot is,
alweer iets geleerd wat niet in de Gebruiksaanwijzing staat.
* Krap een half jaar geleden valt er weer een lampje uit. 'Ach, juist dát lampje?' traan ik onthutst. Het betreft
namelijk een van de aardigste snufjes van de machine: het lampje van de 'halve-waskracht'. As je een
kleine afwas wilt doen, wordt alleen de bovenste helft van het apparaat gebruikt. Maar nu brandt niet
alleen het desbetreffende lampje niet meer, kleine afwasjes zijn onmogelijk geworden. Wat te
doen? Ik besluit om uitsluitend nog grote volledige afwassen te draaien. Kleine afwasjes ga
(en blijf) ik gewoon met de hand doen. Zogenaamd niks aan het handje, zeg maar.
* Twee weken later ligt er wat afwaswater onder de machine op de keukenvloer. Waar komt dat
vandaan? Gebruiksaanwijzing opnieuw geraadpleegd, interne rubbers geschoond, zorgvuldig geen
afwas tegen de voorkantbinnenkant geplaatst. En waaratje: geen plasjes meer. Alweer
een overwinning, sprak Pyrrhus dapper.
* Weer wat weken later weigert de machine te starten: de figuurlampjes branden maar
half (ja, dat kan met die moderne elektronica!). Maar 'aan' gaat de machine niet. Ik zet
de vaatwasser uit, en herhaal de voorgeschreven handelingen. Bovendien geef ik na sluiting
het bedieningspaneel een goedmoedige tik, ter aanmoediging. En wat denk je? De
machine gaat direct aan de slag. Alom vreugde en jolijt in de wigwam van de B'tjes. - Deze
procedure moet ik nadien steeds vaker herhalen. Meestal werkt ie, soms niet,
en dan laat ik de machine enkele dagen met rust (en doe ik uitsluitend handafwas). Daarna is
Meneer weer paraat, het is net een oude knol die je geregeld moet paaien en knuffelen.
* Tot mijn grote spijt heb ik geen tijd- en geschiedenisbalk van de afwasmachine aan de keukenmuur geprikt.
Nu moet
ik steeds op mijn eigen geheugen afgaan. De geconstateerde mankementen heb ik 'zeker' zitten, de tijdstippen
zijn een stuk ongewisser. De laatste weken stel ik me na de avondmaaltijd steeds in op handwas. Voor de 'gein'
probeer ik de machine nog wel eens, en verdomd, in twee van de vier gevallen doet ie het! Deed ie het.
* Vanmiddag ruim ik de weekendafwas in, en start m'n eigen procedure. Geen sjoege. Niet één piepklein
lampje brandt, ook niet na een wat forsere aanmoediging van het bedieningspaneel. Ik doe de vaatwasser
weer open, zet alvast de warmwaterkraan aan, ruim de vaatwasser gedeeltelijk uit en
begin aan de handafwas. Ik fluit een lustig deuntje ('Er zat vijf jaar de mot in, maar nu zit er schot in.
En Hollanders willen we zijn. Cheerio, cheerio...'), en begin de onderste korf leeg te ruimen.
Maar... wat ziet mijn oog, wat ruikt mijn neus? De bodem staat nog ruim in het oude
machineafwaswater van eergister! Nu is ook de pomp dus naar de filistijnen. Ik vul een
emmer met het ruime sop, en zet die in het toilet, zo, dat scheelt weer twee keer
doortrekken. 'Cheerio, cheerio...'
* Het laatste restje afwaswater heb ik niet kunnen verwjderen. Dat begint nu te
stinken.
Na de afwas begin ik aan m'n wekelijkse Balthasarsblog. Maar mooi niet! Deze computer heeft vandaag
ook weer eens zin in kuren. Nu kan ik voor de verandering eens niet in het 'onderliggende'
HTML-bestand werken, de muis krijgt er geen 'vat' op, ik kan er gewoonweg niet in. En ik
begin te klooien. Van alles probeer ik, maar in mijn geval is 'van alles' nogal weinig. Dus ik
bel de Zeepkist-hulptroepen. - 'Misschien morgen. Of anders overmorgen. Nee, eerder niet. En ja,
het is een vreemd geval hoor, ik zou het zo uit de verte ook niet weten. Heb je echt geen rare
streken uitgehaald, B.? Den Besten? Onee, die is nog met vakantie. Dus als ik er niet uitkom,
zul je moeten wachten. De lezers? Hoeveel zijn dat er helemaal, Balthasar. Die zullen heus niet
allemaal meteen van slag zijn omdat hun geliefde blogje een paar dagen later
verschijnt? Welnee! - Je hoort nog van me.'
Twee dagen later (12 augustus dus): het probleem is nog volop in onderzoek. Hoe deze blog op De Zeepkist en
het internet terecht gekomen is? Ik zou het u niet kunnen vertellen. Daarom eindig ik maar met
de volgende opgewekte liedjes, evergreens uit de kort-naoorlogse periode - toen de mensen er
weer zin in hadden! Kortom: 'Kun je nog zingen? Zing dan mee!'
DE VAN-JE-HELA-HOLA-MEDLEY
Cheerio! Cheerio! In Holland daar zingen ze zo
Weg met de zorgen en weg met 't verdriet
We komen er wel, ook al zijn w'er nog niet
Want de jongens van Tromp en Piet Hein
Die krijgen ze lekker niet klein
'r Zat vijf jaar de mot in
Maar nu zit er schot in
En Hollanders willen we zijn
Daar zijn de appeltjes van Oranje weer
Sinaasapp'len zoek ze zelf maar uit
Grote, kleine, 'k heb z'in elke maat
Bijt er 's in, 't sap langs je kin
Zo roept die man op de straat (Ja)
Daar zijn de appeltjes van Oranje weer
Sinaasapp'len sla een kissie in
Geld aan m'n vrouw, die staat er niet voor lauw
En van je hela hola houd er de moed maar in
En van je hela hola houd er de moed maar in
En van je hela hola houd er de moed maar in
Ze zijn nog eens zo fijn
Als de appeltjes van Piet Hein
En van je hela hola houd er de moed maar in
Van de week was het weer eens zover: of ik een bijdrage wilde leveren aan een
felicitatieboek, ditmaal voor een gouden echtpaar. Een verhaal, een anekdote,
een eerste ontmoeting, een mooie wens: alles liefst met foto en natuurlijk
digitaal per mail aan te bieden. En of het volgende week klaar kon zijn, want
'ik moet het allemaal nog verwerken en het boek vraagt om een week
levertijd'. - Nou, zeg dan maar eens nee, ook al heb je voor geen stuiver zin
of ideeën. Maar een lastige vraag blijft het.
Ik weet niet hoeveel van dit soort pagina's ik in de loop van mijn leven aan
jubileum-, afscheids- en herdenkingsboeken bijgedragen heb, maar er valt
zeker een compleet herinneringsalbum uit samen te stellen. En zelf ontving ik
destijds trouwens ook zo'n 'vriendenboek', toen ik afscheid nam van mijn
'werkzame leven'. In mijn geval was het overigens geen boek, maar een doos
met losse bijdragen, een zogenaamde 'capsa amicorum', dus geen vriendenboek
maar een vriendenbox. - Verlegen ben je er evengoed mee.
Toen van de week de journalist-schrijver Michael Zeeman overleed (zoals
enkele maanden terug de schrijver-journalist Martin Bril), putte de
Volkskrant zich uit in een lange reeks loftuitende stukjes. Van over de hele
wereld schreven beroemdheden (Philip Roth, György Konrád) hoe goed en waarom
ze het met de te vroeg overleden Zeeman hadden kunnen vinden. - En ik lustte
er wel pap van. Soms is het kennelijk heerlijk om ongegeneerd complimenteus
te kunnen zijn, tenminste als de betrokkene maar dood is of anderszins
onbereikbaar. Bij leven of nabijheid ligt dat duidelijk een hele slag anders.
Vissen naar complimentjes zit ons al jong in het bloed. Je kunt dat goed zien
bij de (intussen ouderwets geworden?) poesiealbums. Als je gevraagd wordt om
iets in zo'n pretboek te schrijven, dan is dat niet geheel en al
vrijblijvend. Okee, je kunt je er nog van afmaken met laffe versjes als: Je
ziet wel aan mijn pen, dat ik geen notaris ben. / 6 januari is de dag, die je
niet vergeten mag. Maar eigenlijk is het natuurlijk de bedoeling dat je
de bezitter ervan een veer in de hoed of elders steekt: Een liever vriend
dan jij, Martijn, zal er heel mijn leven niet meer zijn. / Bloemen verwelken,
schepen vergaan, maar ónze vriendschap blijft eeuwig bestaan. -
Conventies en beleefdheden, akkoord, maar zijn wij niet allen al vroeg en in
den dop een beetje leugenaar of hypocriet? Die volwassener gène moet toch
érgens vandaan komen?
Kortom: je krijgt een generende vraag, je recht de rug, en je gaat daar eens
conventioneel netjes op antwoorden. En dat is wat ik de komende week ga doen:
een rozijntje rijgen aan het felicitatielint voor de jarigen. Want van
rozijnen houdt iedereen toch wel?
Ter voorbereiding op mijn 'paginaatje' voor het feestboek lees ik gedichten
van Wislawa Szymborska in de bloemlezing Einde en begin, vertaald uit
het Pools door Gerard Rasch. Bladzijde 60: 'Gouden bruiloft', maar dat
gedicht gaat me te ver ('Ooit moeten ze verschillend zijn geweest,'),
bladzijde 294: 'Liefde op het eerste gezicht', nee, dat haakt misschien toch
wat al te ver in het verleden. Het wordt tenslotte bladzijde 180: 'Gelukkige
liefde', met dat prachtige slot: 'Laat de mensen die geen gelukkige liefde
kennen / maar volhouden dat gelukkige liefde nergens bestaat. // Met dat
geloof valt het hun lichter te leven, en te sterven.'
GELUKKIGE LIEFDE
Gelukkige liefde. Is dat normaal,
verdient dat respect, heeft dat nut -
wat moet de wereld met twee mensen
die voor elkaar de hele wereld zijn?
Zonder enige verdienste tot elkaar verheven,
stom toevallig twee uit een miljoen en er toch van overtuigd
dat het zo moest gaan - als beloning waarvoor? voor niets;
het licht valt nergens vandaan -
waarom juist op hen, en niet op anderen?
Is dat kwetsend voor ons rechtsgevoel? Ja zeker.
Schendt dat onze zorgvuldig opgeworpen principes,
stoot het de moraal van zijn top? Zowel het een als het ander.
Kijk eens naar het gelukkige stel:
als ze zich nu een beetje inhielden,
terwille van hun vrienden wat neerslachtigheid veinsden!
Hoor eens hoe ze lachen - aanstootgevend.
Wat voor taal ze bezigen - alleen schijnbaar begrijpelijk.
En dan al die vormelijkheden, poespas,
die subtiele verplichtingen jegens elkander -
het lijkt wel een complot achter de mensheid om!
Je kunt nauwelijks voorzien waartoe dit zou leiden,
als hun voorbeeld nagevolgd zou worden.
Waar zouden poëzie, religie nog op kunnen hopen,
wat zou men nog in ere houden en wat laten varen,
wie zou in de kring willen blijven.
Gelukkige liefde? Is dat echt nodig?
Tact en gezond verstand gebieden ons erover te zwijgen
als over een schandaal in de Hogere Sferen des Levens.
Prachtige kindertjes worden zonder haar hulp geboren.
Nooit ofte nimmer zou ze de aarde kunnen bevolken,
ze komt tenslotte zelden voor.
Laat de mensen die geen gelukkige liefde kennen
maar volhouden dat gelukkige liefde nergens bestaat.
Met dat geloof valt het hun lichter te leven, en te sterven.
- Moet je zien, B. Is déze dan niks voor jou? Zet 'm 's op! Geweldig, echt
heel goed! Daar hangt een spiegel. Nou? Kostdeze, meneer?
[ Onderweg naar de koffie-cadeauwinkel stuitten mevrouw B. en ik aan de
Warenmarkt op de hoeden-en-petten-kraam. Moeilijk was dat niet, want wegens
vakantie en slecht weer waren er meer lege dan volle kramen. En over een
nieuwe zonnehoed voor in de tuin hadden we het al vaker gehad. Tot zover dus
geen verrassingen. ]
- 57, iets te grote maat. Even kijken of er geen kleinere is. Nee, allemaal
dezelfde maat. Jammer, want het is wel een leuke hoed zeg. Eindelijk zie je
'n strooien hoed die je mooi vindt, en dan...
- Deze dan misschien even passen? kwam de marktkoopman een duit in het zakje
doen.
- Nou... die hoed vind ik lang zo leuk niet. Nee, die maar niet.
- Dan zou ik bij die stapel nog 's even verder kijken. Want het is wel
allemaal één maat, maar ze zijn lang niet altijd precies even groot.
- Hee, inderdaad. Deze is wat kleiner. Kijk 's M. Hoe staat deze?
- Heel goed. Van voren ietsje omlaag trekken. Kijk, zo! - Heel mooi. Neem die
maar.
- Ja, deze staat inderdaad wel heel aardig. Zal ik die dan maar doen?
- Ja, écht. Kijk, en dan neem ik dit groene petje. Past leuk bij m'n groene
zomerkleren. Staat ie?
- Leuk. En sportief ook. Mooie kleur zeg.
- Geef dan maar 15 euro samen, vooruit. Bent u trouwens met vakantie hier?
Oja, en die pet, die kun je aan de achterkant verstellen, ziet u wel mevrouw?
Dank u wel. En vijf euro retour maakt twintig.
- Nee, niet met vakantie. Wij wonen hier. Tenminste, in de buurt, in E.
Heerlijk buiten.
- Prachtige streek hier, hoor. Ik kom er graag, hier in Z. Veel bossen, oude
bomen, mooie velden, aardige mensen. Leuke markt. Heerlijk, als je er kunt
wonen. Woont u allang hier?
- Sinds m'n pensioen, zo'n zeven jaar geleden. Wij hebben echt naar deze
streek gezocht. En gevonden.
- Waar komt u dan oorspronkelijk vandaan als ik vragen mag?
- Brabant, uit H.
- Mooi toch wel ook, Brabant?
- Zeker wel. Maar wij vonden het zo langzamerhand wel erg vol worden daar.
Met verkeerswegen, en varkensstallen, en maïsvelden, en...
- Jaaa, die maïs, die rukt hier ook nogal op, is 't niet? En wat daar aan
mest op gaat, zeg, op die maïsvelden.
- Je ziet de maïs ook elk jaar hoger groeien, lijkt het wel. Steeds meer
varkens, steeds meer mest, steeds meer maïs. Geen prettige ontwikkeling hoor.
- Ik kom uit de buurt van Zev. Nou, daar kunnen ze er ook wat van, hoor.
Maïs, maïs, maïs. En vlak bij waar ik woon staat een enorme
varkensslachterij, echt gigantisch groot, Europese maat he. En als je dan al
die veewagens ziet die daar elke dag aankomen, al die uitgeputte beesten...
Daar wordt wat mee afgesold hoor. Eigenlijk is het te gruwelijk voor woorden.
Maar ja, de mens wil nou eenmaal z'n karbonaadje, niet?
- Nou, wij eten geen vlees meer hoor, al een paar jaar niet.
- Nee, eigenlijk moet je geen vlees meer eten, zeker geen varkensvlees. Al
die maïs, al die dieren naar dat slachthuis, al dat gemoord. Vreselijk. Maar
ja, ik vind die spekjes zo lekker, die wil ik toch niet missen. Nóg niet.
- Ja, dat is vaak het probleem, dat je er niet buiten kunt. Maar als je al
dat mensonterende gedoe ziet, en die landschapsvervuiling en al die
CO2-uitstoot...
- Inderdaad, daar hebt u gelijk in. En ik vind het geweldig dat u al zover
bent, dat u geen vlees meer eet. Ik wou dat ik het ook kon. Maar dat komt
beslist nog wel. Ik ben steeds vaker een gespleten mens. Hoed af voor u
beiden. Goed voorbeeld. Ik zal beslist aan jullie denken als ik weer aan het
vlees ga. Of misschien wel 'n keer juist níet ga. Eén keer per week moet toch
lukken, denkt u niet?
- Dat weet ik niet. Maar áls het lukt, dan is het geweldig. Meneer, ik zou
zeggen: het beste ermee. Het was een onverwacht gesprek, heel inspirerend.
Sterkte ook. En nog bedankt voor de hoed, deze mooie strooien hoed. Ik zal op
míjn beurt beslist vaak aan u denken als ik 'm opzet. Wat dacht u dáárvan?
- Daar denk ik heel goed van, meneer. Chapeau, nogmaals chapeau. O, en
mevrouw, vergeet u het petje niet!
- Tot ziens dan maar.
- Beslist.
Nog tijdens dit marktkraamgesprek, maar vooral ook sindsdien, rent almaar en
almaar het Alpejagerslied van Paul van Ostaijen door mijn hoofd. Dat
komt natuurlijk door die hoed, in dit geval een strooien hoed in plaats van
een hoge hoed. Maar ook door de chapeaus van de marktkoopman. Met maïs en
varkens heeft het gedicht weinig van doen, maar met 'het beleefd-prettige
gesprek' tussen twee heren des te meer. - Paul van Ostaijen droeg het gedicht
(dat stamt uit de bundel Gedichten, 1918) op aan E. du Perron. Ik
draag het vandaag op aan de 'marktkoopman van het jaar', chapeau!
ALPEJAGERSLIED
Een heer die de straat afdaalt
een heer die de straat opklimt
twee heren die dalen en klimmen
dat is de ene heer daalt
en de andere heer klimt
vlak vóór de winkel van Hinderickx en Winderickx
vlak vóór de winkel van Hinderickx en Winderickx van de beroemde hoedemakers
treffen zij elkaar
de ene heer neemt zijn hoge hoed in de rechterhand
de andere heer neemt zijn hoge hoed in de linkerhand
dan gaan de ene en de andere heer
de rechtse en de linkse de klimmende en de dalende
de rechtse die daalt
de linkse die klimt
dan gaan beide heren
elk met zijn hoge hoed zijn eigen hoge hoed zijn bloedeigen hoge hoed
elkaar voorbij
vlak vóór de deur
van de winkel
van Hinderickx en Winderickx
van de beroemde hoedemakers
dan zetten beide heren
de rechtse en de linkse de klimmende en de dalende
eenmaal elkaar voorbij
hun hoge hoeden weer op het hoofd
men versta mij wel
elk zet zijn eigen hoed op het eigen hoofd
dat is hun recht
dat is het recht van deze beide heren.
Ja, dat weekje Er-Op-Uit - waarin ook nog een heerlijke tweedaagse voettocht
plaatsgreep, de NS-wandeling Kroondomein van Vaassen via Elspeet naar
Harderwijk, van respectievelijk 15 en 19 km, en met als bijzondere pleister-
en overnachtingsplaatsen 'Congrescentrum/hotel Mennorode te Elspeet'
respectievelijk 'de eeuwenoude herberg De Zwarte Boer te Leuvenum',
waarover een andere keer gegarandeerd meer aangezien ze al voor herhaling
genoteerd zijn - nou, dát weekje Er-Op-Uit weet intussen wat hoor! Volop
geïnspireerd door al die supernatuur en supercultuur gingen wij in eigen huis
en tuin aan de slag om het daar eens flink op te schonen, aan te harken en
bij te coifferen. U ziet: een mens gaat er zelfs geëxalteerd van schrijven.
Hoogste tijd dus om met beide benen op de grond te landen: het zomerse
handwerk van een mens in de tuin. (Wie daar tegenop ziet, er ronduit van gruwt of nou eenmaal altijd alles
van en rond tuinen per definitie, hartgrondig en welgemeend overslaat, die
kan nu het beste meteen doorstoten naar het slotgedicht Zelfportret
van Rutger Kopland. Het komt uit de bundel 'Een man in de tuin', dat dan weer
wel, dat kan noch wil ik hier verhullen. So be it. Het is niet persoonlijk
bedoeld.)
Allereerst zijn daar de mieren, massaal veel mieren, met ondergrondse
burchten en wijdvertakte doolhoven onder alle straatwerk en tegelpaden. Harde
werkers zijn het, die mieren, en voorstanders van maanlandschappen op de
plaats van vlak plaveisel. Zo hebben wij bijvoorbeeld een opengewerkte
gietijzerzware parasolvoet decoratief en toch praktisch op het gekeide
voetpad nabij de kruidentuin staan. Toen ik dat geval in mijn schoningswoede
verplaatste en wegrolde, bleek de ruimte eronder VOLLEDIG gevuld te zijn met
naar boven gesleept scherp zand, zo ongeveer een halve emmer vol - en dan
reken ik de radeloze bovengrondse kolonie vliegende mieren niet eens mee. Om
het geschoonde paddeel heb ik nu een hekje geplaatst mét het officiële
waarschuwingsbord: Pas Op Instortings Gevaar!
Dezelfde resultaten werden bereikt: op het bordes bij de voordeur, terzijde
van de bijkeuken, in de aanloop naar het cv-hok, driemaal op de doorloop naar
de moestuin, in de broeikas, ter hoogte van het kampeerveldje, en onder de
tweede parasolvoet. Toen waren de hekjes op. - Het is de afgunstige straf
voor een te grote tuin. Dat zal me leren!
De tweede en de derde dag zette ik me volledig in om de restanten van het
plaveisel te ontdoen van woekergras, ongewenste bodembedekkers en de
sluipmoordenaars zevenblad en jodenverdriet (excusez le mot, het is geen
eigen taalvinding, wortelstokranonkelaars zijn het, ondergronds verzet tegen
strakke en burgerlijke tuinen). Ik doe dat op twee manieren: het voorwerk met
de koperen borstel, de genadeklap (op de knieën!) met het
Xenos-aardappelschilmesje van zo'n tachtig cent. (Ik verslijt zo'n vier mesjes
per schoningsseizoen, een koopje dus.) Na tien à twaalf vierkante meter moet
ik drie uur uitrusten, het is werk van bouwvakkerszwaarte. Maar het resultaat
mag er zijn, vooral in het begin. Vergelijk het maar met een knipbeurt bij de
kapper: na vier weken moeten de stekeltjes weer nodig gekort worden. Maar de
eerste twee weken... prachtig!
En dan de knip-en-snoei natuurlijk, van de liguster en de beukenhagen:
heerlijk destructief werk, uiteraard in de uitvoering met het
handsnoeigereedschap. (Herrie in de tuin is een ramp, 'het zou verbóden
moeten worden!' Veel, voornamelijk mannelijke, tuinierders zien dat anders.
Die zweren bij de elektrische bladblazer, de elektrische black&dekker en
vooral de benzinemotormaaier, het allerliefste nog een zitbenzinemotormaaier:
het grasveld kan niet groot genoeg zijn! Liefst twee keer per week. Buurman,
zal ik jouw stoppelveldje ook even mee doen?) - Je ziet meteen resultaat,
het ruikt heerlijk naar versgeknipt groen, je armen en benen zitten onder het
in je zweet aanplakkend blad, je voelt je een beetje kunstenaar, beeldhouwer
en Matisse tegelijk. Gelukkig dat ik hier de afgelopen twee maanden geen tijd
voor had, nu ben ik er een hele dag heerlijk zoet mee. Om half vijf kan ik
het verdiende koele glas bier maar nauwelijks naar de mond krijgen... Ik zeg
het nog maar eens, en ten overvloede: aaah, wie ben ik toch dat ik dit doen
mag?
In de rest- en tussenuren maaide ik het gras, knipte de randjes bij, schoonde
van alles op. En alles uiteraard weer met de simpelste hulpstukken, het
handmaaimachientje, de grasschaar, de grashark, de kruiwagen, de bezem en de
handveger. Geen grotere voldoening dan een versgemaaid landje, de eenvoudige
knipbeurt met kam en schaar. - Ja, je bent een simpele ziel of niet.
En volgende week, en volgende maand, en volgend seizoen: mag het allemaal
weer, moet het allemaal weer, en opnieuw, en nog eens, en nog eens. Dat is
heerlijk, en ook wel eens balen. Zal het ooit eens genoeg zijn? Nee, dat
niet, dat is leven, herhalen, opnieuw doen. Heerlijk. Hehe. Bah. Alweer.
Heerlijk. Hehe. Bah. Alweer. Heerlijk. Hehe. Bah. Heerlijk. - Tot het tijd is
voor verandering, the change, something completely different, een nieuwe
uitdaging, het onvermijdelijke - en je het mist.
Maar tot die tijd... ga ik het liefste maar gewoon door met al die
herhalingen, kijk ik zo nu en dan in de spiegel, en lees ik graag nog eens
een gedicht. Rutger Kopland bijvoorbeeld. Over een man in de tuin, een zelfportret, woorden
die niet kunnen worden begrepen. Woorden die niet kunnen worden begrepen? Woorden
die niet kunnen worden begrepen. Dat zullen we dan nog wel eens zien! Ja, zie
maar.
ZELFPORTRET
Je ziet een man in de tuin
hij lijkt verzonken in zichzelf
die man ben ik, ik weet het
maar als je lang kijkt naar een foto
van jezelf verval je in gepeins -
wie je bent en wie je bedoelt
als je ik zegt, enzovoort
ik kijk en kijk in dat gezicht
en inderdaad - ben ik dat?
over het ik is veel nagedacht
ook door mij, maar de meningen
lopen nog steeds ver uiteen
ook die van mij - zoals dat gaat
met woorden die niet kunnen
worden begrepen
niemand heeft ooit zichzelf gezien
maar het verlangen blijft
naar het onzichtbare ik
je zoekt in wat er van je
overbleef een man in de tuin
Tamelijk
vermoeid van een weekje 'weg' ging ik vrijdagavond dus maar eens vroeg naar
bed - half twaalf, de radio op 1, 'Met het oog op morgen', buiten woei de
regenwind, binnen zat Kris Kijne, favoriet invalpresentator. Hij kondigde net
een onderwerp af, en werd daarbij nogal sharp door de muziek afgekapt. Binnen
twee tellen herkende ik het nummer, en meteen zette ik het toestel harder -
in de hoop dat ook mevrouw B., beneden aan de buis, de muziek op zou pikken:
Gé Reinders i.s.m. Fanfare Eendracht uit Nieuwerhagerheide, met
'Blaosmuziek', bij ons beter bekend als: 'Zondagmorgen blaosmuziek'. M'n
haren (die duidelijk naar de kapper moesten) gingen er recht van overeind
staan, zoals elke keer wanneer ik deze muziek hoor. Aan het eind van het
nummer hef je vanzelf de armen ten hemel, in een poging om de dirigent het
afzwaaien te beletten, zodat de eindstoot doorduurt en doorduurt. Vergeefs!
En bafff!, viel ik terug in de kussens, een snik achter de kiezen!
Godallemachtig wat een slotakkoord! Nú doen, luisteren en kijken op het
filmpje van youtube hiernaast - en... kippevel hoor, gegarandeerd! - En dat
allemaal omdat presentator Kijne het Wereld Muziek Concours Kerkrade 2009 aan
te kondigen had. Ook een aanrader, voor de liefhebbers met
incasseringsvermogen: er zijn maar liefst 20.000 deelnemers!
Tot zover de afdeling 'Keihard'. Over nu naar 'Doodstil'.
De donderdag vóór de vrijdag hierboven werden wij om 16.40 uur per buurtbus
door het minidorpje 'Doodstil' gereden, Gemeente Kantens in Noord-oost
Groningen, tussen Uithuizen en Zandeweer, en gelegen aan de Trekweg langs het
Boterdiep - blijkens het onderschrift op het gemeentebord: 'De mooiste
plaatsnaam van Nederland'. IJdelheid of voortvarend staaltje
toerismemanagement? Zeker is dat ik meteen m'n mond hield, middenin een zin,
toen mevrouw B. me op het plaatsnaambord attent maakte. 'Doodstil... wat mag
dat dan wel betekenen?' vroeg ik de wagenbestuurder van Buurtbus Lijn 61,
tevens onbezoldigd vrijwilliger van de Menkemaborg te Uithuizen en Stadsgids
van Geheel Noord-oost Groningen e.o. 'Het kleine dorpje Doodstil bij
Zandeweer is ontstaan rond de til (dat wil zeggen hefbrug) van Do(e)de, een
eigennaam,' citeerde de man op dicteersnelheid pagina 53 van het Wad- en
Wierdenpad - Lange Afstands-Wandelpad 5-5 van Lauwersoog naar Nieuweschans
(120 km). En opnieuw viel ik stil, nu uit bewondering voor 's mans
taakopvatting en anticiperingsvermogen. Dode's Til - Doodstil... dus zó
eenvoudig kan plaatsnaamkunde zijn. Uithuizermeeden... de mieden (Engels
meadows) = gras- en hooilanden van Uithuizen. - Ja, ze zijn daar gek op
bijzondere plaatsnamen hoor, daar in Noord-oost Groningen: Holwinde,
Bethlehem, 't Oelenust, Kloosterwijtwerd, Schathuis... Om van te schateren en
daarna stil van te worden: 'Het schathoes was vroeger de schuur, waar de
pachters hun huur in de vorm van een bepaalde hoeveelheid graan moesten
afleveren.'
Zoals ik eerder die dag in meerdere opzichten stil
geworden was van de Menkemaborg in Uithuizen. Als je wilt zien waar al die
'schatting' uiteindelijk toe leidde, ga dan de rijkdom in en rond deze
'burcht' bekijken. Een en al pracht en praal, binnen en buiten, voor 'de
familie'. Met aparte vertrekken voor ontvangst en 'zitten', studeren en
recreëren, voor eten en slapen (met staatsieledikant en gebrandschilderde ramen)
en voor kinderen. Een en al rijkdom aan de wanden en op de vloeren, in de
kasten en op de tafels. En in de gangen de rijke kisten met koperbeslag,
koloniale meubelen van de schepen van VOC en WIC. Met een gehele
onderverdieping (downstairs) voor keukenwerk, personeel en voorraden. Buiten
de slotgrachten en priëlen, rozentuinen en geschoren linden, moestuinen en
parken, en natuurlijk de twee secreten. Gelukkig is de borg tegenwoordig
gemeenschapsbezit, en kan iedereen zich gaan vergapen aan wat een enkeling
vroeger allemaal bezat. De Stichting Museum Menkemaborg onderhoudt en beheert
het geheel met grote inzet, liefde en vooral... met idioot veel
vrijwilligerswerk! Zo zijn bij voorbeeld vijf hoveniers zes weken per jaar in
de weer om het rosarium twee weken te laten bloeien. Wij waren er op het
juiste moment, aan het eind van die twee weken! - Tot zover mijn eigen
Menkema-folder, goed voor een halve dag heerlijkheid!
Voor de broodnodige afwisseling tussen keihard en
doodstil bezochten wij Het Stripmuseum te Groningen. Daar kun je schateren om
Sigmund, de minkukel van een psych die je een pijnlijk intakegesprek afneemt,
of stilletjes zwijmelen bij de verschillende versies van Kuifje in Afrika of
de capriolen van Dick Bos. Joost Swarte leert je wat magenta voor kleur is,
tekenaar Jan Steeman van Sjors en Sjimmie moet je met een lantaarntje zoeken,
en het atelier van Hans G. Kresse (Eric de Noorman!) is net zo heerlijk
slordig als de man zelf. Veel en velen ontbreken er (nog), een Fred Julsing
bij voorbeeld, een Dick Matena, een Hein de Kort, een Jan Vervoort. Maar
misschien komen daar wel telkens actuele tentoonstellingen van, zoals nu die
met Peter de Wit (Sigmund in de moderne samenleving). Nou ja, ik ben
niet eens een echte stripliefhebber, dus: de ware fanaat zal er
waarschijnlijk méér genieten, maar ook nog veel meer missen. Kortom: gaat dat
zien, gaat dat zien! Oja, en waar is Bor de Wolf intussen? Huilend in de
krochten van de opslag?
Tot slot het laatste nieuws van vanmorgen, waar ik
opnieuw stil van werd: dichter en performer Simon Vinkenoog overleed vannacht
in het VU Medisch Centrum in Amsterdam, dik tachtig jaar oud, net aan de
beterende hand van een beenamputatie, maar comateus fel overvallen door een
hersenbloeding.
Ik citeer het enige gedicht dat Komrij van hem opnam in zijn bloemlezing 'De
Nederlandse poëzie van de 19e en 20ste eeuw in 1000 en enige gedichten', t.w.
o-derivaat uit: Gedicht, Tweede jrg., nr. 5, 1975. Vinkenoog was niet
bepaald de dichter voor de stille lezing, Vinkenoog bestond en bestaat vooral
bij de gratie van 'hardop'. Dus wat let u?
O-DERIVAAT
Toen ik niets meer deed
wist ik wie ik was
van alle mogelijkheden
nog het meest simon vinkenoog
uit stilte ontstaan
af- en aanwezig,
warm en koud,
waterpas.
Wat ik tot nader order was
bekend en onbekend
niet langer meer dat
maar één en al oor
in de wetenschap
dat
Ik heb er lang over gedaan, over het lezen van De opwindvogelkronieken,
892 pagina's Haruki Murakami. Nou ja, het heeft de beroemde Japanse
auteur zelf ook ruim vier jaar gekost om het te schrijven, dus dan is een
dikke maand nou ook weer niet al te lang om met zo'n titel bezig te zijn. En
net als de auteur heb ik er verschillende andere boeken 'tussendoor' gedaan
(achterstallig leeswerk als De pianoman van Bernlef, De reis van de
lege flessen van Kader Abdollah, De wandelaar van Adriaan van Dis,
Zwaan kleef aan van Henny Vrienten - allemaal zeer de moeite waard, en
niet alleen als intermezzi). Dat 'tussendoor doen' kan gemakkelijk bij deze
kronieken, deze baaierd aan bijzondere en soms bizarre verhalen en
gebeurtenissen. Misschien móet het zelfs wel. Want natuurlijk blijkt ook in
deze roman uiteindelijk alles met alles samen te hangen, maar net als in het
echte leven kom je daar pas van lieverlede, stapje voor stapje, en dan ook
nog eens hinkstapsprongsgewijs, achter. Het gaat te ver om te zeggen dat dit
boek de auteur 'overkomen' is, zeker is dat hij er niet met een vooropgezet
plan aan begonnen is! Nou, dan mag je als lezer jezelf gerust ook alle ruimte
gunnen om die roman te veroveren.
De opwindvogelkronieken zijn niet kort samen te vatten. Behalve dan
misschien in filosofische zin. Het boek is een moderne Odyssee én Ilias ineen,
zonder happy end, en gaat over een jonge man (Tòru Okada) die op zoek is naar
zijn verdwenen vrouw (Kumiko). Anders gezegd, dat is de kapstok waar
schrijver Murakami zijn verhalen, ideeën, filosofieën, ontdekkingen en
verrassingen aan ophangt. De vraag of Tòru zijn Kumiko ook werkelijk vindt,
zweeft ook na de laatste pagina nog lustig voort. Een pure 'mystery' is dit
boek dus niet bepaald.
Volgens vertaler Jacques Westerhoven lijkt Tòru Okada in alles een gewone
jonge man, iemand die van nature geen rare dingen zal doen. Toch raakt hij
verstrikt in omstandigheden die hem uiteindelijk tot handelen dwingen, met
reëel gevaar voor eigen leven. In wezen wordt er van hem verlangd dat hij
antwoorden vindt op de vraag: 'Wie of wat ben je?' In de loop van het boek
wordt die vraag steeds prangender teruggebracht tot zijn meest essentiële
versie: 'Wat is een mens?' - Ga d'r maar aan staan. Of liever gezegd: zitten.
Want Tòru brengt grote delen van het boek onderin een drooggevallen waterput
door, in diepe duisternis, en met een honkbalknuppel als dreigende
voorspelling in de hand.
Tòru Okada heeft voor zichzelf als bijnaam 'De opwindvogel' bedacht. Wat dat
voor een vogel is, en of ie ook in het echt bestaat, ben ik in het boek niet
te weten gekomen. Je moet het zo'n beetje doen met het volgende gesprekje (p.
85) tussen Tòru Okada en zijn dwarse buurmeisje May Kasahara:
- 'Ik heet Tòru Okada,' zei ik.
- Ze liet mijn naam een paar keer over haar tong rollen. 'Zegt niet veel he,
die naam? Heb je geen bijnaam, iets dat makkelijker in het gehoor ligt?'
- 'Nee,' zei ik.
- 'Nou zeg!' zei ze. 'Bedenk er dan een.'
- 'Opwindvogel,' zei ik.
- 'Opwindvogel?' Ze staarde me met halfopen mond aan. 'Wat is dat?'
- 'Gewoon, de opwindvogel,' zei ik. 'Dezelfde die elke ochtend in een boomtop
de veren van de wereld opwindt. Kiiiiiiii!'
- Ze keek me nog steeds aan.
- Ik zuchtte. 'Nou ja, het was zomaar een idee. Die vogel komt elke ochtend
in de buurt van ons huis, en dan krijst hij: Kiiiiiiii in de boom van
de buren. Maar niemand heeft hem ooit gezien.'
- 'O,' zei ze. 'Het is wel een hele mond vol, Opwindvogel, maar het klinkt in
elk geval stukken beter dan Tòru Okada.'
- 'Dank je wel,' zei ik.
(Maar wat nou een opwindvogel is? Wie het weet mag het me melden. Maar het
hoeft niet.)
Tja, en dan nog dat tweede deel van het woord opwindvogel-kronieken.
Hoe moet je dát nou weer begrijpen? Ik citeer de auteur: 'Ik weet ook niet
goed waar het woord 'kroniek' opeens vandaan kwam. Het kwam zomaar bij me op,
zonder enige betekenis of opzet, gewoon als woord, als klank. Maar ik besefte
wel dat, zolang ik het woord 'kroniek' gebruikte, het boek om tíjd moest
draaien - met andere woorden, dat er een geschiedenis aan verbonden moest
zijn. Om het nog eens anders te zeggen: het woord werd niet bepaald door de
inhoud van het boek, maar de inhoud werd bepaald door het woord. Zo werd De
opwindvogelkronieken een verhaal met een felle historische kleur. Ik neem
aan dat ik op natuurlijke wijze, instinctief, naar zo'n verhaal op zoek was
geweest.' - Na lezing van het hele boek denk ik dat te kunnen begrijpen.
Want...
Geholpen door enkele verhelderende toelichtingen van auteur en vertaler, én
door een paar begeesterde gesprekken met zoon mava, heb ik het boek gedurende
weken in zijn volle rijkdom over me heen laten stromen - tot ik het gevoel
had zo'n beetje en toch volkomen 'in Murakami' te zijn. Telkens heb ik
geprobeerd om niet te proberen alles te bevatten, te 'plaatsen' noch te
analyseren. En verdomd, al voortlezende, gretig grazende, ging me dat beter
af. En ontdekte ik een greintje 'logica van het leven': dat het is zoals het
is, mooi en lelijk tegelijk, geloof en ongeloof even waar als onwaar,
menselijk in al z'n extremen, geluk als afwezig ongeluk, een onuitwisbaar
stipje eeuwigheid, een niet te begrijpen poging. - Potdomme, het moet toch
niet veel gekker worden. Lezen dus, die roman! En dat gaat als een
trein hoor, maar wel een die telkens op een ander station aankomt dan je met
het spoorboekje in de hand mocht verwachten.
Hoogste tijd nu voor een kort, eenvoudig gedicht, licht als een glimlach, om
van te snoepen, op te kauwen desnoods. Bij voorbeeld 'Het volle leven' van
Judith Herzberg, uit de bundel Zeepost (1963). Heerlijk, zo'n schril
contrast met 892 pagina's Tòru Okada...
HET VOLLE LEVEN
Zullen we
zei ze
samen
in een groot bed
in een hotel-
kamer
gaan liggen
met pyjama's
aan en
dan de knecht
taart
laten brengen?
In de bus van streekvervoerder Arriva zitten twee meiden op de stoelen naast
ons, aan de andere kant van het gangpad. 'n Jaar of vijftien schat ik,
oplichtende mobieltjes in de aanslag, de ogen zwartomrand, strakke
spijkerbroeken, blote ruglijn boven de riem, laarzen. Zondagmiddag één uur,
buiten schijnt de zon, binnen ruikt het naar Chinees en stoffig plastic. De
ruim gevulde bus taxiet het stationsplein af, de chauffeur is zo vriendelijk
om nog even te stoppen voor een verlate passagier die aangehold komt. -
'Komen jullie nog?' fleemt een van de twee meiden in haar telefoon. 'Wij
zitten al in de bus hoor.'
Twee haltes verder stappen ze in, twee sluikgetinte jongens van - alweer -
zo'n jaar of vijftien of veertien, zwarte kleertjes, witte bloesjes, natte
haartjes. Ze gaan op de klapstoeltjes zitten bij de kinderwagenplaats. Ze
raadplegen hun mobieltjes, stoten elkaar aan, lachen. De meiden naast ons
zijn razend nieuwsgierig, de ene loopt naar de jongens toe. Na wat
onduidelijk geduw en heenenweergepraat komen ze nu met z'n drieën onze kant
uit. Het meisje neemt haar plaats weer in, de jongens vallen neer op de
stoelen vóór hen. - 'Kom naast mij zitten!' verordonneert het flemende meisje
tegen de jongste van de twee jongens, en duwt haar vriendin goedmoedig maar
gedecideerd van haar plaats af. En zo hebben wij nu ineens twee stelletjes
naast ons aan het gangpad zitten.
Meisje 1 steekt de rechterduim in haar mond en legt haar hoofd op de schouder
van jongen 1. Jongen 1 kijkt wat ongemakkelijk recht voor zich uit en blijft
stokstijf zitten. Het meisje 'nestelt' zich tegen hem aan, en duimt
ondertussen lustig voort. Op de stoelen vóór hen voltrekt zich een identiek
ritueel aan meisje 2 en jongen 2. Om de paar minuten worden de mobieltjes
gecontroleerd. Daarna gaan de duimen weer in de mond en volharden de jongens
in hun rechte houding, al lijken ze nu toch 'n ietsepietsje mee te ronden.
Ineens schiet meisje 1 rechtop, en stoot vriendin 2 aan. 'We moeten eruit, we
zijn d'r.' Even later lopen ze gevieren voor ons uit, recht in de
oorverdovende fuik van de megamuziektent die het volledige marktterrein van
het stadsdorp S. omvademt. Muziekfeesten 2009 schreeuwt het neonlicht
boven de ingang, Entree 5 euro. Binnen de enorme tentenconstructie is
een zwart plastic podium gebouwd, op het kale terrein staan links en rechts
wat partytonnen, een enkele bezoeker drentelt van de ene bierbar naar de
andere. Een paar donderstenen van kinderen hupsen op het podium wat heen en
weer. Het feest is nog niet echt begonnen, al staat de muziek reeds op
orkaankracht of eigenlijk nét iets eroverheen. 'Onze twee stelletjes' kopen
kaarten en verdwijnen door de witte tentenwand. - Wij haasten ons intussen
naar onze eigen reünie. Waar ik vandaag toevalligerwijs het volgende gedicht
van Cees Buddingh' voor wil lezen:
Eight Days A Week
Als mijn vrouw met de bus naar de stad gaat
hoop ik altijd dat ze halte ziekenhuis instapt:
dan kan ik haar net zo lang nakijken
als wanneer ze halte vogelplein neemt
en zie ik haar bovendien nog een keer
voorbijkomen in de bus.
Na ons reünietje met tien man - waar ik als steeds de oudste ben alsmede
(samen met mevrouw B.) de enige zonder kleinkinderen, wat ik voor het moment
niet als een handicap ervaar, ik zie nu even meer in die bus van Buddingh' -
haasten wij ons terug naar de Brabantse Arriva-koets met rugnummer 156. Het
muzieklawaai rond het tententerrein stormt nog steeds op windkracht 12.
Bovendien is er meer rumoer op straat, en rommel en gedoe: niet per se een
aangename sfeer. Zoiets als wat 'de wandelaar' van Adriaan van Dis ervaart
als ie op een van de eerste pagina's naar huis terugloopt, bij een grote
brand betrokken raakt en daarbij een vuilnisbakkenrashond in de schoot en in
de nek geworpen krijgt. (Straks in de trein verder op pagina 59, alwaar père
Bruno en 'de wandelaar' aan een volle fles whisky begonnen zijn, en die gaat
er helemaal aan hoor!)
In het bushaltehokje zitten de Jongens 1 en 2 met hangende hoofden en een
sigaret tussen de vingers te zitten. Ze zwijgen, de mobieltjes komen niet uit
de zak. Als de bus arriveert, blijven ze zitten, hangen, roken. Wij stappen
in, en lopen door naar achteren. Ik pak de gedichtenkeuze van Henny Vrienten
('Zwaan kleef aan - Een kettingreactie') uit m'n tas en knoop m'n regenjas
los. Even kijk ik door de achterruit, ze zitten er nog steeds, die twee
schouders van de duimzuigende dames, op weg naar, ja, naar wat eigenlijk? -
Om een antwoord te zoeken, lees ik nog een gedicht van Buddingh', het heet
'Kooitje'. Zoiets wil mij nog wel eens helpen, ja...
Kooitje
Mooi is een kooitje
Met een kanarie erin
Heel mooi ook een kooitje
Met een parkiet erin
Met een merel erin, met een kolibri erin,
Een slavink erin, een bos wortelen erin,
Blokjes marmer erin, een glas water erin
Maar het mooiste is eigenlijk
Een kooitje met niets erin
Soms, zeg maar gerust zelden, krijg ik reacties op de Balthasarsblog.
Negatief: iemand is bijvoorbeeld boos over een vermeende uitglijer, en stuurt
meteen maar een vette rekening aan verwijten mee. Positief: een ander is
getroffen door het gekozen gedicht omdat dat de lieveling van zijn moeder
was. Komt allebei voor. Hoort bij het gamen, verliezen en winnen. Maar als
iemand twee keer in korte tijd uitvoerig mailt naar aanleiding van een
blogtekst of column, dan ben ik al geneigd om van 'mijn vaste briefschrijver'
te spreken, in dit geval briefschrijfster. Barbara, laten we haar voor het
gemak Barbara noemen ook al heet ze niet zo, Barbara is bepaald niet van mijn
leeftijd, ziet er nochtans geen been in om op het scherm lange lappen tekst
te lezen die ook nog eens eindigen met een gedicht. 'Die jongeren zijn toch
van de twitter-lengte?' denk ik dan, 'niet van lang en poëtisch, en al
helemaal niet van de gedegen taal, tikkeltje archaïsch misschien zelfs hier
en daar, hoewel ook soepel en doorleefd (toch?).' Maar... alweer buiten de
waard gerekend, blijkt. En dat is een heerlijke ervaring. - Leve Barbara!
Barbara is opgetogen over mijn stukje van 3 juni ('En zij lagen langs 's
Heeren wegen'), maar vindt 10 juni ('Opnieuw een bruine dag') zo treurig en
te negatief. En ze geeft daar een hele lap argumentatie en overwegingen bij.
Vanuit de overtuiging dat het verstandig is om de heetste actualiteit te
relativeren en niet te snel conclusies te trekken (zoals ik deed door
Nederland 2009 met Duitsland 1933 te verbinden). Bravo voor deze
wetenschappelijke en objectiverende kijk op wat ons dagelijks bespringt.
Waren ze bij de Volkskrant (waar koppen en inhoud van de artikelen zich
steeds vaker van elkaar losgezongen blijken te hebben) en praktisch alle
andere media maar wat meer van deze richting, dat zou ons een hoop hype,
ergernis, onrust en onzin besparen. - Opnieuw: hoed af voor Barbara.
Barbara is vooral geneigd om het stemgedrag bij de Europese verkiezingen van
4 juni jl. - dat het uitgangspunt was voor mijn stukje over die 'bruine
bladzijde' - te duiden als 'een uiting van onmacht en het gevoel een reactie
te moeten geven in een veranderende wereld, waarin grenzen vervagen, mensen
met veel verschillende achtergronden op kleinere stukken samen wonen, waar
steeds minder duidelijk is wat goed en slecht is, de maatschappij
ingewikkelder in elkaar gaat steken waardoor het moeilijker is er inzicht in
te krijgen, het zelfs moeilijk is aan (betrouwbare) info te komen die dat inzicht
kan verschaffen, etcetera.' Ze voorziet (en hoopt!) dat de PVV, net als
eertijds de LPF, door de mand zal vallen als ze eenmaal
regeringsverantwoordelijkheid zal moeten dragen. Ze eindigt met de
relativering: 'Maar goed, de toekomst zal het uitwijzen.' - En daarmee is
Barbara weer terug bij haar eigen uitgangspunt.
Toch kan ik me niet bij Barbara's redenering aansluiten. Ik vind dat het
eenvoudigweg niet mogelijk moet zijn dat er een partij aan de regering
deelneemt 'die anderen (= leden van religieuze en nationale minderheden,
oftewel: moslims, Marokkanen en Turken) fundamentele rechten wenst te
ontnemen. In een democratie worden de rechten van minderheden gerespecteerd.
Komt een partij als de PVV aan de macht, dan krijgen we hier dus een
dictatuur.' - De citaten staan in een artikel van de wankelmoedige
Volkskrant, en zijn van de hand van Annet Bleich. Bleich is daar redacteur,
en verwoordt in dit artikel ('Toch maar een cordon sanitaire', 13 juni 2009)
standpunten die vaak sterk afwijken van andere Volkskrant-artikelen over
Wilders en zijn PVV. (Ik ben benieuwd hoe lang AB dit nog kan of mag
volhouden. En wanneer voor ons de maat vol zal zijn, en we deVolkskrant
zullen opzeggen.)
Van democratische partijen mag je, aldus Bleich, verwachten dat ze duidelijk
maken dat - als het aan hen ligt - de PVV (dus) geen deel van de macht zal
uitmaken. Dat wil zeggen dat ze uitspreken dat ze nooit met de PVV zullen
gaan regeren. Dat is niet ondemocratisch vindt ze, dat is duidelijk. En heel
wat zuiverder dan dat voortdurende 'een beetje opschuiven in de richting van
de PVV en hun standpunten'. - Wil je de hele redenering achter deze
stellingname, lees dan het artikel van Annet Bleich, heldere én zinnige taal
waar menig schijterig politicus een voorbeeld aan kan nemen. - Leve Annet!
Blijft de vraag of je de politieke ontwikkelingen en gedragingen van nu mag
vergelijken met die in het Duitsland van 1933. Ik vind dat daar een hoop voor
te zeggen is, al zijn er natuurlijk ook gigantische verschillen - met als
belangrijkste element dat wij wéten waar al dat simplificerende populistische
gedram toe kan leiden. Niet noodzakelijkerwijs toe léidt, maar toe kán
leiden. De parallellen tussen toen en nu opzoeken en voor de consequenties
waarschuwen: dat dient elk weldenkend mens als een opdracht te beschouwen.
Juist opdat het níet 'treurig en negatief' wordt als destijds, maar uitdraait
op een eerlijker, rechtvaardiger en leefbaarder wereld met
toekomstperspectief voor iedereen. Je kop uit gemakzucht, gewetenloosheid of
welbegrepen eigenbelang in het zand steken, dát is pas eng / fout /
populistisch / verwijtbaar (doorhalen wat niet van toepassing is).
Voor deze ene keer benut ik het slot van deze onbedoeld ernstige
Balthasarsblog niet voor een gedicht, maar voor de beantwoording van de
katechismusachtige vraag: Is de PVV een extreemrechtse groepering die een
bedreiging vormt voor het tolerante klimaat in Nederland? Vraag én
antwoord komen uit de koker van Annet Bleich, en ik sluit me daar
hartgrondig bij aan. Dat is geen bejaardenzwartgalligheid, dat is het
realisme dat ik elke stemgerechtigde toewens. Maar of ik Barbara hiermee
overtuigd heb? 'De toekomst zal het uitwijzen.' (En dan ook weer: luchtiger
onderwerpen in de Balthasarsblog!)
VOLGENS MIJ IS HET ANTWOORD ONDUBBELZINNIG JA
Als iemand dag in dag uit angstbeelden oproept over een oprukkende fanatieke
inslam ('de islamisering'),
tekeer gaat tegen 'Marokkaans tuig',
het leger uit Afghanistan wil halen om in een Goudse achterstandswijk in te
zetten,
de grens wil sluiten voor moslims,
de Koran wil verbieden of tot het formaat van de Donald Duck wil
terugbrengen,
en aanhangers van een religie het recht wil ontzeggen die in alle vrijheid te
belijden (want de islam zou zogenaamd geen godsdienst zijn, maar een
ideologie),
dan hebben we niet te maken met een kampioen van het vrije woord, maar met
een man die anderen fundamentele rechten wenst te ontnemen.
Het idee dat deze man ooit premier zou kunnen worden - dat is zijn doel - is,
denk ik, niet alleen voor mij een nachtmerrie.
Vorige week donderdagavond, 4 juni 2009, de avond van de uitslag van de
Europese verkiezingen in Nederland, was het mij zwaar te moede. En de dagen
erna nog zwaarder, toen bleek dat er óók nog een restzetel aan exteeem rechts
werd toegekend, en er bij links zelfs nóg een afging. Ik wil niet zeggen dat
ik in paniek was - tenslotte behoorden D66 en GroenLinks óók tot de
'winnaars' - maar dat er mediabreed zo oorverdovend gezwegen werd over de
parallel met Duitsland 1933 acht ik een ondubbelzinnig bewijs van het
failliet van het vak geschiedenis.
Ik pakte het boek '1933' van Philip Metcalfe uit de kast, en las de
flaptekst, diapositief afgedrukt in een zwartwit-foto van een uitzinnige
menigte die de Führer in het venster toejuicht: Met 1933 heeft Philip
Metcalfe het bewijs geleverd dat geschiedenis plotseling een meeslepende en
hevige actualiteit kan zijn. De tijd valt weg: we zijn in Berlijn anno 1933,
we leven het leven van Metcalfe's hoofdpersonen. We krijgen toegang tot
ambassades, vergaderingen, feesten, complotten. We zijn in de huizen, de
straten, in de cafés en de hotels - het smeult en het brandt om ons heen. En
diep in ons bewustzijn is er de wetenschap dat alles zal uitlopen op de
totale verwoesting. Maar over dat laatste zwijgt de auteur - hij weet dat de
lezer het weet, maar hij wil zich concentreren op dat ene jaar, waarin de
complexe werkelijkheid nog alle kanten uit zou kunnen gaan.' - Aldus de
flaptekstschrijver van uitgeverij Balans in het jaar Onzes Heren 1989, die
natuurlijk nog geen weet had van het Duivelse Jaar 2009.
Een gruwelijk meeslepend boek, zó moet geschiedenis gebracht worden. Dat vond
ik in 1989, dat vind ik nog steeds. En in mijn onnozelheid had ik aangenomen
dat alles en iedereen die journalist of anderszins verstandig of bij de tijd
was, dat met me eens was. En dus '1933' gelezen had. En dus 'van wanten'
wist. - 4 juni 2009 en de dagen erna: de tijd van de grote deceptie. Wij
weten NIETS. Ik citeer ten bewijze de laatste alinea van Metcalfe's inleiding
op het boek: In traditionele beschouwingen over het Derde Rijk wordt de
machtsgreep van de nazi's in 1933 en 1934 in een paar korte bladzijden
afgehandeld. Er worden diverse verordeningen in genoemd, het verbranden van
boeken wordt beschreven en het verlies van burgelijke vrijheden wordt
opgesomd, waarna de schrijvers snel overstappen naar latere jaren, naar
beschrijvingen van jodenvervolgingen, oorlog en dood. Het beeld van het Derde
Rijk dat ons in romans en films wordt voorgeschoteld is nog steeds dat van
zijn laatste stuiptrekkingen. Toch heeft het net als andere tijdperken ook
een begintijd gekend, waarin alles nog onzeker, chaotisch en zelfs komisch
was. Wat nu volgt is het verhaal van een tragedie. En zoals de meeste
verhalen: het begint op een onschuldige manier.
En hoe het eindigt lees je bij voorbeeld in het gedicht 'Met mijn moeder die
las' (2000) van Hanny Michaelis. Misschien heb ik het al eerder geciteerd,
tja, zo gaat dat met de beste literatuur.
MET MIJN MOEDER DIE LAS
Met mijn moeder die las
en breide tegelijk
en mijn vader die zes uur
per dag piano speelde
heb ik jarenlang gepraat,
gelachen en ruzie gemaakt
totdat ze werden ingelijfd
bij de legendarische 6 miljoen.
Een getal, waarover na ruim
een halve eeuw nog steeds
wordt geredetwist.
Hun gezichten beginnen te vervagen.
De klank van hun stem is
al bijna ontkleurd. Straks
ben ik er ook niet meer. Dan
zal het zijn alsof wij drieën
nooit hebben bestaan.
Halverwege de voettocht aten wij een kopje soep in Café-Zaal 'Onland',
authentieke pleisterplaats onder het gehucht Terborg, zo'n beetje tussen
Doetinchem en Halle in, de chic van de omgeving. Kijk er voor de aardigheid
Google Earth even op na, zoek in de richting van Het Paradijs Op Aarde Voor
Wandelaars, en jaaa, daar ongeveer. Waar de buienradar geen bereik heeft, en
waar Van Gogh en Gezelle (niet toevallig tijdgenoten!) nog volop achterstallig
werk hebben liggen.
Het soepbonnetje van 'Onland' borg ik zorgvuldig weg achterin Het
Graafschapspad, met de bedoeling om er later met gasten nog eens op terug te
komen. Daar had ik me buiten de wind gerekend toen ik mevrouw B. op kaart 14
onze positie wilde verklaren. Want weg woei het bonnetje, de velden in, de
sloten over, het op zwad liggende gras tegemoet. En dat leek ons ook wel wat,
dus vleiden wij ons neer langs de slootkant, zonnehoedje op de neus, nog net
geen pijpestrootje in de mond (maar het hád gekund). Dus zo lagen wij daar
langs 's Heeren Wegen tot een uit Waterschapsheuvel weggereden hroeba-hroeba
(grommend landbouwwerktuig) onze rust finaal doch wreed kwam verstoren. Maar
inderdaad, wij moesten weer eens verder. Op 'Slangenburg' aan, en op Zelhem
met 'Het Witte Paard'.
Rietveld Lyceum Doetinchem
Nog net voor je Doetinchem uit bent, vang je de statige en hoofse blik van
het mooiste schoolgebouw van Nederland. Prachtig langgerekte halfhoge witte
gevel met fraai-zwarte schreefloze belettering, vet naast mager, subtiel
cursief. En dan die typisch halflage breeede ramen, dat felrode vierkant...
balsem voor de ziel van de door witte schimmel in grauwe buitenwijken in
neodit en neodat gemaltraiteerde... Aah, dat een wandeling ook zó kan beginnen!
De Geest van Montgolfier
Gesterkt door Rietveld, de zon en een lichte bries stapten wij stadion en
dierenparkje voorbij, en koersten op een bankje in het open veld. Daar
ritsten wij de broekspijpen af, en namen onze eerste rust. De lucht was helderblauw
met welgeteld één wolkje. Maar wel een met de volmaakte vorm van een
hete-luchtballon, van boven fraairank gebogen, een bungelende passagiersmand
aan de onderkant. De zon was weliswaar warm, maar voor een fata morgana niet
warm genoeg. Wij keken in een Magritte-schilderij, puur blauw en doorzichtig
wit, Ceci n'est pas un ballon blanc (Nabij Gaanderen, 2009). - En geen
woord gelogen.
Landgoed Slangenburg (SBB)
Schoolreisjesgewijs kwamen er twee touringcars aangereden, brave tieners met
middelbare juffen en moeders als klasseassistenten, een stralend dagje naar
1675. "Nergens in Nederland bleef een groots en samenhangend ontwerp
voor vormgeving van huis en park van het eind van de 17e eeuw zo goed bewaard
als op De Slangenburg." Foldertaal, okee, maar toch. De wijde omgeving
van het middeleeuwse kasteel ademt Floris, en niets dan Floris, de
touringcars alleen maar close encounters of the third kind. Het wonderlijkste
van alles dringt pas later tot me door: niet één kind met het mobieltje aan
het oor!
En dat allemaal tijdens een doordeweekse wandeling uit de 'Vernieuwde editie
van Het Graafschapspad' - Streekpad 8, 115 km (Stichting Wandelplatform-LAW,
Amersfoort 2000). En alweer: 'Aaah, wie ben ik dat ik dit doen mag?' - 'In
deze goddelijke omgeving,' voeg ik er nog maar eens aan toe, 'en met mevrouw
B. aan mijn zijde!'
Het staartstuk van Panamarenko
Zo goed als het wandelpad één aaneenschakeling was van wereldlandschappen en
aangezichten, zo verwonderlijk was ook de bebouwing eromheen zo nu en dan.
Aan het Brunsveld bij voorbeeld ontwaardden wij een
boerenbedoening-met-extra's van hoog gehalte. Al van verre was het ons
duidelijk dat daar een Kunstwerk uitgeprobeerd werd, tentoon stond als het
ware. Naderbij gekomen bleek het te gaan om Panamarenko's laatste
vliegtuigontwerp, waarvan het staartstuk kunstzinnigerwijs en met witgespoten
uiteinden uit het weilandje omhoog stak, 'gevangen in het potentiële licht
van hooggetorende schijnwerpers op stalen poten eromheen'. Of gedachten van
gelijke strekking dan, dat heb je nou eenmaal met kunst. Helaas zijn wij er
niet achter kunnen komen of Panamarenko zelf nog wel van deze Installatie op
de hoogte was... maar van onze wandeling was het een Nieuw HoogtePunt, NHP.
Tunnel des doods
Is er dan niets onaardigs over deze wandeling tussen Doetinchem en Halle te
melden? Jawel, zeer zeker wel. En dat komt nu. Je moet twee keer onder de A18
door. En die tweede keer, dat is echt een pijnpunt. Het gaat om een lange
betonnen tunnel voor alle verkeer tegelijk. En ook aan de voetganger is
gedacht, met een stoepje van zo'n 15 à 20 cm breed (ga het maar nameten!).
Als er van beide kanten auto's aankomen (en het is daar druk hoor!), dien je
je als een gekuisigde christus tegen de hoge tunnelwand aan te klemmen: zó en
niet anders kun je hier als wandelaar het verkeersgeweld overleven. Voor
moeders met kinderwagens en rolstoelgebruikers is al een slachtoffermonument
in oprichting. Rollatorgebruikers hebben zichzelf deze weg ontzegd. Tot nu
toe. De verwachting is dat ook voor hen uiteindelijk een gedenkteken
opgericht zal moeten worden. Een bak met kraaiepoten, dat lijkt me een goed
idee.
's Heeren Omwegen
Aan het einde van de wandeling wilden wij gewoontegetrouw een stukje ánders
doen, korter liefst, want we werden moe en de zon was genadeloos. De kaart.
- Kijk, als we nou zo, nee, beter nog, zó, de weg naar Halle mijden en meteen
doorstoten naar Zelhem, dan zijn we eerder klaar en kunnen we daar meteen de
bus nemen.
- Maar die heerlijke pils dan in 'Het Witte Paard'?
- Dan nemen we toch gewoon de volgende bus, ná die heerlijke pils in 'Het
Witte Paard', oen!
De kortere weg naar 'Het Witte Paard' was lang, en warm, en qua
natuurbeleving een deceptie. In Zelhem reed de bus voor onze neus weg. 'Het
Witte Paard' was 'Vandaag wegens bijzondere omstandigheden Gesloten'. Kortom:
wij waren er 'voor vandaag wel klaar mee'.
Maar de pils in het alternatieve 'Vier Jaargetijden' was top, en onder in het
glas van nul graden! Specialiteit van het huis. - Stipt op tijd voor de
volgende bus stonden wij vervolgens bij de bushalte. Lijn 123 kwam een
kwartier te laat. Een prachtige dag!
Het kán niet anders of zo'n dag, zo'n wandeling, zo'n landschap: dat eindigt
met Gezelle, Guido Gezelle, natuurlijk! Lees van hem toch op z'n minst eens
de bundel Dichtoefeningen, of Kerkhofblommen als je daarvoor
meer in de stemming bent. Maar men kan natuurlijk het beste de Verzamelde
gedichten kopen, om er vaak in te 'brevieren'.
Vandaag citeer ik het gedicht 'Ach hemellawerke' ('Ach, leeuwerik') uit de
bundel Gedichten, Gezangen, Gebeden en Kleengedichtjes (1859). Gewoon
hardop lezen, dan zal het waratje wel gaan.
ACH HEMELLAWERKE
Ach, hemellawerke (leeuwerik), waar zit-je gij dan
zoo luide en zoo lange te preken,
waar dat ik met de oogen niet achter en kan,
al hebbe ik zoo dikkens gekeken?
o Mocht ik u volgen en, vleriken (vleugels) aan,
lijk gij, in den hemel, den hoogen,
te choore met de andere veugelen gaan,
en vluchten de menschen hun' oogen! (uit hun ogen!)
Dan zonge ik, o vogel, en schaterde ik blij,
en niemand en zou het mij weten,
terwijl ik, aan 't zingen en 't preken, lijk gij,
waar' hooge op de wolken gezeten!
Hei, hemellawerke, mij lieflijk dier,
o, mag er een mensche u wat heeten,
komt neder, komt neder, komt nader, komt hier,
komt, wil toch een stondeke (ogenblik) beeten! (neerstrijken!)
Verstondt-je mijn tale zoo 'k de uwe verstaan,
gij kwaamt en gij liet mij... Wat baat het?
Gij zingt, en mijn klachte ze en gaat u niet aan,
gij zingt en al 't ander - gij laat het!...
Dát wou ik, dat ik hier een openingszin kon presenteren als Cees Nooteboom in
zijn 'Rituelen' (1980) deed. Want ik weet niet waar het boek tegenwoordig
beroemder om is, om z'n beginzin of om de beschreven rituelen. Maar het boek
ís beroemd, zoveel is zeker. - Datzelfde lot gun ik sinds gister ook de film
'Departures' (2008) van de Japanse filmer Yojiro Takita, zodat iedereen hem
wil gaan zien. En nu we het toch over 'definities' hebben, ik wou dat de naam
van de vertaler/ondertitelaar me bekend was. Dan zou ik haar/hem
complimenteren met de quotes dat 'de gestoomde ham van de koolvis
onvergeeflijk lekker bereid' was, en dat de cellovertolking van Brahms'
wiegelied 'onvergeeflijk mooi' uitpakte. Deze laatste kwalificatie geldt wat
mij betreft de hele film, die in feite niet meer en niet minder is dan een
magistrale demonstratie van de Japanse rituelen rond het afleggen en opbaren
van gestorven geliefden. De slotscène van de film vertoont nog één keer het
totale ritueel in zwart-wit, terwijl de Japanse aftitelingskarakters als een
doorzichtig telraam ten hemel varen. Mooier slotbeelden zijn niet denkbaar.
De volgende tekst van filmhuis De Keizer te Deventer had ons overgehaald om
én idioot vroeg op te staan én op een uitzonderlijk tijdstip naar de film te
fietsen én om juist de film 'Departures' (Vertrek, Afscheid, Overlijden) te
gaan zien. Bovendien waren er nog zo'n zeventig andere 'gekken' ook.
Complimenten dus voor tekstschrijver en organisatoren van De Keizer: Volgens
goede traditie sta je op Hemelvaartsdag vroeg op om een eind te fietsen en
vervolgens iets leuks te doen. Wij hebben precies de juiste tijdsbesteding
voor u, een prachtfilm, de Oscarwinnaar Beste Buitenlandse Film 2009, op een
ongebruikelijk tijdstip. Aansluitend wordt een lekker ontbijt geserveerd.
Daigo is een getalenteerd cellist wiens orkest plotseling wordt ontbonden.
Wegens geldgebrek besluit hij met zijn vrouw terug te keren naar zijn
geboortedorp, waar hij door een onduidelijke advertentie per ongeluk bij een
uitvaartondernemer terecht komt en wordt aangenomen. Hoewel zijn vrouw en
andere kennissen neerkijken op het werk dat hij doet, weigert Daigo zijn baan
op te zeggen. Hij raakt steeds meer bedreven in de officiële rituelen en door
de dagelijkse confrontatie met dood, begint hij eindelijk in te zien waar het
in het leven werkelijk om draait.
Bij De Keizer hadden ze inmiddels nóg een briljante ingeving gehad: ontbijt
niet aan het einde, maar in de pauze van de film (130 minuten, exclusief
reclame en trailers). Aan het einde van de film zou dat niet meer gekund
hebben, daarvoor waren de bezoekers te zeer aangedaan, sommigen zelfs ietwat
van slag. Dan heb je tijd nodig voor rustig herstel, geen leutige koffie in
bont gezelschap.- Een tweede pluim dus voor de mensen van De Keizer.
Gaandeweg de film weet regisseur Takita (én hoofdrolspeler Kimiko Yo Masahiro
Motoki) je zó te involveren in de afscheidsrituelen dat je je familielid
waant van het gestorven kind, de sympathieke badhuishoudster, de verguisde
vader. Want dat is toch wel het bijzondere van de Japanse aanpak: de ganse
familie zit toe te kijken bij de lijkwassing, de rituele aankleding, het
opmaken van de dode. En dat gebeurt in deze film zo liefdevol, met zo'n groot
respect voor overledene en familie, dat de noodzaak van de rituelen en de
prachtige aankleding ervan je volkomen natuurlijk voorkomen. Er daalt een
grote rust neer op de aanwezigen, meer berusting misschien. Waarna het
definitieve afscheid en de lijkverbranding draaglijker geworden lijken: je
hebt het beste gegeven wat je de overledene maar kon geven, respect en alle
aandacht in vol ornaat. Ja, zo kan de laatste reis beginnen, en eindigen in
de woorden van de ovenstoker: 'Je ziet me later weer.'
Dat hoofdrol Daigo oorspronkelijk cellospeler was, komt nog mooi van pas.
Toepasselijke stukken van Brahms, Haydn (Pablo Casals!), Beethoven, Bach en
Gounod worden waanzinnig mooi vertolkt, en geven de film een melodieuze
bedding waarin de ons onbekende rituelen zich in een volmaakte vanzelfsprekendheid
voltrekken. Als de film het succes wordt dat ik 'm gun, dan krijgt de
platenboer het nog druk.
En over het vader-verhaal van de kiezelsteen die gevoelens van de gever over
kunnen brengen aan de ontvanger, zou een aparte blog te schrijven zijn. Maar
er zijn meer manieren om stenen te laten spreken. Daarvoor geef ik graag het
woord aan Wyslawa Szymborska (1923), de Poolse Nobelprijswinnaar voor de
Literatuur in 1996. In haar bundel Uitzicht met zandkorrel staat het
'onvergeeflijk mooie' gedicht 'Gesprek met een steen'. Szymborska werd
meesterlijk vertaald door Gerard Rasch. Het gedicht van Szymborska sluit
overigens niet naadloos aan bij de film van Takita, maar stof tot nadenken
over leven en dood geeft het volop. En was dat niet ook de winst en het
inzicht die Daigo aan het eind van de film ervoer?
GESPREK MET EEN STEEN
Ik klop op de deur van een steen.
'Ik ben het, doe open.
Ik wil in je binnenste gaan,
overal rondkijken,
met jou mijn longen vullen.'
'Ga weg,' zegt de steen.
'Ik ben hermetisch gesloten.
Zelfs aan stukken geslagen
zullen we hermetisch gesloten blijven.
Zelfs fijngewreven tot zand
zullen we niemand binnenlaten.'
Ik klop op de deur van de steen.
'Ik ben het, doe open.
Ik kom uit louter nieuwsgierigheid
die alleen het leven kan bevredigen.
Ik ben van plan door je paleis te wandelen
en daarna nog blad en waterdruppel te bezoeken.
Ik heb niet veel tijd voor al die dingen.
Mijn sterfelijkheid hoort je te ontroeren.'
'Ik ben van steen,' zegt de steen,
'en moet daarom mijn ernst beslist bewaren.
Ga weg vanhier.
Ik heb geen lachspieren.'
Ik klop op de deur van de steen.
'Ik ben het, doe open.
Ik heb gehoord dat binnen grote lege zalen zijn,
onbezichtigd en vruchteloos mooi,
verlaten en zonder echo van enige voetstap.
Geef toe dat je er zelf niet veel van weet.'
'Ja, grote en lege zalen,' zegt de steen,
'daar is alleen geen plaats.
Mooi, wellicht, maar dat gaat de smaak
van jouw gebrekkige zintuigen te buiten.
Je kunt me leren kennen, maar ervaren nooit.
Mijn hele oppervlak keer ik jou toe,
met mijn hele binnenste lig ik afgewend.'
Ik klop op de deur van de steen.
'Ik ben het, doe open.
Ik zoek in jou geen toevlucht voor altijd.
Ik ben niet ongelukkig.
Ik ben niet dakloos.
Mijn wereld is een terugkeer waard.
Ik kom en ga met lege handen.
En als bewijs dat ik er werkelijk ben geweest,
kan ik niets anders laten zien dan woorden
die niemand zal geloven.'
'Je komt er niet in,' zegt de steen.
'Je mist de zin om deel te nemen.
En er is niets wat dat vervangen kan.
Zelfs een tot alziendheid aangescherpte blik
zal je zonder deze eigenschap niets baten.
Je komt er niet in, weet niets van de zin om deel te nemen,
bezit daarvan hoogstens een kiem, de verbeelding.'
Ik klop op de deur van de steen.
'Ik ben het, doe open.
Ik kan niet tweeduizend eeuwen wachten
voor ik in jouw huis mag komen.'
'Als je mij niet gelooft,' zegt de steen,
'vraag dan het blad, je zult hetzelfde horen.
Vraag het de waterdruppel, zijn antwoord luidt net zo.
Vraag het ten slotte een haar op je eigen hoofd.
Een lach zwelt in me aan, een reusachtige lach,
maar ik weet niet hoe ik hem moet lachen.'
Ik klop op de deur van de steen.
'Ik ben het, doe open.'
De nacht na het bezoek sliep ik onrustig. M'n LG (leidinggevende) putte zich
uit in argumenten waarom deze GF (Gekwalificeerde Functionaris) de aangewezen
persoon was om de nieuwe kar te gaan trekken. Een hartstikke MK2 (Mooie Klus
voor 2 jaar), en een leuke bonus aan het einde van de regenboog (ROGGBIV)!
Nou dan?! - Maar ik was moe, de uitdaging te groot, het perspectief van de
verkeerde orde. Ik was immers 65, dan mocht je toch met pensioen? Of was de
nieuwe orde al ingegaan zonder dat ik dat meegekregen had? Donner en die
verdomde kredietcrisis ook! Het zweet stond me ruim in de handen, onder de
oksels en op het geprangde voorhoofd. De LG knikte me (GF immers!) nog eens
uitnodigend toe. - 'Kan deze beker niet beter aan mij voorbijgaan?' piepte ik
vanuit onze gezamenlijke katholieke oorsprong. Het gezicht van de chef betrok
en stolde tot droefenis: 'Beker? Voorbijgaan? Dit is een afscheidscadeau
hoor! 'n Makkie (M-nul)! En nog ondankbaar ook!' - 'Maar heus, ik ben
toch...'
En toen werd ik wakker. (De moeder aller verlossende zinnen.) En toen
werd ik wakker, en ontsnapte een snik de haag mijner tanden. Wat had ik in
godsvredesnaam gedroomd dat ik ervan snikken moest?
Dat heb je ervan als je een oudcollega op bezoek krijgt, onverwacht nog wel,
en drukbespraakt als voorheen toen ie nog LG was (en vriend tevens). Waar die
allemaal nog mee bezig is, die S., met die-en-die die ken je nog wel, en dat
er waaratje goed geld mee binnen te slepen valt, waarom zou je ermee stoppen
dan en wat kost het nou helemaal aan tijd? Noudan! Niks voor joudan? Ook
goed. - Zo is ie dan ook wel weer.
En gelukkig was z'n vrouw erbij, onze W., óók een vriend(in) van ons, met
zwart-witprintjes van de kleinkinderen en de volgende alweer op komst.
Wéreldwonderen, stuk voor stuk. En je gelooft het meteen als zíj het zegt.
Maar zullen we de tuin niet 's even ingaan, wat 'n mooie schuur hebben jullie
zeg en zie je hoe alle tuingereedschap hier ordelijk en vindbaar aan de wand
hangt wat een heerlijkheid bij ons moet je altijd alles zoeken god wat dat
niet een tijd kost dat zouden wij toch ook eens moeten doen, he S.! S. is het
er luidkeels en ferm mee eens, en je hóórt aan z'n stem dat het bij hun nooit
wat zal worden, dat inrichten en opruimen en vinden, en dat ze dat in hun
hart niks erg vinden. - Wij trouwens ook niet, zo zijn wíj dan ook wel weer.
Sterker, goede vrienden zijn we, ook al is het dan niet meer zo frequent. Ons
kent ons, en daar genieten we van, telkens weer, en zonder voorbehoud.
Het bezoek was onverwacht, te kort, en smaakt alweer naar meer. Binnenkort
gaan we vaker mailen, van de zomer komen we langs, oja, en hoe is het met
jullie kinderen hoe is het met ze? Het wegrijdende autoraampje gaat op de
hoek pas dicht. 'Doe de groeten aan J. en J. als die de volgende week bij
jullie zijn! Zeg maar dat we bellen, en dat we langskomen daar in M., zodra
we...' - We zwaaien ze de bocht om en wentelwieken het huis weer in. Leuk he,
dat ze zo maar langskwamen op weg naar N. Heerlijke mensen! We moeten nodig
weer eens langs gaan, ook al hoeft dat dan niet morgen. Zou ie nog biljarten?
En de politiek? We hebben het helemaal niet over de politiek gehad (hoe is
dat mogelijk?), of over het theater, de INS (Internationale Nieuwe Scene -
bestaat die nog dan?).
We ruimen de bordjes en de kopjes en de glaasjes en de zwart-witprintjes en
de olijvenpitten op. Onze S. en onze W. lusten zeker geen komkommer, of
zouden ze iets mankeren of er allergisch voor zijn? Morgen meteen even
bellen. - Heerlijk, zulke oude vriendschappen. Daarin zijn niet de tijdsspanne
of de mailfrequentie of de bezoekboekhouding of vermiste oude koeien van enig
belang, 'Hoe is het toch met jóu?' - dáár gaat het om - 'En met jóu dan?' En
dat dromen bedrog zijn, dát wisten we toch allang? Ik ben immers allang 69,
en géén 65 meer? Nóg 'n gelukkie!
Onderstaand gedicht Wat is geluk is van Rutger Kopland. Het stond
oorspronkelijk in de bundel 'Tot het ons loslaat' (1997). Een antwoord
formuleerde de dichter in de verzamelbundel 'Geluk is gevaarlijk'
(Rainbow-pocket, 1999). Wat is geluk (zónder vraagteken!) is het
allerlaatste gedicht in die bloemlezing. En zo is de cirkel rond, zonder
begin of einde, tot het ons loslaat.
WAT IS GELUK
Omdat het geluk een herinnering is
bestaat het geluk omdat tevens
het omgekeerde het geval is,
ik bedoel dit: omdat het geluk ons
herinnert aan het geluk achtervolgt het
ons en daarom ontvluchten wij het
en omgekeerd, ik bedoel dit: dat wij
het geluk zoeken omdat het zich
verbergt in onze herinnering en
omgekeerd, ik bedoel dit: het geluk
moet ergens en ooit zijn omdat wij dit
ons herinneren en dit ons herinnert.
Daarom zult u het deze week moeten doen met de door mij hoogstpersoonlijk
samengestelde toptien van gedichten uit de Balthasarsblog van de laatste drie
jaar. Achteraf was dat nog een heel karwei, in diezelfde tijd had ik
gemakkelijk een nieuw blogje kunnen schrijven, maar ja, dat voornemen he...
Bij de eerste selectie zaten er wel tien van Gerrit Kouwenaar, drie van
Wyslawa Szymborska, drie van Jan Hanlo, drie van Judith Herzberg - ach, zo
kon het natuurlijk niet langer. De grove snoeischaar dus, de botte bijl, een
hartverscheurend werkje. En weet u wat nog het ergste was: de gedichten die
ik meende allang geciteerd te hebben, maar die ik niet terug kon vinden.
Nooit geplaatst wegens 'te lang', 'heb ik beslist al gehad', 'geen goeie
aanleiding voor gevonden', of zoiets idioots. In die laatste categorie vielen
bijvoorbeeld 'Gesprek met een steen' van Wyslawa Szymborska en 'Gierzwaluwen'
van Guido Gezelle. Tópgedichten! Die kunt u zeer binnenkort dus tegemoetzien.
- Hoe dan ook: veel plezier met lezen. En oja, correspondentie ís natuurlijk
mogelijk. Al was het maar over het feit dat ik géén rangorde in de tien
gekozen gedichten aan kon brengen, dat zou écht te veel gevraagd geweest
zijn... Daarom staan ze in tijdsvolgorde.
* Ramsey Nasr - wonderbaarlijke maand
BalthasarsBlog - 4 februari 2006
* Judith Herzberg - Beroepskeuze
BB - 6 mei 2006
* Totius - Repos ailleurs
BB - 12 mei 2006
* Ida Gerhardt - Radiobericht
BB - 13 januari 2007
* Guido Gezelle - Winterstilte
BB - 9 februari 2007
* Gerard Reve - Roeping
BB - 29 maart 2007
* Remco Campert - De realist op het perron
BB - 29 januari 2008
* Rutger Kopland - De kunst van het doodgaan
BB - 13 april 2008
* Jan Hanlo - Hoor de merel
BB - 10 juni 2008
* Gerrit Kouwenaar - Muziek voor het slapen gaan
BB - 17 juni 2008
* Hanny Michaëlis - Met mijn moeder die las
BB - 24 december 2008
* F. Harmsen van Beek - Goedemorgen? Hemelse Mevrouw Ping
BB - 10 maart 2009
* Paul van Ostaijen - Guido Gezelle
BB - 7 april 2009
U ziet dat het er niet tien, maar dertien geworden zijn. Ik kon het niet meer
opbrengen om er nog meer te schrappen. Dat is de reden waarom ik mezelf nu
dwing om niet nog een volledig gedicht te citeren. Dat moet nu dan écht maar
wachten. Tot na m'n weekje 'vakantie'.
*
Afgelopen donderdag spoorden wij heen en weer tussen U en Z. Het was koninginnedag,
de oranjezon scheen. De perrons en de treinen waren vol tieners op weg naar
de grote stad A. De sfeer was vrolijk-opgewonden, de kleding navenant.
Duidelijk een feestje in het verschiet. Zo hoort een koninginnedag te
beginnen, rumoerig, lacherig en de mobieltjes op zak.
De trein terug was overvol, warm-zweterig, en rustig. Ongekend rustig. Een
koninginnedag hoort rumoerig te eindigen, ánders rumoerig dan 's morgens, dat
wel, een beetje baldadig, neigend naar overlast voor de oudere medemens maar nog
nét niet over de rand. Maar het was een tamme boel, en de enige die luid
schaterlachend detoneerde was een Engelstalige zwarte matrone van grote
omvang. Maar telt die wel mee, dacht ik nog?
Koninginnedag 2009 liep leeg als een natte ballon. Want na zes plus één
openbare doden is het nogal ongemakkelijk feestvieren, nietwaar.
*
In een tv-programma over de eerste meidagen van 1940 kwamen zondagavond
enkele voormalige luchtmachtpiloten aan het woord. Bij de aftiteling bleken
ze tussen de 91 en 96 jaar oud te zijn, krimmeneel vitale kerels zeg! Met hun
blote Fokkertjes hadden ze Nederland verdedigd tegen de Duitse overmacht aan
Heinkels en Messerschmidts. Wóest waren ze over die lafhartige aanval,
vastberaden ook, dapper en succesvol in het betrekkelijke. Een zo'n
vijfennegentigjarige begon te huilen toen ie verhaalde hoe z'n boordschutter
geraakt werd en ter plekke overleed, 22 jaar oud.
Tranen bij de herinnering aan een gebeurtenis van zo'n zeventig jaar terug:
gaat het dan nooit over?
*
De Volkskrant herdenkt en eert zijn overleden columnist Martin Bril nu al
meer dan een week, elke dag op de voorpagina. Op zijn 'vaste plek' schrijft
of tekent een keur aan medewerkers een bijdrage 'in de geest van Martin
Bril'. Zaterdag was het de beurt aan Max Pam, journalist en vriend. In een
ontroerend mooie column tekent hij hun contact van de laatste periode via
honderden en honderden e-mails: 'Er zit van alles bij: kattebelletjes,
verhalen, niet gepubliceerde columns, medische bulletins,
landschapsbeschrijvingen, roddels, enz. Een doos van Pandorra met de geest
erin van Martin. Je zou het zo als krant kunnen uitgeven, zeker een maand
lang.'
Het slot van Pam's column wil ik u niet onthouden, omdat hij me zo ontroerde:
'Al dagen ben ik aan het lezen. Hij schreef: "Ik ben in de greep van
verschrikkelijke angsten, ik beef voor de dood. Moet men met geheven hoofd
sterven, of schreeuwend van pijn en wanhoop?" Ik had geen antwoord. Mij
resteert het schuldgevoel van de overlevende.'
*
4 mei 2009, 20.00 uur: dodenherdenking. Ik zal er zijn.
*
De zoektocht naar een sluitend halfstok-gedicht leverde veel in memoriam,
veel dood en droef en allerzielen op. Een echt genoegen was het niet. Leven
is toch meer dan dood, herinnering? Is leven niet ook verbeelding, het
onvoorstelbare denken? Zodoende kwam ik uit bij Tonnus Oosterhof (1953) met
zijn gedicht 'Kritiek'. Het komt uit de bundel Wij zagen ons in een kleine
groep mensen veranderen, Amsterdam 2002. Schakelt u even mee? - En oja,
de genoemde dichter Riekus Waskowsky (1932-1977) kwam uit Rotterdam en
schreef teksten als: 'Dichten is net als koken: / je pleurt maar wat in de
pan / als je koken kan.' - Tsja, om nog maar eens met Martin Bril te spreken.
KRITIEK
Vandaag zag ik in de Lange Wierszstraat
Job Rengeling lopen. Dat kan niet
want Job is al vier jaar dood.
Het raarste was: hij belde mobiel.
Kun je je dat voorstellen? Job met een mobieltje?
Toen Wally dit las zei ze:
'Wel goed, wel ontroerend,
maar tijdgebonden en te persoonlijk.'
'O. Nou, ik kan er wel "jaren" van maken.
En "Gelderschekade". En "Piet Meeuse".'
'Is die dan dood?' 'Nee, daarom juist,
dat maakt het algemener.'
'Hm,' zei ze, iets aan haar kousnaad verschikkend,
'maar het is de aanpak. Het blijft Riekus Waskowsky.'
'Nou, en? Dan Riekus Waskowsky!' Maar ik voelde dat ze gelijk had.
Later bedacht ik: 'Als ik wat jij zegt erbij zet...'
'Ja,' vond ze, 'daarvan wordt het anders.'
De volgende dag zei ze nog:
'Dat zal Piet leuk vinden.' 'Wat?'
'Dat je hem doodschrijft.'
O, Wally! Ik beweer toch juist dat hij lééft?
't Is goed om weer eens mee te maken: elke morgen verplicht vroeg op
omdat de schilder al om half acht voor de deur staat te trappelen. De
buitenboel wordt opnieuw in de verf gezet, rotte plekken gerepareerd, vergane
glorie vervangen. Niet dat de zaak er slecht aan toe was, dat valt nog reuze
mee - zeker als ik het vergelijk met sommige vorige huizen die wij bewoond
hebben. Dat waren evengoed oude woningen, en daar is altijd wat mee.
Voorlopig zitten wij hier met twee schilders, waarvan er één overigens
geregeld elders dingen te doen heeft. Daardoor duurt het natuurlijk allemaal
wel langer. En sinds vanmorgen kwart voor acht hebben we er weer een
werk-afspraak bij: kruipruimtespecialist 'Kleine Peter' komt over een week
al het nieuwe lek in de cv-installatie opsporen. Hopen we. Een nieuw lek?
Jazeker, een nieuw lek. En dat lek moet zo groot zijn dat het water net zo
hard de leidingen uitloopt als het er in gaat. De familie B. is not amused,
eigenlijk zijn we het gezeik met die verwarming zo langzamerhand spuugzat. -
Tijd voor krachtige maatregelen, zou ik denken. Maar eerst moet die vloer nog
even opengebroken worden...
Tijdens de eerste ochtendkoffie met schilder H. was het gezellig lamenteren
geblazen over al het kleine huizenleed dat ons in de loop der jaren
gelijkelijk getroffen heeft: verstopte rioleringen, exploderende
expansievaten, afgewaaide dakpannen, lekkages in de kelder, uitvallende
keukenapparatuur, steenmarters en boktorren op zolder, dubbel glas maar dan
lek. - Wat een incasseringsvermogen moet de gemiddelde mens eigenlijk hebben,
zeg!
Schilder H. heeft het geluk dat ie nogal handig is en praktisch alles zelf
kan repareren. Bij zulke mensen komt het niet eens in het hoofd op om een
vakman te bellen, en de zaak uit te besteden. Die vatten gewoon elke koe bij
de horens, en bellen de dierenarts pas als het beest overleden is. - Aan dit
geluk zit natuurlijk een keerzijde: nooit eens vrij, altijd aan het werk. Is
het niet thuis, dan wel bij schoonmoeders of bij de collega van het werk, de
voetbalkantine, de straatversiering.
En zo kloegen wij maar voort. Heerlijk!
Om het beeld wat breder te trekken, kroop ik achter de computer om even naar
'klein leed' te googelen: 112.000 rampenpagina's in lilliputformaat!
Waaronder talloze gemeentelijke klachtenlijnen (niet-brandende lantaarnpalen,
verzakte stoeptegels, zwerfvuil, omgewaaide verkeerszuilen), honderden dikke
en dunne ellendeboeken (Betsy Udink, veelgeroemd, maar het oerboek blijft
natuurlijk 'Klein leed' van Jeroen Brouwers, Uitgeverij Corrie Zelen, 1977),
miskende-kunstsites, gewilde kranterubrieken ('Koe in sloot Tholen'),
ufologisch georiënteerde fotoblogs, 'de beste wachtkamerverhalen', verzoeken
om tips voor 'Man bijt hond', een vleugellamme dierenambulance,
teleurstellend verslag van de 'aprilbeebs', vermeende politieberichten
('Klein leed op de Wallen'), klein mannelijk leed (vieze kijkjes in de
toiletpot), KLEIN Orkest / LEED versierd (misplaatste songtekst): 'klein
leed' intikken op Google is afzien mensen, doe het me niet na! Blijf gezond!
Kies voor de Zonnebloem (al 60 jaar 'een bloemetje voor jou, want jij staat
altijd voor me klaar'), Don't worry, be happy, geloof me nou maar.
Bij de middagkoffie klaagden de schilders (jazeker, nú met z'n tweeën) over
de kilte en het veranderde weer, over wind en regenvlagen, en over
bloesemblaadjes die aan de verse verf kleven. Voor ik mee kon gaan huilen,
liet ik ze alleen met hun koffie en sjekkies en... mobieltjes, zeer moderne
mobieltjes met een complete set functies, internet, filmprogramma's en wat
eigenlijk niet? Ziet u het plaatje al voor u: Schilders tijdens den schaft,
mobiel en blackberry in de aanslag, ontspannen maar! Tja, dan vind ik een
praatje in de pauze toch wél zo gezellig - zo nu en dan.
Of anders misschien eens een gedicht, dat voor de verandering best een klacht
mag bevatten. Bij voorbeeld Hoofts 'Klaghte der Prinsesse van Oranjen, over
't oorloogh voor 's-Hartogenbosch' (1630), hoewel dat wat aan de lange kant
is voor een balthasarsblog. Maar gelukkig, P.C. Hooft heeft ook kortere
klaagzangen op z'n repertoire, Zang bij voorbeeld, uit 1621, wat dacht
u daarvan? Een smartlap? Zeventiende-eeuws klein leed? Ach en wee.
ZANG
Klare, wat heeft er uw hartje verlept
Dat het verdriet in vrolijkheid schept,
En altijd even benepen verdort,
Gelijk een bloempje, dat dauwetje schort?
Krielt het van vrijers niet om uw deur?
Moogt ge niet gaan te kust en te keur?
En doet ge niet branden, en blaken, en braân
Al waar 't u op lust een lonkje te slaan?
Anders en speelt het windetje niet,
Op elzetakken, en leuterig riet,
Als: lustigjes, lustigjes. Lustigjes gaat
Het watertje waar 't tegen 't walletje slaat.
Ziet de openhartige bloemetjes staan.
Die u tot alle blijgeestigheid raân;
Zelfs 't zonnetje wenst u wel beter te moe,
En werpt u een liefelijk ogelijn toe.
Maar zo ze niet, door al hun vermaan,
Steken met vreugd uw zinnetjes aan,
Zo zult gij maken aan 't schreien de bron,
De bomen, de bloemen, de zuivere zon.
Vrijdagmiddag twee uur, het is in de grote stad D. De markt op de brink is
nog maar nét gedaan, vrachtauto's laden hun laatste last met verlies van ijswater
en vissegeuren, veegwagens ranselen de keien, kraamplanken kletteren tot
stapels. Wij komen van slijter en kaasboer - wind in de haren, zon in het
water. En lopen richting 'De Keizer', filmhuis, rustplek. Ordinary road
is het doel, met reserveringsnummer 6777, aanvang 15.00 uur, maar eerst
natuurlijk nog koffie. En dan de veertigerjarenmuziek, o die heerlijke
veertigerjarenmuziek, 'The singing detective'-swing, 'Into each life some
rain must fall, but too much is falling in mine' wacht op ons, wij hebben er
oren naar, oja. Maar. Op de Veldpapehoek van de Keizerstraat houden twee
niet-blanke jongens van 'n jaar of vijftien/zestien ons staande. In
onvervalst Amsterdams vraagt de oudste van de twee: 'Mogen wij jullie iets
vragen, mevrouwmeneer?' - En dat mocht. Zeker.
- Wat vindt u daar nou van, meneer, zo'n Turkse vlag daar aan de gevel. In
Nederland horen toch alleen maar Nederlandse vlaggen, vindt u ook niet. Ik
ben Nederlander, meneer, een patriot. Wat doet zo'n buitenlandse vlag in een
Nederlandse straat? Bent u dat niet met me eens, meneer? - (Hij kijkt mij
en mevrouw B. om beurten absoluut ongelovig aan.)
- Nee, dat ben ik niet met je eens. Kijk eens naar dat gebouw, dat is een
Turkse ambassade of consulaat. Dat is een stukje Turkije. Dus daar wappert
een Turkse vlag, dat is logisch. Toch? - (Het klinkt heftiger dan ik
bedoel.)
- Maar het is toch een Nederlandse straat, meneer. Ik ben een patriot. Ik ben
in Nederland geboren en opgegroeid in Amsterdam, mevrouw. En daarom moeten er
toch zeker alleen maar Nederlandse vlaggen hangen? Iedereen kan hier toch
niet zomaar doen wat hij wil? - (Hij kijkt zijn iets jongere vriend nu
knipogend aan. Die lacht maar wat voor zich uit, alsof het hem maar half
aangaat.)
- Zeer zeker niet. Maar een Nederlandse ambassade of consulaat in het
buitenland is ook een stukje Nederlands grondgebied, dus daar mag, nee móet
de Nederlandse vlag hangen. Dat is internationaal recht, dat hebben de landen
zo met elkaar afgesproken. - (Ik kom op stoom, maar bedoel het niet
kwaad.)
- Dat wist ik niet, meneer. Is dat écht een stukje Turkije daar? En gelden
daarbinnen dan de Turkse wetten, en niet de Nederlandse? Stel, ik heb iemand
vermoord. Word ik daar dan volgens de Turkse wet behandeld, en in Turkije
opgesloten? En niet volgens de Nederlandse wet berecht? Maar ik ben toch een
Nederlander, meneer? - (De vraag is beslist oprecht. We hebben hier met
een leergierige Amsterdamse scholier van doen: openhartig, duidelijk, direct.
Ik mag hem wel.)
- Dat hangt er natuurlijk allemaal een beetje vanaf. Is het een Nederlandse
moord? In Nederland? En wat voor verdragen hebben die twee landen met elkaar
gesloten. Dat hangt er allemaal nogal vanaf hoor! Neem bij voorbeeld
Zuid-Afrika... - (Hij pakt me bij m'n arm, om me te onderbreken, echt een
vriendschappelijke onderbreking. Mevrouw B. moet erom glimlachen.)
- Nou, meneer, dat wist ik helemaal niet. Dat zo'n ambassade of consulaat een
stukje van een ander land is. Wist jij dat? - (De andere jongen lacht
opnieuw maar zo'n beetje voor zich uit. Spraakzaam is ie niet. Maar ook niet
negatief of morrig, hij is duidelijk jonger, weet niet zo goed raad met de
situatie, en heeft geloof ik niet zelf van zulke vragen.)
- Ik zal een voorbeeld geven. Zo'n jaar of vijfentwintig geleden was het in
Zuid-Afrika erg, heel erg, een land van apartheid, volop discriminatie van
blanke Zuid-Afrikanen tegenover alles en iedereen met een gekleurde huid.
Daar werkte een blanke Nederlander, Klaas de Jonge, en die deed dingen waar
de blanke Zuid-Afrikaanse regering hem voor wilde arresteren. Toen vluchtte
Klaas de Nederlandse ambassade binnen. Daar mocht de Zuid-Afrikaanse politie
hem niet volgen en gevangen nemen. Klaas heeft er meer dan twee jaar gezeten,
gewoond, zeg maar.
- Echt waar meneer? Heeft die De Jonge daar gewoon gewoond, en geslapen, en
gegeten? En mocht Zuid-Afrika hem daar niet oppakken? Omdat dat daar in die
ambassade Nederlands grondgebied is? Dat wist ik helemaal niet! Geweldig! Wat
hebt u gestudeerd, als ik vragen mag, meneer? - (Zijn interesse slaat nu
om in enthousiasme.)
- Dus dat hebben jullie niet geleerd op school, bij maatschappijleer, of
recht?
- Nee, meneer, daar weten wij niks van. Jij toch ook niet, Donald?
- Nee, meneer, daar weet ik ook niks van. Maar wat hebt u allemaal
gestudeerd, meneer?
- Nederlands.
- Alleen maar Nederlands? En leer je dat daar allemaal, meneer, bij
Nederlands?
- Nee, dat van die ambassades en zo, dat heb ik gewoon op school geleerd, de
middelbare school. Op wat voor school zit jij?
- Ik doe hbo-recht, meneer.
- Hbo-recht, zozo, en daar heb je dit niet geleerd? Misschien valt dit bij
jullie onder 'Internationaal Recht'?
- Dat zou kunnen, meneer. Maar, even kijken - (hij pakt me weer bij m'n
arm, als teken van vertrouwelijkheid, ik vind het niet onprettig, waarom zou
ik?) - een ambassade is dus een stukje eigen grondgebied van het land
zelf. En die mogen hun eigen vlag uithangen, aan de straatkant. En daar is
niks provocerends aan?
- Daar is niks provocerends aan. Het is alleen maar handig en prettig. Kun je
meteen zien dat daar een stukje Turkije is, of Marokko, of Duitsland. Dat is
toch mooi?
- Dat vind ik toch wel goed, ja. Ja, dat is goed. Fijn dat u me dat uitgelegd
hebt, meneer. Dus wij zitten nu op één lijn, meneer?
- Zo zitten wij op een lijn, inderdaad.
- Geef me de hand, meneer. En u mevrouw, zit u ook met ons op één lijn,
mevrouw?
- Ik zit op dezelfde lijn als meneer hier, en als jij, en jij. Geef me ook
maar een hand. - (We schudden handen, en lachen, en schudden nogmaals.)
- Nou, bedankt mevrouw, meneer. Goed dat we op één lijn zitten.
- Tot ziens dan maar.
- Tot ziens. Ha, op één lijn!
Bij 'De Keizer' is het druk. Rijen bij de kassa. Goed dat we gereserveerd
hebben. Mevrouw B. glipt alvast langs de rij naar beneden voor koffie en
stoelreservering. Ik zoek de pasjes en gepast geld - daar houden ze hier van.
Ik repeteer het reserveringsnummer. Maar als ik eindelijk aan de beurt ben,
blijkt niemand van de wachtenden vóór mij kaartjes voor Ordinary road
gekocht te hebben, ze gaan allemaal naar Slumdog millionaire! Onze
jassen liggen eenzaam op twee stoelen van de achterste rij. Als we goed en
wel zitten, druppelen er nog een paar kijkers binnen. En als de lichten
uitgaan, kijk ik eens goed de zaal in. Alleen de achterste rij is bezet. Alle
bezoekers voor Ordinary road zitten hier zegge en schrijve op één rij!
- Steekt hier iets achter, vandaag?
DOWN SUNNYSIDE LANE
(Music from The singing Detective - B.'s keuze)
Cruising Down The River
I'll Just Close My Eyes
It Might As Well Be Spring
Paper Doll
Lili Marlene
In The Middle Of A Kiss
I Get Along Without You Very Well
The Very Thought Of You
We'll Meet Again
The Umbrella Man
Blues In The Night
Do I Worry
It's A Lovely Day Tomorrow
You Always Hurt The One You Love
Indian Love Call
I'm Making Believe
Don't Fence Me In
After You've Gone
The Teddy Bears' Picnic
Into Each Life Some Rain Must Fall
Bird song At Eventide
Cheek To Cheek
I Onley Have Eyes For You
Little Dutch Mill
Zondag, eerste paasdag
- Extraordinair sober geweest met eieren wegens dieet, en omdat ik dinsdag
bloed moet laten prikken op cholesterol. Mueslibol van Driekant
onovertroffen, vooral met jonge geitenkaas. 'Domine dixit'-cd van Händel
ideale paasontbijtmuziek. Onder het eten telefoon van mava over de zaterdagse
Dylan-avond in Paradiso: hij heeft vannacht om 03.15 uur drie mobiele
filmpjes per mail gestuurd; staan ook op YouTube, reeds 100 hits gehad!
- De kersenboom bloeit in volle pracht, pinksterbloemen overal in de tuin.
Het groen van de jong uitbottende haagbeuken verdringt het oude droge blad.
Herfst en lente tegelijk, net als pasen en pinksterbloemen op één dag. Tijd
voor onmogelijkheden.
- Diverse balthasarsblog-filmpjes van het laatste jaar nog eens afgespeeld:
* Comedian Harmonists: Veronika!
* Bob Dylan: Fore-everYoung
* Nana Mouskouri: Zoietsmoois!
Verontrustend fraai alledrie! Misschien vaker opnemen in blog?
- Prachtig weer. Grote fietstocht gemaakt, mét kaart. Vorden, Lochem,
Wichmond, Vierakker, Almen. Én verdwaald natuurlijk. Maar... inmiddels de
grote voordelen van het FietsKnoopPuntenNetwerk ontdekt. Geweldig. En suf dat
we daar niet eerder mee gewerkt hebben. Niettemin: bij een knooppuntenbord
stond een ouder echtpaar (boven de zeventig) ruzie te maken over de te nemen
route. Dat kan dus nog wel! - Zit een blogje in.
- Ongelezen kranten doorgenomen, o.a. twee stukjes over de afgelopen woensdag
overleden schrijfster Fritzi Harmsen van Beek (zie het gedicht 'Goedemorgen?
Hemelse mevrouw Ping' aan het eind van de balthasarsblog dd. 10 maart jl.).
Op p. 3 een 'Postuum' van Arjan Peters met o.a. een beschrijving van haar
woeste jonge jaren, citaat: 'Vele schrijvers kwamen er feestvieren, Remco
Campert trouwde met Fritzi, maar moest in 1958 zowel behuizing als huwelijk
vaarwel zeggen omdat hij niet meer tot werken kwam.' - Kijk, dat zijn fijne
krantestukjes! - In dezelfde krant een column van Remco Campert ('Beregende
foto') dat eindigt met een kleine hommage aan zijn ex in de vorm van een deel
van het eerste gedicht uit haar eerste bundel, tamelijk meesterlijk:
Geachte Muizenpoot:
'Als niemand mij dan thuis kan brengen
alvorens ik verloren ga als dubbel
zinnigheid zonder gelijke, als radeloos
totaal onopgelost,
valt geen extatischer vergissing in
liquidatie te begrijpen
dan ik en die alleen waarachtig tot
oplossing bederven moet.'
Maandag, tweede paasdag
- Nog in piama lijstje gemaakt van huidige activiteiten, als 'verweer' tegen
verzoek van WW te E. om 'mee te doen'. Geloof dat er weinig ruimte is voor
nóg een tijdvretende functie. Eigenlijk ook weinig 'zin' in. Maar hoe vertel
je dat? Wanneer is niet meedoen = spijbelen = onmaatschappelijk? - Zit t.z.t.
waarschijnlijk een blogje in.
- Rest tuinmeubilair in de olie gezet; het pas ingezaaide grasveldje dreigt
het te gaan doen. Eindelijk! Drie kikkers zijn terug in de vijver. Die zijn
in de modder flink vet geworden. Jodenverdriet en pioenrozen schíeten de
grond uit. Jodenverdriet is een pést! Erger dan zevenblad, dat kun je
tenminste nog in de salade doen.
- Bezoek van M. Voor werkoverleg encyclopie. Hamvraag: hooi en vork? Ze heeft te veel
goede ideeën! Dat zou waaratje veel beter gehonoreerd moeten worden. Scores
encyclopedie lopen gestaag op, netwerk groeit als kool. ZZP'ers zijn tegenwoordig
verplicht zich aan te melden bij de KvK. Waarom? M. zoekt uit. B. maakt
verslag. Binnenkort samen naar Gr-W.?
- Opmerkelijk nieuwsbericht: tot nu toe heeft de kredietcrisis elke
Nederlander boven de twintig 26.000 euro gekost (bron: PriceWaterhouseCoopers)!
Nooit geweten dat mevrouw B. en ik 2 x 26.000 euro's = 52.000 euro's bezaten.
En waarom is mij dat niet eerder gemeld, dan had ik dat geld graag als volgt
laten rollen: (nog woest lijstje voor maken). Tip doorbrieven aan N. en M.,
die kunnen ook wel zo'n douceurtje gebruiken. Want waarom zouden alleen de
banken geld krijgen? Loon naar werken, wie es einmal war! - Zat een blogje
in, totdat bleek dat Martin Bril er al over geschreven heeft (dinsdag).
- Nog flink opgeschoten in 'Binnen de huid' van J.J. Voskuil, postuum
uitgegeven, betreft periode 1954-1956. Werk- en schrijfwijze à la 'Het
bureau', maar nog niet zo sprankelend. De befaamde ruzies zijn als altijd:
'mieters'. De Volkskrant geeft het boek 5 sterren. Stein van de NRC was heel
wat zuiniger. Oordeel en bespreking volgt later (blogje?). Boek weer heerlijk
op z'n Van Oorschot's vormgegeven, en gezet in de bembo! Wat is er mooier dan
de bembo, wat een letter!
- Matige 'Grote Geschiedenisquiz' op Nederland 2. Er zijn spannender
afleveringen geweest. Zou een saai blogje worden.
Dinsdag, derde paasdag
- Koude, mistige ochtend. Om acht uur op de fiets naar priklab. Half uur
heen, prachtige prik van een Bob Marley-figuur, half uur terug via bakker in
de stad. Gesloten wegens 'Jaarlijkse passiedag', wat zou dat dan zijn, een
bakkers-passiedag? Te onderzoeken.
- Ontwerpbrief voor VV-jubelwandeling (4 juni a.s.) gemaakt. Reistijden geven
problemen, vooral de busaansluitingen zijn waardeloos. Nog iets op verzinnen.
N.B. Tip geven om te gaan stemmen (Europese verkiezingen) vóór de wandeling.
- Intake en fietstest bij nieuwe fysio-plus-fit-club. M'n hartslag wilde niet
voldoende oplopen, waarschijnlijk door de medicijnen (bètablokkers). Dat
maakt conditietraining op de hometrainer een stuk onaantrekkelijker. Morgen
eerste 'les'. Ik ga het vooralsnog een maand aanzien, plus de cardioloog
raadplegen (toevallig volgende week een afspraak). - Zit denkelijk wel een
blogje in, bij voorbeeld: 'Te hart gefietst'. - Flauw?
- Per fiets naar de grote stad D. Voor de film 'Frost-Nixon'. Monumentaal
spel, vooral van 'Nixon' (een glansrol van Frank Langella, Oscar?). - Zoals
altijd bij films over historische gebeurtenissen die ik zelf meegemaakt heb:
na de film weet ik niet meer precies wat ik ook al uit eigen ervaring wist.
Niettemin, een prachtig drama.
- Drie uitspanningen waar we op de terugweg iets wilden gebruiken waren
gesloten. Net als de bakker eerder op de dag. Zou iedereen maar denken dat
het vandaag maandag is, tijd voor Betriebsruhe? Zo wordt het natuurlijk niks
met de kredietcrisis, noch met die 26.000 euro de man.
- Oja, in het filmhuis zijn de toiletten verbouwd en gemoderniseerd: meer
pissoirs, minder zit-wc's. Een domme fout, staande plasplaatsen zijn smerig
en uit. Zittend plassen is gezonder (denk aan de prostaat!), en houdt de
plasplaats heel wat frisser en hygiënischer. Hoe het bij de damestoiletten
gemoderniseerd is, moet ik nog onderzoeken. - Zit waarschijnlijk een blog in.
- 21.30 uur: tijd voor een glas. En voor de nieuwe pil '500 gedichten die iedereen
gelezen moet hebben - De canon van de Europese poëzie', samengesteld door
Ilja Leonard Pfeijffer en Gert Jan de Vries (Meulenhoff, 2008/9). 768
pagina's 'verplichte kost'. Benieuwd hoeveel 'iedereens' er in Nederland
eigenlijk zijn. Ik prik een willekeurige pagina, 456. Daar staat het gedicht
'Het huwelijk' van Willem Elsschot. Maar dat heb ik op 30 maart jl. pas
geplaatst. Vandaag dus geen extra gedicht tot besluit. Het kan ook te veel
worden!
Voor het eerst sinds maanden staat de tuindeur open terwijl ik achter (of
voor, net wat u wilt) de computer zit. En bij de buren verderop:
roept moeders haar kroost
luidkeels
de tuin uit voor popcorn en voor cola.
Onze merel zingt zijn zang in de hulstboom,
de buurthaan kraait,
het ruikt sinds verre tijden naar versgemaaid gras,
mmm, versgemaaid gras!
De lente stuift (of scheurt of spurt, net wat u wilt)
de grond uit,
tuinmeubelteakolie zweet aan m'n handen,
de moestuin is luid en duidelijk
mevrouw B. door de handen gegaan.
De lente stuift (of dwarrelt of duikelt, net wat u wilt)
de pan in:
soep van verse kruiden en onkruiden
- in menigvoud -
trekt er lustig op los.
Hemel en aarde hebben er zin in (of an, net wat u wilt), en zingen mét de
legendarische Comedian Harmonists: Veronika, der Lenz ist da. Die Mädchen
singen tralala. En meer van dit soort hupse teksten op meer dan hupse
melodieën. Aaah, der Lenz, de Lente! Ist da! - Zie en luister: YouTube! .
Of tik eenvoudig op Google in: "Veronika, der Lenz ist da". En
genieten maar! (Desnoods twee, drie keer!) Voor de echte liefhebber hierbij
alvast een lichtverend deel van de liedtekst, om luidop mee te stuiven:
Veronika, der Lenz ist da,
die Mädchen singen tralala.
Die ganze Welt ist wie verhext,
Veronika, der Spargel wächst!
Veronika, die Welt ist grün,
drum laßt uns in die Wälder ziehn.
Sogar der Großpapa sagt zu der Großmama:
"Veronika, der Lenz ist da,
Veronika, Veronika, der Lenz ist da!"
En altijd als ik dit lentelied van de Comedian Harmonists genoten, hardop
meegezongen en nog eens (en nog eens) gedraaid heb, vallen mij weer andere
groeiteksten in. Het is het zogenaamde 'Zwaan kleef aan'-effect waar Henny
Vrienten zo'n schitterende bloemlezing over samengesteld heeft (Zwaan
kleef aan, Uitgeverij De Harmonie, 2009). Daarover een andere keer,
beslist, maar nu eerst maar eens zo'n kleef aan-geval, het gedicht 'Voorjaar'
uit de bundel 'Parken en woestijnen' van M. Vasalis. Daarin komt de volgende
strofe voor, kunt u het navoelen?
Ik had vergeten hoe het was
en dat de lente niet stil bloeien,
zacht dromen is, maar hevig groeien,
schoon en hartstochtelijk beginnen,
opspringen uit een diepe slaap,
wegdansen zonder te bezinnen.
Dat realiseer je je pas als van de ene op de andere dag het grasveld onder de
bomen wijd en zijd bezaaid is met bosanemonen en speenkruid, in die
uitbundige combinatie van wit en groen en geel, voorwaar een rooms veld
vol... ja, dat is 'hevig groeien' en 'hartstochtelijk beginnen'. Of, zoals
onze nieuwe dichter des vaderlands, Ramsey Nasr, het in zijn fonkelgedicht
'wonderbaarlijke maand' uitzingt:
dat was in de wonderbaarlijke maand
van bloesemingen en overvloed
toen mijn borstkas opstoof als papaver
ribben in sierpennen uitwaaierden
mei mijn magere taal openbrak
vergelijkingen vrat als vuur water
Mooier kun je het toch niet zeggen, of het moest zijn in het gedicht 'Guido
Gezelle' van de onvolprezen grootheid Paul van Ostaijen. Daarin trekt hij een
grandioos monument op voor de taalreus aan wie alle 'Tachtigers'
schatplichtig waren. En hoewel Gezelle (1830-1899) en Van Ostaijen
(1896-1928) sámen op de eenzame hoogte van het taalexperiment staan: zonder
Gezelle ('O krinklende winklende waterding, met 't zwarte kabotseken aan')
zou Van Ostaijen ( 'Als je van het meisje van Milwaukee houdt') niet mogelijk
geweest zijn. Denk ik. Hoe dan ook: nu even de hoeden en de petten af voor
het 'groeigeweld' van Paul en Guido.
GUIDO GEZELLE
Plant
fontein
scheut die schiet
straal die spat
tempeest over alle diepten
storm over alle vlakten
wilde rozelaars waaien
stemmen van elzekoningen bloot
Diepste verte
verste diepte
bloemekelk die schokt in de kelk van bei' mijn palmen
en lief als de madelief
Als de klaproos rood
o wilde papaver mijn
- Dit programma wil ik wel 's zien, meldde mevrouw B. zondagmiddag terwijl ze
de VPRO-gids zat door te vlooien. Moet je horen: 'Het Bourgondisch complot',
op één, vanaf 22.10 uur. Reisprogramma van de Vlaamse fotograaf Michiel
Hendryckx die over de Vlaamse en Franse binnenwateren vaart. Met de
omgebouwde vrachtboot de Maria van Dam gaat hij op zoek naar...' -
Hee, Maria van Dam, Maria van Dam... waar kén ik die naam van? Maria van
Dam... komt die niet voor in een of ander verhaal van Elsschot, B.? Was dat
niet een soort mystificatie...
- 'Het dwaallicht.' Dát verhaal zou het kunnen zijn. Zeker weet ik het niet.
't Is wel érg lang geleden dat ik Elsschot gelezen heb. Wacht, ik pak het
'Verzameld werk' er even bij.
Seconden later...
Hier, kijk, de rode band. 'Balthasar 1959,' staat erin. Heb ik nog van m'n
broers en zussen gekregen toen ik voor m'n eindexamen geslaagd was. 'Het
dwaallicht - Antwerpen 1947', het laatste verhaal, nog net vóór de 'Verzen'.
's Even zien... ja hoor! Drie bemanningsleden van een Indiëvaarder, op zoek
naar... Maria van Dam, Kloosterstraat, 15. Vergeefse zoektocht, Maria van Dam
is nergens te vinden. Bestond ze eigenlijk wel? En Laarmans, ja hoor,
Laarmans is weer eens de sigaar. Heel Antwerpen door met die drie 'zwartjes',
Maria 'die vanochtend aan boord was van de Delhi Castle, voor de
zakken' blijft spoorloos... Op het eind van de hilarische tocht brengt hij de
drie terug naar hun boot, mooie slotalinea, moet je horen: 'Ja, broeders, dat
het u goed mag gaan in de wereld. Dat Allah uw pad moge effenen en u behoeden
op zee, om u terug te voeren naar uw bergen als de tijd gekomen zal zijn. En
wat Maria betreft, laten wij niet wanhopen, want de wil des Heren is immers
ondoorgrondelijk.'
O, en kijk, er zit nog een kaartje van uitgever 'P.N. van Kampen & Zoon
N.V. - Singel 330, Amsterdam-C' in. Te beplakken met een postzegel van 4
cent. Ingevuld heb ik het wel, verstuurd niet. Waarom (niet)? Het betreft
toch een mooi aanbod? "Wij nemen aan, dat U, nadat U dit boek gelezen
hebt, gaarne op de hoogte blijft van wat er bij ons verschijnt. Stuurt ons
deze kaart, wij zenden U dan regelmatig nieuws over onze uitgaven. Natuurlijk
gratis!" - Daar kan het dus niet aan gelegen hebben... Ik zal het fraaie
kaartje wel niet kwijt gewild hebben.
Ooo, en wat een schitterende droogbloem hier, klein kaasjeskruid. En het zit
bij... KAAS. Ach, Kaas, bladzij 410, dat is toch zo'n mooie roman, om te
huilen zo mooi. Geen wonder dat ik er zo'n troostend bloemetje bij te drogen
gelegd heb.
Krap twee uur later...
Écht prachtig, wat een verhaal, Kaas... Te mooi om na te vertellen. Daarom
citeer ik hier het begin van de bespreking van Arjan Peters (deVolkskrant, 26
juni 2003), naar aanleiding van een nieuwe editie bij Athenaeum - Polak en
Van Gennep (€ 19,95): "In aanwezigheid van onder meer de criticus Jan
Greshoff en de dichter Jan van Nijlen las Willem Elsschot op 2 maart 1933 in
Antwerpen zijn kort daarvoor geschreven nieuwe roman Kaas voor. De
volgende dag deed Greshoff aan Menno ter Braak, redacteur van het tijdschrift
Forum waarin Kaas in vijf afleveringen zou worden
voorgepubliceerd, verslag van deze gebeurtenis: 'Hij zelf was er bij momenten
zóó ontroerd van dat hij de lezing moest onderbreken, anders was hij gaan
zitten huilen. Een curieuze kerel!"
En even verderop: 'Dit boek was voor Elsschot "een brok uit mijn leven,
de uitdrukking van mijn walg tegenover publiciteit en handel. Omdat
publiciteit een te abstract onderwerp was om over te schrijven heb ik kaas
genomen. Het heeft vorm, kleur, het ruikt en het stinkt soms. Ik had ook vis
kunnen nemen."'
Aan het einde van de dag...
De avonduitzending van België één, 'Het Bourgondisch complot', viel ons
tegen. De 'Maria van Dam' leek te weinig op het impressionistenbootje van
Manet, en had niet de beoogde intimiteit van het vaartuig waarmee kunstenaar
Metten Koornstra (zie Google) rond 1980 zijn pensioen vierde. Het reisverslag
was helaas meer een 'Ontdek je plekje' dan een aflevering 'Van Moskou tot
Magadan' (prachtreportages van Jelle Brandt Corstius, onlangs op de
VPRO-zondagavond). - Maar ja, een dag waarop je van Willem Elsschot genoten
hebt, kan gelukkig toch niet stuk. Daarom las ik na het tv-programma nog maar
een paar van Willems gedichten. Waaronder het beroemde 'Het huwelijk' (1910),
met de wereldberoemde vijfde strofe - lees op z'n minst díe strofe!
HET HUWELIJK
Toen hij bespeurde hoe de nevel van den tijd
in d'oogen van zijn vrouw de vonken uit kwam dooven,
haar wangen had verweerd, haar voorhoofd had doorkloven
toen wendde hij zich af en vrat zich op van spijt.
Hij vloekte en ging te keer en trok zich bij den baard
en mat haar met den blik, maar kon niet meer begeeren,
hij zag de grootsche zonde in duivelsplicht verkeeren
en hoe zij tot hem opkeek als een stervend paard.
Maar sterven deed zij niet, al zoog zijn helsche mond
het merg uit haar gebeente, dat haar tòch bleef dragen.
Zij dorst niet spreken meer, niet vragen of niet klagen,
en rilde waar zij stond, maar leefde en bleef gezond.
Hij dacht: ik sla haar dood en steek het huis in brand.
Ik moet de schimmel van mijn stramme voeten wasschen
en rennen door het vuur en door het water plassen
tot bij een ander lief in eenig ander land.
Maar doodslaan deed hij niet, want tusschen droom en daad
staan wetten in den weg en praktische bezwaren,
en ook weemoedigheid, die niemand kan verklaren,
en die des avonds komt, wanneer men slapen gaat.
Zoo gingen jaren heen. De kindren werden groot
en zagen dat de man dien zij hun vader heetten,
bewegingloos en zwijgend bij het vuur gezeten,
een godvergeten en vervaarlijke' aanblik bood.
Als u door omstandigheden gedwongen de Volkskrant van afgelopen zaterdag
ongelezen in de kattenbak hebt moeten afleggen, dan zou ik 'm daar maar 's
vliegensvlug weer uitvissen. Althans het katern 'Het betoog', en daarvan
althans de pagina's één en drie, met daarop het artikel Schrijven, dat is
droog brood eten van Jeroen Brouwers (iemand die hem níet kent?). En lees
dat tamelijk superieure gemopper, onderbouwd door harde cijfers en eigendunk,
over het boekenvak, de CPNB en minister Plasterk. Het artikel is gebaseerd op
een hoofdstuk uit een nieuw pamflet van de droogbroodschrijver Brouwers, dat
komende vrijdag verschijnt onder de nietsverhullende titel Sisyphus'
bakens. Vloekschrift. Feuilletons 8. - Het pamflet van 176 pagina's
verschijnt bij Uitgeverij Atlas en kost € 15,00. Dat u het weet.
De hopman straft!
Aan Jeroen Brouwers werd in oktober 2007 de prestigieuze 'Prijs der
Nederlandse Letteren' toegekend door de Nederlandse Taalunie. Toen Brouwers
hoorde dat die prijs zegge en schrijve 16.000 euro bedroeg, weigerde hij de
fooi. In 2009 wordt de prijs opnieuw toegekend, het bedrag is door Plasterk
inmiddels verhoogd tot 60.000 euro. En Brouwers zal die prijs niet krijgen.
De man is nu al twee jaar teleurgesteld en tamelijk verbitterd. Oftewel in
zijn eigen woorden: "Wie een grote mond opzet, zoals ik, krijgt de meute
over zich heen, aangevoerd door hopman Ronald Ha! Plasterk met zijn hoedje en
gitaartje, die de baas en de beslisser van alles is, hem is de macht en de
willekeur. Grote mond, vervelend commentaar, bakens verzetten? - De hopman
straft! Af Bello, en wil je die bakens wel eens heel snel terugzetten!"
- En over díe bakens gaat het dus in dat nieuwe Vloekschrift, het zijn
'Sisyphus' bakens'.
En wie is de dupe? De schrijver!
Het is overigens ondoenlijk en ook wel onwenselijk om het Volkskrantartikel
dat Jeroen Brouwers schreef kort en goed samen te vatten. Dat wordt een slap
aftreksel van pracht-gekanker, dat het voor een fors deel immers van de vorm
moet hebben. Kijk, 'dat de markt voor boeken ziek is, indien al niet verrot
tot in de kern. En wie is de dupe? De schrijver!' is misschien een sterk
châpeau dat de potentiële lezer verleidt om aan het artikel te beginnen, je
moet nogal wat in je mars hebben om diezelfde lezer twee volle krantepagina's
lang achter je aan te houden en tot hijgens toe op te zwepen. Brouwers kan
dat, Brouwers doet dat. Ik pik er wat krenten uit.
Ik ben geen clown, ik schrijf boeken!
Bij voorbeeld over de bestselleritis: "Schrijvers moeten zich laten
zien, praatjes maken, zo dikwijls mogelijk met hun kop op de buis, zichzelf
promoten en zo, waar althans ik het karakter niet voor heb. Ik
depersonaliseer in de openbaarheid, ik minacht televisie, ik ben geen clown,
ik schrijf boeken, laat mij met rust, dan maar geen bestseller."
Of over het schrijversinkomen: "De gemiddelde Nederlandse
beroepsschrijver kan niet rondkomen van de opbrengsten van zijn literaire
werk [minder dan 1500 euro bruto per maand], en is aangewezen op
nevenactiviteiten als stadsgids, enquêtetelefonist, rekkenvuller in een
supermarkt, kelner, babysitter, fotomodel."
Over de CPNB en zijn populistische plannetjes, één grote klaagzang: "En
dan de Collectieve Propaganda voor het Nederlandse Boek, zowat de hoofddader
van de kapseizing van de hele boekenconstellatie. Dat bedrijf slaagt erin het
boek- en leesgeïnteresseerde publiek zo op te naaien en gek te maken dat het
in een doolhof is beland waar het nooit meer uitkomt." - En over het
Boekenweekgeschenk: "Het publiek krijgt dit geschenk bij aankoop van tuinboek,
fietstochtjesboek, boek 'Hoe kwek ik mee over literatuur zonder ooit iets te
hebben gelezen?' Dat dondert de CPNB geen knetter, een boek is een boek, het
mag de Michelingids zijn, de paddoreceptenwijzer, de biografie van Henny
Huisman, wie een boek koopt krijgt een geschenk."
En dan natuurlijk nog een quote over minister Plasterk waar Brouwers zo'n
beetje mee besluit. "Waar nood aan is, dat is aan een échte minister van
cultuur in plaats van de thans in deze functie vigerende ijdele flapdrol, die
niets van het baantje bakt. [...] Niet iemand, bij het praatjesmaken zichzelf
opblazend als een feestcondoom, die alleen maar kwaakt dat hij streeft naar
'een rijk cultuurleven' met 'aandacht voor de absolute top van de cultuur',
en in de praktijk van dit streven uitsluitend komt aanzetten met
verwatenheid, domheid, lucht, flauwekul. - Krukkenpiloot Ronald hahaha!
Plasterk."
Koop dat Vloekschrift!
Krabt u zich nu achter de oren? Is dit nou alles? Heeft die man niet écht
iets te zeggen? Is het alleen maar klagen, klagen, klagen? Dan zijn we
precies waar ik wezen wilde: léés dat artikel in de Volkskrant, dat zal u
meer overtuigen dan mijn citaten. Krantje geheel en al onder de kattedrek?
Koop dan a.s. vrijdag of zaterdag bovengenoemd Vloekschrift, bezorg Brouwers
een bestseller, zónder boekenweekgeschenk, en eis vooral niet dat ie
verschijnt in DWDD, of bij Knevel, of NOVA, Hart van Nederland, De
tv-kantine, of hoe al die populaire programmaatjes ook mogen heten. Kóóp dat
pamflet, léés het!
Ik sluit af met een gedicht van Hanny Michaëlis (1922-2007). Ook iemand die
wars was van flauwekul, die zich nooit in de kijkerd speelde, die hield van
direct, sober, onopgesmukt. Die nooit een bestseller werd, maar wel een van
de grootste Nederlandse dichteressen was in de tweede helft van de twintigste
eeuw. In haar nalatenschap trof Nop Maas het volgende vers aan, nog een hele
stap voorbij het fraaie gemopper van JB:
WAT MEN GEMAKSHALVE
Wat men gemakshalve
het leven noemt, is niet
al te vriendelijk met me omgesprongen.
Het maakte me tot wie ik werd,
iemand die wordt opgemerkt,
en daarna over het hoofd gezien,
omarmd en dan weer losgelaten.
Maar onvriendelijk was het ook niet.
Het liet me wolken zien en
sterrenhemels, bomen en water,
vlammende ramen in de avondzon,
de maan maagdelijk blozend
achter het traliewerk van een gashouder.
Het liet me t