|
home |
balthasarsblog15 mei 2013Even voor de statistieken Meteorologisch gezien is 2013 nu al een bijzonder jaar. Duurde de winter vooral extreem lang door, de huidige lentetijd is ronduit herfstig. Ook vandaag is het weer nauwelijks 12 graden, het is zwaar bewolkt en er valt geregeld een bui. De komende dagen wordt het nog 'n paar graden frisser, met kans op nachtvorst toe. Een mens zou van minder gedeprimeerd raken. Tussen de jaargetijden door hadden we twee keer een korte periode met aangenamer weer. Niettemin liepen we aan het begin van de lente al een maand achter 'qua natuurontwikkeling'. Maar zie: de laatste weken hebben bomen en struiken een inhaalspurt ingezet, zodat het ontsprongen groen de wereld breeduit overweldigt. De hele natuur ziet er fantastisch fris gewassen en gestreken uit, met een lichte neiging tot overdrijven zelfs. - Maar qua gevoelsbeleving zitten we in een reuzendip, dat hoor ik aan alle kanten. Gelukkig hoor ik ook vergelijkende geluiden over het jaar 1976: toen volgde op een desastreuze lente een lange lange warme zomer. Fijn, dit optimisme. Ook op het terrein van de economie is het doorlopend herfst. De krant is een aaneenschakeling van faillissementen, ontslagen en bestedingsbeperkingen. Tegelijkertijd worden er meer fraude- en corruptiegevallen gemeld dan ooit, en lijkt het moreel kompas van de bovenste bestuurslagen in het hele land bij voortduring en volledig van slag. Het is een klein wonder dat we er met z'n allen nog zo rustig onder blijven. De politiek weet weinig meer te bedenken dan bezuinigen, bezuinigen en bezuinigen. De mensen met de smalste beurzen, weet ik uit betrouwbare bronnen, dreigen massaal onder de armoedegrens te belanden. En Boer Rutte, hij ploegde voort, en riep de mensen op om toch vooral nú die nieuwe Mercedes en die nieuwe keuken aan te schaffen. Maar het geld blijft in de Oude Sok, uit vrees voor de toekomst en omdat de rente op spaartegoeden intussen zo laag geworden is dat je binnenkort moet bijbetalen om je geld op de bank te mogen houden. - Maar gelukkig voor de middenstand in onze omgeving hebben wij tussen de bedrijven door kostbare lekkages aan cv-installatie en dakgoten moeten melden. Tevens dringt onze vaste huisschilder aan op een 'volledige herschilderbeurt', nog dit jaar, en gelijk heeft ie. Onze Oude Sok zal danig vermageren, maar de plaatselijke vaklui zijn er blij mee. Gelukkig las ik vanmorgen in de krant een interview met de filosoof/scheikundige André Klukhuhn. Die schreef onlangs een 1270 pagina's dikke 'Algehele geschiedenis van het denken' - Pleidooi voor generalisme en het openstaan voor alle waarheden. Cruciale quote in het interview: 'Hoe meer antwoorden je zoekt, hoe meer nieuwe vragen er komen. Dat is het grootste inzicht dat ik in mijn leven heb opgedaan.' Klukhuhn noemt zichzelf 'een pluralistische agnostische scepticus', iemand dus die geen enkele waarheid uitsluit. 'Dat werkt niet alleen prettig, het houdt de wereld ook aangenaam. (...) Het barst van de mensen die het leuk vinden in een wereld te leven waarin ze iedereen die anders denkt dan zij gek, stom of idioot vinden, maar ik wil dat niet. Ik vind het veel prettiger om zelf geen waarheid te kiezen, maar steeds een soort sceptisch en pluralistisch standpunt in te nemen: misschien zijn beide waarheden wel mogelijk. Het een sluit het ander niet uit, het een vult het ander aan.' - Kijk, zo'n uitkomst van een leven lang leren brengt ons bescheidenheid bij, evenwichtigheid, respect voor de andere mening. Klukhuhn is krap een jaartje jonger dan ik, 72 dus, maar een heel stuk wijzer. Niet dus: Rutte of de Oude Sok, maar Rutte én de Oude Sok. Zoiets? In het hierna volgende gedicht beschrijft Liselore Gerritsen 'een rotdag'. Of toch 'een geluksdag'? Ze aarzelt: 'wat nu?' luidt het slot. - Ze weet het dus gewoon niet. Het zal allebei dus wel waar wezen: het was een rotdag en toch een geluksdag! Klukhuhn avant la lettre? EEN ROTDAG vandaag niet aangereden niet gekaapt geen trein gemist geen enge ziekte gekregen geen honger gehad niet gegijzeld niet uitgescholden niet belazerd niet beledigd niet geslagen niet verlaten niet gestompt niet gestorven ik ben dus een van de weinigen die z'n geluk écht niet op kan wat nu? naar boven 9 mei 2013 Nog éénmaal jammeren over de cv Wat vooraf ging: dat wil je eigenlijk niet weten. 12 jaar onzekerheid, reparaties groot en klein, altijd grote kosten. Geen mens beschikt over een cv-installatie als die van ons: je weet nooit of ie het heden zal doen, of ie voldoende water vasthoudt, het condenswater afvoert, heel blijft, er de brui aan geeft, een lek produceert. De centrale verwarming van de Balthasartjes hier is een ramp al zolang als wij er wonen. Dat móet veranderen, ik ga in definitief verzet, al ligt een faillissement ook op de loer. Een ramkoers is ingezet. Fase 1 - Sinds een maand loopt elke dag weer 10% van het water weg. Telkens moet na 5 dagen 50% water bijgevuld worden. Oorzaak: ergens moet een lek zitten. Maar waar? Er zijn twee kritieke lokaties: de leidingen onder de kamervloer, en de grote aanvoerleiding onder de oprit. Kleine Jacob ligt een hele dag op zijn buik in de kruipruimte onder de kamervloer te otteren en te boren. Hij vervangt twee koppelingen. De oude zijn weliswaar roestig en aangetast, maar waren die het lek? - Jacob ziet er inmiddels uit als een vooroorlogs zandmannetje met een reptielenhuid. Aan het einde van de dag gaat de installatie weer 'in bedrijf', de rekening voor deze zoveelste eerste dag bedraagt 500 euro, exclusief een nutteloos vervangen expansievat en een veronachtzaamde thermostaat (waarvoor de storingsdienst op zaterdagavond nog op moest draven). Fase 2 - Meteen al de volgende dag nam de waterdruk zijn oude gewoonte weer aan: 10% per dag eraf, dag in dag uit. Na een kleine week vulde ik de installatie opnieuw met 50% water en belde de installateur weer. - 'Weet u dat ik niet blij ben met dit telefoontje, meneer Balthasar?' Daar valt in crisistijd natuurlijk wat tegenin te brengen, maar ik snapte wat hij bedoelde. 'Ik stuur kleine Jacob naar u toe.' Kleine Jacob kon afpersen en spieden met de lange staaflamp wat hij wilde: het water liep met bakken de installatie uit zonder zich aan ons 'in the flesh' te vertonen. 'Dan móet het onder de oprit zitten!' sprak hij hoopvol. De chef kwam net zo lang meepraten en -denken, tot de oplossing verscheen: een nieuwe leiding onder het terras in plaats van de oude onder de oprit. Kleine Jacob en Josje vielen aan op het te verwijderen straatwerk. Dat viel hun zwaar, het zat allemaal veel te strak. Het einde van alweer een hele dag het hele huis en hele omgeving op z'n kop. De rekening - nu voor dubbele inzet - zal ontorsbaar zwaar worden. Fase 3 - Op de derde dag breekt de victorie uit, is de bedoeling. Moderne flexibele cv-leidingen als laatste redding van de roestbak onder de oprit. Om half acht reeds zijn de twee baasjes alweer present, verse boterhammen en karnemelk in de tas. Gaan ze het voor de middag redden? Dat is alweer buiten het straatwerk gerekend! Niet alleen is het zand nu vooral binnenshuis gaan liggen, de klinkerstenen op het terras willen niet meer passen en verzetten zich met hand en tand tegen het gehamer van Jos en Jacob. Het wordt drie uur op de laatste dag. En nog is de klus niet geklaard. Daar moet een professionele keienlegger aan te pas komen. - Maar wel pas volgende week. Het slot van het liedje - Aan het einde van de derde dag verwijdert kleine Jacob op ons verzoek de bereikbare oude oprit-leidingdelen. Komt me daar toch een joekel van een verrotte buis tevoorschijn, een maankrater verbogen ijzer, ik hoor het water van al die verloren jaren ruisen. Het blijkt het roestgat met het gouden randje van de trofee! Alle cv-leed van twaalf bange jaren is in één klap vergeten en verwerkt! Victorie, victorie, terwijl we niet eens in Alkmaar zijn! Het lek is definitief boven water! Het boek kan gesloten, het verzet gestaakt worden! Vijf uitroeptekens inmiddels, en terecht! - Nu alleen het slotvers nog. Een gedeelte uit het meerdelige gedicht 'Iemand stelt de vraag' van Remco Campert. Ervaar hoe zacht geritsel de storm aankondigt. IEMAND STELT DE VRAAG 2 Verzet begint niet met grote woorden maar met kleine daden zoals storm met zacht geritsel in de tuin of de kat die de kolder in z´n kop krijgt zoals brede rivieren met een kleine bron verscholen in het woud zoals een vuurzee met dezelfde lucifer die de sigaret aansteekt zoals liefde met een blik een aanraking iets dat je opvalt in een stem jezelf een vraag stellen daarmee begint verzet en dan die vraag aan een ander stellen. naar boven 18 april 2013 Ene Leerzame Wandeling Wolvarkens Tijdens onze maandelijkse Rondje-de-Veluwe-wandeling troffen we gister op een boerenbedoening in Vaassen wel iets heel bijzonders aan: varkens met een krullende wol-vacht. De donkerkleurige varkens lagen en wroetten en stoofden in het zand en de zon en de modder, en schenen volop te genieten van het leven bij boer Jansen. Boer Jansen zelf, in grijze stofjas, stond op het pad aan het hek geleund en genoot zichtbaar van zijn beesten. Hij had wel zin in een praatje met ons, straalde hij uit, en glom al bij voorbaat om het verhaal dat hij ons vertellen zou. De varkens bleken 'van mien zeun', en heten wolvarkens, Hongaarse wolvarkens of mangalitsas. En 'ielemaol biologisch, he'! Deze hier zijn allemaal van de 'rode beer', en die andere daar van 'de blonde'. En daarachter hebben we er nog twee alleen, die worden door deze hier niet geaccepteerd, die hebben we apart moeten zetten. 'En dan gaat het erop hoor, ze zouden ze zo doodbijten! En toch is 't allemaal familie van elkaar, ik snap er niks van.' Boer Jansen De varkens bleken varkens voor de slacht. 'Lekker vlees, en gezond hoor!' Sommige varkens gaan naar diep in Frankrijk, andere biggen naar Duitsland, 'voor in de bossen'. - Plotseling nam het verhaal van boer Jansen een wending richting zijn persoon. Hij was vandaag jarig, tachtig!, sprak hij glunderend. Waarop we hem natuurlijk feliciteerden en complimenteerden. 'Dat zou ik u niet geven, hoor,' sprak de jongste van ons gezelschap. 'Ech nie? Nou, ik ben het toch écht!' - En daarop volgde wending twee: 's mans gezondheid. 'Mijn been, ziet u, een brace, het bot komt er helemaal doorheen. Daar moet ik mee naar het ziekenhuis. En nee, daar heb ik niet veel zin in, nie. Mar ja...' 'En hoe moet het dan met de varkens?' vroegen wij 'n tikje bezorgd. - 'Daar zorgt mien zeun dan natuurlijk veur, wiedes.' Jaarlijks wolvarkenfestival Thuisgekomen tikte ik op internet meteen het trefwoord 'wolvarkens' in. Het eerste het beste item leverde al een You Tube-filmpje op over... 'Wolvarkens in Vaassen'. En daar verscheen boer Jansen vrolijk met zijn menagerie van modderaars. Het tweede filmpje toonde 'Wolvarkens in de sneeuw'. Inderdaad, weer die van Vaassen! Weer met boer Jansen. Ook weer leuk. - Toen even naar Wikipedia: 'De natuurlijke habitat van het wolvarken is Hongarije. In dat land vindt ook het jaarlijkse wolvarkenfestival plaats van 6 tot en met 8 februari. In Nederland is het houden van wolvarkens toegestaan, maar desondanks zijn er tot dusver weinig wolvarkenfokkers gevestigd. - Het varkensras is ontstaan in 1833, uit een kruising tussen Servische Sumadia-varkens en Szaltonser- en Balkonyer-varkens. Oorspronkelijk waren er ook zwarte en wildkleurige Mangalitsa's, nu bestaan er enkel nog blonde, rode en zwaluwbuiksoorten. Het ras wordt gebruikt voor het vlees. - Het Hongaarse wolvarken heeft een hoop voordelen. Het vlees is lekkerder en gezonder en de varkens kunnen dankzij de wol beter tegen de kou en tegen de zon.' Dat u het weet. Ik wist er zoals gebruikelijk weer eens helemaal niks van. De reuzenberenklauwen te lijf Ander verrassend nieuws bood de site van de gemeente Almere. Reuzenberenklauwen van drie meter hoog in het Kromslootpark bezorgen de bezoekers daar huidirritaties en infecties aan de luchtwegen. De reuzenberenklauwen staan in kleiachtige grond die moeilijk doordringbaar is. Daarom zet de gemeente nu wolvarkens in om de berenklauwen met wortel en tak uit te roeien. Door hun vacht hebben de varkens geen last van de planten. En de wortels vinden ze lekker. - Het gaat om een proef van drie maanden met vijf varkens. Bijkomend voordeel: de wolvarkens hebben een hoge aaibaarheidsfactor. Ook nog eens leuk voor de parkbezoekers, dus. En dat allemaal volgens een woordvoerder van de gemeente Almere. En weer stond ik paf over de feiten waar ik allemaal niks van wist! Dierenleed faldera Van het wolvarken wist ik tot gister toe niks. Net zo min als van de jenk of de tralalama. Soms kom je dingen te weten op een wandeling, een andere keer via een lied of een muurtekst. Je moet gewoon geen moment versagen, dat blijkt telkens weer. Zo leerde ik in mijn kindertijd het verdriet van het varken kennen door het lied van Juffrouw van der Donk: Ons varken is gestorven. / Ons varken is gestorven. / En het beest heeft zo geschreid faldera. / Al van die narigheid faldera. / Het beest heeft zo geschreid. / Al van die narigheid! - Zijn verdriet werd mijn verdriet, zijn tranen waren de mijne. Nooit zal ik het lied en het varken en Juffrouw van der Donk vergeten. De kwaliteiten van andere rare beesten leerde ik kennen door de dichtbundel 'Het mes op de gorgel' van Cees Buddingh', zoals de blauwbilgorgel en de lariekoekoek. Van het luiaardvarken had ik tot vandaag geen weet, tot ik bladzij 948 van de Rode Buddingh' opsloeg, het verzamelde werk van de Dordtse Dichter. Hij - ik bedoel het luiaardvarken van Buddingh'- blijkt met gemak te kunnen wedijveren met het wolvarken uit Vaassen. Zet het wolvarken zijn leven voort via boer Jansen, het luiaardvarken blijkt praktisch uitgestorven te zijn, en komt nog slechts hier en daar in een dierenpark voor. Dat weten we gelukkig dankzij het werk van Cees Buddingh' (1936-1985), waarvoor wij hem veel dank verschuldigd zijn. HET LUIAARDVARKEN Hier en daar in dierenparken vindt men nog een luiaardvarken. Amper dertig jaar gelee'n was hij overal algemeen. Ja, van Roodeschool tot Sluis heette men hem 'kind-aan-huis'. Tot hij plots aan al zijn erven schreef: 'Kom, laat ons uit gaan sterven. Ik hoor steeds, van ver en heinde: Deze wereld loopt ten einde. En dat wil ik, slome snaken, liever toch niet medemaken.' Sindsdien vindt men 't luiaardvarken nog slechts in 'n paar dierenparken. naar boven 5 april 2013 Oorlogsappels Ik lees op dit moment het hooggenoteerde boek 'De vergelding' van Jan Brokken. Het is een documentair verslag van een rampzalige oorlogsgeschiedenis uit zijn geboortedorp Rhoon. Jan zelf is van na de oorlog, en ondanks dat de oorlog een veelbesproken onderwerp in zijn jeugd was, bleek hij achteraf totaal niet te weten wat er in Rhoon écht gebeurd is in die bezettingsdagen. Samen met een dorpsgenoot zocht hij 'de Rhoonse ramp' minutieus uit. Jan, en hij niet alleen, bleef in verbijstering achter over het collectieve geheugenwiswerk van zijn ex-dorpsgenoten. Enfin, lees dat boek, en verbijster je met Jan mee. - Naar aanleiding van dit boek schoot mij een eigen oorlogservaring te binnen die misschien wel te móói is om waar te zijn. En waar door anderen in mijn omgeving lichtelijk aan getwijfeld wordt. Ik was tenslotte pas goed viereneenhalf jaar oud toen het gebeurde, dus hoe kan ik dat nou allemaal zo precies weten, nietwaar? Het verhaal zal door de herhaling en door de inbreng van naaste familieleden allicht mooier geworden zijn in de loop van mijn kinderjaren, voor mij blijft het hoe dan ook een van mijn vroegste herinneringen. Het is oktober 1944, wij wonen in hartje H., en de oorlog dendert elke dag dichterbij. De geallieerden drijven de Duitsers steeds verder in het nauw, zodat die vanzelf raardere sprongen beginnen te maken. Wij wonen akelig dicht bij de rechteroever van het riviertje De D., de kant waar de Engelsen en Canadezen naar optrekken. De Duitsers concentreren zich aan de overkant van de rivier, in de buurt van het patersklooster en het treinstation. De Wilhelminabrug is nog intact, maar voor hoelang nog? De spanning is te snijden, daar is geen woord cliché van, wij bivakkeren met ons gezin in de muurkasten op de begane grond in de timmerwerkplaats van mijn vader. De avond valt, maar het gerommel verstomt nooit. Tegen tienen, dit laatste is mij verteld, verschijnt een kleine legereenheid Engelsen bij ons aan de deur. Ze willen via ons dak en dat van de buren zo dicht mogelijk bij de Duitsers aan de overkant van De D. komen, om ze te beschieten, in elk geval in de gaten te houden. De eerste Engelsman die verschijnt en onze verschrikte koppen uit de muren ziet steken, stelt ons gerust met een appel die hij in iets wat op een schaal lijkt neerlegt. De tweede soldaat volgt zijn goede voorbeeld, net als de derde en de vierde. Ik zie de schaal met appels zó voor me, feest! Daarna volgt het tweede deel van de Engelse gevechtseenheid. De eerste man ziet die heerlijke schaal met appels staan, en denkt dat het een welkomstgeschenk van ons aan hen is. Hij neemt een appel uit de bak en zegt iets onverstaanbaars dat wel 'bedankt' of zoiets zal betekenen. De soldaat na hem volgt zijn voorbeeld, net als de volgende en de volgende. Tot de hele schaal weer leeg is, de soldaten naar boven verdwenen zijn, en wij onze koppen weer in de muurkasten teruggetrokken hebben. Van het vervolg herinner ik me ook nog het nodige. Ons dak vliegt in de brand en wordt met kunst en vliegwerk geblust (dit hebben ze mij verteld, ik heb hier geen nachtmerrieachtige herinnering bij). Wij moeten het huis uit ('vluchten'!) om naar familie elders in de stad te evacueren. Mijn vader gaat op verkenning maar keert onverrichterzake terug: hij kan nergens 'door'. Ik zie mijn vader voor het eerst en het laatst in mijn leven huilen. Toch lukt het later om met het hele gezin - kinderwagens, beladen met zak en bult en kind - naar de Lange Putstraat te ontkomen waar oom V. ons liefderijk in zijn schoenmakerij opvangt. - Meteen daarna is het vrede in mijn herinnering. Nadat wij in het broedersziekenhuis ontluisd en met een bijtend goedje ingekalkt zijn, spelen wij op straat met helmen en armbanden van de BS; er is ook een pioniersschop met zaagrand, een wonder van vernuft, avontuur en heldenmoed. De Duitsers zijn geen partij voor ons. Het barst van de kogelgaten in de muren om het patersklooster. Samen met zo'n veertig andere kinderen uit onze buurt zit ik in de bus. Ik ben inmiddels vijf (denk ik), het is zomer, we zingen de hele tijd, een eindeloze potpourri meezingers van je helahola houterdemoet maarin. We gaan met de bus naar de bossen, het is een onvoorstelbaar feest. Met buikflesjes gele limonade in kisten achterin de bus, en een flinke hand bessen in een krant op schoot. Ik leer wat appeltjes van oranje zijn, en later wat Appeltjes van Oranje zijn. Langzaam maar zeker verdringen ze de Engelse appels op de schaal in mijn vaders timmerwerkplaats. Het was een appelige tijd, en dat was het. In elk geval in mijn herinnering. Misschien niet goed genoeg voor het NIOD, maar wel voor een balthasarsblogje. APPELTJES VAN ORANJE Daar zijn de appeltjes van oranje weer. Sinaasappelen zoek ze zelf maar uit. Grote, kleine, 'k heb ze in elke maat, Bijt er 's in, 't sap langs je kin. Zo roept die man op de straat. (Ja,) Daar zijn de appeltjes van Oranje weer. Sinaasapp'len sla een kissie in. Geld aan m'n vrouw, die staat er niet voor lauw En van je hela hola houd er de moed maar in. En van je hela hola houd er de moed maar in, En van je hela hola houd er de moed maar in. Ze zijn nog eens zo fijn Als de appeltjes van Piet Hein, En van je hela hola houd er de moed maar in. naar boven 24 maart 2013 De Boerenoorlog Laten we wel wezen: als iemand je onverhoeds zou vragen waar en wanneer de Boerenoorlog plaatsvond, wie de belligerenten waren, en wat de afloop ervan was, dan zou je tevergeefs in het verleden van je lessen geschiedenis graven. Want van de oorlog tussen de Zuid-Afrikaanse Boerenrepublieken Transvaal en Oranje Vrijstaat met Groot-Brittannië hoefden wij op school kennelijk niets te weten en niets te leren. Maar waarom zou je dan wél het boek De Boerenoorlog van Martin Bossenbroek lezen (Atheneum-Polak & Van Gennep, Amsterdam 2012)? Bijvoorbeeld omdat dit boek op verbluffende wijze aantoont hoe de Boerenoorlog een voorproefje was van de Eerste en de Tweede Wereldoorlog, waar de oorsprong van de apartheid ligt, en op welke wijze Nederland bij deze geschiedenis betrokken is. De Boerenoorlog (1899-1902) was de eerste mediaoorlog, met beroemde correspondenten als Winston Churchill en kritische rapporteurs als Emily Hobhouse. Zij legden feilloos bloot hoe de oorlog tussen de afstammelingen van Nederlandse kolonisten (de Boeren) en supermacht Groot-Brittannië Zuid-Afrika tot op het bot verscheurde, en nóg steeds verscheurt. De Boerenoorlog was een 'white man's war': zwarten en kleurlingen speelden in het hele conflict nauwelijks een rol. Het was ook een 'koloniale' oorlog en een 'moderne' oorlog: met dumdum-kogels, systematische terreur tegen de burgerbevolking, en concentratiekampen. Onvermijdelijkerwijs verloren De Boeren de oorlog, maar ze 'wonnen de vrede': met instemming van de Britten buitten ze die uit door Zuid-Afrika om te vormen tot een land van blanke meesters en zwarte knechten. Wie waren de Boeren? Ik ga hier natuurlijk geen poging doen om het uitputtend volledige boek van Martin Bossenbroek even in een paar alinea's samen te vatten. Maar misschien is het wel handig om nu heel in het kort dat geschiedenislesje te noteren dat we op school hebben moeten ontberen. In opdracht van de Vereenigde Oostindische Compagnie (VOC) stichtte Jan van Riebeeck in 1652 de eerste Europese handelspost in Zuid-Afrika, in een toen nog onontgonnen gebied. De nederzetting (bij Kaap de Goede Hoop) zou uitgroeien tot de Kaapkolonie en uiteindelijk tot de huidige Republiek Zuid-Afrika. De Boeren of Afrikaners waren afstammelingen van Nederlandse kolonisten, die als pioniers (Voortrekkers) naar de binnenlanden van Zuid-Afrika trokken en daar onder meer de republieken Transvaal en Oranje Vrijstaat stichtten. Hun taal, het Afrikaans, is geënt op het Nederlands van de zeventiende eeuw; hun geloof lag gebeiteld in de Nederlandse Statenbijbel uit 1637. En hun onderlinge solidariteit was even legendarisch als de kracht van de bijbelse Gideonsbende. En wat was hun oorlog? Aan het eind van de negentiende eeuw waren de Boeren voortdurend in conflict met de aangrenzende Britse koloniën, en dus met het machtige wereldrijk zelf, dat heel Zuid-Afrika onder Brits bestuur wilde brengen. Die conflicten leidden uiteindelijk tot De Boerenoorlog. In feite waren er twee oorlogen: de Eerste Boerenoorlog (1880-1881) en de Tweede Boerenoorlog (1899-1902), die gezamenlijk kortweg De Boerenoorlog genoemd worden. Aanvankelijk konden de Boeren op veel sympathie in de wereld rekenen: Nederland, Frankrijk, Duitsland, Rusland en zelfs de Verenigde Staten spraken mooie woorden, maar niemand wilde in oorlog raken met het machtige Britse Rijk. Tot daadwerkelijke steun aan de Boeren kwam het dus nooit. En aangezien Groot-Brittannië naar believen en behoefte troepen uit de hele wereld naar Zuid-Afrika kon sturen, waren de felle Boeren uiteindelijk geen partij voor de overmacht aan 'Kaki's' (de Britse soldaten hadden kaki-kleurige uniformen). Zodoende kwam er in 1902 definitief een einde aan het bestaan van de onafhankelijke Boerenrepublieken in Zuidelijk Afrika. Een paar cijfers De Boeren waren in shock na de Vrede van Vereeniging (31 mei 1902). De verliezen waren voor hen nauwelijks te bevatten. De zichtbare schade betrof: 34.000 mensenlevens waarvan 6000 in de strijd, 28.000 in de kampen, merendeels kinderen. Miljoenen koeien, paarden en schapen werden gedood. Tienduizenden boerderijen werden vernield, inclusief alle voorraden. Alle landbouwgrond kwam braak te liggen. Groot-Brittannië telde 22.000 omgekomen militairen, meer dan de helft als gevolg van ziekten. 400.000 dode paarden en muilezels. En een rekening van 217 miljoen Engelse ponden. En daarnaast een niet te becijferen reputatieschade in de hele wereld. Boeren zo goed als Britten: ze waren in 1902 allen aan het einde van hun Latijn. Daarom moesten de vredesonderhandelingen wel slagen. Het boek van Bossenbroek Bossenbroek's pil van 614 pagina's bestaat uit drie grote delen, elk beschreven vanuit een andere invalshoek: die van de Nederlandse jurist in Boeren-dienst Willem Leyds, die van de Britse oorlogsverslaggever Winston Churchill en tenslotte die van de Boeren-commando Deneys Reitz. De enige drie foto's in het boek betreffen dan ook deze historische figuren. Aan het begin van elk van de drie delen staan kaarten van Zuid-Afrika ten tijde van de oorlogsjaren. Aan de hand van die kaarten realiseerde ik me voor het eerst hoe Zuid-Afrika nu echt in elkaar steekt, wat het verschil behelst tussen Kaapstad en Pretoria, en welke rol de goudmijnen hebben gespeeld in het ontstaan van 'booming' Johannesburg. Dat de rivieren de Vaal en de Oranjerivier de namen bepaalden van Transvaal resp. Oranje Vrijstaat, ik wist het niet. Alle Boeren-namen die je wellicht bekend zijn uit de Afrikanerbuurten in de grote steden krijgen in dit boek smoel en betekenis: president Kruger ('oom Paul'), Botha, Joubert, De Wet, De la Rey, Smuts, Reitz, Pretorius, Ghandi, ik geef er zomaar een handvol. Evengoed als van Zuid-Afrikaanse steden die je uit allerlei andere conteksten kent: Ladysmith, Kimberley, Bloemfontein, Spionkop, Durban, Port Elisabeth... geen van alle komen ze ongeschonden uit de Boeren-strijd tevoorschijn. In een Epiloog legt Bossenbroek de verbinding tussen 1902 en 2012. Na de afschaffing van de Apartheid zijn de rollen tussen blanke meesters en zwarte knechten volledig omgekeerd. Waarbij de Boeren opnieuw ten onder leken te gaan, en nu als schurken. In Zuid-Afrika en overal elders in de wereld zijn en worden de bordjes verhangen: alle Boerenleiders die de strijd tegen de Britten aangingen zijn op de straatnaambordjes vervangen door de ANC-leiders die het opnamen tegen het Apartheids-regime. De Paul Kruger Avenue in Bloemfontein heet inmiddels dan ook OR Tambo Street. Een lied uit De Boerenoorlog Vroeger kende iedereen in mijn omgeving dit lied, het werd veel gezongen op clubs en bij mandolineverenigingen, soms in humoristisch bedoelde variaties (zoals die van Toon Hermans). Sarie Marais (in het Nederlands ook wel Sarie Marijs gespeld) is een traditioneel Afrikaans volkslied. De muziek is afkomstig van het lied Ellie Rhee, dat uit de Amerikaanse Burgeroorlog stamt. De Afrikaanse tekst is daar een bewerking van. Deze bewerking zou tijdens de Boerenoorlog gemaakt zijn door J.P. Toerien. Zijn tekst verwijst naar zijn geliefde Sarie Maré, een vrouw die echt geleefd heeft, en van wie de naam door een drukfout veranderde in Marijs. Het Afrikaans gewoon hardop lezen (of zingen natuurlijk!), dan valt het allemaal best mee met die vreemde en toch zo verwante taal. Enkele lastige woorden zijn misschien: gewoon = gewoond; mielie = maïs; doring-boom = doorn-boom; Kakies = Britten (die droegen kaki-uniformen!); oor = over; vlug = vluchtte. SARIE MARAIS My Sarie Marais is so ver van my hart maar 'k hoop om haar weer te sien. Sy het in die wyk van die Mooi Rivier gewoon nog voor die oorlog het begin. [Refrein] O bring my trug na die ou Transvaal daar waar my Sarie woon daar onder in die mielies by die groen doringboom daar woon my Sarie Marais. Daar onder in die mielies by die groen doringboom daar woon my Sarie Marais. Ek was so bang dat die Kakies my sou vang en ver oor die see wegstuur. Toe vlug ek na die kant van die Upingtonse strand daar onder langs die Grootrivier. [Refrein] Verlossing het gekom en die huis-toe-keer was daar trug na die ou Transvaal. My liewelingspersoon sal seker ook daar wees om my met een kus te beloon. [Refrein] naar boven 13 maart 2013 Wit vs Oranje Actie tegen de monarchie Bericht uit het dagblad De Stentor van maandag 11 maart 2013: "BEEKBERGEN - Het Nieuw Republikeins Genootschap heeft de kroon om de Oranjeboom in het Texeira de Mattos park in Beekbergen 'behangen' met witte lintjes. De actie is gericht tegen de monarchie. Het Nieuw Republikeins Genootschap claimt driehonderd nieuwe leden te hebben gekregen sinds in januari bekend werd dat koningin Beatrix aftreedt en Willem-Alexander haar op 30 april opvolgt. Het NRG roept medestanders op de vele honderden Oranjebomen die ons land telt (ooit geplant bij een Oranjehuwelijk of -geboorte) met witte lintjes te versieren." - Wit, waarom wit? Wit past - zeg maar - in de traditie van de witte vlag en van de voetbalfans die hun falende trainer tot opstappen proberen te bewegen door hem vanaf de tribunes met witte zakdoekjes uit te zwaaien. (Voor 'falende trainer' leze men hier natuurlijk 'de monarchie'.) Al langere tijd gevoelde ik de behoefte om me aan te melden als lid van Het Republikeins Genootschap. De kroning van WA en Mxm leek een mooie gelegenheid om m'n voornemen nu maar eens in daden om te zetten. Maar wat blijkt? Je kunt helemaal geen lid worden van het RG. Wél van het Nieuw Republikeins Genootschap (aanmeldingsformulier op www.republikeinen.nl, kost 15 euro per jaar; je kunt ook 'sympatisant' worden, dat is gratis). - Republikeins Genootschap (RG) vs Nieuw Republikeins Genootschap (NRG): heb ik iets gemist? Is er iets aan de hand in het kamp van de anti-orangisten? En heten die nu ineens republikeinen.nl? Twee clubs, één doel Veel weldenkende mensen vinden een monarchie in strijd met de democratie. In een democratie geeft het geen pas om het staatshoofd-schap via erfopvolging te regelen. Dat is een relict uit de zeer oude doos, toen adellijke vechtersbazen en hun kroost nog overal de dienst uitmaakten. Hele revoluties zijn ervoor gevoerd, met als voornaamste aanjager de Franse Revolutie van 1889, en in ons land de mislukte pogingen van Pieter Jelles Troelstra uit 1918. - 'Maar ja, hier en nu loopt alles toch op rolletjes en die Oranjes doen het toch geweldig, dus wat zou je nou toch gaan liggen veranderen allemaal? Leve de koning(in), onze in-keurige oranjevereniging, het wc-potwerpen op koninginnedag en het taaie conformisme. Handen af dus van het koningshuis, want wie aan Oranje komt komt aan ons! Tóch?!' Ook revolutie maken is niet meer van deze tijd. Vandaar dat de moderne mens naar een republiek streeft 'door ontwikkelingen en incidenten, die het gevolg zijn van de strijdigheid tussen monarchie en democratie, kritisch onder de loep te nemen en de discussie hieromtrent te stimuleren' (uit de beginselverklaring van het Nieuw Republikeins Genootschap, opgericht in 1998 door Ewout Irrgang en Elisabeth van der Steenhoven). Het oorspronkelijke RG formuleerde het in 1996 nog een stuk tandelozer: 'Het lidmaatschap van het Republikeins Genootschap is het doel ervan. Het genootschap kent statuten noch plannen. De deelnemers aan het genootschap bevorderen individueel of collectief de discussie over de Nederlandse staatsvorm, totdat de volksgunst voor het erfelijk koningsschap voldoende zal zijn afgenomen om de republiek op vreedzame wijze te herstellen. Het bestaan van het genootschap is een signaal dat op den duur tot bezinning zal leiden.' - Geen wonder dat je van deze elitaire club alleen lid kon worden 'door coöptatie' (het benoemen van nieuwe leden door de leden zelf). En natuurlijk moest daar een NRG tegen in het geweer komen: iedereen kan lid worden van het Nieuw Republikeins Genootschap. Wit is de kleur In tegenstelling tot het NG voert het NRG ook acties (beter: activiteiten) om 'de regeringsvorm van Nederland een republikeinse grondslag te verlenen'. Alles in het nette en ludieke natuurlijk, want: 'De vereniging wil uitsluitend gebruik maken van wettige middelen; het gesproken en geschreven woord zijn hiervan de voornaamste bestanddelen. Alle vormen van fysiek geweld alsmede activiteiten die in strijd zijn met de algemeen aanvaarde omgangsvormen worden nadrukkelijk afgewezen. Dat geldt ook voor persoonlijke aanvallen, bijvoorbeeld op leden van de koninklijke familie.' - Vandaar de 'oproep tot witte actie bij de inhuldiging', een goedmoedig alternatief voor al die oranjegekte. Onder de titel 'Nederland draagt wit op 30 april voor minder monarchie' roept het NRG zijn leden (en verder iedereen die de republikeinse democratie een goed hart toedraagt) op om 'op 30 april een wit sjaaltje te dragen, of een wit hemd. Misschien heb je een witte trui of een wit petje. Hang een witte wimpel aan je vlaggenstok of hang een wit laken uit je venster.' - Vreedzamer, ludieker, goedmoediger, softer en liever kan een 'actie' toch niet zijn? Dat is wel even andere koek dan de Franse Revolutie die begon met de bestorming van de Bastille en de onthoofding van Marie Antoinette en consorten. Ik denk niet dat toen het zwaaien met een witte vlag als teken van overgave voldoende was om het er levend van af te brengen. Zwaai daarom op 30 april koning en koningin uit met een wit zakdoekje, dat ze weten dat ze beter de pijp aan Maarten kunnen geven, en de weg vrijmaken voor een gekozen staatshoofd. Prins WA mag uiteraard meedoen aan die verkiezingen, en als ie gekozen wordt zal ie ook míjn staatshoofd zijn. Tot zijn termijn verstreken is. Dan gaat iemand anders de vlag overnemen. Volkslied Een democratisch gekozen staatshoofd in plaats van een koningshuis? Dan ook een democratisch gekozen volkslied in plaats van het onderdanige Wilhelmus ('Den koning van Hispanje heb ik altijd geëerd'). Voor een nieuw Nederlands volkslied werden al heel wat pogingen ondernomen, o.a. door Wim de Bie, Jeroen van Merwijk, Driek van Wissen, Frans Bauer, Liesbeth List, Paul de Munnik. Veel van die nieuwe liederen kwamen dan ook aan bod toen de VPRO in oktober 2007 op radio en tv een 'week van de democratie' uitzond. Zo ook Jan Rot (tekst), die samen met Syb van der Ploeg en Jeff Zwart (muziek) 'Mijn eigen lied' componeerde, waarvan hieronder de tekst staat. Een goede poging, maar... nog niet helemaal míjn lied. MIJN EIGEN LIED Eén hart, één ziel, één wereld... Wat moet ik met één land? Een kind, een kneus, een kerel Ze passen in één hand Als één toon de muziek maakt Dan makkers, zet de toon Met één noot die mijn hart raakt Wordt massa een persoon Ieder zingt zijn eigen lied En samen klinkt een volkslied Maar iedereen hetzelfde Zo’n lied dat wil ik niet Eén rijk, één volk – ik ken ze... Mijn eigen manifest: Ik hou van alle mensen Zolang je mij niet pest Als één toon de muziek maakt Dan makkers, zet de toon Met één noot die mijn hart raakt Wordt massa een persoon Ieder zingt zijn eigen lied En samen klinkt een volkslied Maar iedereen hetzelfde Zo’n lied dat wil ik niet Zo’n lied wil ik niet Geen vijandbeeld, geen jagersbloed Geen vijandbeeld of vaderland Geen Nederland of Jaderland Geen Nepal-Japal, Japan-Neepan India of Indinee Ieder zingt zijn eigen lied En samen klinkt een volkslied Maar iedereen hetzelfde Zo’n lied dat wil ik niet naar boven 5 maart 2013 Valse start Verliep de maand februari nogal rommelig en verbroddeld, de start van maart 2013 is niet minder knudde, zij het van geheel andere orde. Ik zal dat met enkele bittere voorbeelden staven. Alsook met twee wat wrange gedichten van Cees Buddingh' - om het geheel een beetje in balans te houden. Ja, mensen, het leven is een toverbal, hartverscheurend verkleurend. (Volgende keer weer iets vrolijkers, hoop ik, bijvoorbeeld over het Nieuw Republikeins Genootschap dat op 30 april met witte zakdoekjes wil gaan zwaaien. Lijkt me iets om aan mee te doen.) Relatief lastig Afgelopen dinsdagochtend stond ik gebukt het bad schoon te maken, dat moet zo af en toe. Een eenvoudige mededeling over een allergewoonste huishoudelijke activiteit, u kent dat wel. Het beoogde venijn zit overigens in het woord 'gebukt'. Dat is de houding die een man met chronische lumbago onder de leden, ten koste van alles moet zien te vermijden. En ik ben zo'n man. En daarnaast natuurlijk godsgruwelijk stom. Want sinds dinsdag is de lumbago dus terug van weggeweest, door dat stomme gebuk. Een enkele trouwe lezer weet misschien nog dat ik daar in het verleden vaker over geschreven heb (minstens vier keer werd ik 'getroffen' door zo'n zenuwbeknelling). Voor de anderen citeer ik hier voor het gemak het (enigszins aangepaste) begin van mijn blogje dd. 13 oktober 2008: "Lumbago is back! Again! En niet zo zuinig ook! Want dat kán lumbago helemaal niet, zuinig! Lumbago is extreem van zichzelf! Lumbago, daar moet je zo snel mogelijk van af zien te komen! Want lumbago is hels, man! Lumbago is lijden! Wat zeg ik: lumbago = zelfmedelijden! - Lage rugpijn die uitstraalt naar de billen en de bovenbenen noemen ze lumbago. Loopt de uitstraling verder het been in, tot aan de tenen aan toe (via de nervus ischiadicus), dan heet lumbago geen lumbago meer, maar ischias. Pijnlijke zenuwbeknellingen bij een onderrugwervel, waar je vanzelf zo krom als een oud mannetje van gaat lopen. Bestrijden moet je het ongemak met oefeningen, oefeningen, oefeningen, in beweging blijven, en een pijnstiller zo nu en dan. Zeg maar zo gewoon mogelijk doen, maar dan wat omzichtiger. Het advies van de deskundigen luidt: het gaat uiteindelijk vanzelf over, en oja, u kunt het beste geen lange autoritten maken. Als het na zes weken nóg niet over is, dan sturen ze je naar de fysiotherapie, dat afvalputje van de medische sector." Uit het rode verzamelboek Buddingh' gebundeld (p. 878) lijkt me het relativerende vers 'Kringloop' hier wel op z'n plaats: KRINGLOOP Eigenlijk moet je nooit vragen wanneer het voorjaar is: 'Zal 'k ook de zomer nog halen?' Je hebt al aeonen* gemist. - * [onafzienbare tijdruimtes] Klap je stoel gewoon uit in je tuintje. Steek heel je nek uit in de zon. Straks zit je een beetje te kwijlen. Dan ben je weer waar je begon. Dood en verderf Zojuist ontvingen wij een tamelijk verpletterend mailtje van een goeie oude vriend. Zijn zoon ligt in het ziekenhuis met acute leukemie, een echte donderslag bij heldere hemel, en dat is het. Ik parafraseer het beschreven ziektebeeld: hij heeft een eerste ronde chemotherapie gehad, met allerlei nare onderzoeken en nare bijverschijnselen (waaronder hoge koorts, darmproblemen, geelzucht, vocht vasthouden, kortademigheid, schimmelinfectie in de longen). Zo'n jongen moet er beroerd aan toe zijn. En dan moeten de tweede en de derde ronde chemo nog komen, en tenslotte een beenmergtransplantatie. "Het leven is geen lach, zei de pastoor", zoals ik me uit Marnix Gijsen's Houtekiet meen te herinneren. Op sommige momenten lijkt zo'n uitspraak wel een bron van wijsheid. En dan morgen, morgen gaan wij die beste brave H. begraven, 80, en ten prooi gevallen aan Alzheimer. Zijn partner, ook een oude vriend van ons, is nu sinds vierenveertig jaar weer alleen. Het proces voltrok zich in enkele maanden tijds, een ontluisterend gevecht met een toch nog onverwacht snelle knock out. Daar valt niet tegenop te relativeren. Het mooie motto bovenaan de rouwbrief haakt aan bij het grote gemis als 'samen' uit je leven is. De dichter Cees Buddingh' - vaak vrolijk, soms somber - verwoordde het zo (Buddingh' gebundeld, p. 871): STEEDS VAKER, STEEDS MINDER In mijn hoofd is het één constant komen en gaan van dode en levende vrienden. We praten, drinken, lachen wat af! Maar het zijn wel steeds vaker dode, steeds minder nog levende. naar boven 25 februari 2013 Dat was februari, punt Van XP naar Windows 8 Door omstandigheden was ik even 'uit de ether', m'n excuses daarvoor. Eerst was daar een misselijkmakend Trojaans virus, waarvan de verdrijving me ruim een week en 110 euro aan helpathome kostte (excl. btw). Daarna bleef het horten en stoten, traag/trager/traagst, en besloot ik Windows XP vaarwel te zeggen en over te gaan op Windows 8. Dat bleek uit te draaien op een nieuwe computer, 550 euro incl. installatie en instructie, maar excl. btw, draadloos toetsenbord en muis. De instructie bleek alras onvoldoende voor deze wonderboy, bestanden en programma's kwamen en gingen naar eigen goeddunken, opgeslagen materiaal was in geen velden of wegen meer te bekennen. Dus daar moest echte hulp bij komen wilde ik nog ooit tot een balthasarsblogje geraken of een ordentelijk mailtje op de ordentelijke plaats van bestemming krijgen. Gelukkig waren Mi en de hemel mij gunstig gezind, dankdankdank, ahhh! Enfin, ik ben nu weken verder, 'de rest is geschiedenis' pleegt men dan te zeggen. Alsof het allemaal een fluitje van een cent was. Nou nee. Soit. Zand erover. Case closed. Geen woord meer. Van frezen naar klemmen Ook lichamelijk was er aan deze zijde sprake van voortgaand verval, én van vernieuwing in februari. Ingroeiende teennagels heet de kwaal, soms ook wel: ingegroeide teennagels, het is een sluipend maar onstuitbaar proces. De nagels van je grote tenen groeien aan de zijkanten steeds dieper je vlees in, zodat op het laatst elke vorm van 'contact' een regelrechte kwelling wordt. Deken op je voeten? Au! Afdrogen na het wassen? Au! Teen gestoten? Duizend bommen en granaten! Een lekker stukje lopen? Had je gedacht! Enzomaardoor. - Een pedicure kan elke maand de zijkanten van die nagels nog zo effectief bijfrezen (juister gezegd: af-frezen), al na twee weken worden de lucifers in je tenen weer ontstoken en drukt de helse pijn z'n stempel op elk stap die je zet. Dan zijn hardere maatregelen nodig. En dan kom je dus bij de podotherapeut terecht. Die gaat je na een pijnlijke inspectie met een soort haaknaalden beugeltjes van chirurgisch staaldraad aanmeten: klemmen in de breedte om je teennagels, die naar believen strakker of losser gedraaid kunnen worden. Daardoor komt de nagel aan de zijkanten iets omhoog, los van het nagelbed, vrij van de kwelling. Na een paar weken worden de beugeltjes verzet en aangespannen. En zo nog een paar keer. En dan maar hopen dat je uiteindelijk zonder beugeltjes toe kunt. Althans voor een tijdje. Dan is de pedicure meestal weer aan de beurt met haar freesjes, en daarna ook weer de podotherapeut. De echte pechvogels komen tenslotte bij de huisarts terecht die eenderde, tweederde of driederde nagel uit de nagelbedden knipt. En het ergste: definitieve oplossingen bestaan niet. Voorlopig doen mijn beugeltjes heilzaam werk, halleluja! Van apekool naar zoutzak Voor de vernieuwde voedselencyclopedie van dochter Mi (www.voedselencyclopedie.nl) ben ik sinds februari een nieuwe rubriek aan het ontwikkelen: spreekwoorden en gezegden over voedsel in de ruimste zin van het woord. Ik neem de spreekwoorden/gezegden alleen op als ik er een interessante verklaring voor weet of kan vinden. Heel vaak weten de 'wetenschappelijke bronnen' (Stoett, Ter Laan e.a.) ook niet precies waar een uitdrukking vandaan komt. En soms zijn de deskundigen het hartgrondig met elkaar oneens. Hoe dan ook, pas als er een leuk verhaaltje over te schrijven valt komt de uitdrukking op de voedselencyclopedie. Afzakkertje dus wel, maar zuurpruim waarschijnlijk niet. Tot in de pruimentijd wel, en Iemand zijn vet geven zeker ook. Ik geef een uitgewerkt voorbeeld: Iemand om de tuin leiden betekent iemand bedriegen, misleiden. - Met tuin is hier niet 'stukje grond, vaak behorend bij een woonhuis' bedoeld, maar de haag óm dat stukje grond heen. Het middelnederlandse woord t(h)uun, tuyn betekende: vlechtwerk van teen (= twijgen), omheining. Later ging het ook 'de daardoor afgesloten ruimte' betekenen. Het Engelse woord town heeft dezelfde oorsprong, en heeft eenzelfde betekenisontwikkeling doorgemaakt: van 'omheining' via 'omheind stuk grond' naar 'stad'. - Wat wij nu tuin noemen, heette in de middeleeuwen hof. Wie iemand om de tuin leidde zorgde er oorspronkelijk dus voor dat deze niet in de hof kwam, maar daaromheen werd geleid. De uitdrukking 'iemand om de tuin leiden' wil dus zeggen dat je iemand de toegang tot de waarheid (of datgene waar het werkelijk om gaat) onmogelijk maakt. En dan de dichter van de maand nog De dichtbundel die ik me de afgelopen maand februari veroorloofde heet Finse meisjes. De dichter(es) heet Kira Wuck. Ze is geboren in 1978, en is half Fins, half Indonesisch. Ze woont in Amsterdam en won in 2011 het Nederlandse kampioenschap Poetryslam. Finse meisjes is haar debuutbundel, en wordt op het omslag aanbevolen door Arnon Grünberg ('Zinnen die ik wil lezen voor het slapengaan.') en Wim Brands ('Soms gebeurt het dat regels uit een gedicht weer "aankloppen" terwijl de dichtbundel al in de kast staat: Kira Wuck schrijft zulke regels.') Drie drukken in vier maanden tijd: een ongekend poëzie-succes. - Ik citeer hieronder het titelgedicht. FINSE MEISJES ZEGGEN ZELDEN GEDAG Finse meisjes zeggen zelden gedag maar zijn niet verlegen of arrogant je hebt alleen een beitel nodig om dichtbij te komen ze bestellen bier voor zichzelf reizen de hele wereld af terwijl hun mannen thuis wachten als ze boos zijn sturen ze je een rotte zalm Overwinteren doen ze op een bank onder de sneeuw als het lente wordt laten ze zich vollopen om de laag beschaving van hun huid te krabben ze hangen rond in bushokjes en soms naakt in een meer In de nachtbus zetten ze hun tanden in de rubberen stoelleuning als ze niet in slaap gevallen zijn naar boven 3 februari 2013 Pindakaashuisje De aanwinst van het jaar bestaat uit twee schuine plankjes van 10 cm, met daaronder een horizontaal plankje van zo'n 6 cm. Op dat horizontale plankje past precies een bijgeleverd klein glazen potje, liggend. Ik kreeg het onlangs van J. voor m'n verjaardag. Inclusief mondeling advies en voorgedrukte gebruiksaanwijzing. 1. "Het 'vogelhuisje met glazen pot' dient in de tuin, liefst volop in het zicht, aan een gevel, boom of schuttingplank bevestigd te worden (zie schroefgat bovenin huisje)." - Ik spijkerde het kleinood tegen de oostgevel van het boekhuis, tussen de twee smalle ramen, op een hoogte van ruim twee meter. 2. "Vul het meegeleverde glazen potje met pindakaas." - Halfvol leek me voorlopig ook wel voldoende. 3. "Zie toe hoe uw tuinvogels af en aan vliegen om zich aan de pindalekkernij tegoed te doen." - Geen woord teveel genoteerd. 4. "Vul het potje elke dag bij met pindakaas." - Bijvullen akkoord, maar een heel potje elke dag, dat vind ik overdreven. 5. "Veel vogelkijkplezier met uw nieuwe aanwinst." - Hartelijk dank, J., het is waarlijk een trekpleister van jewelste. Ik noteer als vast tuinvogelbestand sinds m'n nieuwe aanwinst, goed te volgen vanachter het kamerraam: - 1 roodborstje, m'n vaste vriend, gek op alles inclusief de pindakaas, maar steeds 'met mate'; - 3 aarzelende musjes, bij tussenpozen, vaak schuilzoekend in de laurierhaag; - 5 koolmeesjes, steeds als collectief, uitbundige gebruikers van de pindakaas; - 1 zilvervink, beetje droeve eenling; - 1 Vlaamse gaai, niet voor de pindakaas, maar bij tijd en wijle voor het brood in blokjes op de tuintafel ; - 1 mannetjes- en 1 vrouwtjesmerel, afwisselend solitair en tezamen, steeds scharrelend onder de tuintafel op zoek naar 'afval'; ze 'balen' dat ze niet in het pindakaashuisje passen; - 2 schreeuwende eksters, altijd bazig, maar op afstand. Vooral de koolmeesjes zijn de échte gebruikers. Ze vliegen altijd regelrecht op het vogelhuisje af, en zwenken pas op het allerlaatst af als het huisje bezet is. Ze landen dan op de aanpalende muur, klampen zich eraan vast tot het huisje vrij is, en dan, hup, meteen op de pindakaas af. - Minimaal drie halveuurssessies per dag. Enfin, sinds kort is '2 potten pindakaas' een vast item op m'n boodschappenlijstje. Want ze blijven maar komen, de mussen, de merels, de koolmeesjes, het roodborstje. Het gebruik van de vetbollen is overigens met zeker de helft verminderd, ze trekken er hun neus voor op sinds er pindakaas in de aanbieding is. Van het in stukjes gesneden brood profiteren nu alleen nog de grotere volgels, de pest in hun lijf dat ze niet bij die lekkere pindakaas kunnen. Het brood mag van mevrouw B. overigens niet langer ónder de tuintafel gestrooid worden: 'Dat trekt maar ratten aan.' - Twee keer een veldmuisje, dat is het enige wat ik gezien heb. Maar goed, wat er in het donker allemaal gebeurt... dat zie je de volgende dag pas. Als de compostemmer weer eens geplunderd is, en er overal van die langwerpige zwarte drolletjes op het terras liggen (zoals ik eerder al eens schreef). Dat van die ratten is dus heel wel mogelijk. Of op z'n minst woelratjes. Toch maar liever niet. - En dan vergeet ik potjandorie de vossesporen nog, die we onlangs in de sneeuw aantroffen tussen onze compostemmer en het spoortalud achterin de tuin. Echte vossesporen! Een spoor heen, een spoor terug. Dat hebben we nog niet eerder meegemaakt. Vroeger, ja vroeger, 10 jaar geleden. Maar toen waren het - achteraf - de prenten van de dwerggeitjes van de buren die inmiddels verhuisd zijn. Brutale geitjes waren dat, die via houtwal en snoeiafval in onze tuin geklommen waren. Ja, het is een intrigerend bestaan hoor, met al die diertjes buiten. Zingen doen ze nog niet veel, die tuinvogels van ons, ze hebben nu nog wel wat anders te doen, eten binnenharken! Maar daar komt binnenkort verandering in, als het voorjaar maar weer eens op uitbreken staat, ik kan het nu al horen. Vanaf 's morgens een uurtje of vier. Met de merels op kop, die kunnen er wat van hoor. Daarom nu alvast het kortste vogelgedicht dat ik ken. Het is van Jan Hanlo, het heeft geen titel, en het gaat zo: Hoor de merel (De lieve moeder) Ja ik luister (Het lieve kind) naar boven 14 januari 2013 'Lees dit dan als een lang verwachte brief' Dezer dagen is het 33 jaar geleden dat mijn moeder aan een hartstilstand stierf, 77 was ze. Ze zou dit jaar 110 geworden zijn, dichtbij de 115 van de oudste vrouw van Nederland die in het weekend overleed. Leeftijdgenoten praktisch dus, voor een tijdje. 115 vind ik overigens wat aan de overdreven kant, maar 77 was te jong, ook toen al, en zeker als je het bekijkt vanuit het perspectief van deze 73-jarige hier. Als je een gezin met 13 kinderen, man en opa moet bestieren word je vanzelf een dominante vrouw met een stugge kijk op het leven. En als je jezelf dan ook nog in 15 partjes moet verdelen, tja, dan krijgt iedereen natuurlijk maar een heel klein stukje van jouw koek. En ik geloof niet dat er dan nog iets voor jezelf overschiet. Als je het zo bekijkt is het nog een regelrecht wonder als je in redelijke harmonie de 77 haalt. Voor mijn moeder zou ik willen dat reïncarnatie een reële optie was, om te kunnen genieten van een luchtig leven met 15 bedienden, rechte benen, altijd genoeg huishoudgeld, een echt bed en - o wonder - een badkamer. Oja, en met een borstel aan lange steel, om zichzelf mee op de rug - tussen m'n schouderbladen, iets lager, iets naar links, ja dáár, o, ja dáár! - te kunnen krabben. En natuurlijk zou ze d'r eigen kleren blijven naaien, van de allerfijnste marktstoffen, en zonder op de kosten van knopen of voering te beknibbelen. Op de middag van haar plotselinge overlijden zaten mijn oudste broer en ik aan één tafel aan de vererende opdracht te werken om een 'bijzonder bericht over ons moeder' te maken voor familie, vrienden en kerkgangers. Ik zat achter mijn Gabrielle 25 de tekst Voor wie dit leest van Leo Vroman over te tikken 'om erin te komen', terwijl broer J. een artistieke interpretatie schetste van haar lijflied 'De zon in moeders kamer'. Op enig moment dreigde ik, overmand door verdriet, het bijltje er tijdelijk bij neer te gooien. 'Zet je ertegenin, Balthasar,' sprak mijn broer, 'dat zou moeder ook tegen je gezegd hebben.' En zo geschiedde het dat ik op het bidprentje schreef: 'En zat je zelf in de puree, dan was steevast haar parool: ga niet bij de pakken neerzitten, maar zet je ertegenin! Dat heeft ze zelf ook tot aan haar dood gedaan. Misschien wel te veel.' - Dat is geen 'stugge kijk' op het leven, dat is een overlevingsstrategie. Enfin, de schets van J. werd geïnkt, en ik schreef er als motto 4 regels uit het gedicht van Vroman onder: 'Ik zou wel onder deze bladzij willen zijn / en door de letters heen van dit gedicht / kijken in Uw lezende gezicht / en hunkeren naar het smelten van Uw pijn.' Zulke woorden had ik zelf niet kunnen bedenken, maar ik had ze wel gevonden. In m'n boekenkast, tussen het Hoor, zo is nooit gezongen! Hoor! van Hendrik de Vries en het Zand erover van Levi Weemoedt. VOOR WIE DIT LEEST Leo Vroman (1915) - Uit: 262 Gedichten, Querido, Amsterdam 1974 Gedrukte letters laat ik U hier kijken, maar met mijn warme mond kan ik niet spreken, mijn hete hand uit dit papier niet steken; wat kan ik doen? Ik kan U niet bereiken. O, als ik troosten kon, dan kon ik wenen. Kom, leg Uw hand op dit papier; mijn huid; verzacht het vreemde door de druk verstenen van het geschreven woord, of spreek het uit. Menige verzen heb ik al geschreven, ben menigen een vreemdeling gebleven en wien ik griefde weet ik niets te geven: liefde is het enige. Liefde is het meestal ook geweest die mij het potlood in de hand bewoog tot ik mij slapende vooroverboog over de woorden die Gij wakkerleest. Ik zou wel onder deze bladzij willen zijn en door de letters heen van dit gedicht kijken in uw lezende gezicht en hunkeren naar het smelten van Uw pijn. Doe deze woorden niet vergeefs ontwaken, zij kunnen zich hun naaktheid niet vergeven; en laat Uw blik hun innigste niet raken tenzij Gij door de liefde zijt gedreven. Lees dit dan als een lang verwachte brief, en wees gerust, en vrees niet de gedachte dat U door deze woorden werd gekust: Ik heb je zo lief. naar boven 7 januari 2013 'Men scheert zich zijn vader' Sinds de staaroperaties aan mijn ogen zie ik dichtbij slechter dan ooit. Niet dat dat heel slecht is, maar wel slecht genoeg om geen tekst meer te kunnen lezen en geen hemdenknoopje meer te kunnen vinden of er moet een bril aan te pas komen. En sinds kort heb ik ontdekt dat scheren (nat, dus met water en zeep) een stuk secuurder kan: met bril op. Dat geeft ineens een heel ander gezicht: zeker een kwartier lang intensief naar je eigen in de spiegel kijken mét of zonder bril, het zijn werelden van verschil. Met bril scheer ik nu ineens een jonger, intelligenter, opgewekter, ironischer en ondernemender gezicht dan zonder bril. Okee, ik zie ook scherper waar zich allemaal scheerzeepresten nestelen, in oor- en neusgaten, onderin de halspartij, op m'n hempje, én ook tegen de onderkant van m'n brilmontuur aan. Allemaal 'verschijnselen' die me scherp aan mijn vader doen denken. Ik mocht hem graag observeren als ie zich 'in het openbaar' aan het scheren was. Met zijn scheerkist op de tafel, de spiegeldeksel opengeklapt, de handdoek tussen scheerkist en tafel op schoot. En... met z'n bril op, eeuwenlang diezelfde bril, die almaar groter werd naarmate zijn gezicht holler en zijn huid doorschijnender werd. - Eerst zette hij het mesje langdurig aan in de hol geslepen tafelslijper (vergelijk het maar met de slager die zijn mes aan de stokslijper wet), en monteerde het mesje daarna voorzichtig in de veiligheidshouder, het zogenaamde krabbertje. Daarna goot hij heet water uit de waterketel in het scheerbakje, en begon zich systematisch met scheerstaaf en kwast in te zepen. Dat inzepen duurde nogal eens lang, vond ik, dus moet hij het wel een hele prettige massage gevonden hebben. Enfin, daarna volgde de eerste raspende scheerronde, met de baardharen mee. (God wat kon dat schrijnen zeg, mijn armharen gaan weer overeind staan nu ik er aan denk.) En zo nog een tweede ronde (tegen de haren in). En heel soms nog een derde, als ie in Boxtel moest gaan kaarten bijvoorbeeld of als ie in de kerk het baldakijn mee moest dragen. Vervolgens bette hij zijn gezicht met vers water, wreef (eerder: schoof) zijn blokje aluin voorzichtig over de tere huid om kleine bloedplekjes en sneetjes te bezweren, en depte tenslotte met de handdoek zijn gezicht droog. De bril week al die tijd geen seconde van zijn neus, maar was inmiddels wel onderdeel van het scheerproces geworden. - 'Vader, oewen bril!' sprak mijn moeder dan lichtelijk bestraffend over haar krant heen. De handdoek bracht een soort van uitkomst en redding. Daarna was vader het heertje, en mochten we voelen hoe glad ie wel niet was. De titel van deze balthasarsblog, 'men scheert zich zijn vader', komt uit het gedicht 'Stilleven' van Gerrit Kouwenaar. Het werd geschreven in 2004, twee jaar na de tragische dood van zijn vrouw. De eerste strofe van het gedicht gaat zo: 'Een winter vroeg opgestaan, hemel, hoe eerlijk / meelevend en lelijk is deze geboorte, huid / tussen binnen en buiten, schuim tussen gister / en later, men scheert zich zijn vader '. Deze tekst overviel mij gister, toen ik mij op m'n drieënzeventigste verjaardag in alle vroegte stond te scheren en in de spiegel keek. Ik had mijn bril op, en werd 'in enen' getroffen door de gedachte aan mijn vader. 'Men scheert zich zijn vader,' zeker, dat was wat ik zag. En ik glimlachte bij de herinnering aan zijn scheersessies, met bril op. En 'mijne geboorte' (mijn verjaardag) bevond ik welzeker hemels, eerlijk en meelevend. Maar 'lelijk'? Nee. Daarin kon ik Kouwenaar niet per se volgen, want het is welhaast onmogelijk om zo objectief tegenover jezelf te staan. - En zo bevat het gedicht van Gerrit Kouwenaar wel meer confronterends en objectiverends, dingen om over na te denken. Maar gelukkig eindigt het met een liggend streepje: iets tussen komma en punt in: het is nog niet afgelopen, dit 'maaksel' mag voorlopig nog mooi doorgaan met 'morren', de scherven zijn gelukkig nog niet 'verstoken'! - (Stilleven van Gerrit Kouwenaar (1923). Uit de bundel: 'het bezit van een ruïne' (2005).) STILLEVEN Een winter vroeg opgestaan, hemel, hoe eerlijk meelevend en lelijk is deze geboorte, huid tussen binnen en buiten, schuim tussen gister en later, men scheert zich zijn vader thee zettend ontvalt men het glas, drinkend verbittert de suiker, men doucht zich, kookt ei poseert voor het daglicht, stilleven met eter nu, avond, heeft men de scherven verstoken, geluk is niet te verduren, het potlood potdoof, zelfs de inkt moet herschreven, traag mort de haast van het maaksel toen men nog leefde - naar boven 30 december 2012 Zaligheên In een grijs verleden overviel mijn vader ('In betimmeringen en lijkkisten') in de middag van 1 januari de onbedaarlijke, zij het zakelijke, behoefte om enkele buren en relaties alsnog een 'Zalig Nieuwjaar' mede te delen. De kromspraak in de vorige zin had ik nodig om het toenmalige ambivalente gevoel van Balthasar sr. aangaande deze kwestie over het voetlicht te krijgen. Natuurlijk, in de kring van de familie was het gebruikelijk om elkaar in de ochtend van Nieuwjaar op te zoeken, de hand te schudden, en daarbij de vaste formule te prevelen: 'Zalug nieuwjaor, wor.' Geen woord meer, geen woord minder. En meestal was het daarmee gedaan, 'Schluss' zoals mijn vader met gezag meende te kunnen verkondigen. - Maar in de middag van die eerste januari begon hij zijn voorraadje 'visitekaartjes'-mét-envelopjes te zoeken en te controleren. Waren er nog genoeg, dan zette hij zich aan zijn 'bureau', leende de kroontjespen van een van z'n schoolgaande kinderen, en schreef met enige zwier 'Z.N.' onderaan het voorgedrukte kaartje met zijn naam en nering (9 x 4 cm, afgesneden formaat). Zorgvuldig vloeide hij zijn tekst droog, deed het kaartje in het envelopje, en schreef daarop: 'De Laat', 'Fa. de Kroon', 'Den Heer Schütte', enzovoort. Meer dan 10 kaartjes kunnen het nooit geweest zijn. En het was aan mij en mijn jongere broer om die kaartjes onverwijld te gaan bezorgen, de adressen waren ons in natura bekend. - Al met al een Gezamenlijke Balthasars-actie van Allure, in de middag van het Zalige Nieuwjaar. Iets eerder, namelijk op 14 januari 1879, bezorgde de Vlaamse dichter Guido Gezelle een nieuwjaarswens bij zijn collega-dichter L. de Bo. Niet op 1 januari, nee, pas op 14 januari! Het heette niettemin wel degelijk 'Nieuwjaarkaarte', dat kon toen écht nog wel. Gezelle had het vers dan ook al op zes januari geschreven, ja, de post deed er wel even over, toen. - Wat een contrast overigens met de huidige trend om meteen al na Sinterklaas de eerste nieuwjaarskaarten op de bus te doen! Zó traag is onze post nou toch ook weer niet?! Ik geef toe: 14 januari is laat, maar de eerste kaart op 7 december: waar slaat het op? Hoe dan ook, 'Nieuwjaarkaarte' uit 1879 is een mooi oud gedicht bij een mooi oud feest. Ik citeer Gezelle's gedicht hieronder met genoegen, en sluit me aan bij zijn wens van 'veel geluks en zaligheên' - voor allen die mij dierbaar zijn, en ook als ze me niet dierbaar zijn. Zo'n wens geldt iedereen, maar toch vooral mijn geliefde Balthasarsbloglezers: Zalig Nieuwjaar, mensen, Veel Geluk. Begin het goed, Eindig het goed. [ Oja, en mocht de taal van Gezelle u wat moeilijk voorkomen: hardop lezen, dat helpt. De kern van het gedicht is eenvoudig: Ik ... wensche u ... veel geluks en zaligheên. - De eerste puntjes zeggen zoveel als: 'de bofkont, die al zo menig mooi gedicht mocht vinden.' Op de laatste puntjes kun je ongeveer lezen: 'nu het nieuwe jaar al zo'n vijf, zes dagen oud is.' - Eitje, niet? ] NIEUWJAARKAARTE Ik, de al oude verzenvinder, die, op rijm van hier en ginder, menig reke*, rijpe en rond, - [*versregel] lijk gevonden vruchten vond, wensche u vrij, nu dat het jaar is op nen nieuwen inventaris* - [*kalender] vij'-zes posten* voortgetreên, - [*dagen] veel geluks en zaligheên. naar boven 18 december 2012 Compostemmer Op de middelbare school waar ik heel vroeger op zat, heette een proefwerk een compo. Vraag me niet hoe ze daar zo bij kwamen, het woord was allang in zwang toen ik op die school aantrad, en was een voldongen feit. Op het St.-Janslyceum in Den Bosch maakte je geen proefwerken, je maakte er compo's - ook al stond dat dan niet met zoveel woorden bovenaan je papier. Sterker: ik geloof niet dat ik het woord compo ooit op enig officieel schooldocument hebt zien existeren. - Ik kom op deze kleine ontboezeming nu ik de titel van deze blog op schrift zie staan: compo-stemmer. Waar ik natuurlijk compost-emmer bedoel. Kijk, als ze dáár bij het Groot Dictee der Nederlandse Taal nou eens aandacht aan besteedden - aan de dubbelhartigheid van bepaalde Nederlandse samenstellingen -, dan deden ze tenminste nog íets nuttigs voor de gemiddelde taalgebruiker! Bal-kanker of balk-anker? Pijpe-tuitje of pijp-etuitje? Ero-puit of er-opuit? Of neem het woord 'inkervingen'. Toen ik dat voor het eerst las, dacht ik: wat zouden dat dan wel zijn, meneer de auteur, inker-vingen? Van Dale's Groot Woordenboek der Nederlandse Taal had ik nodig om er uit te komen: "in'kerving (v) - insnijding". - Enfin, zo kent u zelf natuurlijk voorbeelden genoeg van laaghartige taalmisleidingen die met behulp van een eenvoudig koppelteken ( - ) onschadelijk gemaakt kunnen worden. Maar goed, ik wou het dus helemaal niet over proefwerken of onbegrijpelijke woordcombinaties uit een grijs verleden hebben. Ik wil hier m'n 'beklag' doen over het slordige gedrag van de nachtelijke bezoekers van onze compost-emmer. De emmer staat buiten, nog net onder het afdak, en is droog bereikbaar vanuit de keuken (zo strategisch kan ik gelukkig nog wel denken). Elke morgen (vooral in de winter) is het een zootje rond die emmer: eierschalen, spruitjesafval, uienrokken, appelkroosjes, niks is er veilig voor de blindwerkende onverlaten. Ze klimmen, duiken of kukelen erin, in de compost-emmer, eten er wat van hun gading, laten de resten vallen of kieperen die plompverloren over de rand van de emmer zonder er verder meer naar om te zien. Zó groot kan die honger dus ook weer niet geweest zijn. En poepen rond de emmer, daar zijn ze ook niet vies van. Vooral woelratjes, veldmuizen en ander klein gespuis verdenk ik daar van, van die kleine langwerpige zwarte drolrolletjes, smerige Engelse dropjes, instinkertjes. - Zo'n compost-emmer weet wat hoor, elke dag gft- en poep-corvee als de 'schillen en de dozen voor de eigenaar van het bos'. En ach, als die beesten maar lol gehad hebben. Zo eens in de paar dagen draag ik de volle compost-emmer naar een van de composthopen (hier heb je geen streepje nodig om het woord meteen te doorzien) achterin de tuin. Ik verdeel de inhoud gelijkmatig over de hoop, strooi er wat 'compostversneller' (idem) op of spreid er nog wat rondslingerend bomenblad overheen. Hoe dan ook: rond de composthopen is het nóóit een zootje, 's avonds niet, 's morgens niet, zomer noch winter. Waarom dan wel rond de compost-emmer bij de keuken? Raadsels, meneer Sonneberg, raadsels. Persoonlijk denk ik dat met name 's winters veel dieren de mensen naar (en soms tot ín) de huizen volgen. Daar zijn om te beginnen de verlokkingen van de vetbollen, licht, warmte, overvloed, en wie weet liefde, beschutting, én een compost-emmer. Mijn eigen roodborstje - dat mij immers al sinds het najaar overal in de tuin volgt als ware ik de kloek zelve - vind ik daar het treffendste bewijs van. Vaak zie ik hem ronddolen in de compost-emmer, overdag. Of hij ook een van die nachtelijke rommelmakers is, betwijfel ik. Roodborstjes slapen 's nachts, gelijk de mens. (Zie voor deze bewering vooral ook het 17e-eeuwse gedicht van Bredero: Snachts rusten meest de dieren. / Oock menschen goet en quaat. / En mijn Lief goedertieren / is in een stillen staat. / Maer ick moet eensaam swieren / en cruysen hier de straat. - Een lied dat overigens vooral een klacht over de liefde bevat, en weinig over rommelmakende dieren gaat. Maar dit terzijde.) Ik heb getracht het raadsel van de compost-emmerdieren terug te zoeken in de poëzie. Overal zoetsappige versjes over 'mijn trouwste vriend', de mooiste zanger, het schoonste verenkleed. Maar kritische geluiden over het dier an sich? Ik heb ze niet gevonden. Ten einde raad heb ik me dus maar weer eens tot Cees Buddingh' gewend, de man van Het mes op de gorgel, schepper van de blauwbilgorgel, de zwalm en de jenk. Vreemde beesten, absoluut. En ook vrolijkheid overal. Maar kwaadaardigheid, pestkopperigheid? Nergens. Wel verdriet, verborgen verdriet, bij het kokootje (lees: ko-kootje, om misverstanden te voorkomen). Nou moet ik zeggen dat Buddingh' dat verdriet ook wel enigszins uitgelokt heeft met z'n impertinente vragen. Enfin, ik laat het oordeel nu maar aan u, lezer. De compostemmerraddraaiers (compost-emmer-rad-draaiers) heb ik inmiddels vergeven. HET KOKOOTJE Zwervend langs verborgen wegen Bij het melklicht wit der maan, Kwam ik het kokootje tegen Met zijn wollen wiebuis aan. Het geklapper van zijn oren Hield de weerwolf uit zijn slaap, Maar ik vroeg hem onvervroren: Is je vader nog een aap? En je moeder nog een grote Grijsgeblokte babiaan? En dool jij door zeven sloten Met je wollen wiebuis aan? Het kokootje boog gelaten Zijn met mos begroeide hoofd; Wie zich op de wind verlaten Worden door een kool gestoofd, Sprak hij droef, een traan wegpinkend Uit zijn ooghoek, rood en nat; Dan verdween hij, zachtjes hinkend, Langs een kersvers hazenpad. naar boven 9 december 2012 Vogel-blues Achterwerk op tak Alleen al met zijn enkelvoudige aankomst verdrijft hij de kwieke meesjes uit de Noorse esdoorn. Breeduit posteert meneer zich op de onderste kale tak. Precies op de plek waar ik bij het invallen van de vorst een vetbol opgehangen heb, aan een elastiekje. Daar zit hij, blackbird, zwarte vogel, merel, meneer het mannetje. Hij spiedt eens om zich heen, nog eens, meester van de situatie, een beetje triomfantelijk wel. Hij hipt luchtigjes op, keert me zijn achterwerk toe en hapt dan naar links in de vetbol. De vetbol deint soepeltjes mee. Daar valt het eerste poepje. Hapje deinende vetbol, poepje, hapje deinende vetbol, poepje, hapje deinende vetbol, poepje. Tot meneer er genoeg van heeft, en met een snelle serie hoge noten - ik kan het niet anders zeggen - het luchtruim kiest. Turdus merula De vogel die ik het meeste in onze tuin zie is de mannetjesmerel (de zwarte zanger), dan de koolmees (altijd met meerderen, altijd kwikzilverig), de ekster (parmantig stappend over het grasveld, maar niet geliefd), de duif ('duf' was misschien een betere term); zeldzamer zijn het roodborstje (mijn grote vriend sinds het najaar), de vlaamse gaai (aantrekkelijk van verenkleed), de specht (eerst horen, dan zoeken, dan zien), de lijster (bij mij vooral bekend als 'Grote Lijsters', een literaire en succesvolle boekenserie voor scholieren) en de vrouwtjesmerel (bruingeel gespikkeld, bruine snavel, beetje saai). Dit zijn de soorten die ik ken en herken; met de vink, de boomklever en de sijs heb ik wat meer moeite. En dan vergeet ik nog te melden dat ik hier uitsluitend algemene soorten benoem. Want alleen al van de merel kun je op Wikipedia een keur aan ondersoorten en varianten vinden. Niettemin plaatsen ze als illustratie bij het lemma 'Merel' gelukkig een hippende mannetjesmerel op een tuintafel: zwart verenkleed, oranje snavel, gele oogring. Kijk, dat kan ik volgen! Maar als ik vervolgens de 'eenvoudige taxonomie' (classificatiemethodiek) van de merel lees en probeer te begrijpen, wordt het me al gauw zwart voor de ogen. Leest u even mee: - Rijk: Animalia (Dieren) - Stam: Chordata (Gordadieren) - Klasse: Aves (Vogels) - Orde: Passeriformes (Zangvogels) - Familie: Turdidae (Lijsters) - Geslacht: Turdus - Soort: Turdus merula Hallo, bent u daar nog? Ik wou alleen maar een kleine tuinobservatie met u delen, geen vogelgids schrijven à la Hans Dorrestijn, noch wilde ik pronken met andersmans veren (van al die Wikipedia-scribenten, dus). Daarom volsta ik nu maar met de volgende waarneming te melden: - het is zondag 9 december 2012 - 's middags om 15.00 uur - te Eefde a.d. IJssel - het regent, het is donker, ik kijk uit het smalle boekhuisraam (een geliefde bezigheid) - en zie: zie hierboven, bij 'Achterwerk op tak' Turdus viscivorus Meteen toen ik ontdekte dat de merel van huis uit een 'turdus merula' is, dacht ik aan die andere 'turdus', die ik ken uit het gedicht 's Morgens van Jan Hanlo: de 'turdus viscivorus' oftewel 'de grote lijster'. Een zangvogel, net als de merel. De grote lijster zingt al aan het einde van de winter, wat voor weer het ook is. Het liefste zit hij in de top van een populier (een van mijn favoriete bomen, omdat die zo mooi en zo betekenisvol kunnen ritselen in de wind). 'Zijn zang,' zo lees ik op de site van een lijstervereniging, 'bestaat uit korte zinnen met herhaalde motieven. En gelijkt nog meest op de zang van de merel, maar dan minder melodieus.' - Pats, daar hebben we het onderliggende motief in het gedicht van Hanlo: het herhaalde gefluit van de ik-figuur gelijkt tenslotte op de zang van de turdus viscivorus, de grote lijster. Een constatering die de ik-figuur met vreugde en trots vervult. De bekende criticus en essayist Kees Fens (god of wie daar ook voor speelt, hebbe zijn ziel) was zo idolaat van dit gedicht dat hij het in een recensie in de Volkskrant 'het mooiste gedicht dat ik ken' noemde. Toen ik dat las kende ik dat gedicht nog niet. Sinds ik het gedicht las en herlas en nog steeds lees, vind ik het een van de mooiste gedichten die ik ken. Het staat hieronder, oordeelt u zelf. Of spiegel u anders aan de uitgever (toen nog Wolters-Noordhoff geheten) die de Turdus viscivorus zijn naam liet lenen aan een serie prachtige boeken uit het Nederlandse taalgebied, de Grote lijsters. Mocht u nog aarzelen, neem dan de cd 'TJIELP TJIELP - Tom America zingt Jan Hanlo' (distributed by music Net) in de arm, speel 's Morgens (nr. 16) af, en... verkocht! 'S MORGENS Voor Mai Het was half vijf ’s morgens in April Ik liep, en floot de St. Louis Blues Maar ik floot die op mijn eigen wijze Al fluitend dacht ik: mocht mijn fluiten gelijken op de zang van de grote lijster En waarlijk, na enige tijd geleek mijn fluiten van de St. Louis Blues Op de zang van de grote lijster: turdus viscivorus naar boven 25 november 2012 Helping hands Even naar buiten Onstuimig weer vandaag. Woest jagende wolkenpartijen, heen en weer zwiepende populieren. En telkens de sirenes van brandweer en politie, klepperende binnendeuren en de onverstoorbare schuurmachine van drie huizen verderop waar het werk, zoals elk weekend, gewoon doorgaat. Wij doen een meewaaiend rondje Blaakhof voor de broodnodige lichaamsbeweging. Mevrouw B. bij mij in de arm, want de 'lilleke' linkerheup (typering van de orthopeed) wil niet meer, en de rechter, die in januari geopereerd is, dient ontzien te worden. Nog even, en dan wordt volgende week ook de linkerheup vervangen door kunstwerken van eerste klas allooi, titanium en wonderplastic. Daarna duurt het dan nog een tijdje voordat we samen weer een eindje kunnen rondwaaien. Want revalideren na een heupoperatie kost tijd en heel veel oefening. Voorlopig komen we nergens meer. - 'Lekker weer he om buiten te zijn!' roept Heleen van de leesclub die met een vaartje uit de zondagse ontmoetingskerk gefietst komt. Ze heeft wind mee, en realiseert zich nog niet hoe het zal zijn als ze de hoek om probeert te gaan. - 'Ja, lekker weertje!' roept mevrouw B. in flarden terug. 'Let maar 's op!' Eenmaal thuis neemt de wind gestaag af, trekt de lucht open, en verschijnt een stralende zon. Minister Plasterk - zo lees ik inmiddels op de digitale Volkskrant - zegt geen moeite te hebben met de kleine aanpassingen in de huizen voor moslims van woningcorporatie 'Eigen haard' in Amsterdam. 'Dat zijn een kastje voor schoenen, een kraantje om je voeten te wassen en een grote woonkeuken voor de vrouwen,' aldus Plasterk. En natuurlijk heeft de PVV nu kamervragen gesteld over deze 'halalhuizen'. Een Pavlov-reactie van het pestpartijtje, het zoveelste stormpje in een vingerhoedje wilderswater, blub. Effe tsjekke De Voedselencyclopedie (VE) - dat gewilde prachtproduct van Uitgeverij De Zeepkist - krijgt binnenkort een nieuw jasje van designer Jan den Besten. Zodoende neemt de redactie de gelegenheid te baat om alle geplaatste lemma's nog eens tegen het licht van actualiteit en relevantie te houden. Een enorme klus waar ook Balthasar een kleine bijdrage aan mag leveren. Je staat er versteld van hoeveel informatie er in die paar jaar dat de VE bestaat aangeboden is, veruit het meeste nog even relevant als bij verschijnen, sommige items achterhaald door ontwikkelingen in tijd en ruimte. Wist u bijvoorbeeld dat de VWA (Voedsel- en Waren Autoriteit) sinds 1 januari 2012 NVWA heet (Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit)? (Ik niet!) Dat komt omdat sinds die datum 'de VWA gefuseerd [is] met de Algemene Inspectiedienst (AID) en de Plantenziektenkundige Dienst (PD)', aldus Wikipedia. Ik stond er werkelijk paf van toen ik het las, NVWA, Nederlandse Voedsel- en Waren Autoriteit, 'een Nederlands agentschap dat als kerntaak heeft het toezicht houden bij bedrijven en instellingen op de naleving van wetten en voorschriften'. - En zoiets moet je dan aanpassen he, dat spreekt. Of neem de tekst 'Voorjaarsworkshop Lekker Landschap' uit 2010: kon je intekenen op een interessante werkbijeenkomst in Lettele met Michiel Bussink van Lekker Landschap, over eetbare bloemen en planten, inclusief veldexcursie en maaltijd (op basis van de verzamelde planten). Tegenwoordig kun je Bussink laten komen als je zelf voor 5 mensen en een lokatie zorgt. Kijk, dat zijn leuke actualiseringen waar je alleen maar achterkomt als je voortdurend controleert of alles nog wel klopt. Inderdaad, een heidens werk. Maar gelukkig ben ik niet gelovig. - En oja, Lettele is een Salands dorpje in de omgeving van Deventer. Niet voor iedereen gemakkelijk bereikbaar, dus die move van Bussink kan ik wel volgen. Hernieuwde oproep Vorige week riep ik rijk en gul Nederland op om een goeie vriendin van me aan werk en inkomen te helpen, op basis van een aantrekkelijk cv en een noeste werkopvatting. Spijtig genoeg heeft nog niemand uit die vermogensklasse tot nu toe gereageerd. Waarschijnlijk allemaal te druk met dat feestje vanwege het afketsen van de inkomensafhankelijke zorgpremie. Maar zo'n feestje hoeft toch niet eeuwig te duren, nou dan! - Aanbiedingen alsnog graag naar balthasar@de-zeepkist.nl. PAPPAPAPPAPAPPA [met rappe kinderstem] Gister zag ik Dolf Jansen op teevee, u weet wel die magere hardloper met rood haar, of blauw of groen, die ook nog cabaretier is en snelle grappen maakt die hout snijden. Hij vertelde een verhaal zoals ie dat wel vaker doet, met grote ogen, hoge benen en wapperarmen. Het verhaal ging over Dolfje en zijn pappapappapappa. Over hoe een gevonden kastanje in een pot met zand en water - pappapappapappa! - zomaar groot kan groeien tot plantje boompje boom. Op het laatst gingen Dolf en Vader Jansen onder die samenbedachte zelfgeplante zelfgevoede kastanjeboom zitten om eens over het leven te praten en zo. Om er te komen moesten ze over een hek klimmen. Dat wil zeggen Dolf hielp zijn Vader er met moeite overheen - hij is al tachtig en nog steeds zijn pappapappapappa. En toen moesten we snel weer over naar het heden waarin Dolfie alive and kicking bij wildvreemde mensen aanbelde en vroeg of hij mocht binnen komen en of ze gelukkig waren. Ze zeiden van wel, ja toch? En toen was het afgelopen uit. naar boven 17 november 2012 Mecenas gezocht Voor een van mijn betere relaties (40-plus) plaats ik met graagte en klem de volgende advertentie, leest u even mee, het is nodig: BETAALD WERK GEZOCHT voor zzp'er met o.a. de volgende kwaliteiten en ervaringen: - alternatieve (pluk)-tuinexpertise (ontwerp, inrichting, onderhoud) - brede voedseldeskundigheid (eigen onderzoek, populaire site, pittige verslaglegging) - veel schrijfervaring (boeken, artikelen, columns, recensies, verhalen) - wisselende ervaringen met 'los werk' (lopende band, verfwerk, ict-klusjes) Zij heeft als wensen en uitgangspunten o.a.: - Utrecht en befietsbare omgeving - zelfstandige werkopvatting - flexibele werktijden - een leefbare wereld Aanbiedingen graag naar balthasar@de-zeepkist.nl. En dankbaarheid zal uw deel zijn. Bovendien kan het volgende gedicht De moerbeitoppen ruisten (1895) u wellicht helpen bij uw besluit. Het vers is van Nicolaas Beets (die van de Camera Obscura, jazeker, dezelfde), en ik ben zo atheïstisch brutaal geweest om de naam van God maar eens te veranderen in die van u, Mecenas. Kunt u meteen nagaan welke kwaliteiten ik u allemaal toedicht - tot het tegendeel blijkt. Kom op, rijkaards van Nederland, u bent met velen, met méér dan ooit! En Kerstmis nadert, tijd voor een flink cadeau! DE MOERBEITOPPEN RUISTEN 'De moerbeitoppen ruisten,' Mecenas ging voorbij; Neen, niet voorbij, hij toefde; Hij wist wat ik behoefde, En sprak tot mij; Sprak tot mij in den stillen, Den stillen nacht; Gedachten, die mij kwelden, Vervolgden en ontstelden, Verdreef hij zacht. Hij liet zijn vrede dalen Op ziel en zin; 'k Voelde in zijn vaderarmen Mij koestern en beschermen, En sluimerde in. Den morgen, die mij wekte Begroette ik blij. Ik had zo zacht geslapen, En Gij, mijn Schild en Wapen, Waart nog nabij. naar boven 9 november 2012 Kijken op vrijdag Kijken naar niks Heb m'n tijd voor het schrijven van dit blogje grotendeels verdaan met het op afstand, dus heimelijk, bespioneren van een Vlaamse gaai, gezeten áchter de pc, maar vóór het raam met uitzicht op het landje van Maries en Peter. Drie huizen verderop hebben die namelijk 'n stel enorme dennen in de tuin staan. Bomen waar een vogel eindeloos 'verdiepinkje' in kan spelen: telkens een tak hoger of lager, in het zicht, uit het zicht, een belendende boom in, weer even terug, maar nu een tak lager, minutenlang onzichtbaar, dan ineens weer dat blinkende vleugelblauw, die bruine zwikkende kop, de nek even ingetrokken, en dan een zweefsprong naar de den twee deuren verder, waar is ie nu? Ik ben 'm even kwijt, maar ik laat me niet bedotten, ik blíjf kijken. - D'r is niks te zien, niks aan te zien, maar dat niks is en blijft hoogst intrigerend. Eigenlijk weet ik nooit waarom ik maar blijf kijken, want wat zou er nou voor onverwachts kunnen gebeuren dat al dat kijken rechtvaardigt? Nieuwsgierigheid hoeft kennelijk niet per se tot een conclusie te leiden, tot een gebeurtenis, onverwachte actie. Beweging in een boom is kijkgenot genoeg, ideale tijdpassering soms, leven dat betrapt kan worden, leven waar leven in zit. Intussen speelt de Staatskapelle Dresden o.l.v. Hans Vonk het 'Piano Concerto No. 5 in E flat major, Op. 73', alias 'Emperor Concerto' van Ludwig van Beethoven, zonder dat het vogelkijken gehinderd wordt. Als de gaai wat langer uit beeld blijft, dringt de muziek meer tot me door. He, de cd hapert hier even in het 'Rondo alla Polacca', 12'51. Dat stoort wel. Niet in het vogelkijken, maar in het muzikale genieten. Ik loop naar de geluidsapparatuur, kijk kritisch naar de flikkerende lichtjes, spot de cd-achterkanthoes. en raak dan opnieuw in de ban van Christian Zacharias, piano. Stilletjes ga ik weer op m'n stoel zitten met de piano in mijn kop, speur de dennen van Peter en Maries af, maar er is geen beweging te bekennen. De vogel is gevlogen. Toch maar eens aan dit blogje beginnen, nu. Kijken met je ogen dicht De afgelopen dagen hebben 'de drie meisjes' en ik de slaapkamer een verfbeurt gegeven, zilvergrijs, warmgeel, helderzwarte lijnen. De gele gordijnen zijn gewassen, de lichtgeelgemarmerde vloer gereinigd. Het zwarte bed komt dinsdag, tijd genoeg om te experimenteren met de 'kunst' aan de muren. Want daar zijn wij goed in, schilderijen verhangen en van een nieuw omgevingspaspartout voorzien. Dat is meer kunst voor hetzelfde geld! De voorlopige selectie bestaat uit een veld roosachtige zwart/grijs/wit-dotten (olieverf, mava), een Andromedanevel-versie in rose/wit/paars (olieverf mava), twee stadia 'Zelfdoen en de afsluiting' (superieur rietpengekras in zwart/wit op groot formaat, van Birgitt), een tekening van twee 'emotional birds', primitieve vogels boven twee simpele tafeltjes op geblokte vloer, in blauw/geel (E. Koper). Achter de hand houden wij nog 'Het tafeltje van Pluim' (ingekleurde fotokopie in geel en blauw, op houtblok), het aandoenlijke liefdespaar (litho in bruinen van Ger Smit), de 'lieve meisjes' van Weia in drie panelen (kleurenets in subtiele roodbruinen). - Slapen tussen zulke kunst is zweven op het 'zoetrood geneurie op koelere hoogte' (citaat uit het gedicht muziek voor het slapen gaan van Gerrit Kouwenaar). Benieuwd wat het nieuwe bed daar wel niet van zal vinden. "Vaak keken wij naar buiten en zeiden 'kijk...," In 'Mijn poëziekalender voor het jaar 2012' staat veel wat ik wel zou willen bewaren, gedichten van echte dichters en achterop telkens het commentaar van Gerrit Komrij. Voorkant en achterkant concurreren niet met elkaar, maar zijn allebei op hun eigen wijze memorabel. Van zulke goede boeken zijn er niet veel. Op de datum van 11 oktober bijvoorbeeld staat het gedicht Ieder huis is toch een noodwoning uit de debuutbundel 'Terug in het dorp' (1960) van Willem van Toorn (geboren in 1935). Ik citeer dat gedicht hieronder. - Gerrit Komrij leerde het werk van Van Toorn naar eigen zeggen veel te laat kennen, omdat de literatuurkritiek uit die tijd zijn werk niet goed deed ('Er is iets rot met de literatuurkritiek!'). Die merkte Van Toorn in het geheel niet op, terwijl Gerrit Komrij meteen na een eerste kennismaking al het andere werk van Van Toorn is gaan verslinden, zo goed vond ie het. - Oordeelt u zelf. IEDER HUIS IS TOCH EEN NOODWONING Wij kregen een nieuw huis met ramen vol bomen buiten, met bedden om in te huilen en te lachen, en in de tuin één struik met bloemen van vrede. Al waren die van papier ze bleven tot ons plezier goed in de wind en de regen. Vaak keken wij naar buiten en zeiden 'kijk, dorpelingen, zouden ze praten of zingen (hun lippen bewegen) of fluiten?' Soms lieten wij hen binnen in de huiskamer op visite, wij gaven hun thee en muziek en handen als ze weer gingen. Maar we lieten die mannen en vrouwen nooit in de slaapkamer of de kelder, want daar stonden koffers gepakt voor ons eenmaal vertrek. Dat de bloemen het lang zouden houden geloofden wij immers niet echt. naar boven 31 oktober 2012 Verval zoveel Bed Er zijn van die dagen dat je niets meemaakt, of dat je denkt dat het allemaal niks voorstelt wat je meegemaakt hebt. Bijvoorbeeld: je ziet een woelrat omzichtig op de compostemmer aankoersen en schichtig wegrennen zodra je de keukendeur opendoet, ook bij ons zijn er dit jaar en vandaag uitzonderlijk veel koolmeesjes actief in de tuin, buurvrouw A. schoont de vensterbanken voordat ze morgen haar taken als leerkracht van groep 3 weer aanvangt na een bevallingsperiode die zo'n vier à vijf maanden in beslag genomen heeft, de leegverkoop van 'onze' C1000 in de Verwandlung tot Coöp-winkel begint nu akelige crisistrekken te vertonen, de pedicure wist vanmorgen en binnen enkele minuten een pijnloze grote teen te transformeren in een grote zeurteen voor bepaalde tijd (het omgekeerde komt ook voor), de website van de dichter/performer F. Starik vermeldt teleurstellend niets over zijn bundel uit 2010 die Victoria heet en die toentertijd werd aangeboden aan Victoria Koblenko terwijl ik niet blijk te weten wie Victoria Koblenko is, Rutte II bestaat nog niet eens maar het gelamenteer in de media over de hogere zorgpremies voor mensen met veel geld overschaduwt nu al de hele regeringsperiode van de komende vijf jaar, het is vandaag een grijze herfstdag met gure winden en onaangename regens die tezamen wel heel erg contrasteren met de fraaie winterse dagen van het afgelopen weekend - het is inderdaad allemaal niets als je het vergelijkt met de onverbiddelijk fysieke en medische noodzaak om een nieuw bed te kopen, en wel meteen, hoog op de poten en met elektrische verstelbaarheden en al. Vandaag hebben wij er dus onmiddellijk werk van gemaakt, van dat bed, hoog op de poten en voorzien van elektrische verstelbaarheden en al. Van de sites die wij eerst bekeken, werden wij natuurlijk helemaal hoorndol; toen we het beslist niet meer wisten lazen wij de tips en bevindingen van al die sitebezoekers er eens op na. Conclusie: je hebt er niks aan, echt helemaal niks, je moet je eigen plan trekken. Zelf te veld dus, met alleen het lijstje eigen eisen in het hoofd. En na anderhalf uur waren wij eruit, voor de gemiddelde beddenkoper toch onverantwoord snel (hoe inspirerend kan een kabinetsformatie zijn). En over twee weken wordt het gebracht en gemonteerd, dat bed (die bedden), hoog op de poten en voorzien van elektrische verstelbaarheden en al. Dat wordt dus nog opschieten met het metamorfoseren van de slaapkamer. Tintje grijs op de muren (verf nog in voorraad), dachten wij, grote rode plakplaatjes op de vier schuivende kastpanelen, en een treincoupé-geïnspireerd Cremer-tulpenveld boven het hoofd wellicht. Geen nieuwe nachtkastjes besloten wij, godallemachtig nee, maar een paar eenvoudige mobiele opbergtafeltjes voor de zakdoeken, de wekker en de elektrische afstandsbediening, punt. - Tja, en dan dat oude bed nog. Bernlef Morgen is het Allerheiligen, de dichter/schrijver Bernlef (1937-2012) is er net op tijd bij, overleden op 75-jarige leeftijd, op 29 oktober 2012. Ze moeten daarboven de literatoren wel hebben de laatste tijd, onlangs nog overleden de kanonnen Gerrit Komrij en Rutger Kopland. Misschien kent u Bernlef (pseudoniem van Hendrik Jan Marsman) van de romans Hersenschimmen (meer dan 100.000 exemplaren verkocht) en Publiek geheim (AKO-literatuurprijs 1987). Of misschien las u De pianoman, het boekenweekgeschenk van 2008, of één van de andere 86 boeken en dichtbundels die hij sinds 1959 gepubliceerd heeft. (En dan is Wikipedia nog niet eens tot en met de laatste titel bijgewerkt: onlangs verscheen de bloemlezing Voorgoed - Gedichten 1960-2010.) - Zelf heb ik ook te weinig Bernlef gelezen, met zo'n zes à zeven titels is het wel bekeken. Daarom heb ik inmiddels dat Voorgoed besteld, om eens flink wat Bernlef-poëzie in te halen. Want een dichter dat was hij, zelfs in z'n proza, zoals ik onlangs nog mocht ervaren in het prachtboek 'De Deelen'; zie daartoe mijn bespreking daarvan in 'Gedachten op maandag 5 - Cadeautjes' dd. 3 september jl. Mijn eerste echte leeservaring met Bernlef gaat terug op 6 januari 1984. Toen kreeg ik van mijn zoon Mava de dichtbundel Winterwegen (Querido 1983) voor mijn vierenveertigste verjaardag cadeau. Ik citeer uit de flaptekst: "Wanneer de wegen zijn ondergesneeuwd en al het water is bevroren, ontstaan in het landschap winterwegen: een stelsel van buurtpaden en privé-wegen dat als een alternatieve topografie de officiële wegen zoals die op de landkaart staan tijdelijk vervangt. Het eigenaardige is dat dit wegennet door de mensen 's zomers even snel weer wordt vergeten als het 's winters opnieuw in gebruik wordt genomen." - Uit deze prachtbundel citeer ik hieronder het gedicht 'Ad fundum', nogal toepasselijk dacht ik. En met dank aan de dichter J. Bernlef (want zo staat hij in deze poëziebundel genoemd). AD FUNDUM Een ieder draagt zijn verdwijning als een glas wijn zonder glas. De party is alleraangenaamst en kijk die kleurige zeilboten eens laveren in de baai! Iemand luistert naar het wegsterven van een toon. In de bibliotheek verstopt iemand een brief in een boek. Een ander passeert de drempel pal onder de aanvliegroute. Lege glazen blijven achter lege glazen en volle asbakken. naar boven 26 oktober 2012 Tuin der Lusten Bloeituin Toen wij dik tien jaar geleden in dit huis gingen wonen, was de tuin een belangrijke aankoopfactor. Een flinke lap grond, praktisch kaal nog, goed onderhouden bestrating, een afgepast rozenstruikje hier en daar, bij elkaar nogal steriel zeg maar. Mogelijkheden te over voor mensen die eens lekker aan de slag wilden. Dus wij richtten een moestuingedeelte in, kochten wat fruitboompjes, en begonnen van lieverlede een afscheiding met de buren aan te planten: een gevonden takje hier, een uitgestoken stekje daar, een verplaatsinkje van bessenstruiken zus, idem van rabarberplanten zo: en groeien en bloeien maar! Het kon ons niet snel genoeg gaan. 'En dáár gaan we volgende voorjaar een beukenprieeltje aanleggen, B.' / 'Strak plan, schat. En wat dacht je trouwens van een nieuwe schuur hier achterin? En een eigen bron om alles te benatten?' - Kortom, de tuin ging met sprongen vooruit, het werk nam navenant toe, en tevreden waren we, dik. Maar sinds vorig najaar rommelt en kriebelt het: groeit de tuin niet langzamerhand dicht, de moestuin is zowat volledig overschaduwd, de wilgen rijzen elk jaar verder de pan uit, het beukenprieeltje reikt naar de hemel, het afgevallen blad is niet meer te bergen, de bovengrondse wortels van de kersenboom beginnen op rioolbuizen te lijken. - Tijd voor een grote tuinsnoei, licht en lucht moeten er in, ruimte om te ademen! En we kochten een paar nieuwe snoeischaren, twee zagen en een hakselaar. En aan de slag maar weer! Maar nu anders. Snoeituin 'Wat een grote tuin weer, B. Nooit geweten dat we zo rijk zijn, eigenlijk.' - Soms moet je je schatten even in het licht brengen om weer te weten wat je allemaal hebt. Dat 'even' uit de zin hiervoor is een understatement. Om een flinke tuin weer in het licht te brengen moet er groot werk verzet worden. Spierpijn hebben we ervan, een stijve nek, blaren en een kromme rug. Maar dan heb je ook wat: meer tuin, meer lucht, een opgeruimd gevoel. De laurierhaag van vier meter is in hoogte gehalveerd, de poorten in het beukenprieeltje gesloopt; de ligusterhaag vóór de kas met de grond gelijk gemaakt, en overhangende boomtakken in de moestuin teruggezaagd vanaf de hoogste traptree. De lelijke fluweelboom is gekapt, twee nutteloze fruitbomen zijn afgezaagd, en de uit z'n krachten gegroeide hibiscus bij de vijver is vervangen door een mooie Japanse esdoornstruik, en oja, de doorgezakte bestrating overal is inmiddels gecorrigeerd zoals u weet. De houtwal achterin de tuin, op het talud met het spoor, barst nu uit z'n voegen; en we hebben nu ook een paar flinke compostbergen die de hele winter mogen inzakken en zich verrijken. Dat zal ons in het voorjaar van pas komen, als we de borders en de moestuin een koekje van eigen deeg willen geven! - Zo, en dan nu nog even de wekelijkse portie herfstblad ruimen. HERFSTTUIN een geel veld vol - forsytsiablad een bruin veld vol - kersenblad een rood veld vol - esdoornblad een bleek veld vol - berkenbomenblaadjes bij elkaar en per week acht kruiwagens vol geel blad, bruin blad, rood blad, bleek blad en nog eens twee wagens allerhande blad blad blad en nog eens blad een leeg groen veld - zonder forsytiablad een leeg groen veld - zonder kersenblad een leeg groen veld - zonder esdoornblad een leeg zwart veld - zonder berkenbomenblaadjes maar dat is maar schijn, dat lege groene veld groene veld, groene veld, zwarte veld want het valt maar door dat kersenblad, dat esdoornblad, forsytiablad, die berkenbomenblaadjes enzovoort, tot het gedaan is met dat blad dat blad dat blad die berkenbomenblaadjes van de forsytia, de kers, de esdoorn en ik zal het niet ontkennen de kale berkenbomen naar boven 18 oktober 2012 Leven met de dieren - 3 Spin Achter m'n computer kijk ik uit het boekhuisraam. In het kader van het buitenkozijn deint een herfstweb in de wind. Een vliegje landt verdwaasd in het ragfijne dradenstel, gespartel op z'n vliegs. Razendsnel komt het grote gevaar uit zijn schulp. Knijpknaphap, en weg is het vliegje. De spin trappelt nog even na van genoegen. Dan valt alles stil. Het beest kruipt in elkaar, wiegt eens met de murmelende winden mee, spint er nog wat garen bij en zet zich traag in beweging. Onderweg repareert hij nog even een noklijn, aarzelt hier en daar op een kruispunt, en nestelt zich tenslotte in zijn uitkijkpost. Het gevaar lijkt geweken, een wiegelend web in de wind, lieflijk najaarsbeeld. - Daar komt een mugje aan. Roodborstje Sinds kort heb ik een nieuwe tuinvriend, mijn aanhankelijke roodborstje. Hij kwam voor het eerst te voorschijn toen ik de struikenwand met de buren aan het snoeien was. Hij keek mijn werk eens een tijdje aan, vloog terug naar het struweel bij de buren, kon zijn nieuwsgierigheid niet bedwingen, dook weer op ik schat zo'n drie meter bij me vandaan, zette zijn kopje in de schuinstand, kwam eens een metertje dichterbij en weer terug, zwierde een rondje door de moestuin, en kwam tenslotte aan m'n andere kant zitten. Ik staakte m'n geknip en vroeg of ik hem niet te zeer ontriefde in zijn woonomgeving. Hij vloog op, verdween weer in het stuikgewas, kwam me nog één keer groeten, en was weg. Sinds die eerste keer, nu zo'n dikke maand geleden, hoef ik maar ergens in de tuin aan het werk te gaan, of daar is meneer. In het begin komt ie zich melden, hipt eens rond, nooit minder dan twee meter bij me vandaan, en gaat dan zijn eigen gang, steeds in de buurt. Soms is ie zomaar een kwartier weg, later komt ie dan nog 's poolshoogte nemen, en ineens mis ik hem. Die komt vandaag niet meer terug. - Maar elke volgende keer is ie present, dat waardeer ik zeer. En dat zeg ik 'm ook. Koolmeesjes Om ruimte te maken op het aanrecht in de keuken, zet ik het taartbord met de laatste vijf punten appelgebak even op het bijzettafeltje onder het afdak. Ik schenk de bestelde drankjes in, en loop met het dienblad naar de kamer vol feestbezoek, ik ga weldoende rond. Ik controleer of iedereen wat heeft, en hef dan het glas op mevrouw B: 70 jaar, hiephiephoera, dat is me nogal wat! Tijdens de toost bevriest mijn arm: in het achterraam zie ik twee koolmeesjes bidden onder het afdak. Een prachtige act, nooit eerder gezien, wat een felicitatiegroet! Jaja, dát is buitenleven, mensen. Maar wacht eens even, twee biddende koolmeesjes onder het afdak? Wat hebben die daar te zoeken? Ik spurt naar de keuken, kijk door het raam, en daar zitten ze hoor! Wat een heerlijke appeltaart, mezen, kwetteren ze luid. Komt allen! Ik gooi de deur open, en schreeuw. De vogels zijn gevlogen. Twee punten zijn koolmezelijk aangetast en op het bijzettafeltje lillen twee zenuwenpoepjes. Ik zet de aangevreten heerlijkheden in de taartendoos en schuif die in de richting van de heg, hebben die ook een feestje. Nog drie punten over, wie verwachten we nog? (De poepjes laat ik liggen, als aanvullend bewijs. Voor als ze me binnen niet geloven.) Bij en slak De dag na het feest schoon ik de kamer. Verborgen glazen, een laatste eetbordje, kaasresten op de vloer, kruimels in de stoelen, u begrijpt wat ik bedoel. In de vensterbank liggen de vergeten sleutels van J., naast de cadeauflessen voor het feestvarken. Ik trek de gordijnen open om beter licht te hebben, en grijp in een schild. Huisjesslak, categorie 2a, nauwelijks een centimeter doorsnee, binnenkant overgordijn. Slakken tref je hier werkelijk overal aan, dus nu ook aan de binnenkant van de gordijnen. En nauwelijks vijf centimeter daarvandaan, ik verzin het niet, twee bijen (of wespen, ik kán ze maar niet uit elkaar houden), al voor driekwart in de winterslaap. Het gordijn hangt dan ook aan de zonkant. Zo stom zijn die beesten nou ook weer niet. - De slak gaat in de groencontainer (standaard, want we raken hier overbevolkt), de bijen doe ik in de laurierhaag, de natuur moet zijn loop hebben nietwaar. Bekentenis En nu ik toch aan het biechten (= observeren en becommentariëren) ben: tijdens het stofzuigen zijn minimaal drie mieren, twee dode vliegen, een hooiwagen, en zeker vijf uitgedroogde pissebedden het slachtoffer geworden van mijn schoonmaakwoede. Te veel natuur kan soms het slechtste in de mens naar boven brengen. Mijn excuses hiervoor. Commentaar Na bovenstaande avonturen met de dieren uit mijn eigen leefomgeving, zou het natuurlijk gemakkelijk zijn om deze blog te besluiten met bijvoorbeeld het gedicht 'De spin Sebastiaan' van Annie M.G. Schmidt. Of met het deel 'In het bos zijn de wilde dieren / Ik ben niet bang, ben niet bang' uit het sprookjeslied 'Zeg Roodkapje waar ga je henen'. Dat zou te kinderachtig voor woorden zijn. Vandaag gooi ik het dus over een andere boeg: net als veel anderen, schrijft ook een Balthasar gewoon op wat hij ziet of meemaakt, en levert daar simpel commentaar op. Kijk, nu dient zich ineens een andere categorie gedichten aan om mee te besluiten. 'Klets' bijvoorbeeld van de dichter F. Starik, die daarin bekent dat ie commentaar levert op alles wat ie meemaakt, en dan ook nog in een tekst waarin hij een gedicht van Vasalis navolgt. Zo, nu begeef ik mij in goed gezelschap: Balthasar haakt in woord en geschrift aan bij de dichters F. Starik en M. Vasalis. Een mooi besluit. Lees en geniet van dit gedicht uit de bundel 'Simpele ziel', Uitgeverij In de Knipscheer, Haarlem 2001. KLETS Naar M. Vasalis, Tijd Ik droomde dat ik hardop leefde en alles wat ik deed voorzag van commentaar. Ik ruim de tafel op. Ik leg de krant vast klaar. We beginnen een gesprek of barsten uit in zingen. Dit is allemaal elektriciteit nietwaar. Ik droomde ik voorzie mijn volledige leven continu van commentaar. Het is verschrikkelijk: om mij heen komt alles tot leven en praat, en praten maar, echt panisch kletsen. Ik wil, ik wil, ik wil je niet kwetsen maar 'k droomde ik werd geboren als jou, ik droomde ik werd geboren als vrouw. naar boven 8 oktober 2012 Gedachten op maandag 10 - Straatwerk Inspectie Maandagochtend half negen sharp rijdt de zwarte bus met aanhanger voor, Bestratingsbedrijf Ooms - Zutphen. Karel en Sjaak stappen uit en monsteren het broddelige bordesje bij onze voordeur. Ik loop op ze toe en geef ze een goedemorgenhand. - 'Kijk Sjaak,' zegt Karel, 'die betonnen bielzen moeten weer aansluitend verlijmd worden. En dan de hele zaak omhoog natuurlijk.' / 'Allemaal het werk van mieren,' doe ik een duit in het zakje. / 'U wilt het misschien niet geloven,' zegt Karel nu tegen mij, 'maar laatst moest ik een buitenvloertje opknappen, en wat denk je? De mieren waren helemaal door het beton heen naar boven gekomen, zo sterk had ik het nog nooit gezien. Zullen we 's even achter gaan kijken, Sjaak?' Instructie Enfin, tijdens de voortgezette inspectie werden onze problemen alleen maar groter: de opstaande terrasmuurtjes hingen nu ook nog zwaar uit het lood, de verzakkingen waren dieper dan gedacht, de afstapstenen van het ene naar het andere terrasniveau lagen levensgevaarlijk los, 'afschrapen en lijmen, Sjaak'. Maar gelukkig is het nu mooi weer, beter dan die regen van de afgelopen week, dus dat gaat allemaal goedkomen. - En ze pakten hun spullen, Karel en Sjaak, en de eerste kruiwagen zand. In het boekhuis zette ik de computer aan, dacht even na en tikte: '8 oktober 2012 - Gedachten ...' Het werk was aangevangen, zag ik door het raam. En tikte verder: '...op maandag 10 - Straatwerk'. Klopklop 'Hebt u misschien ook een buitenstopcontact meneer? Want m'n accu is leeg.' / 'Nee, maar u kunt wel hier om het hoekje in het boekhuis terecht.' / 'Maar dan moet die deur open blijven staan...' / 'Dat vind ik geen probleem hoor.' - In m'n onnozelheid dacht ik dat de heren stratenmakers een serieus keienapparaat aan wilden sluiten. Maar het bleek hun buitenradio die meteen op volle sterkte André Hazes aan het werk zette. Zonder werkmuziek geen werk, dat weet 'n kind. Ik was dat even vergeten, hoewel ik op het gebied van de bouwvak beslist een kind gebleven ben. (En van die 'open deur' had ik algauw spijt, gotskristusnogantoe wat een keienherrie de hele dag!) x'je/y'tje Klopklop. 'Even overleggen meneer. Hebt u nog wat van die xxx'jes en yyy'tjes ergens? Want d'r ontbreken 'r hier een stel.' (Karel zei natuurlijk wat anders dan xxx en yyy, maar ik kon die keientermen niet verstaan omdat ik ze niet ken. Gelukkig wees hij daarbij op de bedoelde steentjes, zodat ik hem best begreep en voldoende op de hoogte leek.) / 'Dat denk ik niet, maar ik kijk even rond.' - Ik deed een rondje door de tuin, maar nergens xxx'jes of yyy'tjes natuurlijk. Gelukkig had Karel alweer een andere oplossing bedacht: 'Ik breng er morgen wel een paar mee. Want het verlijmen doen we toch allemaal tegelijk.' - Wat dat precies inhield, wist ik niet, maar het leek me verstandige praat en ik deed er het zwijgen toe. Aldus kon het werk doorgaan en zou het probleempje later alsnog en beslissend geneutraliseerd worden. Koffie/koek 'Heren,' sprak ik tegen tienen, 'wanneer hebben jullie koffiepauze?' / 'Hoe laat is het dan eigenlijk?' vroeg Karel. / 'Tien voor tien,' zei ik met het oog op m'n horloge, 'zal ik nu dan maar een potje koffie zetten?' / 'Lekker,' zei Karel, 'tien uur is goed.' (Van Sjaak, de man met het baardje, tot nu toe geen woord. Wel voortdurend een lichte glimlach op het doorgroefde gezicht, zéér nonverbaal, een harde werker. En één keer heb ik hem mee horen zingen met ArieBombarie, het klonk als een vergissing, een blijde vergissing.) Twee koppen koffie met veel melk en suiker, twee dikbesmeerde plakken peperkoek - alles zat er binnen de kortste keren in, en binnen 'n kwartier waren de 'baasjes' weer aan de slag. Onderkantje Klopklop. 'Even overleggen meneer. Wij hebben de gewoonte om de steentjes om te draaien als we ze terugleggen. Wilt u dat ook?' / 'Steken ze dan niet erg af tegen de stukken die niet opnieuw bestraat worden?' / 'Ze zien er weer als nieuw uit, dat wel. Mooi toch?' / 'Dat zeker, en ach, het kleurt toch allemaal weer snel bij. Okee, draai ze maar om, Karel.' (Binnen 'n uur al over op Karel, ik word nog 's vlot op m'n oude dag.) - Bij nader inzien vond mevrouw B. het ook een goed idee, zéker wel! Aanbezemen II En deze cadans hielden we de hele dag vol: inspectie, klopklop ('Ziet u deze verzakking meneer, ligt daar geen plas na de regen?, zullen we die vier vierkante metertjes er dan maar bij doen, maar u moet het natuurlijk zelf weten, meneer?'), gevalletje x'je/y'tje, koffie/koek ('s morgens), thee/koek ('s middags). En altijd het genot van Hazes, Manke Nelis, André van Duin, Lange Jan, Mieke, Jantje, Rowwen Hèze, Sjakie, Hollie, en hoe ze verder maar mogen heten en kwelen. Oja, en tussendoor natuurlijk: stenen eruit, zand erin, rijenrijenrijen met de lat, stenen keren, stenen erin, zand erover, aanbezemen I, aanhameren, en tenslotte aanbezemen II. - Je zou er kortademig van worden. 'Toch zou ik dit niet alle dagen willen doen, meneer, dit priegelwerk,' sprak Karel tegen vieren. 'Ik leg toch liever een hele straat, of een parkeerterrein. Lekker doorpakken.' En Sjaak knikte verzaligd. - Morgen verder. Ik hoop dat het daar bij blijft. Aftelversje Na 'n dag zonder één moment van rust is het onmogelijk om nog met een serieus gedicht te besluiten. Het leven blijkt een tranendal voor Mario, Manuela en Monica. M'n oren tuiten nog na van de Sjakie Schrams en Corrie Konings, hammond-orgel en trekzak, Fransje Bauer en Hoeperdepoepzatopdestoep en, eerlijk waar, twee emmertjes water halen twee emmertjes pompen. - Op zo'n moment verzeil ik als vanzelf bij de Nederlandsche Baker- en Kinderrijmen, verzameld door Dr. J. van Vloten (Sijthoff Leiden, 1894). Heerlijke nonsensrijmen, spring- en dansliedjes, kinderbezweringen. Vandaag prik ik pagina 156, tel- en aftelrijm nummer 12: 'Te Rotterdam op de Keizersbrug'. Telt u even mee af? Des te eerder is het keienwerk gedaan. TE ROTTERDAM OP DE KEIZERSBRUG Te Rotterdam op de Keizersbrug Zat een ventje met een krommen rug, Hij heette Anke Manken, Janse Jan Franken; Hij verkoopt delen en planken. Vrienden, ziet toe, Dat je geen planken Van Anke Manken Janse Jan Franken Op en doet; Want die planken Van Anke Manken Janse Jan Franken Zijn zelden goed. naar boven 1 oktober 2012 Gedachten op maandag 9 - Het oude liedje Soundmaster NR518 Alsof ik een vijftigerjarenradiotoestel bij de dump op de kop getikt heb, zo ziet ie eruit: de Soundmaster NR518 van Redcoon. 'Nostalgische Stereo Center (Audioset met retro look, FM/AM Radio, Programmeerbare CD-Speler, Ingebouwde stereo luidspreker)' - zoals ie in de orderbevestiging voluit genoemd wordt. En ik moet zeggen: het apparaat (dat ik op het spoor kwam via het Volkskrant Magazine van 15 september 2012, in de rubriek MOOI, op pag. 7) voldoet in alle opzichten aan de verwachtingen (radio-speler, platenspeler en cd-speler in één). Het warmronde geluid van toen ('Hallo, hier Hilversum, hier is de Vara. Hier is de omroep van het vrije woord'), het afstemmen op het bijna onvindbare Radio 1 tussen duizendenéén regionale sportzenders, de Mexicaanse hond, de valse kras op de plaat, het stof aan de naald. Bij het toestel wordt een modernistisch petieterige afstandsbediening meegeleverd, maar die moet je onmiddellijk in de brandkast stoppen (met het oog op later, toekomstnostalgie): alles is eenvoudig met de hand te bedienen, helemaal geen robotica bij nodig. En ja, de Soundmaster NR518 verdient de volle aandacht, vooral als je een verse plaat op zet, dat gedoe met die arm, de klik van de naald, het ontstoffen van de LP, en dan die eerste aarzelende geluiden, O my man I love him so (Barbara Steisand, 1966)! De Witte LP Want daar is het eigenlijk allemaal om begonnen, om onze oude platencollectie in ere te herstellen. Door ze te draaien, te draaien, The Last Waltz (The Band), Bringing it all back home (Bob Dylan), Ik zou wel eens willen weten (Jules de Corte), Shaved Fish (John Lennon), Jef heeft me 'n sjiek gerefuseerd (Wannes van de Velde), Komt er mer in (Gerard van Maasakkers) en al die andere met zorg en aandacht gepleegde aankopen uit de jaren zestig, zeventig en (begin) tachtig. Van de Etudes van Chopin (Stephan Askenaze) tot de Eroica van Beethoven, en van Fleetwood Mac (Don't stop thinking about tomorrow) tot Het Internationaal Kollektief Nieuwe Scene Zingt Brecht, en al die andere hoogtepunten daartussenin, ze staan al jaren in het donker van de brandkast te verkommeren in de door kat 'Quast' onder handen genomen platenhoezen. Bij elkaar een onvergetelijk krab-monument, dat vanaf heden weer in het volle daglicht zal komen te staan. Heerlijk duurt het langst, ja, die musical staat er ook tussen! Het is als met Het Stedelijk in Amsterdam, daar heeft de wereldcollectie kunstwerken zich ook jaren en jaren staan te verbijten over zijn lot: een vruchteloos leven in de onderduik. En moet je zien hoe daar nu de rijen voor de Badkuip op straat staan te slingeren, wij willen erin, Fernand Léger zien, Anselm Kiefer, Appel, Rothko, Yves Klein, Naumann, Georges Braque, Jef Koons (ja, ook die!), Tinguely, Bazelitz, Dubuffet, De Kooning, Matisse niet te vergeten, en al die andere hoogvliegers sinds de dagen van Sandberg. - En waarom zouden 'De Witte LP' van The Beatles en 'Nuages' van Django Reinhardt niet vergelijkbaar zijn met 'L'Empire des lumières' van René Magritte of 'Who is afraid of red, yellow and blue' van Barnet Newman? Stop ze maar lang genoeg weg, breng ze weer aan de dag, en je incasseert, hoppa, de lof van oude en nieuwe generaties liefhebbers. Want kunst is 'Eeuwige schoonheid' (E.H. Gombrich, 1e druk 1969). Daar verandert het leven in een brandkast niets aan. Aangenaam klassiek Tot m'n eigen verbazing zijn de cd's die ik na het LP-tijdperk aanschafte bijna allemaal van klassieke muziek: alle symfonieën van Mahler, de hele Ring des Nibelungen, alle jaargangen 'Aangenaam klassiek', vier uitvoeringen van Mozart's Requiem, Satie, Scarlatti, enzovoort. 'Moderne muziek', pop, jazz, middle of the road, ik heb het bijna nooit meer gekocht (ik maak een uitzondering voor Daniël Lohues, Gé Reinders, Dayna Kurtz, Christina Branco en zo nog enkele uitschieters). Of... was de 'populaire' muziek van mijn LP-periode gewoon klassen beter dan tegenwoordig? Kon ik niet met m'n tijd meegaan, is mijn smaak genadeloos veranderd? Maar hoe komt het dan dat ik zo blij ben dat we al die oude LP's weer kunnen draaien? Ik denk dat onze hele collectie LP's zo'n kleine 150 stuks telt. Niet echt veel. Maar zeker 100 ervan zijn absolute toppers gebleken, of het nou Easy Rider betreft, Drs. LP, Bob Marley of Leon Redbone, ze staan nog altijd aan de top. Het kan natuurlijk ook zijn dat ik door zuurstofgebrek zelf niet erg hoog meer weet te klimmen, en dat mijn 'top' dus aan betrekkelijkheid dreigt te bezwijken. So be it, maar het is nog altijd wel míjn top. En daar geniet ik van. Het heerlijke combinatieapparaat dat de Soundmaster NR518 is, schenkt ons nu het genot van én de beste LP's én de beste cd's, wie ben ik dat ik dit nog eens meemaken mag? De musicassette In onze muziekrekjes staat ook nog een kleine batterij aan musicassettes, vaak gekopieerde LP's uit de tijd dat de platenspeler in onbruik raakte en vervangen werd door de stereotoren. Er zitten ook enkele kostbare eigen opnames bij 'uit het geluidsarchief van de familie Balthasar'. Wat doen we daar nu weer mee, want in de musicassette voorziet ons nieuwe oude toestel niet? De oude stereotoren ervoor bewaren? In het oude radiootje met afspeelmogelijkheid dan maar? Maar hoe lang blijft dat nog in leven? CD's van (laten) branden? In de brandkast ermee, als erfenis voor de volgende generatie? Maar tegen die tijd zijn de bandjes ongetwijfeld verpulverd en rijp voor plaatsing in het columbarium. Misschien toch wel een mooi einde... Het bezit van een ruïne Zoek bij zo'n vrolijk blogje over eigen resten verleden maar eens een adequaat gedicht. Anders gezegd: ik wist van het begin af aan welk gedicht ik onder de Soundmaster NR518 wilde plaatsen, alleen: hoe leg ik de link? Natuurlijk, de titel alleen al: 'muziek voor het slapen gaan'. En dan die superieure regels 4 t/m 7: 'zij hoopte dat het strawberries was geweest / zoetrood geneurie op koelere hoogte / en niet de negende kleine steeds weer / voorgoed onvoltooide'. Liever John Lennon dan Beethoven, een te eerbiedigen keuze. Kortom, met de muziek zit het wel goed tussen het gedicht en de Soundmaster. Hoewel, de lievelingsmuziek van de laatste strofe ('dat met die vluchtende vogel') staat mij niet helder voor de geest, maar ik kan mij er van alles bij voorstellen, droommuziek (per ongeluk tikte ik drie o's, da's wel heel veel droom), onuitgesproken mogelijkheden, geborgenheid, rust. Misschien weet ik het antwoord als ik al mijn oude platen op de Soundmaster NR518 gedraaid heb. Uiteraard zal ik u daarvan te zijner tijd op de hoogte stellen. - En dan nu nog dat liggende streepje na de laatste regel, het is geen komma, geen punt. Er kan altijd nog iets komen... Het gedicht is van Gerrit Kouwenaar, en komt uit de bundel 'het bezit van een ruïne'. (Poetry International/Querido, Amsterdam 2005) MUZIEK VOOR HET SLAPEN GAAN Er stond muziek op toen zij hem vond wat er speelde was zij later vergeten, had zij afgelegd toegedekt of ingeslikt met zijn leven zij hoopte dat het strawberries was geweest zoetrood geneurie op koelere hoogte en niet de negende kleine steeds weer voorgoed onvoltooide maar het liefst dat met die vluchtende vogel die nooit kon antwoorden waarheen hij op weg was en onder zijn veren kon uitrusten, inwonen - naar boven 24 september 2012 Gedachten op maandag 8 - Huiskamerfestival Zutphen-prent Omdat ik extra vroeg in de ontvangstzaal ben, heb ik tijd om de serie van (inmiddels elf) Zutphen-prenten te bekijken die daar tentoongesteld hangt. Van de mij bekende en onbekende prenten heeft Prent Nummer 1 nog steeds mijn voorkeur: 'Gezicht op stadsmuur met kloostertuin en bleek' (Vincent van Ojen, 2001). Twee jaar geleden probeerde ik die prent te bemachtigen bij de galerie die er over gaat. Kon niet, uitverkocht. Maar nu blijkbaar niet meer, terwijl het toch echt om zeefdrukken gaat met een oplage van 25 uniek genummerde exemplaren. Zou er een prent teruggebracht zijn? Was de serie nog niet geheel verkocht en lagen er nog enkele vergeten exemplaren plano in de opslag van Galerie Bozana Milic? Raadsels. Hoe dan ook: als ik 750 euro voor kunst beschikbaar had dan wist ik op dit moment nog wel enkele andere bestemmingen. Het mooi laten inlijsten van een originele steendruk van Weia die hier al tijden op de slaapkamerkast op definitieve inbedding ligt te wachten bijvoorbeeld. Daarnaast hebben de lijsten van drie van onze kunstwerken het begeven, dus die zijn zeker ook eerder aan de beurt. Nee, ik vrees dat 'Gezicht op stadsmuur met kloostertuin en bleek' helaas écht uitverkocht zal zijn als ik er ooit financieel aan toe zal zijn. Toch jammer. Maar leven is kiezen. En zoals altijd is er ook hier een lichtpuntje: in de nazit van het festival zal er één exemplaar van de Zutphen-prent verloot worden. Van heinde en verre Terwijl ik zo sta te mijmeren voor de opgehangen kunstwerken, spreekt de man naast me me aan met de vraag of ie me wat mag vragen. Het is niet echt een vraag, meer een ultrakorte inleiding, want hij steekt meteen van wal. - Het festival wordt nu voor de achtste keer georganiseerd, maar er zijn elf Zutphenprenten, weet u hoe dat zit? - Dat zou ik niet weten, nee. Ik dacht dat dit het elfde festival was, omdat er elf prenten zijn, dus. - O, u komt hier niet vandaan? - Dat is te zeggen, wij wonen hier nu dik tien jaar, maar we komen oorspronkelijk uit Den Bosch. Dit is ons vierde festival, geloof ik, of het vijfde. - O, nou, ik woon hier alweer zo'n vijftien jaar. Overgewaaid uit Terneuzen. - Wat grappig, zeg. Onze vrienden die vandaag overkomen voor het festival wonen in Middelburg. Ik hoop dat ze tegen twaalven hier zijn. Want het zit weer eens tegen met het spoor: drie keer overstappen in plaats van één. 'Wegens geplande werkzaamheden' heet dat dan. - Met de trein! Uurtje of drieëneenhalf, vier schat ik? - Normaal gesproken exact drie uur. Met de trein. Met de auto weet ik het niet. Wij rijden geen auto. - Geen auto? Wat apart, zeg. - Nooit gehad ook. Maar ik heb wel ooit een rijbewijs gehaald, zo'n veertig jaar geleden. - Curieus, apart. Hoe dat zo? - Nou, ik haalde m'n rijbewijs toen net het rapport van de Club van Rome uitkwam. Dat maakte me nogal indruk zeg, dus toen besloot ik om pas een auto aan te schaffen als ik er echt een nodig had. - En, nooit nodig gehad? - Niet echt nee. - En toch? - Ja hoor, gewoon met de tent en de rugzak en kleine kinderen met de trein naar Oostenrijk op vakantie. Ging prima. Met de trein blijf je natuurlijk nogal praktisch, je neemt niet meer mee dan je kunt dragen. - Apart zeg, apart, curieus. Ah, daar zijn Jan en Joke uit Middelburg, exact op tijd met de trein. Het festival kan beginnen. Vier voorstellingen 'op prachtlokaties bij de mensen thuis' (waarover een andere keer), alsmede 'een lunch op een andere bijzondere lokatie'. En tot slot de nazit (waarop dus die Zutphen-prent verloot gaat worden...). Broeder J. "Lunch van 14.00 tot 15.00 uur, Marspoortstraat 10a," meldt het programma voor Route 6. In het reusachtige pand stommelen wij met z'n vijfentwintigen de markante trap op, en betreden een enorme ruimte met gedekte tafels, een bar, een toiletgroep, een grote keuken. 'Nou, dit ziet er als een professionele gelegenheid uit, zeg,' zeg ik als we aan een van de tafels zitten. 'Onze' vrijwilliger van de organisatie antwoordt gevat: 'Maar dat is het ook. We zijn hier te gast bij de Broederloge van de Odd Fellows. Dat is een soort vrijmetselaarsloge. Nogal bekend in Zutphen.' - Ik heb er eerlijk gezegd nog nooit van gehoord. Het blijkt een organisatie van meer dan 50 loges over heel Nederland te zijn. En Broeder J., die ook verantwoordelijk voor de groenten- en de pompoensoep blijkt te zijn, zal straks een korte inleiding geven. (Inwijding, verstond ik per ongeluk.) Maar dat staat niet in het programma. Het is dan ook 'vrijwillig'. Halverwege de lunchpauze lokt Broeder J. geïnteresseerden naar de loge. De ruimte houdt het midden tussen een Lutherse kerk en een katholieke sacristie. De ene helft van het plafond is rood, de andere helft blauw geverfd. In het midden van de ruimte staat een raar soort altaartje met daarop een dikke oude in leer gebonden bijbel. Er is een spreekgestoelte, een voorzittersverhoging, en overal staan stoelen langs de wanden. Aan de muren van die kinderlijke panelen met een soortement van vrijmetselaarstekens er op. Het geheel werkt een beetje op m'n lachspieren. Broeder J. ziet ons zachtaardig aan. En gaat met ons 'in gesprek': "U wilt iets meer weten over de Zutphense afdeling van de Odd Fellows? Als dat zo is, zit u goed en als dat niet zo is, zit u ook goed. Want wat is toeval nietwaar? Bestaat dat eigenlijk wel? Nou ja, dat is meteen een mooi voorbeeld van het soort vraagstukken waarin wij geïnteresseerd zijn en waar we het op onze wekelijkse bijeenkomst met elkaar over hebben. - We streven op de eerste plaats actief naar een betere wereld waarin mensen als broeders en zusters met elkaar omgaan. Dat willen we doen door het geven van vriendschap, liefde en als derde: het zoeken naar waarheid. Vandaar ook ons logo met de drie schakels. - We gaan uit van het principe 'Verbeter de wereld, maar begin bij jezelf'. De loge kan daarom ook een soort leerschool voor je zijn. Een beter mens worden door jezelf beter te leren kennen en te ontwikkelen is geen eenvoudige opgave." - Enzovoort enzoverder. Ongevraagd advies aan de organisatie van het Huiskamerfestival Gast in Zutphen: volgende keer tijdens de lunch graag een keuze uit alle andere geloven, de Zutphense politieke partijen, de Rotary Oude Stijl, de Club van Rome en die van Rozenkwekers, Karthuizers, Johannieters, Korteverhalenvertellers, Jan Rot, het Zangkoorwezen van Gelderland, de Troubadours van Reims, Het Ballet van de Gasfitters, Roeivereniging Meer Slagkracht uit Deventer, kortom een keuze uit de complete ouderwetse Gouden Gids graag. Lotendoos Als gezegd, aan het slot van het Huiskamerfestival Zutphen wordt er een exemplaar van de Zutphen-prent verloot. Daartoe verzamelt het 600-koppige publiek zich in de Plaatselijke Burgerzaal, waar je tevens je ene consumptiebon kunt verzilveren. Met 600 man is de zaal overbevolkt, het is dan ook schier onmogelijk om de drankuitgifte en de lotendoos te bereiken. Niettemin: als enige van ons gezelschap slaag ik er na veel geworstel in om, gewapend met vier bonnen en vier ingevulde lootjes, een tafel met wijn te bereiken. Ik bestel vier rood, en spot ondertussen de vierkante doos met inwerpgleuf aan het andere einde van de tafel. Mijn hart springt op: erín met die lootjes, voor het te laat is, en de prent weer aan m'n neus voorbij gaat. Mijn inwerpgebaar heeft iets triomfantelijks. En verandert te laat in een wanhopige terugtrekkingsactie: deze doos is uitsluitend bedoeld voor enquêteformulieren! - 'Kan ik m'n lootjes even terugkrijgen?' vraag ik aan de drankenschenker. 'Nee, meneer, daar zou de notaris aan te pas moeten komen, en die zie ik zo gauw nog niet langskomen hier...' Hoe ik met vier wijn m'n lotgenoten terugvind, is onbeschrijfbaar. Maar het lukt. Intussen heeft de wethouder een greep in de lootjes gedaan. De prent gaat naar Emmen, naar een mevrouw met een hilarisch onuitspreekbare naam. - 'Jammer,' zeg ik tegen m'n drie gezellen, 'volgende keer beter.' Ideetje Sporadisch komen er bij het huiskamerfestival echte gedichten voorbij. Soms in een lied, of een korte toneelschets, Bertold Brecht, Carlos Drummond de Andrade. Misschien is het een idee om bij een volgende versie Ramsey Nasr (dichter én acteur) uit te nodigen om een voorstelling te maken met gedichten uit de wereldliteratuur, om te beginnen uit Nederland. Lucebert zou daarin zeker niet mogen ontbreken. Daarom hierbij alvast zijn gedicht met de beroemde regel 'alles van waarde is weerloos'. Een gedicht om je tanden op stuk te bijten en je vingers bij af te likken. DE ZEER OUDE ZINGT: er is niet meer bij weinig noch is er minder nog is onzeker wat er was wat wordt wordt willoos eerst als het is is het ernst het herinnert zich heilloos en blijft ijlings alles van waarde is weerloos wordt van aanraakbaarheid rijk en aan alles gelijk als het hart van de tijd als het hart van de tijd naar boven 17 september 2012 Gedachten op maandag 7 - Ieper (.be) Toen ik afgelopen woensdag in de Belgische stad Ieper over de Grote Markt liep, trof mij de poëtische naam van Café-Restaurant 'De Kollebloemen'. Geen idee wat dat betekende. Tot ik enkele uren later op diezelfde markt de Museumshop van 'In Flanders Fields' bezocht, het grote museum van 'De confrontatie met de Eerste Wereldoorlog'. Daar kocht ik het boekje 'In Flanders Fields' van Herwig Verleyen, met de ondertitel: 'Het verhaal van John McCrae, zijn gedicht en de klaproos'. Dat wereldberoemde gedicht ('In Flanders Fields the poppies blow', wie kent het niet?) treft u hieronder aan. In het boekje staan vele vertalingen van deze monumentale tekst ('In Vlaanderens velden bloeien de klaprozen'). Maar het meest trof mij de vertaling van onderwijzeres Rachel Schaballie die al in 1919 op de Ieperse scholen werd uitgedeeld. De eerste regel van haar vertaling luidt: 'Vlaanderens hart bloedt in zijn kollebloemen open'. Kollebloemen zijn poppies zijn klaprozen! Vlaamser en bloemrijker kan een vertaling van 'poppies' dunkt me niet zijn. Daarom heet het Canadese gedicht In Flanders Fields voor mij voortaan dan ook De kollebloemen van Vlaanderen. De inhoud wordt er nóg schrijnender door. - En dat Café-Restaurant 'De Kollebloemen' verdient een bezoek, alleen al vanwege de naam. Frontline Tours Met meneer W. van 'Frontline Tours' maakten wij een dodenrit over de slagvelden rond Ieper. Behalve ons groepje van vijf zaten er nog een Canadese mevrouw en een meneer uit Nieuw-Zeeland in de minibus. Ze waren door familiebanden of anderszins met de Waanzin van Vlaanderen verbonden, wat de hele overlevingstocht nog een extra lading gaf. In luid en duidelijk Engels toerde meneer W. ons over het schrijnendste landschap dat ik ooit ervaren heb. Letterlijk alles staat er in het teken van De Grote Oorlog: herdenkingsplaquettes met poppies, oorverdovend grote en kleine monumenten, oorlogskerkhoven zonder tal, eindeloos eenvormige begraafplaatsen vol zerken 'Known Unto God', half begraven betonnen bunkers, meanderende loopgraven met versteende zandzakken, geconserveerde boomresten, alles is er in overvloed aanwezig, AANWEZIG. En telkens weer en weer worden er soldatenresten gevonden, opgedolven en begraven, Known Unto God. - 600.000 doden zijn er geteld, in Vlaanderen alleen al. Onderweg stopten we bij de schuur van een aardappelboer. Direct achter de poort stond een grote tafel waarop de 'oogst' van de laatste week lag uitgestald: handgranaten met de pin er nog in, levensgrote granaatscherven, Lee Enfield-geweren met de kogel nog in het magazijn, oorlogsschroot uit de eerste Wereldoorlog (1914-1918). Of de twee heren uit het gezelschap de erbij staande zinken teil 's even wilden optillen. Met geen mogelijkheid kregen we de resten opgetast oologstuig een milimeter omhoog. En elke twee weken doet de militaire ophaaldienst z'n ronde, en verlost de boeren van de bijvangst van hun akkerwerkzaamheden. Ik zou het niet geloven als ik het niet met eigen ogen aanschouwd had. Known Unto God Dat wij in ons busje gezelschap hadden van een Canadees en een Nieuw-Zeelander is niet vreemd in Ieper. Er kwamen mensen uit meer dan vijftig verschillende landen en culturen om deel te nemen aan de oorlog in Vlaanderen: van Zoeloes uit Zuid-Afrika, Indianen uit Canada tot Chinezen, Australiërs en Burmezen. Vooral uit het Britse Gemenebest kwamen ze, om de vijand te verslaan, om er te sneuvelen of om er gek te worden. De Grote Oorlog was Eén Grote Waanzin, in totaal 10 miljoen doden, de ontkenning van het individu, abattoir van kanonnenvlees. Maar toch... In de Menenpoort wordt sinds 1929 iedere avond, klokslag acht uur, de Last Post gespeeld: 'Opdat we niet vergeten hoe zij voor ons streden'. Tijdens de jaren van de Tweede Wereldoorlog (1940-1944) werd er geen Last Post gespeeld, de reden kunt u zelf wel bedenken. De Menen-poort vormt de uitgang van de stad Ieper in de richting van de stad Menen. De 'poort' is een reusachtig monument over de weg heen, met bordessen, trappen en onderdoorgangen. Hij werd in 1927 door de Britten gebouwd ter nagedachtenis van de Britse soldaten die in de Eerste Wereldoorlog sneuvelden en niet meer geïdentificeerd of teruggevonden werden. Hun stoffelijke overschotten hebben geen bekend graf en liggen ofwel ergens verloren in de Ieperse velden, ofwel op een oorlogskerkhof rond Ieper met als vermelding op de grafsteen 'Known Unto God'. - Nog steeds worden in Flanders Fields resten van soldaten gevonden. Zodra deze worden geïdentificeerd als Brits, worden ze tijdens een officiële ceremonie herbegraven en wordt hun naam verwijderd van dit herdenkingsmonument voor de onbekenden. - Toen wij de Menenpoort bezochten staken er overal kollebloemen bij namen, en lagen er overal klaprooskransen met herinnerings- en waarschuwingsteksten, vanuit de hele wereld: 'If ye break faith with us who die / We shall not sleep, though poppies grow / In Flanders fields.' De kollebloemen van Vlaanderen Tijdens de Tweede Slag bij Ieper (lente 1915), waarbij de Duitsers voor het eerst het dodelijke chloorgas gebruikten, bevond zich in Boezinge (nabij Ieper) een verpleegpost. Daar werkte een zekere John McCrae uit Canada, ambitieus militair, befaamd arts en... dichter. Getekend door de ellende van de oorlog - zijn confrontatie met doden en verminkten was een dagelijks gebeuren - schreef hij er in mei 1915 het gedicht 'In Flanders Fields', dat weldra in het Britse Imperium en zelfs tot in de Verenigde Staten overbekend werd. Hierin zegt hij o.a. dat de gesneuvelde soldaten nooit zullen rusten, tenzij anderen de fakkel van hun strijd hebben overgenomen. - (Met dank aan Herwig Verleyen, In Flanders Fields, Uitgeverij De Klaproos, Brugge) De kollebloem, de klaproos, de poppy, die in het gedicht een centrale plaats inneemt, groeide uit tot een wereldwijd symbool van alle gesneuvelden. 'Opdat wij niet vergeten...' - Vandaar deze Balthasarsblog, ik kón niet anders. IN FLANDERS FIELDS (Luitenant-kolonel John McCrae, 1872-1918) In Flanders fields the poppies blow Between the crosses, row on row, That mark our place; and in the sky The larks, still bravely singing, fly Scarce heard amid the guns below. We are the Dead. Short days ago We lived, felt dawn, saw sunset glow, Loved and were loved, and now we lie In Flanders fields. Take up our quarrel with the foe: To you from failing hands we throw The torch; be yours to hold it high. If ye break faith with us who die We shall not sleep, though poppies grow In Flanders fields. naar boven 10 september 2012 Gedachten op maandag 6 - Het alledaagse Deze week gaan we een paar dagen weg. Zodoende neem ik vandaag even de agenda door. Om te zien wat er nog gedaan moet worden, respectievelijk wat er op het programma staat zodra we terug zijn: gister (zondag) mailde WW (Weekendje Weg) me over het besproken hotel; vandaag (maandag) vermeldt de agenda om 15.00 uur 'Kees Komt', Kees komt?; vrijdag (weer terug) staat er bij 10.00 uur: Marti belt. Oja, Marti. Als u denkt: Kees komt, Marti belt... het zal wel. Dan bent u klaar met dit blogje tot aan het gedicht (want dat is immers altijd de moeite waard). Bent u benieuwd naar Kees of Marti: dan kunt u doorlezen. - Tja, de Balthasarsblog, dat zijn nou eenmaal de faits divers van deze gepensioneerde, al zeven jaar lang. Het gedicht van de week is van F. Starik, het heet 'Simpele ziel', en valt ook op cd te beluisteren in de uitvoering met het Voerendaals Mannenkoor. Ontroerend. Het eenvoudige koor-refrein klinkt zo indringend dat het almaar in je kop blijft rondzingen. Tja, F. Starik, onthou die naam. WW mailt Wist u dat? Ik niet hoor. Als je 'n keer iets doet met WeekendjeWeg.nl dan stuurt de managing director persoonlijk je enkele dagen voor vertrek een herinneringsmailtje. Met tips. Met het waarderende oordeel van anderen. En met een link naar TomTom voor de actueelste route rechtstreeks naar je hotel. En wat je allemaal niet moet vergeten: de definitieve bevestiging, een geldig legitimatiebewijs, je reserveringsnummer, je klantnummer, je HotelCadeauCard/Cadeaubon. En dan nog staan ze dag en nacht voor je klaar, met diverse telefoonnummers, zelfs een 'waarop u mij persoonlijk kunt bereiken', ook vanuit het buitenland. Want er kan blijkbaar van alles misgaan: "Verloopt er bij het inchecken of tijdens uw verblijf iets anders dan verwacht? Wij helpen graag gelijk met het vinden van een oplossing. Bel ons, wij staan 24/7 voor u klaar." - Paf, ik was zwaar onder de indruk, en maakte van het mailtje meteen een rondzendbrief aan m'n reisgenoten. Onderwerp: 'Wij wensen u een prettige reis.' Volgende week bericht of ik WW nog nodig had, vooropgesteld dat ik dan nog in het land der levenden ben natuurlijk. Kees komt De advertentie in het hah-blad van vorige week maandag was simpel: "Voor tuinwerk en klein straatwerk, bel ..." En ik belde, want aan het straatwerk voor en achter ons huis mankeert nogal wat, al een tijdje. Het bordesje bij de voordeur is door agressieve mierenkolonies ernstig ondergraven, betonnen bielzen hebben ze zelfs weten te verplaatsen richting gevaarlijk. Achter het huis verloopt het terras via drie niveaus naar de tuin. Het einde van elk niveau is verzakt, exclusief de opstaande rand naar het volgende niveau: die komen zodoende steeds gevaarlijker bloot te staan als boomwortels op een bospad. Bovendien is er gevaar voor afbreken of omkiepen van de randstenen. Als iemand me dat eens mooi en deskundig in orde zou kunnen maken, dan heb ik het geld er wel voor over. - 'O, wat stenen rechtleggen? Dan kom ik even met wat witzand bij u langs.' / 'Nou, zou u niet beter eerst eens even komen kijken. Het lijkt me wel iets ingewikkelder dan een paar stenen rechtleggen...' / 'Ja, dat is misschien wel zo. Dan kom ik bij u langs als ik in de buurt ben. Vrijdag of maandag?' / 'Dat kan, okee.' / 'Dan zal ik u van de week laten weten wanneer ik langskom. Mag ik uw telefoonnummer?' Vrijdagochtend half negen, telefoon, mevrouw B. neemt op: 'Met Kees. Ik zie hier op de site dat u een rotweiler in de aanbieding hebt. Wat...' / 'Meneer, waar gaat dit over? Wij hebben helemaal geen hond. En hoe komt u aan ons nummer?' / 'Nou, ik zie hier op uw site dat...' / 'En wij hebben ook helemaal geen site, meneer. Ik vind het maar een raar verhaal, goedemorgen.' En weg was meneer Kees. Vijf over half negen, weer telefoon, weer Kees, weer mevrouw B.: 'Bent u daar nou alweer? Wat zegt u, straatwerk? Wat is dat nou weer. Wacht , ik geef u mijn man.' En daarmee was voor mevrouw B. de kous af. 'Met Balthasar.' / 'Met Kees van Dingen hier. M'n excuses voor het telefoontje van daarstraks. U bent niet van de rotweiler. Ik bel voor het straatwerk. Kan ik maandag even langskomen?' / 'O, u bent de Kees van het straatwerk! Mijn vrouw dácht al! Maandag is goed, hoe laat komt u?' / 'Schikt drie uur u.' / 'Drie uur aanstaande maandag, goed. Dag meneer.' - En toen schreef ik op maandag, 15.00 uur in de huisagenda: 'Kees komt'. Hopelijk zonder rotweiler. Volgende week nader bericht. Marti belt Weer zo'n afspraak: vrijdag belt Marti. Van de Regiobank. (Wat is dat toch met die voornamen? Ja, zelf doen wij dat ook vaak, maar toch.) Met een voorstel over wat hij voor ons heeft kunnen bereiken. Het gaat over het omzetten van de hypotheek, en daar blijkt Marti niet zo erg veel ervaring mee te hebben. Hij wil wel alles proberen natuurlijk, en uitzoeken, en de klant is koning, en dat zal waaratje toch wel gaan? Eerst waren we bij hem op kantoor, voor een korte verkenning. Toen ging hij ook al alles uitzoeken, en met een voorstel komen dat ons niet te veel geld zou kosten. Een paar dagen daarna belde hij om te weten wanneer wij ook alweer met vakantie waren, en dat hij in de tussentijd... inderdaad, alles uit gaat zoeken om ons een voorstel te doen dat ons niet te veel geld gaat kosten. - Vrijdag a.s is het dan zo ver, dan belt Mari ons met een voorstel. Ik kan het niet geloven. F. Starik zingt Dit voorjaar ontmoette ik de dichter F. Starik tijdens de uitreiking van de Ida Gerhardt Poëzie Prijs, in Zutphen. Starik 'performde' daar een aantal van zijn gedichten, onder saxofoonbegeleiding. Ik vond het een indrukwekkend optreden van een dichter die ik tot dan toe niet kende. Gelukkig was ik in de gelegenheid om hem te complimenteren met zijn sterke muzische voordracht. En daarna ben ik me enigszins in de man gaan verdiepen, welnu: Frank Starik (1958) is schrijver, dichter, zanger en kunstenaar. Hij werkte mee aan de geruchtmakende bloemlezing 'Maximaal' (1988), en richtte in 2002 in Amsterdam de 'Poule des Doods' op, een dichterscollectief dat zorgt voor een passend gedicht bij de uitvaart van eenzame overledenen. Van 2010 tot 2012 was Starik stadsdichter van Amsterdam. In 2009 kreeg hij de Amsterdamprijs voor de Kunst. De jury noemde hem ‘de burgemeester van de achterkant van Amsterdam’ en schreef in het juryrapport: "Starik ziet alles, noemt de pijnlijkste details, maar veroordeelt niets. Hij viert op die manier de kracht van het ongewone, en laat zien dat er schoonheid schuilt in mislukking." - Starik treedt veel op met zijn poëzie, zowel solo als met muzikanten. In de bundel 'Simpele Ziel' (2002) stelt F. Starik 'genadeloos maar humorvol' de existentiële vragen: hoe moet ik leven en wie ben ik? Hij zoekt zijn antwoorden in de bedrieglijke eenvoud van het alledaagse. Een goed voorbeeld daarvan is het titelgedicht 'Simpele ziel' dat ik hieronder citeer. De bundel 'Simpele ziel' verscheen bij Uitgeverij In de Knipscheer, en omvat ook een cd met daarop 16 gedichten. Starik vertolkt ze, soms sec, soms met muziek, soms met een meerstemmig koor (zoals het titelgedicht). En altijd geïnspireerd. Zoals ik ook zelf mocht ervaren tijdens die voorjaarsavond in Zutphen. SIMPELE ZIEL Die nacht lag ik in bed en staarde naar 't systeemplafond en overwoog wat nog te zeggen viel. Wat ik te zeggen heb in mijn eenvoudige leven. Simpele ziel. Tweeënveertig. En hier stond ik, op het podium van de absolute beginner, tevreden met mijzelf. Tevreden met zichzelf. In ieder geval ik moest een nieuwe naam verzinnen. Daar stond ik, verzonnen al en nu nog een gedicht beginnen. Wist er een die zo begon: ik moet het je toch eens vertellen. Iemand, een verwant, een dode met mijn naam erop. Iemand die te ziek was om te dragen. Mijn lichaam een kerk om rechtop in te staan, of licht voorovergebogen, iedereen kent mij al aan mijn ogen. Of mijn gezicht geeft geen leiding aan de mogelijkheid om open te bloeien. Ik ben al verstaan. Nog sla ik niet dicht. naar boven 3 september 2012 Gedachten op maandag 5 - Cadeautjes Zaterdag om half een ging de telefoon: 'Ha Balthasar, we hebben de dikke zaterdagkranten uit, de koffie is op, en nu moesten we maar eens gaan douchen. Hoe laat had je ons gedacht? En wat gaan we eigenlijk doen?' / 'Elke tijd is natuurlijk goed, maar wat dacht je van twee uur? Kunnen we nog mooi een stukje wandelen en daarna lekker eten. Hoe lang rijd je er eigenlijk over?' / 'Vijf kwartier, denk ik. Uurtje of half drie dan maar?' / 'Leuk. We zien er naar uit. Tot straks, vrienden.' Tegen vieren waren ze er, uit het hoge noorden. Nog even de buurman geholpen met z'n onwillige auto, zodoende. Tijd niet gezien. Er is iets veranderd hier, maar wat? Koffie? Even m'n wandelschoenen aandoen. Jekje mee? Echt niet nodig. - Kortom, het werd een bijzonder aangename middag en avond, vertrouwd als vanouds, te kort, ook als vanouds. Wat? Alweer een jaar geleden? Dat moet beter kunnen, tot het voorjaar dus. En dan moeten jullie wat vroeger komen, hebben we meer dag, kuskus! En dan vergeet ik nog de cadeautjes die ze meegebracht hadden, een fles wijn en een boek. Jaja, maar wat voor wijn, en wat voor boek! Dat ga ik hier 's even uit de doeken doen, want het zijn bijzondere cadeautjes, let maar op. Een fles échte wijn Eerlijk is eerlijk, behalve dat ik er elke dag een glas van drink, heb ik eigenlijk geen verstand van wijn. Ik koop hem in de supermarkt of bij de wereldwinkel, Merlot meestal, een enkele keer bij een slijterij als ik overvallen word door de sfeer van eindejaarsaanbiedingen of de adviezen van een bevriende kenner. Groot geld kan ik er niet aan uitgeven, want door de bank genomen vind ik het allemaal nogal opgeblazen klinken, die hogere vinologie, iets voor mensen met te veel geld die graag interessant doen. Totdat... je van je vrienden een fles échte wijn krijgt, inclusief handgeschreven advies, óp het etiket. Dan ga je toch twijfelen... Het etiket zelf is om te beginnen al een gedicht: Domaine des Homs - PAUL - 2009 Minervois / Appellation Minervois Controlée, Jean-Marc de Crozals, Vigneron / Conversion vers l'agriculture biologique. - Mij intrigeert vooral wat of wie 'Paul' is. Ik beschrijf hem even: de donkerrode 'Paul' zit in een donkergroene fles, met donkerblauwe capsule en een flink ingedeukte bodem. Ik heb wel eens horen verluiden dat je aan de diepte van de bodem kunt afmeten hoe goed de wijn is: hoe dieper de bodem hoe beter de wijn. (Met zo'n uitspraak zou Karel van het Reve wel raad weten! Maar die leeft helaas niet meer. Hij zou het onzin vinden. Maar waarom? Daar gaat het natuurlijk om.) En dan dat handschrift van onze vriendin, in helderblauwe kapitalen op het etiket: Zware wijn, 1,5 uur van tevoren openen en in karaf overgieten, zodat er zuurstof bij komt. - 3/4/12. Ik ken wel het begrip decanteren, maar dat betekent dacht ik dat je de wijn voorzichtig in een karaf moet overgieten om de droesem te scheiden van de wijn. Kortom, ik kijk even bij Google, en wat blijkt? Het is het allebei! Ik geef even de betreffende tekst van Wikipedia: 9. Decanteren [wijn] - Decanteren is het overschenken van wijn in een glazen karaf. Dit om de droesem (het bezinksel) van de wijn te scheiden, of om bij jonge wijn lucht bij de wijn te laten komen, zodat de wijn zich opent en zichzelf zachter presenteert. - Gevonden op http://nl.wikipedia.org/wiki/Decanteren_(wijn). - Mijn enige probleem is nu nog of wijn van 2009 oud of jong genoemd moet worden. Voor de behandeling maakt het natuurlijk niks uit. Zeer binnenkort hoop ik een interne gelegenheid te promoveren tot PAUL-dag: eerst de fles mooi decanteren, en daarna een goed glas échte 'zware wijn' drinken, met z'n tweeën, of drieën. Op de gezondheid van onze vrienden uit het hoge noorden! Ik vind het beslist een beetje spannend. Een juweel van een boek "De Deelen" heet het volgens de rug, want op voorplat en achterplat staat geen tekst, alleen wad-water in sterk uitvergrote vorm. Het schitterend uitgegeven boek blijkt na enig zoeken een uitgave van Museum Belvédère uit Heerenveen-Oranjewoud. Het bevat gereproduceerde Deelen-kunstwerken van 7 kunstenaars van wie ik alleen de naam Sjoerd de Vries ken. 6 woordkunstenaars beschrijven hun ervaringen met het veenlandschap De Deelen, van wie de naam Bernlef natuurlijk zeer bekend is. De groep NoDo vertaalde het landschap van De Deelen in klanken die op een cd zijn bijgeleverd. De een wordt rustig van zo'n verstild veenlandschap zonder mensen, een ander ziet alleen riet, riet en nog eens riet. Een derde wordt er zo ongedurig van dat ie alleen maar naar huis wil, de dingen doen die gedaan moeten worden. Terwijl ik dit schrijf komen de improvisaties van de Deelen-cd uit m'n computer-luidsprekers, krekels, zwarte kerkklokken, zinkplaten, rolfluitjes, zaagmachinegekras, gierende autobanden, rollend water, schudmachines, heftig vleugelgefladder, op hol geslagen goederentreinen, te veel variaties om op te noemen. Om hier De Deelen in te herkennen zul je er toch eerst geweest moeten zijn, en dan nog... je mag niet overal komen in dit natuurlandschap tussen Oudehaske en Sneek. In de woorden van de dichter Rink van der Velde: "Behalve laag is De Deelen heel erg leeg. Leeg aan mensen wel te verstaan. Dat het zo moge blijven is mijn vurige wens. Daarom heb ik ook liever niet dat u er zelf naar toe gaat. Het geeft maar drukte. Er valt trouwens niets te beleven. Ons aller Staatsbosbeheer heeft het meest woeste gedeelte van het gebied voor de pestilentie van het toerisme gesloten verklaard. Door die gelukkige omstandigheid is het er erg vis- en wildrijk en kan ik er in de zomer af en toe wat paling en in de herfst een eend of gans buitmaken." De kunstwerken die me het meest bevallen heten zonder uitzondering De Deelen, zijn van 'gemengde techniek in karton', en er staat uitsluitend riet op, en lucht. In de woorden van de kunstenaar Sjoerd de Vries: 'Het landschap van De Deelen speelt zich af onder de horizon, maar het riet is manshoog. Het omsluit je, je kunt alles zien maar er is niemand die jou ziet.' - En dat dan eindeloos gevarieerd. In één woord schit-te-rend! En ook de andere Deelen-kunstwerken zijn van een aard en schoonheid die me bijzonder aanspreken. Jan Snijder, Maaike Alma, Christiaan Kuitwaard, vertrouwde en aansprekende kunst van de hoogste categorie, als 'zwarte spiegels van De Deelen'. Hoe is het mogelijk om dat werk níet te kennen? Het is een groot geluk dat onze vrienden uit het hoge noorden daar afgelopen zaterdag een einde aan hebben gemaakt! Ik ben ze er dankbaar voor. Taal als gereedschap Op drie pagina's van ons prachtboek 'De Deelen' beschrijft Bernlef zijn indruk van het landschap De Deelen. 'Tekst in 17 delen' heet zijn bijdrage. Een van die 17 proza-delen reproduceer ik hier als gedicht, met excuses aan Bernlef. Ik heb alleen maar geprobeerd om er 'stapelbare zinnen' van te maken... Een vrijmoedigheid als hommage, dat is m'n drijfveer. DE DEELEN (Fragment) Krabber Kantskeppe Loete Peardsje Bûgel Polskes Stekizer (foar turf) Stelizer (foar baggelder) Jutte Turfkoer Trapersbuorden Stekkersklompen Klauwe Het spellingsprogramma op mijn computer accepteert alleen 'krabber'. De rest van deze namen is afgeschreven, losgeraakt van het gereedschap van de veenarbeiders dat her en der in museale opstelllingen nog te bewonderen valt. Turfmaker. Verdwenen beroep; verdoolde namen omringen hem. Waarom ze dan nog noemen? Omdat het verleden moet worden opgegraven, gedroogd, bewaard in stapelbare zinnen. Krabber, kantskeppe, loete... woorden even stug en direct als het gereedschap dat ze eens betekenden. Taal als gereedschap, pen om de grond in te boren. naar boven 27 augustus 2012 Gedachten op maandag 4 - Intens tevreden Oprit Vier keer per jaar minstens schoon ik de oprit aan de zijkant van ons huis, grasjes verwijderen, onkruid tussen de stenen uittrrekken, struiken bijknippen, uit hun krachten gegroeide en zwaar overhangende guldenroedes samenbinden, alles nog eens grondig harken, aanvegen en opvegen, enfin, u kent het wel. Oprit is eigenlijk raar gezegd omdat er nooit een auto op staat, en als je dezelfde functie van je eigendom toepast op je fiets, dan is het nog raarder om van oprit te spreken. Maar goed, vanaf de koop van het huis af aan heet dit stukje bestrate grond nou eenmaal oprit, waarschijnlijk overgenomen van de vorige eigenaars die er wel hun auto of die van hun klanten op hadden staan. Jazeker, de vorige bewoners dreven hier een verzekeringskantoor annex regiobank. Jaren na hun verhuizing nog kregen wij 'cliënten' aan de deur die ons vroegen of de 'baas zelf' aanwezig was, wilden ze hun spaargeld opnemen of het fijne weten van hun begrafenisverzekering terwijl hun Volkswagen Golf veilig bij ons op de oprit stond. - Enfin, die oprit dus was vandaag aan de beurt voor een flinke schoonmaak tijdens de afwezigheid van mevrouw B. Toen ze via die spic en span opgeruimde oprit thuisgefietst kwam met haar natte zwempak achterop zei ze niet meteen iets van mijn werk. Dus vroeg ik maar eens: 'En, wat vind je van de oprit?' / 'Ja', zei ze, 'het ziet er allemaal heel anders uit, maar ik zou niet kunnen zeggen waar het aan ligt.' - Daar moet ik eens even driftig over nadenken. Thee In het kader van onze doorlopende actie 'Bewegen moet', wandelden wij gisterochtend via 'de nieuwe fietsbrug' naar 'Halte kerkhof', een dik uur gaans door beemd, bos en veld. Na de zaterdagnachtelijke regenbuien was de natuur danig opgefrist en bemodderd, de lucht zat weliswaar dicht maar voor de gelegenheid hadden wij onze parapluutjes maar eens meegenomen, een gouden bezweringsformule. Net voorbij de kwekerij van A. begon het te regenen, wij klapten de pluutjes uit en manoeuvreerden die schuin op de wind. De regen zette een tandje of drie bij, en wij zagen om naar een schuilgelegenheid, een vrijstaand huis aan de zandweg met overstekende kap. Halverwege de sprint ging de voordeur open. Of wij niet even wilden schuilen, of wij niet even binnen wilden komen, of wij niet een kopje thee lustten, en gaat u toch zitten, die modderschoenen zijn geen bezwaar. De pluutjes lieten wij buiten, met hun kop tegen de muur, de regen ontaardde in tropische sterkte, het eerste weerlicht meldde zich met een krakende donderslag terwijl wij bij mevrouw K. in de woonkeuken aan de thee zaten. Even kromp ze licht ineen, herstelde zich snel, en had meteen het verhaal over de vuurbol bij de hand, die nog geen twee jaar geleden tijdens een noodweer de boerderij 'hier even verderop' in de as had gelegd. - Het regengeweld buiten ging nog steeds in alle hevigheid door, wij zaten op ons gemak, en hadden gedrieën een mooi gesprek over autolakken, de geneugten van het buiten wonen, reizen met Charlie, en winkelen in Deventer en Amsterdam, aangename kout uit de tijd dat 'geluk nog heel gewoon' was, mevrouw was van onze leeftijd en sinds de dood van haar man alleenwonend, zodoende allemaal. Weer thuisgekomen via breedberivierde bospaden en bus 81, propten wij oude kranten in onze doorweekte schoenen, zetten de Comedian Harmonists ('Ein bisschen Leichtsinn kann nicht schaden') op, dronken een glas en waren soepel maar intens tevreden met deze zondag. En toen moesten de heerlijk knapperig gebakken aardappeltjes van eigen bodem nog komen! Van Dis De dag van gister, zondag, regendag, ontmoetingsdag, kreeg in de avond nog een waardig staartje. Zomergasten, met Adriaan van Dis. Wij (en met ons nog 700.000 anderen) lieten er het 'premiers-debat' gemakkelijk voor schieten, dat kun je ook in de krant lezen. Presentator Jan Leyers had het gemakkelijk, Van Dis heeft geen leiding nodig, hij had een verhaal. Uiteraard het familieverhaal, de oorlog, schaamte, leven in meervoud. Ik kan het ook niet helpen, maar bij die man hang je aan zijn lippen ook al heeft hij zijn verhaal al tig keer gedaan, poseur of schijtebroek, ik begin steeds meer te geloven in 's mans oprechtheid en beteugelde bevlogenheid. Ik kan u de herhaling van deze Zomergasten van harte aanbevelen als u deze gemist hebt. Ook aan te bevelen: het restant van de avond met sociologe Jolande Withuis (zie ook: Gedachten op maandag 1, van 6 augustus jl.). Dat tweede deel wordt a.s. zaterdag uitgezonden op het onmogelijke tijdstip van kwart voor twaalf in de avond. Maar als Leyers en Withuis op dreef zijn als in het eerste deel, dan vergeet je de tijd, en is het twee uur in de nacht voor je er erg in hebt. En vind je het spijtig dat het alweer afgelopen is. Kijken dus. Breyten Breytenbach (1939) Tijdens de Van Dis-avond kwam ook zijn liefde voor Zuid-Afrika en het Afrikaans aan bod. Van Dis studeerde in 1979 af met de doctoraalscriptie Om te vlieg: van bron tot boek, een onderzoek naar verschillen en overeenkomsten in een prozatekst van Breyten Breytenbach. Hij beschouwde Breytenbach als een voorbeeld en vertaalde later een deel van diens oeuvre in het Nederlands. Breyten Breytenbach is schrijver, dichter en schilder. Hij woont en werkt afwisselend in Afrika, De Verenigde Staten en Europa. Hij was een vroege strijder tegen de apartheid, en ontvluchtte daarom zijn geboortegrond, naar Frankrijk. Hij bezocht in 1975 illegaal Zuid-Afrika en werd daar verraden, en voor hoogverraad tot negen jaar gevangenisstraf veroordeeld. Na veel druk van buitenaf werd hij in 1982 vrijgelaten. Hij keerde naar Parijs terug en werd Fransman. - Volgens Van Dis is BB 'een van de weinige dichters die een politieke boodschap lyrisch kan verwoorden'. En de dichter Rutger Kopland zei eens over hem: 'Breytenbach kan hard uithalen in gedichten die toch lyrisch blijven en doordrenkt van passie. Ik vind dat echt heel goed, prachtig vind ik dat.' Het werk van Breyten Breytenbach werd talloze keren bekroond, en daarom wordt hij wel de belangrijkste hedendaagse Afrikaanse dichter genoemd. In de dikke 'De Afrikaanse poëzie in 1000 en enige gedichten' (Amsterdam 1999) nam Gerrit Komrij maar liefst tien gedichten van hem op. Waaronder het volgende liefdesgedicht 'Allerliefste, ek stuur vir jou 'n rooiborsduif'. Lees het Afrikaans hardop, en de meeste 'probleempjes' met het Afrikaans verdwijnen als snee vir die son. Toch nog moeilijkheden? Lees dan de vertaling die eronder staat. ALLERLIEFSTE, EK STUUR VIR JOU 'N ROOIBORSDUIF want niemand sal 'n boodskap wat rooi is skiet nie. Ek gooi my rooiborsduif hoog in die lug en ek weet al die jagters sal dink dis die son. Kyk, my duif kom op en my duif gaan onder en waar hy vlieg daar skitter oseane en bome word groen en hy kleur my boodskap so bruin oor jou vel Want my liefde reis met jou mee, my liefde moet soos 'n engel by jou bly, soos vlerke, wit soos 'n engel. Jy moet van my liefde bly weet soos van die vlerke waarmee jy nie kan vlieg nie ALLERLIEFSTE, IK STUUR JE EEN DUIF MET EEN RODE BORST (Vertaling Marlou, Vk blog) want niemand zal op een boodschap die rood is schieten. Ik gooi mijn duif hoog in de lucht en alle jagers zullen denken, dat het de zon is. Kijk, mijn duif komt op en mijn duif gaat onder en waar hij vliegt schitteren oceanen en bomen worden groen en hij kleurt mijn boodschap bruin op jouw huid. Want mijn liefde reist met je mee, mijn liefde moet als een engel bij je blijven, met vleugels, wit als van een engel. Je moet van mijn liefde blijven weten net zoals van die vleugels waarmee je niet kunt vliegen. naar boven 20 augustus 2012 Gedachten op maandag 3 - Trui of vest, dat is de kwestie Tropisch Om half zeven deze maandagochtend stond ik naast m'n bed, opende alle vensters en deuren inclusief de voordeur, met de bedoeling om de boel eens lekker door te laten waaien. Buiten was het ruim 22 graden, en 'n ietsepietsie wind. Tot negen uur was het ronduit aangenaam in en rond het huis. Daarna liep de temperatuur weer snel op. Tot 29 graden. 'Een stuk minder warm dan in het weekeinde,' in het jargon van het Radio 1 Journaal. 'Morgen nog iets frisser, 26 graden. De dagen erna 21 à 22 graden, de huidige nachttemperaturen.' Het journaal was geopend met de teleurstellende mededeling dat het record van 38,7 graden nét niet gebroken was in het weekeinde. Ze moeten het daar niet gekker maken zeg. - Vanaf morgen gaan wij vier dagen wandelen, vanaf Kleve (Dld.) via Emmerich en Hoch-Elten terug naar Nederland ('s-Heerenberg), de eerste etappes van het Noaberpad, een officiële LAW, net als het Pieterpad. Volle bepakking, beperkte afstanden. De site van Kleve Bezienswaardigheden geeft voor vandaag ook 29 graden aan, dat wordt nog stevig drinken morgen op onze eerste dag. Voor de rest zal het tempo zeer laag liggen. Pedicure Maar eerst moest ik vanmorgen nog naar de pedicure. Voor het eerst na de vakantieperiode weer naar 'm'n eigen pedicure', de hoogste tijd. Voor m'n ingroeiende teennagels ben ik tussentijds nog naar een invalpedicure geweest elders in het dorp, dat was geen succes. Sindsdien heb ik drie weken op eieren gelopen, meestal op m'n wandelschoenen omdat die tegen de diep insnijdende grote-teennagels nog de beste bescherming bieden (ruim van voren, dikke onbuigzame zolen, totale stevigheid). M'n klacht bleek serieus: volgend jaar gaat 'm'n eigen pedicure' op zoek naar een andere 'invalpedicure'. De vooruitzichten zijn gunstig, ze heeft al iemand op het oog. Het thema van ons maandelijkse praatje was deze keer: wat te stemmen bij de komende verkiezingen? 'M'n eigen pedicure' stemde vroeger altijd PvdA in het voetspoor van haar enthousiaste schoonvader en PvdA pleitbezorger (godhebbezijnziel). Nu is ze al 'n tijdje de weg kwijt: SP gestemd, D66, VVD. En altijd met het lichte schuldgevoel van verraad aan haar schoonvader. 'Maar je weet tegenwoordig niet meer wat je aan een partij hebt, ze lopen allemaal net zo hard leeg als de kerken. Iederéén is zo'n beetje de weg kwijt, lijkt het wel.' - Ze wist niet wanneer de verkiezingen zijn, en ze dacht dat Rutte nu aan zijn tweede kabinet bezig was. Dat krijg je ervan, als je de weg kwijt bent sinds je schoonvader overleden is. Rugzak Zojuist komen mevrouw B. en overbuurvrouw J. terug van hun wekelijkse zwemuurtje. Dat deze keer geen zwemuurtje werd omdat het zwembad te vol was, en baantjes trekken daardoor onmogelijk was. Toen waren de dames maar gaan fietsen en op het terras gaan zitten, het betere werk zeg maar. En dát terwijl ik me net voorgenomen had om volgend seizoen ook mee te gaan zwemmen, als ik dan tenminste weer kan fietsen. Want vlotten doet het daar allerminst, op dat zitvlak van mij. Vandaar ook dat we deze zomer weinig aan de wijdere omgeving gedaan hebben, een flink gemis. Dat gepraat bracht ons op de temperaturen voor de komende dagen. Na morgen is het niet warm meer (zeggen ze), en dan moet je toch wel een vestje bij je hebben. Dat heb ik niet ingepakt, wel een dun truitje. Maar dat is misschien toch niet zo praktisch, een trui is maar een trui, een vest kan in elk geval open en dicht, bovendien is het een dun en flexibel vestje dat ik op het oog heb. Zo meteen dus de helft van m'n rugzak weer even uitpakken en enkele mutaties uitvoeren. - Het blijft altijd een lastig gedoe: wat gaat er wel mee, wat niet, je moet het allemaal de hele dag en elke dag weer op je rug nemen. Vandaar. Een vestje wordt het, definitief. Chris van der Heijden 'Grijs verleden' kwam zo'n tien jaar geleden uit. Ik kocht het vorige maand op een tweedehandsboekenmarkt. Het is de monumentale poging van Chris van der Heijden om de Nederlandse oorlogsperiode objectiever, en meer gebaseerd op de echte feiten te beschrijven. In plaats van dat je 'goed' of 'fout' was, bleek het grijze midden daartussen de praktijk en de realiteit. Dat was tegen het zere been van een deel van historisch Nederland. Want: zo'n poging stelde nu onomstotelijk Lou de Jong en zijn 14-delige geschiedenis van Het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog ter discussie. 'Grijs verleden' is sindsdien een enigszins omstreden boek, en Van der Heijden een historicus die 'vergoelijkend' over 'fout' oordeelt. Maar niet-vakmensen zoals ik heeft hij volkomen overtuigd, het bewijsmateriaal is overstelpend, de gekozen invalshoek gezond, objectief en nooit belerend. Dat was uitgaande van 'Londen', 'Radio Oranje' en de eenzijdige kijk van Wilhelmina en haar omgeving ondenkbaar: het Nederlandse volk was van meet af aan in verzet en op weg naar een glorieuze toekomst. Van der Heijden bewijst anders: aanpassen was het parool, en de redding. Behalve dan voor de joden natuurlijk, die hoe dan ook de hoogste prijs betaald hebben, daar bestaat geen enkel verschil van mening over. Dat Van der Heijden niet over één nacht ijs ging, wordt op elke pagina bewezen. En niet alleen met simpele bewijsplaatsen, maar ook met breed toegepaste lessen uit het verleden. Meesterlijk vind ik bijvoorbeeld de manier waarop hij de Oostenrijkse ziel van Hitler en meer in het bijzonder van Seyss-Inquart weet te 'duiden': in krap een halve pagina treft Van der Heijden de essentie van de vroeg twintigste-eeuwse roman 'De man zonder eigenschappen' van Robert Musil (1880-1942), bijna 1400 pagina's (wie leest dat nog?!). - Kijk, dát is geschiedenis schrijven. Lezen en gelezen worden In de loop der jaren heb ik menig boekwerkje verzameld, gelezen en 'bewerkt'. Het boekenplankje werd een kast, toen kasten, en nu zijn het wanden vol kasten vol boeken. In het begin dacht ik te bouwen aan een grote schat die ooit felbegeerd zou zijn. Dat idee heb ik inmiddels laten varen. Een boekenkast veroudert samen met jou, en volgende generaties hebben andere opvattingen over verzamelingen. Misschien zal het een of andere boek of serie zijn weg te zijner tijd nog wel vinden, de grote bulk is voor de ramsj, de anonimiteit. Misschien moet ik mezelf maar in een boekenkist laten begraven. Daar ga ik eens grondig over nadenken. - Willem Wilminks vader was geen echte boekenverzamelaar, hij was een liefhebber van het enkele boek. Met dat boek leefde hij, probeerde het te doorgronden, te bewerken tot zijn 'eigen' boek. En zoon Willem wist de erfenis te waarderen. ('Vader' van Willem Wilmink komt uit de bundel Goejanverwellesluis, Amsterdam 1971.) VADER vader kocht ooit een verzameld werk een bundel gedichten van degelijk merk. bij wat hij mooi vond zette hij strepen een enkele keer een uitroepteken. bij tijd en wijle herlees ik die zeer summiere biografie: in een code van strepen en stippen steeg het water hem naar de lippen. naar boven 13 augustus 2012 Gedachten op maandag 2 - Rinus en Rika Met dank aan Rinus Ferdinandusse In de jaren zeventig van de vorige eeuw was Rinus Ferdinandusse hoofdredacteur van het linkse opinieweekblad 'Vrij Nederland'. Behalve hoofdredacteur (als zodanig een kei, en onomstreden) was RF ook de man van enkele vaste rubrieken. In 'Geknipt voor u' verzamelde hij opmerkelijke citaten uit kranten en tijdschriften van de voorgaande week, hoofdzakelijk hilarische koppen en navenante zinswendingen in facsimile uitgevoerd. Onder het pseudoniem 'Douwe Trant' schreef RF elke week een soort mopperblog avant la lettre die zich voornamelijk concentreerde op gedoe in de Amsterdamse binnenstad. Zijn meest serieuze rubriek heette 'Gedachten op dinsdagochtend'. Dinsdag was namelijk de dag dat de kopij voor het komende nummer van VN bij de drukkerij moest zijn. Met zijn 'Gedachten op dinsdagochtend' schreef RF het meest actuele persoonlijke commentaar als hoofdredacteur, actueler kón niet. - Aan deze VN-rubriek heb ik mijn afleveringstitel 'Gedachten op maandag' ontleend. Het is al lang geleden dat ik RF gelezen heb, want hij is al eeuwen met pensioen en hij treedt sindsdien nauwelijks meer in het openbaar op, ook niet als scribent. Maar ik bewaar zeer goede herinneringen aan deze op en top krantenman uit een inspirerend verleden. En oja, voor ik het vergeet: RF was ook de initator van VN's befaamde Detective- en thrillergids die elk jaar in maart verscheen (en die mij op het spoor van menig vier- en vijfsterrenboek gezet heeft, met als topper nog steeds de tiendelige Martin Beck-serie van Sjöwall en Wahlöo). Daarvan had RF dus ook al kaas gegeten. Hij schreef zelf trouwens ook een aantal vrolijke thrillers met titels als 'Naakt over de schutting' en 'Zij droeg die nacht een paars corset', hoofdlocatie: Amsterdam Centraal. Ja mensen, dát waren nog eens tijden! Nog even: Radio 1 Sportzomer Maandag 13 aug zou alles weer 'normaal' worden, geen gezamenlijk radio 1-sportprogramma meer dus, maar alle omroepen en programma's zoals we die voor de zomer gewend waren. En deze eerste dag vandaag was evengoed weer een ramp. Want waar ging het allemaal over? Enkel en alleen maar over de Olympische Spelen en hoe geweldig de Radio 1 - Sportzomer wel niet gedraaid had. Dus: gaan we volgend jaar weer doen! De willekeurige presentatieduo's waren 'verfrissend', het nieuws, de sport, alles werd zo enthousiast en fris en 'collegiaal' in de huiskamer gebracht... dat zou eigenlijk misschien wel altíjd moeten! En niemand op Radio 1 die mijn conclusie deelde dat deze zomerprogrammering het beste bewijs is voor de stelling dat er een aparte sportzender moet komen, én een aparte nieuwszender. Juist om er voor te zorgen dat allebei de maatschappelijke opties volwaardig aan bod komen. Geen woord was er voor al die mensen die niet van de sport zijn en die meer dan drie maanden hun ziel in lijdzaamheid hebben moeten bezitten, en dat leed ook manmoedig gedragen hebben. Maar nee hoor, alle gasten en presentatoren waren zonder enig voorbehoud enthousiast, de eigenheimers, de hotemetoten, de kritische geesten, zelfs een Jan Tromp, een Ton Verlind... Ik zeg u: De Radio 1 - Sportzender is een feit! Gelezen bij Karel van het Reve Van de literator Karel van het Reve (1921-1999) - algemeen bekend als 'de geleerde broer' van Gerard Reve - meende ik al heel wat gelezen te hebben: toch zeker zo'n tien titels in de kast, en onlangs nog drie bijgekocht op de Zutphense boekenmarkt. Maar wat blijkt als je R.'s bibliografie bekijkt (bijvoorbeeld op Wikipedia)? Honderden titels, inmiddels door Uitgeverij Van Oorschot compleet heruitgegeven als Verzameld Werk, 7 delen in cassette, 275 euro. Daar is voor een 72-jarige geen beginnen meer aan. Ik blijf maar gewoon doen wat ik altijd al deed: nu en dan een deeltje Karel van het Reve tot mij nemen. Want het is en blijft een geweldig plezier om die man te lezen, vooral het essay-werk. Zo nu en dan zal ik verslag doen van alweer een gelezen deel uit het werk van Karel van het Reve. Zoals over 'Uren met Henk Broekhuis', dat ik vorige week las. Eerlijk gezegd was ik vooral benieuwd om te weten te komen wie Henk Broekhuis is. En ja, als ik eerder op Wikipedia gekeken had wist ik allang dat dat een pseudoniem was van Karel van het Reve. Ik citeer Wikipedia even, dan weet u het ook precies: "In de jaren zeventig publiceerde Karel van het Reve onder het pseudoniem Henk Broekhuis columns in NRC Handelsblad, waarin hij, geïnspireerd door Flauberts Dictionnaire des idées reçues, gemeenplaatsen op de snijtafel legde; deze werden gebundeld in 'Uren met Henk Broekhuis' (1978)." - Enkele voorbeelden van bedoelde gemeenplaatsen zijn: 'Er is nauwelijks een zichzelf respecterend intellectueel in de Westerse wereld te vinden, die niet gelooft dat vele in dromen, beeldende kunst en literatuur voorkomende potloden en andere langwerpige dingen fallische symbolen zijn', 'De armen worden steeds armer, en de rijken worden steeds rijker', 'Veel christenen en heidenen zijn er gelijkelijk van overtuigd dat je niet over je mag laten lopen', of: 'Alle Nederlanders op twee na zijn er vast van overtuigd dat zwemmen bij eb gevaarlijker is dan zwemmen bij vloed'. - In een ontstellend nuchtere, licht ironische maar altijd logische stijl gaat R. zo'n stelling dan te lijf, met praktijkvoorbeelden, met cijfers, en met onontkoombare redeneringen. Van 39 van de opgenomen 39 stellingen blijft zodoende geen spaan heel, zodat je je nog wel tweemaal bedenkt om je ook eens zo'n algemeen gangbare uitspraak te permitteren. Ik geef expres geen enkele van R.'s redeneringen in eigen woorden weer, omdat dat alleen maar afbreuk zou doen aan de literaire logica van R.'s column, het is sowieso ondoenlijk om een literaire column even in eigen woorden samen te vatten. Dat is bij KvhR niet anders. En wie Henk Broekhuis nou eigenlijk is? Dat schrijft Karel van het Reve op pagina 108: "U zelf, lezer! weet dat ik, Henk, besta. Wie zou anders die stukjes schrijven, nietwaar? Als men u zou vertellen dat ik het buskruit heb uitgevonden of mijn vader of moeder vermoord heb, dan zoudt u - wil ik althans ernstig hopen - die mededeling met een zekere scepsis tegemoet treden. Maar als iemand u vertelt dat ik tot 'de groep publicisten rond het Hollands maandblad en K.L. Poll' behoor, dan gelooft u dat eerder dan als men u vertelt dat ik zeg in Brussel een vioolconcours heb gewonnen." Bil-perikelen Al vier maanden leef ik een fietsloos leven omdat ik - tenslotte - aan een bilpuist geopereerd ben. Noodgedwongen doe ik alles lopend en bussend. Als ik boodschappen doe ben ik kritischer dan voorheen, want het moet wel te sjouwen zijn natuurlijk. Zodoende doe ik nu lopend tweemaal zo vaak boodschappen als fietsend. Goed voor de conditie, slecht voor de portemonnee. Intussen vertroetel ik mijn Brooks-fietszadel, dat waarschijnlijk de oorzaak is van 'het probleem'. Het hardgeworden leer is doorgezakt, en rust inmiddels op de stalen veren eronder. Op gezag van de nieuwe fietsenmaker vet ik nu regelmatig de onderkant van mijn zadel in met 'ledervet', draai ik nu en dan de zadelstelschroef aan zodat het zadel weer wat boller komt te staan, en heb ik alvast een extra zadeldekje gekocht dat zacht is en 'gegarandeerd antitranspiratief'. Als klap op de vuurpijl kwam onze fysiotherapeut vanochtend met het praktische idee om bij langere fietstochten voortaan een fietsbroek aan te trekken. - Jaja, mijn billen gaan gouden tijden tegemoet. Nu alleen nog even dat 'wondje' wegwerken... Wijn van Arnon Grunberg Elke dag schrijft Arnon Grunberg een korte column op de voorpagina van de Volkskrant, het kan over alles gaan. Enkele weken geleden stelde hij voor om gezamenlijk het gedicht Aan Rika van Piet Paaltjens uit het hoofd te leren. Aan het eind van de zomer belegt hij een bijeenkomst waarop iedereen die het gedicht foutloos kan opzeggen een glas wijn van hem krijgt. - Dit bericht is u wellicht ontgaan. Daarom geef ik het even door. De bijeenkomst is gepland op 23 augustus in Amsterdam, aanmelden kan per e-mail naar: haverschmidt.aanrika@gmail.com. Wie het gedicht niet uit het hoofd kent moet zijn eigen wijn betalen. Om u te helpen citeer ik hieronder het gedicht van PP, dat ook al op 6 april in de Balthasarsblog figureerde. - Succes met het van buiten leren. U hebt nog 'n dikke week! AAN RIKA Slechts éénmaal heb ik u gezien. Gij waart Gezeten in een sneltrein, die den trein Waar ik mee reed, passeerde in volle vaart. De kennismaking kon niet korter zijn. En toch, zij duurde lang genoeg, om mij Het eindloos levenspad met fletsen lach Te doen vervolgen. Ach! geen enkel blij Glimlachje liet ik meer, sinds ik u zag. Waarom ook hebt gij van dat blonde haar, Daar de englen aan te kennen zijn? En dan, Waarom blauwe oogen, wonderdiep en klaar? Gij wist toch, dat ik daar niet tegen kan! En waarom mij dan zoo voorbijgesneld, En niet, als 't weerlicht, 't rijtuig opgerukt, En om mijn hals uw armen vastgekneld, En op mijn mond uw lippen vastgedrukt? Gij vreesdet mooglijk voor een spoorwegramp? Maar, Rika, wat kon zaalger voor mij zijn, Dan, onder helsch geratel en gestamp, Met u verplet te worden door één trein? naar boven 6 augustus 2012 Gedachten op maandag 1 Contemplatief voorafje Uit het niets overviel mij hedenmiddag om 16.00 uur de gedachte aan mijn jaren en jaren geleden overleden oud-collega en vriend Ton R. Niet dat ik hem ooit Ton noemde, daarvoor waren de jaren zestig/zeventig nog te formeel en het gevoelde leeftijdsverschil te groot, Ton bleef Meneer R. tot aan zijn te vroege dood. Dat maakte overigens geen verschil, hij was een echte vriend, warm, geïnteresseerd, iemand die altijd wel lichtpuntjes zag, kortom iemand die je op gezette tijden, maar altijd onverwacht, mist. Waarna je even stilvalt, en moeite hebt om je gewone doen te hervatten. Een voorgenomen blogje schrijven bij voorbeeld over die rampzalige Radio 1 - Sportzomer, of over de zomerse boekenmarkten in Zutphen en Deventer die ik de laatste weken bezocht. Inmiddels heb ik me weer vermand, op naar m'n gewone doen, in dit geval dus de sportzomer, de boekenmarkten en de zomergasten. Radio 1 - Sportzomer De zomerse editie van de nieuws- en sportzender Radio 1 (heel omineus Radio 1 - Sportzomer genoemd) is wat mij betreft de lelijkste misstap die de publieke omroep ooit gemaakt heeft. De invulling van de Radio 1 - Sportzomer is niet minder dan een vorm van terreur, het is schaamteloze onnozelheid, van onveranderlijk leutige toon bij n'import welk onderwerp, en demonstreert een volkomen gebrek aan onderscheid tussen hoofd- en bijzaken, tussen leven en dood, het usurpeert alle voorheen fatsoenlijke programma's, bovendien posteert de Radio 1 - Sportzomer de verkeerde mensen op de goede plaatsen, sterker, zelfs van huis uit goede mensen zijn gedwongen om de clown uit te hangen. Bert van Sloten, Felix Meurders, Tom van 't Hek, Lucilla Carasso, ik ben van hun geloof gevallen. De combinatie 'nieuws en sport' voor de publieke Radio 1 heb ik altijd al een monstrum gevonden, als puntje bij paaltje komt gaat sport altijd voor nieuws, tot in het absurde. Dit jaar, deze 'sportzomer', levert het ultieme bewijs voor mijn stelling: zowel qua toon als qua planning is alle nieuws in de huidige aanpak verplat, geplet en misvormd tot olijk weggestopt niemendalletje in het woud der sportverschrikkingen. Als er ooit een serieus pleidooi gehouden is voor de scheiding van sport en nieuws op de radio, dan is het deze sportzomer wel. Ik gun de hele sportwereld met z'n opgepompte kikkerperspectief zijn eigen zender, gráág zelfs. Maar eis daarnaast een volwaardige nieuwszender, van laten we zeggen gemiddeld toch minstens het kaliber van Met het oog op morgen, het Radio 1-Journaal of de zaterdagse Tros-Nieuwsshow. De Tros-Nieuwsshow? Ja, de Tros-Nieuwsshow, zelfs de Tros-Nieuwsshow (met z'n onuitstaanbaar rechtsballerige Peter de Bie, de wedergeboren Wim Bosboom van het eerste uur), die slaat de Radio 1 - Sportzomer in kwaliteit en geloofwaardigheid met straatlengtes. - Vóór deze sportzomer zou ik niet in dit soort categorieën hebben durven spreken, toch nog een leerzame zomer dus, deze sportzomer. Boekenmarkten Voor de verandering bezochten wij dit jaar weer eens twee zomerse boekenmarkten: eind juli de kleinere in Zutphen ('n goeie 60 kramen), begin augustus de massale in Deventer (875 kramen). Gemiddeld leek me de kwaliteit per kraam in Zutphen hoger dan die in Deventer. In Deventer zag ik meer mensen met rugzak om dan in de Vierdaagse van Nijmegen. In Zutphen was het een gemakkelijk te verkrijgen genoegen om alle kramen te bekijken, in Deventer was het wegens de drukte moeilijk om steeds aan de bak te komen, bovendien konden wij veel kramen ongezien overslaan omdat ze buiten onze interessesfeer vielen. In Zutphen kocht ik drie boeken (Karel van het Reve), in Deventer één ('Grijs verleden' van Chris van der Heijden). Over alle vier de boeken ben ik content wat de prijs/kwaliteit-verhouding betreft: gemiddeld betaalde ik 7,50 per boek terwijl er één uitschieter van 12,50 bij zat (en die de gemiddelde prijs dus nogal opkrikte). Van de zeven boeken waar wij bewust naar zochten, heeft mevrouw B. er één gevonden, t.w. 'De natuur heeft altijd gelijk' van Mességué (met voorin het stempel 'Boek verwijderd uit Legermuseum'). In het boek stond een potloodprijs van 23,50. Dat leek ons aan de gepeperde kant, dus vroegen we om een lagere prijs. Het wérd een veel lager bedrag: de 23,50 bleek nog uit het guldentijdperk te stammen. Voor 5 euro kreeg mevrouw B. de gelijkhebber in haar bezit. Zodoende kon zij ook nog enkele internationale prachtkookboeken voor gemiddeld 5 euro per stuk aanschaffen. Want er is natuurlijk ook veel ramsj op zo'n grote markt. De 'grootste boekenmarkt van Europa' in Deventer (125.000 bezoekers) is natuurlijk meer een zomers evenement dan een bijeenkomst voor boekenliefhebbers alleen. Naast het leger boekengekken (tachtigjarige mevrouw in rolstoel geheel tegen de regen in lange poncho's ingepakt, en met een lijst van 18 gezochte boeken in de handen van de begeleidster) zijn er natuurlijk ook veel vakantievierende dagjesmensen met hun kinderen. Die zoeken een goed gemiddelde tussen boekies kijken, drankjes drinken en flaneren, telkens tot het de kinderen begint te vervelen. In alle kramen en cafés is meer dan voldoende bediening aanwezig: het lijkt erop dat half studerend Deventer deze zondag een bijbaantje heeft. 'Hebt u ook poëzie in deze kraam?' / 'Dat zal ik even aan mijn vader vragen, want dat weet ik niet.' - Alle terrassen zaten voortdurend vol, en toen het midden op de middag eventjes stortregende was het ook binnen in de etablissementen bommetjebommetje. De broodjes, de uitsmijters, de kroketten: alles werd in een mum van tijd geserveerd en afgerekend. Eetcafé De Sjampetter had heerlijke spinazie/knoflooksoep in de aanbieding, De Salon prees haar ambachtelijk bereide aspergesoep aan. Twee keer vegetarische soep met stokbrood en kruidenboter, daar konden wij de hele Deventer Boekenmarkt mee aan. Zomergasten Tot slot van deze gedachten op maandag nog even aandacht voor mevrouw Jolande Withuis, zomergast bij de VPRO op zondagavond 5 augustus. Die avond werd voortijdig afgebroken omdat mevrouw Withuis door een migraine-aanval geveld werd. Daar was vooraf weinig tot niets van te merken. Ze gaf aanstekelijk college over vrouwenemancipatie aan de hand van journaalfragmenten over de Amerikaanse (communistische) Rosenbergs, prinses Diana, prinses en koningin Juliana. Het was een geanimeerd gesprek waar Jan Leyers een makkie aan had. Hij zat er verslagen bij toen hij na het tweede 'pauzefilmpje' moest melden dat mevrouw Withuis niet in staat was om nog terug te komen uit haar kleedkamer. Medelijden vervulde de ether en de tv-kamers van 470.000 kijkers, een diepterecord voor zomergasten geloof ik. Het is potvermielemallemosterdpotten nog aan toe te hopen dat er - wellicht mede door de commotie rond de opgetreden migraine - voor het vervolg van de avond meer belangstelling zal zijn. Withuis verdient het, bovendien komt ze uit het naburige Zutphen waar ze verder schrijft aan haar biografie van Juliana. Trouwens, ik wil ook graag die aangekondigde fragmenten met Brigitte Kaandorp zien. Benieuwd wat Withuis daarover te berde te brengen heeft. Een origineel mens. Gedichten op maandag Hoe handhaaft het papieren boek zich in deze tijd van radiosportzomers, i-pads en tabletten? Okee, 'n doodenkele keer heb ik iemand op de Deventer Boekenmarkt mobiel zien bellen met het thuisfront over een onvindbaar boek, maar i-pads, tabletten, mobiele radiootjes? Ik heb ze niet gezien. Wel handgeschreven boekenlijstjes, gestencilde deurpost-instructies in boekvorm, dozen vol boekomslagen ('1 euro per stuk'), torenhoge stapels reisboeken, pockets van 5 voor 'n tientje, stokoude atlassen uit het jaar nul, eerste drukken van dichtbundels voor 130 euro - papier is niet kapot te krijgen. - Zo bezit ik in mijn papieren boekenkast een papieren cassette met daarin 16 papieren kwartetten, 'Gesneden beelden' geheten, 'Dichters en gedichten uit zeven eeuwen'. Ooit kreeg ik het cadeau van 'het schoonkind'. Al kwartettend in de rubriek 'Muziekinstrumenten' stuitte ik op de mij onbekende dichter Antoine A.R. de Kom met het gedicht Peu et content. Omdat het mooi aansluit bij mijn eerste 'Gedachten op maandag' én bij mijn eigen gedicht 'Observeren maar' citeer ik het hieronder. 'Observeren maar' heb ik eerder al eens opgenomen in de Balthasarsblog. PEU ET CONTENT Ik neem plaats op een rotan stoel. Nu: warm, middag, windstil, zwoel. De vitrage voor de openstaande ramen Hangt bewegingloos - heeft dit 'n doel? Mijn stoel kraakt. Op het erf blaft de hond. Buurman oefent op zijn cello, ooit vond Ik dat mooi, thans wuif ik een zwerm Fruitvliegjes weg van mijn knie, van een wond. Het valt mij op - voor de heg op de weg Verschijnt een donkere gedaante. Ik zeg Niets. Ik kom volmaakt tot niets. Een buffel eet mijn rozen uit de heg. naar boven 23 juli 2012 'Leu, goat zit'n' Wat is er saaier dan bij andere mensen vakantiefoto's kijken? Vakantieverhalen van andere mensen aanhoren of lezen! De bijlagen van kranten en tijdschriften staan er momenteel bol van, komkommertijd noemen ze dat, weggegooid papier als je het mij vraagt. Of je nu als Ferry Mingelen of als Sheila Sitalsing naar je belevenissen gevraagd wordt, vakantieprietpraatjes zijn het, zaterdagbladvulling. Toch doe ik in de balthasarsblog eigenlijk niet anders (alleen word ik niet gevráágd). Ik schrijf gewoon die dingen op die in de afgelopen week voorbij kwamen, met mij en mevrouw B. in de bijwagen. Door de bank genomen niks spannends of opmerkelijks aan. Ja, misschien over honderd jaar, als een verre nazaat (maar daar lijkt bij de Balthasartjes geen sprake van) het absurde plan opvat om te willen weten hoe ene Balthasar en zijn Hof-dame mevrouw B. in 2012 zoal hun oudere dag doorkwamen. Bedenk wel dat ze tegen die tijd natuurlijk niets meer begrijpen van onze lol in lezen van papier, wandelen door weer en wind, zelftrappend fietsen langs 's-heren wegen, moestuinieren op z'n perma's, zelf je potje koken, of boodschappen doen per fietstas. Er zijn nú al hele volksstammen die hier schouderophalend of vol onbegrip aan voorbij gaan. Voor die mensen hoef ik geen balthasarsblogjes te schrijven, laat staan er een printje van te maken. Laat ik dat dan maar doen voor die ene zonderling in 2112. En voor mezelf natuurlijk. Over onze driedaagse voettocht door het prachtige Twentse landschap bijvoorbeeld, afgelopen donderdag, vrijdag en zaterdag. Donderdag Sinds wij wonen waar we nu wonen, en dat is zo ongeveer vanaf onze pensioendatum, is m'n behoefte aan vakantie elders sterk afgenomen. Logisch natuurlijk, als je eenmaal de stap gewaagd hebt van de stad naar een dorpje ver weg, van werkplicht naar vrijdom, van stress naar vakantiegevoel. 'Maak het klein' heet dat dan tegenwoordig, en je bent van een hoop eeuwige onrust bevrijd. Dan zeg je bijvoorbeeld in het weekend tegen elkaar: 'Zullen we weer 's een paar dagen achter elkaar gaan wandelen? Gewoon het Twentepad even verderop, daar zijn we al een heel eind mee, en móói dat het daar is, toch?' Je regelt wat slaapplaatsen onderweg, je koopt nu eindelijk die lage wandelschoenen, en je bekijkt de slechte weersvooruitzichten met een gezonde portie wantrouwen. Inderdaad, zo simpel is het, en afgelopen donderdagmorgen gíngen we dus gewoon. Bus, trein, bus, en toen stonden we opeens met ons Twentepad-boekje in een plastic hoesje tegen de regen in Ootmarsum. Op naar Denekamp - Beuningen, ook goed, een deel dat we eerder gelopen hebben maar waar ik niets van herkende! - de eerste dag. Glad zat het niet helemaal. De beloofde stortbuien en harde winden kwamen wel degelijk opzetten, op een deel van het pad met weinig beschutting. Wij trokken alle tegenregisters open die we bij ons hadden, maar konden toch niet voorkomen dat de ritsbroeken, de kousen en de voetjes doorweekt en bemodderd raakten. Maar dat droogde in de loop van de middag allemaal weer goeddeels op. De ritspijpjes namen we later mee onder de douche, et voilà, om zes uur zaten wij volgens de regels 'gepoetst en geboend, en moe doch voldaan' in het saaie eetgedeelte van het Dinkeloord-hotel (Denekamp/Beuningen). De wijn was goed, de kamer krap, de oogjes zwaar. Van die straffe wind natuurlijk! Ik zette ruim op tijd het aloude reiswekkertje, pakte m'n boekje en las mezelf uptempo in slaap naar de tweede dag. Vrijdag Extra bezwaard met een lunchpakket van 16 euro per stuk (2 broodjes, 1 krentenbol, 1 appel, 1 pakje sinas, 1 overbodige Mars) togen wij om negen uur van Denekamp (of: Beuningen, dus) naar Oldenzaal, voor een flink stuk langs de beek/riviertje De Dinkel. Wil je ooit de ultieme schoonheid ervaren van het Twentse beekgebied, ga dan een paar uur langs De Dinkel lopen: je verstand staat erbij stil, zo'n pracht aan pad, stilte, getureluur, gekabbel, grootsheid, nietigheid. En je krijgt er nog een stukje krijgsgeschiedenis van Prins Maurits op een houten brug, met nepkanonnen en al, gratis en voor niks bij cadeau. Misschien wel de mooiste ochtend van het jaar 2012. - En de zon scheen lieflijk trillend door het geboomte, dat hielp natuurlijk ook mee. Vroeg in de middag arriveerden wij bestoft en dorstig in het stadje Oldenzaal, piepklein centrum, onwaarschijnlijk grote kerk, winkelleegstand links en rechts, rommelige openbare ruimte, de uitstraling van een renovatiestad (à la 's-Hertogenbosch anno 1970, maar dan in het klein). Op het marktplein(tje) veel volle terrassen rondom en een fietsbaan er dwarsoverheen. Het publiek golfde min of meer met de stand van de zon mee. Alleen het terras van 'de Mexicaan' bleef leeg. Daar gingen wij dus een tequilla met water drinken, zo'n beetje uit solidariteit. Wat denk je, binnen een half uur zat de hele tent vol met onhollandse bruiloftsgasten, de bediening op het terras was het stiefkind van de rekening, en zo duurde het ongeveer drie kwartier voor wij hadden kunnen betalen. - Voor onze volgende dagtocht verkenden we nadien de route 'de stad uit', tevens zoektocht naar een bakker voor een eigen lunchpakketje. Aanvankelijk nergens een bakker te bekennen, tot we op een hypermodern overdekt winkelcentrum stuitten: drie bakkers! Naast, ook hier, de nodige te huur-panden. - Voorlopig geen stadje om vrolijk van te worden, dit vrijdagse Oldenzaal. Zaterdag Van Oldenzaal naar Deurningen! Ja, Deurningen! Want daar komt een reguliere bus, in tegenstelling tot Saasveld, waar alleen maar een buurtbus rijdt. Of niet rijdt, want zaterdag. Om die reden lopen we de derde dag de route volgens het Marskramerpad in plaats van die van het Twentepad. We wilden vroeg starten, maar ja, ons hotel serveert op zaterdag het ontbijt pas vanaf negen uur! Om vijf voor negen stonden wij dus te trappelen voor wat wij dachten dat de ontbijtzaal was. Daar was geen suggestie van een hap te bekennen, wel een ingehuurd schoonmaakbedrijf dat de stoelen op de tafels had, en de vloeren van het café-chantant aan het schrobben was, terwijl buiten een markt(je) op het centrale plein(tje) in opbouw was. Geen kramen maar allemaal 'eigen' wagens met luifel en toonbank. Daar kwam 'de ontbijtjongen' aangefietst, met excuses. Het ontbijt kwam er zó aan. De schoonmakers rondden de klus in vliegende vaart af, er werd een tafeltje voor ons ingedekt, de 'ontbijtjongen' toog naar 'onze' bakker terwijl de koffie al stond te pruttelen. Binnen tien minuten waren wij dat wandel-stel dat in de watten gelegd werd, extra koffie en broodjes kreeg, alsmede wel driemaal de vraag of we nog iets ontbeerden. Uiteindelijk een simpel topontbijt, waarvoor 5 euro fooi me vanzelfsprekend leek. Glimmend begonnen we aan onze derde wandeldag, naar Deurningen. Ongelooflijk hoe lang het duurt voor je Oldenzaal uit bent: enorme buitenwijken, een zeer prachtig en uitgestrekt recreatiepark, met compleet intacte trimbanen en al. Hoezo Oldenzaal een 'stadje'? Dat is bij deze rechtgezet. Goed en wel los van de stadse invloedssfeer presenteert het Twentse buitengebied zich aan je. Bijvoorbeeld: overal bankjes, ook bij particuliere boerenbedoeningen. Eentje had op het toegangshek zelfs een uitnodigende slogan in hout uitgesneden, mooie letter, tekst mooi rondgebogen: "Leu, goat zit'n". Naast het hek een lekkere bank, en een tafeltje waar je je brood op kunt leggen, maar ook heel goed je voeten kunt laten rusten. Van die dingen ja, van die dingen. - Zo was het geen kunst om fit en mooi op tijd Deurningen te bereiken (via de Deuningeresweg, pas later door ons begrepen als Deurninger-es-weg). Bus, trein,bus. En toen waren we ineens zo tijdig thuis dat we onze rijdende 'David de Kaasbaas' nog van een lekker stuk Stompetoren konden verlossen. De dikke Volkskrant lag maagdelijk achter de voordeur. Leegte lacht Gezien voorgaande ervaringen neem ik tegenwoordig op wandelvakantie uitsluitend een heel dun boekje mee. Meestal een dichtbundel, laat zich per pagina lezen, mooie kleine brokjes, ook prettig als je maar tien minuten hebt. Of als je overmand door vermoeidheid de ogen na een kwartier al niet meer open kunt houden. Deze keer had ik de laatste bundel van P.C. Hooft-prijswinnaar Tonnus Oosterhoff in de rugzak. 'Leegte lacht - Gedichten' heet het werkje. 60 pagina's topliteratuur van de dichter van wie ik tot nu toe slechts één gedicht kende. Een prachtgedicht. Maar dat pakte nu eens heel anders uit. Van de 39 gedichten uit 'Leegte lacht' begreep ik er niet een meteen, begrijp ik er niet een meteen. En het begon allemaal al met de titel: 'Leegte lacht'. Wat moet dat in godsnaam betekenen? Bij wijze van uitzondering geeft de dichter daarvoor een verklaring, op pag. 5: "Het artikel 'Plannen kerncentrale voortzetten' (Trouw, 16-03-2011) bevat reacties uit de politiek op de kernramp in Japan. Een van de ondervraagden is het kamerlid René Leegte, VVD. - Kunnen ook vrachtwagens die op transport zijn met radioactief afval heftige stromingen aan? / Leegte lacht: 'Dat wordt een beetje sciencefiction.'" 'Leegte lacht' moet ik eerst nog eens driftig bestuderen voor er uit te citeren valt. Daarom hou ik me nu maar bij dat eerste ene prachtgedicht dat ik van Oosterhoff kende, 'Kritiek' geheten. Ik trof het in het verzamelbundeltje 'Zwaan kleef aan' van Henny Vrienten (Amsterdam 2009). Niks moeilijks aan, toch? KRITIEK Vandaag zag ik in de Lange Wierszstraat Job Rengeling lopen. Dat kan niet want Job is al vier jaar dood. Het raarste was: hij belde mobiel. Kun je je dat voorstellen? Job met een mobieltje? Toen Wally dit las zei ze: 'Wel goed, wel ontroerend, maar tijdgebonden en te persoonlijk.' 'O. Nou, ik kan er wel "jaren" van maken. En "Geldersekade". En "Piet Meeuse".' 'Is die dood dan?' 'Nee, daarom juist, Dat maakt het algemener.' 'Hm,' zei ze, iets aan haar kousnaad verschikkend, 'maar het is de aanpak. Het blijft Riekus Waskowsky.' 'Nou, en? Dan Riekus Waskowsky!' Maar ik voelde dat ze gelijk had. Later bedacht ik: 'Als ik wat jij zegt erbij zet...' 'Ja,' vond ze, 'daarvan wordt het anders.' De volgende dag zei ze nog: 'Dat zal Piet leuk vinden.' 'Wat?' 'Dat je hem doodschrijft.' O, Wally! Ik beweer toch juist dat hij leeft? naar boven 10 juli 2012 Dit was Komrij, voor mij TUSSENDOOR Zoals je op het televisiebeeld Wel eens een man ziet die, te midden van Een samenscholing of een groep die speelt, Je kamer inkijkt, regelrecht, om dan Vol overgave - hij waant zich onbespied - Een ogenblik te zwaaien - de ellende Of het vermaak rondom hem ziet hij niet - Zwaait hij naar huis? zwaait hij naar een bekende? Zo zwaai ik ook naar jou in dit gedicht. Heel even maar, tussen de regels door. Een scherm bestaat niet, je bent heel dichtbij. Ik zwaai. Dit is rechtstreeks tot jou gericht. Ik voel het, glunderend van oor tot oor: Niemand die mij gezien heeft, alleen jij. Vandaag begon ik voor de verandering - 'uit respect' zou een betere verwoording zijn, ware het niet dat dat begrip de laatste tijd maatschappelijk nogal uit de bocht gevlogen is - eens met het einde van m'n blogje: het afsluitende gedicht, dat nu dus het beginnende gedicht is. Gerrit Komrij (1944-2012), die afgelopen vrijdag zijn leven afsloot, was nu eenmaal 'mister poëzie', en dus kon ik dit korte in memoriam niet anders beginnen dan met een gedicht van zijn hand. Ik koos voor het sonnet 'Tussendoor', uit zijn bundeling Capriccio - De mooiste liefdesgedichten (Uitgeverij Thomas Rap, Amsterdam 2002). - Een onvervalst knipoog-gedicht. Zou ie wel écht dood zijn? De dikke Komrij In 1980 kocht ik de pocket-editie van 'De Nederlandse poëzie van de 19de en 20ste eeuw in duizend en enige gedichten' (Uitgeverij Bert Bakker, 1980). Dit was de tweede druk, de eerste (identieke) druk was in gebonden versie in 1979 verschenen. 1056 pagina's uit het werk van de dichters Bertus Aafjes tot en met Ad Zuiderend, de minsten kregen 1 gedicht, de besten maximaal 6. Na een kwarteeuw (2004) was deze inmiddels tot bijbel van de dichtkunst der lage landen gepromoveerde bloemlezing door uitbreiding toe aan een veertiende editie met de aangepaste titel: 'De Nederlandse poëzie van de 19de t/m de 21ste eeuw in 2000 en enige gedichten'. Voor de eerste druk alleen al 'zeefde' Gerrit Komrij 215.000 gedichten om tot die aanvankelijke 1056 pagina's te komen. In record-tijd: dan moet je dus wel een bijzonder scherp oordeel hebben over 'goed' en 'fout'. "Deze bloemlezing," schreef Komrij in zijn voorwoord, "is niet bedoeld om gevoelige harten en dromerige zielen tot zelfwerkzaamheid te inspireren. Er bestaat geen belachelijker streven dan de moderne kippedrift van hervormers, onderwijzers en regeerders om de creativiteit 'onder de mensen te brengen', alsof het om cholera of hoofdluis gaat. Voor degenen die menen dat iedereen kunst kan maken, dat alle gedichten even goed zijn en dat alleen de inzet en niet het resultaat telt, is deze bloemlezing niet bedoeld. Voor zulke mensen zijn er raffia mandjes en kruiswoordraadsels. Dichters dichten niet omdat ze zich vervelen." - Inderdaad, Gerrit Komrij was geen man van zoete broodjes. Gerrit Komrij en zijn bloemlezing waren een báken, voor mij. Het resultaat is hedentendagen een beduimeld en verkruimeld boek in mijn poëziekast dat volkomen uit zijn jasje gelezen is. Een kostbaar bezit! In Liefde Bloeyende Ondertitel: 'De Nederlandse poëzie van de twaalfde tot en met de twintigste eeuw in 100 en enige gedichten - Poëzie en commentaren' (Uitgeverij Bert Bakker, 1998). Met andere woorden: wie wil weten waarom Gerrit Komrij het ene gedicht wél en het andere gedicht níet de moeite van het bloemlezen waard vindt, wie wil weten waarin volgens Komrij de kracht van een gedicht schuilt: die geniete 'In Liefde Bloeyende'. Uitgebreide uitleg en toelichting bij ruim 100 intrigerende gedichten uit de gehele Nederlandse poëzie, van het middeleeuwse 'Tgeluck vanden hont' tot en met 'Jeunesse dorée' van Menno Wigman. Als je dit boek geconsumeerd hebt - 'gevreten' komt eigenlijk dichter in de buurt - is je kijk op poëzie onherstelbaar verbeterd, en wil je alleen nog maar meer van zulke lectuur, meer! Schaf dán ook nog 'Trou Moet Blijcken' aan. Ondertitel: 'Of opnieuw In Liefde Bloeyende'. Nog eens dik 350 pagina's inzicht in gedichten en gedachten. - Ik heb er vaak op teruggegrepen, op deze boeken, weinig wijsheid heb ik van mezelf! De Afrikaanse poëzie in 1000 en enige gedichten Bijna 1200 pagina's 'beste poëzie uit een van de meest exotische windstreken van het Nederlandse taalgebied'. Dit boek (Uitgeverij Bert Bakker, 1999) was een ware eyeopener voor mij, een vlindertuin met blinkblaarbomen en skreeugeluid. Elisabeth Eibers kende ik, net als iedereen, Breyten Breytenbach en Etienne van Heerden. Maar Boerneef? Pretorius, Marais, Ingrid Jonker, Gert Vlok Nel? Ja, Ingrid Jonker misschien, sinds de film Black Butterflies met Carice van Houten en Rutger Hauer. Schrik je misschien een beetje terug voor de 'moeilijkheid' en 'vreemdheid' van deze Nederlandse taalvariant? Lees dan bijvoorbeeld de schitterende vertalingen die Gerrit Komrij maakte van het werk van Ingrid Jonker. Het boekje met de titel 'Ik herhaal je' verscheen bij Uitgeverij Podium (9e druk, 2007). Daarin staan alle Afrikaanse én Nederlandse teksten steeds op twee pagina's naast elkaar, leuk en leerzaam bovendien. A propos, we hebben het hier wel even over de 'bloedstollend mooie poëzie van de jonggestorven Zuid-Afrikaanse dichteres Ingrid Jonker. Dit oeuvre is verpletterend in zijn directe emotionele toon. Schitterend. Enorme aanwinst voor het Nederlandse poëtische domein.' Was getekend: Michael Zeeman, misschien wel de grootste literair criticus die Nederland ooit gekend heeft. Op Gerrit Komrij na dan. Mijn poëziekalender Voor mijn verjaardag kreeg ik afgelopen januari o.a. 'Mijn poëziekalender voor het jaar 2012', bij elkaar gebloemleesd door Gerrit Komrij. 365 gedichten, op de keerzijde steeds commentaar en toelichting van Gerrit Komrij, 'die superieure bemiddelaar tussen poëzie en de lezer'. Ik lees er heel vaak in, ik gooi geen blaadje weg, ik houd mij niet aan de data. Voor het gemak en omdat het zo treffend verwoord is, citeer ik hierna een klein stukje van de begeleidende tekst: "Op sprankelende wijze schrijft Komrij over zin en onzin in de poëzie, verborgen thema's en tradities, de wereld van het kind, de magie van Afrikaanse plekname, de kleur blauw, honden-, katten- en vlooiengedichten, de nalatenschap van Ingrid Jonker, de allermooiste Nederlandse dichtregel, de winnaars van de Turing Nationale Gedichtenwedstrijd en de belangrijkste debutanten van de afgelopen jaren. Uniek is dat hij eigen gedichten niet alleen opnam, maar deze ook bespreekt." - De beste scheurkalender die ik ooit gehad heb. De dunne Komrij 'De dunne Komrij' is een bloemlezing uit een bloemlezing. Marc Verstappen en Gerrit Komrij kozen uit de duizenden pagina's van 'De dikke Komrij' 48 gedichten 'om een theaterprogramma te maken dat de taal en de poëzie uit de negentiende eeuw op een levendige en directe manier op de planken zet', voor 'een wat chic aangeklede poëzieavond'. - Tot hun keuze behoort het gedicht dat ik hieronder citeer: 'O als ik dood zal, dood zal zijn', van de dichter J.H. Leopold (1865-1925). Misschien koos Gerrit Komrij hiermee wel zijn eigen doodsgedicht, hoewel ik het de afgelopen dagen in geen enkele overlijdensadvertentie geciteerd gezien heb. Dus doe ik het maar, want ook deze keuze was Komrij, voor mij. 'O, ALS IK DOOD ZAL, DOOD ZAL ZIJN 'O, als ik dood zal, dood zal zijn kom dan en fluister, fluister iets liefs, mijn bleke ogen zal ik opslaan en ik zal niet verwonderd zijn. En ik zal niet verwonderd zijn; in deze liefde zal de dood alleen een slapen, slapen gerust een wachten op u, een wachten zijn.' naar boven 2 juli 2012 Wereldwandeling 72, en nog altijd dom Hoogste tijd om weer eens de loftrompet te steken over een NS-wandeling. En over een stad(je) dat bij mij tot nu toe nogal in het verdomhoekje zat. En hoe dat allemaal zo kwam. Het gaat om de tweedaagse wandeling 'Boerskotten', met begin- en eindpunt aan station Oldenzaal. Eind juni, de laatste dinsdag, liepen wij daarvan het noordelijke en het middendeel, 11 kilometer landschap van wereldklasse. Binnenkort 'doen' we het zuidelijke deel vanaf De Lutte, te beginnen bij uitspanning Plexat, dat in kwaliteit naadloos aansluit op de Boerskotten-route. Onbegrijpelijk dat we deze wandeling tot nu toe links hebben laten liggen. En dat we dachten dat Oldenzaal zo ongeveer de sufste gemeente van heel Oost-Nederland is. Laat ik beginnen met daar alvast m'n excuses voor aan te bieden. - Zo, dat voelt een heel stuk beter, een gevoel dat zodoende mooi aansluit bij de voortdurende staat van euforie die ons deel was tijdens deze Twentse omloop. Het was een ouderwets prachtige wandeldag, een verrassing in olifantenroze snoeppapier dat maar niet op raakte, top! Oldenzaal, o, Oldenzaal Akkoord, het stationsplein van Oldenzaal is een grijsgrauwe windhoek die wij nog vorig jaar september in gestrekte draf verlieten zodra we er achter waren hoe je per boemeltreintje naar het Duitse Bad Bentheim kon ontsnappen. Nú liepen we het plein over, en wilden na 150 meter rechtsaf gaan om aan onze geel-rood gemarkeerde wandeling over het Twentepad te beginnen. Daar stuitten we op een enorm reclamebord dat ostentatief met zijn rug naar het NS-station staat. Dat bord maakte ons aan de stadse kant diets dat er met geld van de Europese Unie alles aan gedaan wordt om dat vermaledijde stationsplein in een aantrekkelijke entree naar het centrum van Oldenzaal te metamorfoseren. (Komende uit de trein hoef je dat kennelijk niet te weten.) De allees en parken die we daarna door moesten om Oldenzaal in noord-oostelijke richting te verlaten, en waarvan wij het bestaan in de verste verte niet hadden kunnen bevroeden, waren per direct en per ultimo van een buitenplaatselijke schoonheid die je naar Romantische Tijden terugvoerde: de werelden van Rhijnvis Feith en A.C. W. Staring tegemoet! En voor wie deze namen misschien niks zeggen: proef de sfeer in het slotgedicht bij deze blog. Het kan ook helpen als je de verzamel-cd 'Aangenaam... Romantiek' (1994) draait of het deel 'Romance' uit Pianoconcert nr. 20 van W.A. Mozart. Maar ik verdwaal in m'n eigen lyrische stemming, neemt u me niet kwalijk. Van twee haasjes Het allermerkwaardigste is misschien nog wel dat de wandeling door het voortgaande buitengebied ons geen enkele mogelijkheid bood om van die eerste verrassing te bekomen. Zelden heb ik een landelijk parcours gelopen dat me zo bij voortduring verraste dat ik alras geen woorden meer kon vinden om de ervaren schoonheid te blijven roemen. Ik was waarachtig blij dat we besloten hadden om niet de hele route van 17 kilometers in één dag tot ons te nemen. Nu kunnen we er twee hele dagen van profiteren, twee keer elf kilometer topervaring, met als slot- respectievelijk begin-deel de bijna 4 kilometer lange 'Hellehondsroute' en 'Rhodondendron-laan' tussen De Lutte en Oldenzaal. - En dat voor lieden die de afgelopen vijftien jaar toch zeker zo'n kleine 10.000 kilometer Nederlands landschap belopen hebben. Ons zegt dat wat, hoor! Tot de aangenaamheden van de parken behoren zeker ook een aantal openbare kunstwerken. Ik beperk me hier tot één bronzen beeld, beeld-jé eigenlijk, van kunstenares Iris le Rütte. Het gaat me om de twee zittende haasjes in het Kalheupink-park, de ene trommelt, de andere fluit. Enfin, volkomen de sfeer van 'het groengroen knollenknollen land' uit mijn prilste jeugd. (Thuis blijkt me via Wikipedia dat die mevrouw Le Rütte een hele bekende Nederlandse beeldend-kunstenares is, in 2008 door Elsevier opgenomen in de lijst van 100 belangrijkste kunstenaars van Nederland. Tezamen met onder anderen Henk Visch, Thom Puckey, Nicolas Dings en Tom Claassen behoort zij tot de groep kunstenaars die zich sterk maken voor de nieuwe figuratie, de wedergeboorte van de vertelling en het symbool in de beeldende kunst. In zowat heel Nederland is werk van haar te zien. - Potverdorie, en dat allemaal samengebald in die twee haasjes!) Oja, Boerskotten. Boerskotten? Het gebied 'Boerskotten' zelf, ten zuidoosten van Oldenzaal, hebben wij nog tegoed, in het tweede deel van onze Twentetocht. Het is van Natuurmonumenten en is vol van 'prachtige lanen met loofbomen, kleine weilanden met houtwallen en akkers, met kruiden en wilde bloemen'. De folder biedt nog veel meer fraais, zodat het vervolgdeel van onze tocht lijkt te gaan wedijveren met de eerste 11 kilometers. Dat is bijna niet denkbaar, en gelukkig 'snijdt de snelweg A1 Boerskotten in tweeën', een heftig minpunt wat mij betreft. Maar, orakelt de folder verder: 'Dankzij de aanleg van wildtunnels en een ecoduct kunnen onder andere reeën, marters en muizen nu toch heen en weer.' 'Vooralsnog' lijkt me dat een doekje voor het bloeden, maar u hebt gelijk, ik zal daar eerst maar eens gaan kijken voordat ik zulke grote woorden spreek. Tenslotte dacht ik aanvankelijk ook nogal min over Oldenzaal, en zijn agrarische omgeving... Terwijl ik er een heel balthasarsblogje voor nodig had om deze zaak een beetje recht te trekken! Stemmingsgedicht Hier in de omgeving van Zutphen is de dichter A.C.W. Staring (1767-1840) vooral bekend om z'n verhalende gedicht 'De Hoofdige Boer'. In Almen bestaat nog steeds een gerenommeerde herberg onder die naam, en het lange gedicht van Staring is er op de muur naast de deur te lezen. Staring schreef daarnaast o.a. ook lyrische gedichten. In het onderstaande stemmingsgedicht Herdenking uit 1820 'vloeien liefde voor de natuur en het ontwaken der liefde tussen twee mensen treffend ineen' (Knuvelder, Bloemlezing I'). Over 'Romantische Tijden' gesproken! - De tekst komt het beste tot zijn recht als je 'm hardop en een beetje gedragen leest, het is een echt ouderwets gedicht in de goeie zin van het woord, en er is niks moeilijks aan. Hier werd vroeger erg van genoten, hoor! HERDENKING Wij schuilden onder dropplend lover, Gedoken aan den plas; De zwaluw glipte 't weivlak over, En speelde om het zilvren gras; Een koeltjen blies, met geur belaan, Het leven door de wilgenlaan. 't Werd stiller; 't groen liet af van droppen; Geen vogel zwierf meer om; De dauw trok langs de heuveltoppen, Waar achter 't westen glom; Daar zong de Mei zijn avendlied! Wij hoorden 't, en wij spraken niet. Ik zag haar aan, en, diep bewogen, Smolt ziel met ziel in een. O toverblik dier minlijke ogen, Wier flonkring op mij scheen! O zoet gelispel van dien mond, Wiens adem de eerste kus verslond! Ons dekte vreedzaam wilgenlover; De scheemring was voorbij; Het duister toog de velden over; En dralend rezen wij. Leef lang in blij herdenken voort, Gewijde stond! geheiligd oord! naar boven 20 juni 2012 Week 24, de feiten Plastisch materiaal Mailtje van de week, n.a.v. de vorige Balthasarsblog 'Worüber man nicht spricht' (12 juni 2012): "Je kan het weer grappig opschrijven, B., maar ik weet niet of iedereen het kan waarderen, zo plastisch;). [ ... ] En sterkte maar met de bil." (V., Utrecht) - Tja, mijn ingebouwde voorbehouden en excuses waren kennelijk onvoldoende om geërgerde lezing te voorkomen. Jammer. Maar, als er meer mensen met bezwaren zijn, zal ik de blog verwijderen, en me nooit meer zo persoonlijk laten gaan op het onderwerp 'Lichamelijk verval'. Het is altijd goed als lezers meedenken over de grensgebieden. - Deze week maar weer een onschuldig onderwerp dus: het juni-leven rond huis en tuin. Wat behalve geweldig, soms ook knap lastig kan zijn. Van twee dode vijgen Zo waren wij weer eens een dagje bij vrienden in het Zeeuwse M. Daar bleek alles (opnieuw) een stuk uitbundiger dan bij ons in het oosten: de mensen, de tuin, de economie. Laat ik me vandaag tot de tuin beperken. De tuinier zelf is een self made professional, de grond, bemesting en 'bestrijding' van Zeeuwse exuberantie, het totale resultaat van brochure-allure, alle producten kunnen zó naar de groentespeciaalzaak: de tomaten, de kolen, de aardappelen, de kruiden, de courgettes, de pompoenen, en ook de rozen en de vijgen. Daar steken onze tuinexercities toch wat povertjes bij af, eerlijk is braaf. Toch zijn wij maar wat trots op wat wij onze eigen weelde noemen, de aardbeientorens, de capucijner-tipies, de bloeiende phacelia met de buurbijen, het overdadig bloeiende komkommerkruid, de helgetinte Oost-Indische kers, de bessen en frambozen. En alles zonder 'kunst' en 'mest'. Okee, de slakken vreten (bijna) alle jonge boon- en sla-aanplant op, vogels van velerlei pluimage hebben inmiddels de kersenboom volledig leeggeroofd, luis vindt onze tuinbonen de lekkerste van de héle wereld: onze moestuin is zonder ironie een waar dorado voor vele schepselen gods. Wat zullen wij dan gaan zitten kniezen? Nou ja, over die laatste winterkoude in februari dan toch nog even: ik beperk me tot onze twee vijgebomen. Morsdood gevroren. Eerst wil je er niet aan: 'Vijgen zijn altijd laat, M.', 'Misschien dat die ene niet gesnoeide het toch nog gaat doen, M.', 'Breek dan eens zo'n takje af, B., of je nog groen ziet.' - Wat we ook hoopten: dood, niks aan te doen. Toch kon ik er nog niet toe komen om ze om te zagen, dus elke dag staren die twee ons met afgezakte schouders en lood in de schoenen aan. - Bij het afscheid in Middelburg verrastte de gastheer ons dan ook met een mooie vijgescheut, ter compensatie voor het een en ander zeg maar. Enfin, de scheut werd vertroeteld tijdens de reis, na de reis, bij het planten, en alle eerste dagen nadien. Op de Vijfde Dag Na Planting was de vijg verdwenen. Volledig geconsumeerd door de slakkenkolonie uit Groencomplex C. Er was niet eens genoeg over voor een ordentelijke begrafenis of crematie. Wat ik al zei: dood, niks aan te doen. De droefenis is er niet minder om en - speciaal voor de katholieken onder de lezers: niks geen 'In Paradisum deducant te angeli'. Grote stilte, totale leegte. En een ondankbare hond Trammelant op herhaling: sinds enkele weken worden wij weer gemaltraiteerd door nachtelijk laweit op zolder en in de dakgoten. Een paar jaar geleden werden wij ook al eens getroffen door deze beschermde diersoort die in onze omgeving al jaren voor opwinding zorgt. De steenmarter doet als een mol zijn nachtelijke ronde langs alle adressen waar hij 'vlaggen' heeft uitstaan. Op de slapende huisbewoner heeft zijn bezoek het effect van een ramkraak, daar doe je met een honkbalknuppel ook niks tegen. En buiten dat, je weet niet wat voor schade je insluiper deze keer weer in petto heeft: laat ie alleen maar (langwerpige, zwarte) drollen achter (altijd op dezelfde plaats), of ligt er misschien een halfopgevreten vogel weg te rotten, is er een nest jongen in de maak, zijn de lichtkabels weer eens doorgeknaagd? En dan hebben wij nog geluk dat we geen auto voor de deur hebben staan: startkabels (een deskundiger term heb ik als niet-autorijder niet paraat) blijken hier in de buurt zijn lievelingskostje te zijn. De steenmarter is weliswaar een beschermd dier, hij doet er alleen maar nare dingen voor terug, de ondankbare hond. En wat doe je er tegen? Wij hebben de laatste jaren drie geurpotten (ook wel 'paddo's' genoemd) in de tuin staan, aan de achtergevel hangt een marterkast die onhoorbaar irritante geluiden produceert, op zolder is een 'rattenrepeller' (hogetoonkastje) dag en nacht aan het werk, en de marterspecialist heeft in 2008 alle dakranden 'martervrij afgedicht'. - Minpuntjes: de paddo's zijn de laatste tijd niet bijgevuld met 'wolvenpis', de batterijen in de marterkast moeten nodig vernieuwd worden. Maar dan nóg! Bij voortgaande overlast overweeg ik de 'boswachter uit Lochem' opnieuw in te schakelen, al weet ik niet wat die nog méér in petto heeft dan wij al aan voorzieningen getroffen hebben. - Zucht. Maar werken doet het niet Ons landgoed (ahum) kent jaarlijks een grote opbrengst. Groenafval bedoel ik: snoeigoed van heggen, bomen en struiken, gemaaid gras en moestuingevolgen. Dat gooiden wij tot nu toe allemaal op houtwallen en composteringshopen, onderaan het treintalud achterin de tuin. Na tien jaar zijn we nu aan het dichtgroeien, de tuin lijdt aan 'Obesitas Type Groen'. Afvoeren via de tweewekelijkse groencontainer helpt niet merkbaar, composteren is te veel werk, hoeveel 'restafval' kan een tuin verdragen? Daarom hikken wij al minstens twee jaar aan tegen de aanschaf van een hakselaar, lekker het grove snoeisel versnipperen, en voor een deel in de tuin verwerken respectievelijk weggeven. Eureka, we hebben het menigmaal geroepen. Zonder ons goed op de hoogte te stellen van mogelijkheden, voordelen en nadelen gingen wij zeer onlangs tot actie over. We gingen naar de Welkoop om een apparaat te kopen, we kochten een apparaat, maar werken doet het niet, nog steeds niet. Voorlopig zit het probleem nog in het snoer. Het apparaat wordt zonder elektriciteitssnoer verkocht, dus bestelden wij een kabel van 40 meter, want zo ver van het huis komt de machine wel te staan. Hadden ze niet. Dus kregen wij voor voorlopig een combinatie van twee 'eigen' (verleng)-snoeren mee. Kosten 70 euro. Het 40-metersnoer werd besteld, kwam aan, haalden we op, bleek 'uitsluitend voor gebruik in huis' te zijn, werd gereclameerd, opnieuw besteld, kwam opnieuw aan, kost nog eens 40 euro extra (38,16 om precies te zijn, dat is inclusief 10 % korting 'wegens slechte start'), en moet ik nog gaan ophalen nu ik een paar dagen met griep thuis zit. Ik hou dit bericht nu maar kort, want ik zie al aankomen dat het nog heel wat voeten in de aarde zal hebben voordat wij over een werkende hakselaar beschikken. Ik zal u desgewenst daarvan op de hoogte houden, zelf ben ik inmiddels aan ambivalentie ten prooi gevallen. Als ik de gebruiksaanwijzing goed ontcijfer had ik beter eerst een volledige 'Cursus De Hakselaar' kunnen volgen. Zo mag een aansluitsnoer bijvoorbeeld niet langer dan 25 meter zijn, moet ik de gemeente vragen wanneer het 'hakseltijd' is, moet ik een oog- en oorbeschermingspakket aanschaffen, en zal het apparaat naar verwachting zeer vaak tegenstribbelen. In al die gevallen moet de stekker van het snoer allereerst uit de elektriek verwijderd worden (40 meter verderop dus, aan huis), je moet de machine langdurig uit laten razen omdat de messen na uitzetten nog een tijdje doorrollen, en dan vergeet ik gemakshalve nog te vertellen dat ik de machine eerst zelf cfr. de instructies in 27 talen in elkaar moet zetten. 'Herzlichen Glückwunsch zum Kauf Ihres WOLF-Garten-Produkts' roept het dikke boekwerk me toe. U hoort nog van me, hoop ik. Maar eerst ga ik, zodra ik beter ben, naar de Welkoop, ze vertellen dat ze net zo min als ik weten wat ze verkopen, en of ik er nog van af kan. Het aanbod voor een volledige 'Cursus De Hakselaar' is wel het minste wat ze me aan kunnen doen. WEEK 24, DE FEITEN plastisch materiaal van twee dode vijgen en een ondankbare hond maar werken doet het niet Ja mensen, het leven is soms bikkelhard. naar boven 12 juni 2012 Worüber man nicht spricht Het begon allemaal een dikke twee maanden geleden: op weg van het station naar huis voelde ik onder het fietsen een hinderlijk bultje op de plaats waar vroeger de rand van m'n Hema-onderboek zat, in dit geval op het rechter zitbeengedeelte om precies te zijn. Nou ja, een bultje, zo'n oneffenheidje komt vaker voor, zeker als je een fiets met een Brooks-zadel hebt. Met een paar dagen is dat meestal weer over, en denk je er niet meer aan. [ Voor de onwetenden onder ons: een Brooks-zadel is een hardlederen fietszadel, dat zich in de loop van de tijd geheel naar je billen vormt. Zo'n Brooks-zadel is dus een heel persoonlijk zadel, dat nooit in de oorspronkelijke vorm 'terugveert' zoals bijvoorbeeld de zachte Selle Royal-zadeltjes wel doen. Zit er eenmaal een 'oneffenheidje' op je zitvlak, dan herkent je bil-gevormde zadel dat niet als 'eigen', dus dat schuurt en benardt je. Ik heb het nog niet serieus onderzocht, maar ik ben er op voorhand van overtuigd dat Brooks-zadelgebruikers meer last hebben van een bultje op hun bil dan Selle Royal-fietsers. Maar dit uiteraard geheel terzijde. ] Enfin, twee maanden geleden leek dat bultje dus nogal onschuldig, iedereen heeft wel eens wat en je moet niet te gemakkelijk zeuren. En zeker niet over een bultje op je bíl, dat dóe je niet, te privé, te intiem. Bultje wordt puist Binnen twee weken echter begon ik m'n fiets steeds selectiever te gebruiken: wel naar de C1000 voor de prangende boodschappen, maar geen plezierritjes of bezoekjes aan bakker en kapper. Scheef in het zadel zitten is immers niet echt een pretje, en lopen is óók gezond, suste ik mezelf. Het 'onschuldige' bultje groeide in die twee weken uit tot een steenpuist met gele kop onder een bedje van brede pleister. Een varkentje kortom dat erom vroeg om gewassen te worden. Met behulp van mevrouw B., uiteraard. Uiteraard? - Wil je m'n steenpuist even uitknijpen, schat? Dat deed je vroeger altijd zo graag, toch? - Maar deze is echt nog niet rijp, B. - Knijp 'm nou maar uit, dan ben ik er tenminste in een paar dagen vanaf. Er kwam bijna niks uit, mevrouw B. had natuurlijk gelijk. En de bult, hij groeide voort. Een kleine week later nam ik opnieuw mevrouw B. in de arm. - Je zult er mee naar de dokter moeten, B. - He jakkes, moet dat écht? - Ja, dat moet. Het ziet er niet echt goed uit. En ik begin er niet meer aan. Ik dus naar de dokter. Die keek, tastte, wikte, en sprak ten slotte: - Hij lijkt me al op z'n retour, meneer B. En ik denk dat ik 't alleen maar erger maak als ik er nu nog in zou gaan snijden. Binnen twee weken zal het wel weer een stuk beter gaan. En... als u nou weer eens zoiets bij de hand hebt, laat dat dan niet door uw vrouw opknappen, maar kom meteen bij mij. Dan zet ik even een sneetje en maak ik 'm voor u schoon. - Ik zal er aan denken, dokter. Gaat u hier maar even liggen In de volgende drie weken kwam het hele circus weer vol op gang, de puist groeide voort, kweekte een nieuwe gele kop, en was praktisch niet meer onder de pleister te houden. Niet alleen fietsen was nu onmogelijk, ook zitten werd in toenemende mate irritant. - Je zult er weer mee naar de dokter moeten, B. Heeft ie zelf gezegd, toch? - Ik vrees dat je gelijk hebt, schat, ik maak meteen een afspraak. Dat moet dan wel met de invaller, want dokter S. is er vandaag zelf niet. Dus ik kom bij die invaller, doe m'n verhaal, mag me uitkleden en 'hier even gaan liggen'. De arts geeft me een pittige prik, snijd onvoelbaar de gele kop uit de puist, en plakt een onhandige pleister. Ze gaat achter haar computer zitten en schrijft een antibioticumkuur uit terwijl ik me aankleed. Als ik opsta uit m'n stoel om de praktijk te verlaten, zie ik een rode vlek op de houten zitting. Het bloed is door m'n broek heen gedrongen, oeps, vergeten te zeggen dat ik bloedverdunners gebruik. Ik moet m'n puistwonde zelf (daar kan ik begrip voor opbrengen) enige tijd dichtdrukken, en krijg dan een nieuwe, opnieuw onhandige, dubbele, pleister. Ik drapeer m'n jek zo goed en zo kwaad als het gaat over m'n rode achterwerk, en stap 's op. Thuis leg ik m'n broek en onderbroek meteen in koud badwater, en plak zelf een betere pleister op m'n 'rechter zitbeen'. Daarvoor gebruik ik uiteraard de badkamerhandspiegel, want hoe moet je anders een wond op je eigen achterwerk bekijken? Gelukkig heb ik de afgelopen weken flink kunnen oefenen, dus dat plakken gaat gezwind. De snede is maar een sneetje, de gele kop is eraf, de eerste kuur-pil is binnen. (Het enige probleem, lijkt het, vormen nog de bilharen die bij het verwijderen van de pleister telkens gillend protesteren. Morgen maar even scheren dan. Ja sorry, ik kan het praatje nou eenmaal niet mooier maken dan het is...) Dat is de derde keer, meneer B. Krap twee weken later, dat was inmiddels het afgelopen weekend, was de antibioticum-kuur op en de toestand geen spat verbeterd naar m'n gevoel. Moest ik me daar niet ongerust over maken? Ja, daar was ik niet gerust op. Dus ik weer naar de huisarts, die er alweer niet was (de man bouwt af naar z'n pensioen, dus die is actief bezig met afkicken, begrijpelijk). Dus ik weer naar de invaller. - Nou, ik vind het er al wel wat beter uitzien, meneer B. - Dus er zit geen nieuwe ontsteking? En waarom duurt het eigenlijk allemaal zo lang, mevrouw? - Dat is misschien maar schijn. Waarschijnlijk komt het omdat de puist op zo'n lastige plek zit, die voortdurend irriteert. We zouden nog een antibioticum-kuur kunnen overwegen, maar míj lijkt dat wat overdreven. Wast u de wond en de omgeving in elk geval elke dag met betadine-scrub. - En dan gaat het waaratje allemaal goedkomen? - Dat denk ik waaratje wel, meneer B. Zo niet, dan zie ik u wel weer verschijnen. Thuis is mevrouw B. nogal sceptisch over dit derde artsenbezoek, ze neemt liever een optie op nóg een artsenbezoek, en dan nu weer bij de échte huisarts als die weer eens op z'n post is. Ik zeg dat ik het in de gaten zal houden. En hoop dat het nou eindelijk eens afgelopen mag zijn met deze billekoek. Want zo komen de vieze praatjes dus in de wereld. In de woorden van de dichter Als er één dichter is die over álles geschreven heeft, dan is dat natuurlijk C. Buddingh'. Die moet dus ook een gedicht hebben over bloed en billen, puisten en pillen, hield ik mezelf voor. Vol goede moed, en met een trillend gevoel van hoopvolle verwachting nam ik de rode 'Buddingh' gebundeld' ter hand ('Gedichten 1936-1985', Nijgh & Van Ditmar, Amsterdam 2010, 1118 pagina's dik, een dichterlijk paradijs van jewelste), en begon van achter naar voor te grasduinen. Opschieten deed ik niet hard, teveel dat me dadelijk beviel ook al ging het nergens over puisten en pillen. 'Dokter Pauw I' en 'Dokter Pauw II' kwamen nog voorbij, alsmede virussen en herstellingsoorden, vrienden en dode bekenden, wrange vreugde en vrolijk verdriet, schroefjes en gevorderde leeftijden, maar nergens iets met bloed en billen. Tot ik op 'Het vieze herenboekje' (1973) stuitte, p. 581-587 in de rode pil, bedoeld voor rode oortjes en besmuikt-stille lezing. Allerlei verknipte figuren en vrijpostigheden worden er in vijf vrolijke dichtregels te kijk, te kakken of te keuren gezet. Hoogstaande dichtkunst is deze afdeling niet, meer iets van tongue in cheek en lichtelijk generend. Toch kan ik het niet laten om hieronder de 'Flagellatie' te citeren, vijf regels, ach, u hebt het gauw gezien. De definitie in De Dikke Van Dale is even lang, maar stukken saaier. - En na dat anderhalf uur lezen in 'Buddingh' gebundeld' lijkt mijn puistprobleem inmiddels flink geslonken, dank u. Vergeeft u me dit exhibitionistische blogje, twee maanden 'bultje op bil' is nogal deraillerend. FLAGELLATIE Voor maar twee rooien ranselt dit loeder Mijn billen net zo lang tot het bloed er Afdrupt. O, ze slaat Alle zonden en kwaad Er nog heerlijker uit dan mijn moeder. naar boven 5 juni 2012 Een archeologische leeservaring Meten, graven, sorteren Bij ons op de hoek, waar eerst de slagerij zat, zijn nieuwe mensen komen wonen. Ze drijven er inmiddels een stempelwinkel, interessant, maar daarover een andere keer. Sinds een half jaar zijn ze bezig om de tuin van de slager om te toveren tot een archeologisch slagveld. Slagveld is eigenlijk niet het goede woord, dat slaat meer op de schrik van de straatbewoners, die gewend waren aan de hoge laurierhaag, de houten abri voor de auto's, de bomenwand als afscheiding met de buren, het doodlopende tegelpad. Om te beginnen werden al die slagerstuinkenmerken gesloopt en verwijderd tot er een stukje stadswoestijn van zo'n kleine 200 vierkante meter overbleef. Daarna begon het afgemeten graven en uitgraven, het sorteren en aanvoeren van nieuwe bedoelingen: roestigijzeren raamwerken van 3 bij 3, piepschuimen afdekplaten, ingesnoerde pallets gastegels, plastic afvoerbuizen, stapels gesorteerde steentjes en scherven, bergen scherp zand, een aftands houten zitje van de stort. Dit maanlandschap bestaat inmiddels uit geulen, verdiepingen, schuine taluds en een paar kleine schatkamers met grafisch georiënteerde muurtjes. Kortom, de nieuwe hoekbewoners leggen met eindeloos geduld een proleptisch opgravingsgebied aan met wel vijftien functies, met als klapstuk twee functionerende (?) koelkasten (?) met afvoer en putdeksels. - Ik verwacht dat dit hele kampement binnen enkele weken onder een dikke laag zand en grind verborgen zal worden met het oog op toekomstige afleveringen van het tv-programma 'Wie is de mol?'. Ik hou u op de hoogte. Koningen, kostbaarheden, eeuwige leeftocht Het intrigerende werk van de stempelbuurman dringt zich herhaaldelijk aan mij op sinds ik bezig ben het oerboek 'Bij nader inzien' van J.J. Voskuil (1926-2008) uit 1963 te lezen, vijftig jaar na verschijnen dus! Alles wat Voskuil ná dit boek schreef (met uitzondering van zijn wandeldagboeken), heb ik in de loop van de jaren gelezen: 'Het Bureau' (7 delen, ruim 5000 bladzijden), 'De moeder van Nicolien', 'Requiem voor een vriend', 'Onder Andere', 'Binnen de huid', 'De buurman', plus het toneelstuk 'Mensenkinderen'. En nu dan eindelijk zijn eersteling: 'Bij nader inzien', 1208 pagina's dundrukeditie, over zijn studentenjaren in Amsterdam (1946-1953). Alles, maar dan ook alles bij Voskuil is autobiografisch georiënteerd, en - wat sterker is - alles, maar dan ook alles uit alle titels die ik gelezen heb, zit in het DNA van 'Bij nader inzien'. Maar omdat ik dit boek als laatste Voskuil-boek lees, zie ik J.J. Voskuil dus bezig als mijn stempelbuurman: hij creëert met terugwerkende en tegelijk voorspellende kracht zijn eigen archeologische vindplaats, inclusief alle schatkamers met koningen en prinsen, kostbaarheden en eeuwige leeftocht. Toen Voskuil zijn superomvangrijke manuscript bij uitgever Geert van Oorschot inleverde kon hij natuurlijk niet bevroeden dat al die volgende duizenden pagina's er óók al in zaten! Net zo min als hij kon bevroeden dat ik mijn halve leven bezig zou zijn om al die duizenden pagina's als het ware in één ruk, maar in de 'verkeerde volgorde' uit te lezen. Met het lezen van 'Bij nader inzien' ben ik op mijn beurt onweerlegbaar bezig om mezelf in retroperspectief te herhalen. - Om duizelig van te worden. Maarten, Paul en Rosalie - mieters, scherp en malicieus 'Bij nader inzien' is bij nader inzien misschien wel de beste titel om het werk van J.J. Voskuil samen te vatten: een eindeloos minutieuze beschrijving van eindeloze reeksen discussies tussen een groepje studenten geesteswetenschappen op hun studentenkamers, tussen 1946 (toen ze achttien of negentien waren) en 1953 (afstuderen en afscheid nemen). In die discussies worden hun karakters en onderlinge verhoudingen genadeloos scherp getekend, met name die van de hoofdfiguren Maarten Koning (aarzelend alter ego van Han Voskuil, pijproker) en Paul Dehoes (ongeduldig en grootsprakig denker, sigarettenroker). Wellicht onbedoeld (?) is het boek tevens een tijdsdocument van het na-oorlogse Amsterdam. Er wordt ongelooflijk veel gerookt, boterhammen met appelstroop zijn traktaties, de intellectuele prestaties liggen uitzonderlijk hoog, de uitgewisselde standpunten neigen van links naar zeer links, bij sommigen naar het midden en dan weer terug. De politionele acties in Indië zijn misplaatste kolonialistische achterhoedegevechten, Vestdijk is een rijzende ster, jenever is goedkoop, Sartre is het écht niet en het existentialisme moet nog worden uitgevonden. Situaties zijn 'mieters', opmerkingen 'malicieus', reacties onveranderlijk 'scherp' dan wel 'ontwijkend', kortom: het is geen boek om weg te leggen. Ik ben nu op bladzijde 400, en verheug me op alle meer dan 800 bladzijden die nog volgen. - Tja, je bent 'in' Voskuil, of je hebt het na tien pagina's wel gezien. Persoonlijk lust ik er wel pap van. Ik ben geen man voor mensen Ik doe hier geen verdere pogingen om uit te leggen wie J.J. Voskuil was (de zoon van Klaas Voskuil, en schrijver van zulk wetenschappelijk werk als 'Het ophangen van de nageboorte van het paard' (1969), en 'De wanden van het boerenhuis' (1979): zie Wikipedia), wat voor werk hij deed (afdelingshoofd bij het Meertens-Instituut voor Volkskunde), en wat de karakters zijn van de hoofdpersonen Maarten Koning ('Ik ben geen man voor mensen, ik ben een man voor in een mangat, alleen, met een mitrailleur') en zijn vrouw Nicolien ('Dat wil ik niet hoor, dat je er zo over denkt, dan ga je maar weg, dan wil ik niet met je getrouwd zijn, wat denk je wel?'). - De eerste druk van 'Bij nader inzien' (1963) belandde in de ramsj bij De Slegte, 'Het Bureau' (7 delen, tussen 1996 en 2000) werd een groot succes voor uitgeverszoon Wouter van Oorschot. In 1991 maakte Frans Weisz (scenario Jan Blokker en Leon de Winter) een televisiebewerking van 'Bij nader inzien'. Voskuil was ontstemd dat de 6-delige tv-serie niks meer met zijn boek te maken had, maar min of meer sindsdien werd de schrijversnaam Voskuil 'goud': zie de bibliografie op Wiki! Ik lees momenteel de 11e druk (2010) van 'Bij nader inzien', 1208 pagina's in één band dundruk, zwaar in de hand, licht in het hoofd, een sneltrein. Direct, sober en onopgesmukt Han (J.J.) Voskuil was neerlandicus, met een voorkeur voor de gedichten van Hanny Michaelis (1922-2007). In 2005 stelde hij een persoonlijke bloemlezing uit haar werk samen: 'Hanny Michaelis - een keuze uit haar gedichten door J.J. Voskuil'. Aan het slot van zijn inleiding schrijft Voskuil: "In 1989 heeft Van Oorschot een keuze uit haar werk gepubliceerd ('Het onkruid van de twijfel'), die door haarzelf is samengesteld. Wie haar keuze met die van mij vergelijkt, zal het opvallen dat er maar weinig overlappingen zijn. Ze heeft een duidelijke voorkeur voor een wat geraffineerder beeldspraak, en daarin lijkt ze me het slachtoffer van de gangbare opvatting over poëzie, en ze schrikt kennelijk terug voor de meer intieme gedichten, terwijl ik gekozen heb voor de gedichten die direct, sober en onopgesmukt zijn. Want dát is poëzie! Ik vind ze prachtig." Hieronder een van die keuzes van Voskuil: HET IS EEN GEWONE DAG. DE ZON Het is een gewone dag. De zon schijnt op de gonzende stad. Plotseling als een schot valt de stilte. Een zwerm projectielen trekt over, geluidloos ontploffend. Askleurig licht daalt neer, dringt dodelijk de huizen binnen. Niemand probeert te vluchten: geen kans op ontsnapping - Bezweet wakker geworden hoor ik dichtbij het koeren van een duif. De zon schijnt op de gonzende stad. Het is een gewone dag. Bij nader inzien kies ik toch maar een ander Michaelis-gedicht uit die bloemlezing van Voskuil, nóg directer, nóg soberder, nóg onopgesmukter: VIJF UUR ZATERDAGMIDDAG Vijf uur zaterdagmiddag. Uit brekende wolken ontsnapt wat licht. Het ruikt naar voorjaar. In de kroeg aan de overkant gaat tegelijk met de lantarens op volle kracht de juke-box aan: 'For the times they are a-changing' zingt Bob Dylan en ik weet dat het winter wordt. naar boven 15 mei 2012 Kafka op het strand Op 6 januari (Driekoningen) van dit jaar kreeg ik van zoon Mava als verjaardagscadeau het boek Kafka op het strand van de Japanse schrijver Haruki Murakami. Dat boek (640 pagina's) heb ik inmiddels gelezen, en ik móet er over schrijven, want zo'n boek is het. Maar. Zo'n drie jaar geleden (30 juni 2009) publiceerde ik in de Balthasarsblog een bespreking van het boek De Opwindvogelkronieken van - inderdaad - de Japanse schrijver Haruki Murakami, als verjaardagscadeau gekregen van - inderdaad - alweer zoon Mava. Dus. Alvorens mij aan een bespreking van 'Kafka' te zetten, herlas ik de blog over 'De Opwindvogel'. En wat blijkt? Intrigerende boekbespreking, al zeg ik het zelf, toppertje in het balthasarsoeuvre. Zoiets krijg ik niet nog eens voor elkaar, terwijl 'Kafka op het strand' misschien nog wel een beter boek is dan 'De Opwindvogelkronieken'. Wat te doen? Bloedzuigers laten regenen? Met de vermiste buurkat praten? Veertig dagen op de bodem van een put gaan zitten met een honkbalknuppel in de aanslag, en daarna een orakeltekst uitspreken? - Ik kan beter met twee benen op de begane grond blijven en de feiten noteren. Kafka Tamura en De jongen die kraai wordt genoemd Nét vijftien jaar is Kafka Tamura als het de hoogste tijd is om van huis weg te lopen: weg van een onmogelijke vader, weg van een nooit geziene moeder, weg van een verloren zus. Tenslotte vindt hij tijdelijk asiel in de Komura-bibliotheek van Takamatsu. Volgt een odyssee aan avonturen van mythische proporties, met de ganse wereldliteratuur als verborgen bron en de jongen die kraai wordt genoemd als afsplitsing één. Heeft hij over een afstand van duizenden kilometers zijn vader vermoord? Met zijn vijftienjarige moeder geslapen? Een zus gevonden die ook man is? Tenslotte keert Kafka Tamura naar huis en school terug met het schilderij van een andere (andere?) Kafka en zijn vijftienjarige geliefde Saeki (mevróuw Saeki?) op het strand als allesbepalende herinneringstrofee. In de woorden van de laatste boekbladzijde: - Heb ik juist gehandeld? - 'Je hebt juist gehandeld,' zegt de jongen die kraai wordt genoemd. 'Je hebt het goed gedaan. Beter kon het niet. Niemand anders had het zo goed kunnen doen als jij. Want jij bent écht de toughste vijftienjarige van de hele wereld.' - 'Maar ik begrijp niet goed wat het leven voor zin heeft,' zeg ik. - 'Kijk naar het schilderij,' zegt hij. 'Luister naar de wind.' - Ik knik. - 'Je kúnt het!' - Ik knik. - 'Ga maar slapen,' zegt de jongen die kraai wordt genoemd. 'Wanneer je je ogen weer opendoet, zul je deel van een nieuwe wereld zijn geworden.' - Eindelijk val je in slaap. En als je je ogen opendoet, is het waar. Je bent deel van een nieuwe wereld. Nakata is de naam. En mag Nakata de uwe weten, heer kat? De andere verhaallijn betreft de heer Nakata, een oude man die een flinke tik opgelopen heeft in een bizar jeugdtrauma. Iets met ongeïdentificeerde Amerikaanse vliegtuigen die misschien een ongeïdentificeerd gifgas vanaf grote hoogte op een schoolklas in het bergbos hebben losgelaten. Nakata is er nooit van hersteld, maar heeft er wel Mozes-achtige eigenschappen aan overgehouden, zoals het praten met katten, het doen neerdalen van vissen uit het zwerk en het herkennen van de wisseltijden van platte sluitstenen. Ook kan hij ongelooflijk lang slapen en kent hij zichzelf uitsluitend in de derde persoon. Op zijn intuïtiegestuurde missie bereikt ook hij tenslotte de Komura-bibliotheek, in een ver gebied 'aan de andere kant van de grote brug'. Hij moet dringend mevrouw Saeki spreken: - Mevrouw Saeki sloot haar ogen. Toen opende ze ze weer en keek Nakata aan. - 'En is dat allemaal omdat ik in een grijs verleden ooit de sluitsteen heb weggerold? Zijn al de perverse dingen die er nu gebeuren daar de nasleep van?' - Nakata schudde zijn hoofd. 'Mevrouw Saeki?' - 'Ja?' - 'Zoveel begrijpt Nakata er ook niet van. Zijn rol is om de dingen die hier nu zijn de vorm terug te geven die ze eigenlijk moeten hebben. Om die reden is hij uit Nakano weggegaan en is hij de grote brug naar Shikoku overgestoken. En u zult het ongetwijfeld wel begrijpen, mevrouw Saeki, maar u kunt hier niet langer blijven.' - Mevrouw Saeki glimlachte. 'Dat hindert niet,' zei ze. 'Ik heb lang naar deze dag uitgezien, meneer Nakata. Dat heb ik in het verleden gedaan, en dat doe ik in het heden nog steeds. Maar hoezeer ik er ook naar verlangde, het was me niet gegund. Ik moest wachten - wachten tot de dag, déze dag, kwam. Vaak was dat nauwelijks te verdragen. Maar natuurlijk was dat de taak die mij was opgelegd - de taak om te lijden.' - 'Mevrouw Saeki,' zei Nakata, 'Nakata heeft maar een halve schaduw - net als u.' - 'Ja.' Oshima en mevrouw Saeki in de Komura-bibliotheek Mevrouw Saeki (die niet over een voornaam blijkt te beschikken) is de verre erfgenaam van de Komura-bibliotheek, particulier en welgelegen. En gespecialiseerd in vroege uitgaven van klassieke haiku- en tanka-dichters. Iedereen die boeken wil lezen is er welkom, de bibliotheek is immers een geschenk van het steenrijke saké-brouwersgeslacht aan de bevolking. Mevrouw Saeki bemoeit zich trouwens niet met de bibliotheek, haar werk is het opschrijven van haar herinneringen met een Mont Blanc-vulpen, nu reeds drie dikke ordners vol. En ook overigens leidt mevrouw Saeki een afwezig leven. Ze lijdt. En ze wacht. Eerst op Kafka Tamura met wie ze onverbrekelijke banden heeft, dan op het medium-tegen-wil-en-dank Nakata. Totdat alles en vanzelfsprekend volbracht is. In haar testament vermaakt zij het schilderij van 'Kafka op het strand' aan Kafka Tamura. De feitelijke leiding van de bibliotheek is in handen van de sympathieke Oshima, gedurende honderden pagina's de mentor van de gedroste scholier Kafka Tamura. Behalve sympathiek is Oshima ook wijs, zeer belezen en kenner van de klassieke muziek. De ideale privé-leraar zeg maar, een Peter O'Toole voor de laatste keizer van China. Zijn specialiteit betreft het manipuleren van scherpgeslepen potloden met een gummetje aan het uiteinde, een filosofen-tic? - Halverwege het boek blijkt Oshima geen hij maar een zij te zijn, maar zijn dubbelrol is toch vooral ondoorgrondelijk. Niettemin sympathiek, zeer sympathiek. Kijk bijvoorbeeld naar de manier waarop hij Kafka Tamura vertelt wie mevrouw Saeki is: - Vlak voor we de snelweg oprijden, stopt Oshima even om de kap omhoog te doen. Dan zet hij Schuberts sonaten weer op. - 'Verder is er nog iets dat je dient te weten,' zegt hij, 'en dat is dat mevrouw Saeki emotionele problemen heeft. Natuurlijk heb jij ook emotionele problemen, en ik ook - in mindere of meerdere mate. Dat staat buiten kijf. Maar mevrouw Saeki's problemen overschrijden de normale betekenis van het woord. Ze zijn veel persoonlijker. Misschien zou je zelfs kunnen stellen dat haar ziel op een andere manier functioneert dan die van gewone mensen. Begrijp me goed: ik zeg niet dat ze gevaarlijk is. Integendeel... In het dagelijks leven heeft mevrouw Saeki ze net zo goed op een rijtje als jij of ik. In zekere opzichten zelfs meer dan alle andere mensen die ik ken. Ze is diepzinnig, ze is wijs, ze is charmant. Maar als je ooit iets ongewoons aan haar opmerkt, moet je daar niet over inzitten.' - 'Iets ongewoons?' - Oshima schudt zijn hoofd. 'Ik ben bijzonder op mevrouw Saeki gesteld en ik heb ontzettend veel respect voor haar. Ik weet zeker dat jij net zo over haar zult denken.' - Dat is geen rechtstreeks antwoord op mijn vraag, maar meer zegt Oshima niet. Met een exquisiet gevoel voor timing schakelt hij terug, zet zijn voet op het gaspedaal en scheurt vlak voor een tunnel nog gauw even een bestelbusje voorbij. Haruki - een Amerikaanse Japanner - Murakami De Japanse schrijver Haruki Murakami (Kioto,1949) is het kind van twee docenten Japanse literatuur. Maar zijn belangstelling ging van het begin af aan uit naar de Amerikaanse literatuur. Zodoende ontwikkelde hij een westerse schrijfstijl, waarmee hij zich onderscheidde van zijn Japanse collega's. Murakami deed een toneelopleiding, dreef een jazz-café en reisde jaren door Europa. Sinds de jaren negentig woont hij in De Verenigde Staten van Amerika, en geeft daar les aan verschillende universiteiten. Tussen het schrijven door loopt hij hard, ook marathons en triatlons. Schrijven doet Murakami zoals hij leest: zonder vooropgezet plan en met een ongebreidelde fantasie, vandaar al die dikke boeken. In 1987 brak hij door met Norwegian Wood, het verhaal van een jongeman die terugkijkt op zijn studentenjaren en zijn liefdes. (De titel is ontleend aan een Beatle-nummer.) Met dit boek werd hij een nationale beroemdheid in Japan. - Enkele titels die ook in het Nederlands verschenen, zijn: Ten zuiden van de grens, Hard-boiled Wonderland en het einde van de wereld, De jacht op het verloren schaap, De opwindvogelkronieken, Spoetnikliefde, De olifant verdwijnt, After Dark, Kafka op het strand, Norwegian Wood, Na de aardbeving, Dans dans dans, Waarover ik praat als ik over hardlopen praat, 1q84. Ik besluit met een citaat van Tim Krabbé in De Wereld Draait Door (februari 2007): 'Ik heb alles van Murakami gelezen wat ik te pakken kon krijgen, en toen ik dat uit had, heb ik alles herlezen.' - Let wel, het gaat hier om duizenden pagina's! naar boven 5 mei 2012 Dodenherdenking Zo gaat het in de namiddag van de vierde mei nou al tien jaar tussen ons en het halfstokstadje aan de IJssel. Rond half zes snijdt mevrouw B. de beoogde kruidnagelbloemen af, wikkelt ze in aluminiumfolie en vlijt ze voorzichtig in de linkerfietstas. Uit het vuistje eten we de avondboterham die ik inmiddels klaargemaakt heb, en dan gaan we ons omkleden voor de stemmige plechtigheid die de dodenherdenking nog elk jaar is. Om half zeven fietsen we langs het bloeiende fluitekruid aan de N348 naar de stad. In deze vanouds Christelijk-Oranje streek hangen opvallend veel vlaggen, halfstok vandaag, dat is: internationale solidariteit. We parkeren de fietsen in de gratis stalling onder het NS-station, en begeven ons naar het trefpunt voor alle herdenkers wijd en zijd: de historische Burgerzaal van het oude stadhuis. Het is onwerkelijk stil in het centrum, de koopavondwinkels zijn op slot, de lege terrassen staan er beduusd bij. De Burgerzaal druppelt langzaam vol, de burgemeester met ambtsketen, een paar ijverige ambtenaren met paperassen en badges, twee hotemetoten van de politie in groot tenue, enkele oudgedienden met kleurige versierselen en mottige baretten, veel burgers met kinderen en bloemen uit de eigen tuin. Kwart over zeven: start van de Dodenherdenking in Zutphen, ik zou het niet meer kunnen missen. In de Burgerzaal Achter de joekel van een handmicrofoon lezen twee basisschoolmeisjes een zelfgemaakt gedicht over oorlog en verdriet voor. Op rijm, jazeker, en in heldere taal. Stralend lopen ze na afloop terug naar hun plaatsen bij papa en mama. Dan is het de beurt aan de stadsdichter, niks geen rijm, bloemrijke taal, erg poëtisch ook, maar helaas niets van onthouden, te zeer een gedicht denk ik. Dan posteert de burgemeester zich achter de katheder, mooi verhaal over een plaatselijk oorlogsdrama maar ook met algemene conclusies. En dankbaar is hij ook, dat er weer zoveel mensen, kinderen vooral, opgekomen zijn. - Dan dirigeert de organisatie ons naar buiten, áchter de groepsvertegenwoordigers met hun eigen kransen en herdenkingslinten, en onder de mededeling dat de sabbath reeds begonnen is, en we daarom de Joodse vertegenwoordigers moeten missen, maar 'die hebben vanmiddag hun kransen al gelegd'. Buiten in de smalle straat voor de Burgerzaal staan we met z'n honderden in stilte te wachten op de klokken van kwart voor acht, het signaal om in colonne naar het Gideon-monument in het parkje aan de Rozengracht te trekken. Daar zal de Last Post geblazen worden en de kranslegging plaatsvinden. En daar ook zullen wij onze kruidnagelbloemen achterlaten. Na tien jaar kun je wel van een ritueel spreken. Bij het Gideon-monument Met al die honderden van de stille tocht, nog aangevuld met verse troepen uit de reserve, staan we rijendik in carré rond het oorlogsmonument van Zutphen, het Gideon-beeld van de kunstenaar Paul Gregoire. Want een bijbels beeld moest het worden, en bijbels zou het zijn: Gideon dus, Richteren 7: 1-8, aanvoerder van een kleine bende uitgelezen strijders, krachtig en slagvaardig, hét voorbeeld van effectief verzet. - De leden van scouting-groep Zutphen treden in zijn voetsporen, en markeren met de hand en twee gestrekte vingers omhoog de route door het parkje naar het monument. Ze hebben het koud, net als de herdenkers, en wij. Maar niemand geeft een kik. Sterker, om acht uur kun je een speld horen vallen tijdens de twee minuten nationale stilte, geen vogel beweegt, het gras houdt even op met groeien, ik denk aan de regels op het Van Randwijk-monument in het Weteringplantsoen Amsterdam: 'een volk dat voor tirannen zwicht - zal meer dan lijf en goed verliezen - dan dooft het licht...' - En daar komt het koper van de Last Post dan nog eens overheen, pfoe! Na de twee coupletten Wilhelmus, die door verrassend veel mensen fier en gedecideerd maar onbegrepen meegezongen worden, worden dus al die officiële kransen en bloemen aan de voeten van Gideon gelegd. Wij sluiten ons aan bij de eindeloze rij burgers met en zonder boeketjes kruidnagelen, aarzelen geprogrammeerd twee seconden bij het monument, en proberen dan snel een of meer linten te ontcijferen. Kijk, de homo's liggen er ook weer, naast de zigeuners en de Prinses Irene-Brigade. Het mannenkoor van de IJsselzangers heft dunnetjes het Magnificat aan, in het Latijn, dus dat geeft verder niks. Afdwalende gedachten Wij lopen langs de hotemetoten en de scouts het parkje uit, langs de Broederenkerk, Boekhandel Van Someren Ten Bosch, en Snack Zutphen naar het station. Ik zeg: 'Merkwaardig dat wij nooit eens bekenden zien tijdens de dodenherdenking. Zouden die allemaal elders herdenken? Of niet herdenken, en gewoon de orde van de dag volgen, nog natrillen van koninginnedag, 5 mei voorbereiden, of op de tv naar de Waalsdorpervlakte kijken? Zijn wij soms een uitstervend ras?' / Zegt mevrouw B.: 'Maar al die honderden herdenkers met hun kinderen hier dan?' In Vorden is nu veel commotie over dat graf van tien Duitse soldaten die de burgemeester in zijn dodenherdenking wil betrekken. De Vordenaren willen dat ook, alleen sommigen niet. Je kunt niet slachtoffers en daders tegelijk memoreren, dat schoffeert Auschwitz, de holocaust, de zes miljoen Joden... Daar vliegt een reclamevliegtuigje door de lucht, met op de nasleep: 'Vorden zit fout'. - Ik zeg tegen mevrouw B.: 'Hoe moet dat nu met de nagedachtenis van Onkel Peter, onze Duitse Wehrmachtsoldaat die in de oorlog met Tante Mien trouwde?' / 'Laat die man in godsnaam in vrede rusten, zeg!' Via de 'Canadians Bridge' over de Berkel fietsen wij Zutphen uit, 'Onze bevrijders - April 1945'. - Als altijd dringt het lied 'Trees heeft een Canadees. O, wat is dat meisje in haar sas. Rotte bananen!' zich aan mij op. Ik probeer uit alle macht aan iets anders te denken, en zeg tegen mevrouw B.: 'De Last Post klonk vanavond indrukwekkend mooi, vind je niet?' / 'Ja. Was dat niet iemand van de politie, in dat uniform?' / 'Nee, van het Leger des Heils, zag je die pet met de rode band niet? SA staat erop, Salvation Army.' / 'Nounou, zeg! Maar mooi gespeeld was het zeker. Waardig.' / 'Waardig, en dat was het.' Wie weet, hoe ver, in leed en pijn Jacques Presser (1899 -1970) was een Joodse historicus, schrijver en dichter die vooral bekend is geworden door zijn boek Ondergang - De vervolging en verdelging van het Nederlandse Jodendom 1940-1945 (1965), over de geschiedenis van de Jodenvervolging in Nederland tijdens de Tweede Wereldoorlog. - Toen Duitsland in 1940 Nederland binnenviel, was dit voor Jacques Presser een zeer grote schok; hij probeerde zich zelfs van het leven te beroven, wat mislukte. Vanwege de tegen de Joden gerichte maatregelen mocht hij geen les meer geven op het Vossiusgymnasium en werd hij geschiedenisleraar aan het Joods lyceum. Zijn vrouw Debora Appel werd begin 1943 betrapt met een vals persoonsbewijs en via het doorgangskamp Westerbork naar het vernietigingskamp Sobibór getransporteerd, waar ze om het leven werd gebracht. Het verlies van zijn vrouw Debora heeft Presser's verdere leven getekend. In 1943, het jaar van de Nazi-moord op zijn vrouw (maar dat wist de dichter toen natuurlijk nog niet), schreef J. Presser het gedicht 'Je lippen, die ik heb gekust'. Het werd gepubliceerd in de illegale krant 'Het Parool'. - Ik citeer het hieronder als eerbetoon aan alle slachtoffers van de tweede wereldoorlog. Maar ook omdat het een ontroerend mooi gedicht is over verlies en over geloof in de liefde. JE LIPPEN, DIE IK HEB GEKUST Je lippen, die ik heb gekust, Je haren, donker en verward, En dan je hart, je jonge hart, Waaraan 'k zo heerlijk heb gerust... Ik denk: het heeft zo moeten zijn. Soms is 't, alsof je bent gestorven. Wie weet, hoe ver, in leed en pijn, Wij zullen hebben rondgezworven, Voordat wij weer tezamen zijn. naar boven 25 april 2012 Voorjaarstuin Pyjamas blues Dat is toch elke dag weer het spannendste: de kleine ochtendronde door de ontwakende tuin, in kamerjas nog en met de klompen onder de piamapijpen. Is er niks kapotgevroren, zijn de capucijnertjes niet aangevreten, hoe staat het met de bloesemingen van de schone van boskoop, doen de vijgenstruiken al íets, de aardbeientorens, de rucola, de pluksla, de pioenrozen? Even de voorkweekjes van de bieten in de kas bewateren, alsook de pompoenen-in-wording, de suikermaïs en de vleestomaten. Kan de was vandaag buiten hangen? Wat zijn dit voor woelratgaten in het gras? Ach, en zie me die twee Vlaamse gaaien daar eens pront en prominent binnen de kale beukenhaag rondscharrelen! Gauw aankleden en dan misschien maar 's wat extra touwtjes spannen rond de bonenstaken en de erwtentipi's van wilgentenen, koffiedrab en eierschalen strooien tegen de slakken. En een stukje gras maaien misschien, of anders morgenmiddag. De bloemenborder ontgrassen, de vijver schonen, daar moeten we nu toch echt eens werk van maken, en... Geen wonder dat m'n blogjes er momenteel wat bij inschieten. Oranjetippen In alle vroegte zag ik vanmorgen een hele felle vlinder, zwartgrijze kop, spierwitte vleugels met heloranje tippen. Hij acteerde heel vrolijk tegen de achtergrond van onze laurierhaag, die net als de vlinder oranje tippen aan veel bladeren heeft (als gevolg van die kortstondige maar heftige vriesperiode in februari). - 'O, maar dat is het oranjetipje,' maakte mevrouw B. mij wijzer. 'Die hebben we eerder gezien, vorig jaar op onze wandeling over de Utrechtse Heuvelrug, weet je nog?' Dat wist ik niet meer. Het kwam mij voor dat ik nog nooit van mijn leven een oranjetipje gezien had, zo imponerend vond ik hem. En in elk geval stemde de fladderaar (want het moet een mannetje geweest zijn, ontdekte ik aan de hand van 'De vlinderambassade', de jeugdsite van De Vlinderstichting) mij vrolijk en licht van hart. Aaah, wie ben ik dat ik zo de dag mag beginnen? Nestelwerk Nadere inspectie van onze drie nestkastjes achterin de tuin bracht helaas geen leven in de brouwerij. Maar dat leven is gelukkig wél in de maak, in de heggen en houtwallen van de tuin, dus dat 'helaas' uit de vorige zin mag je gerust met een korreltje zout nemen. Wij krijgen binnenkort nieuwe koolmeesjes, merels, mussen én Vlaamse gaaien, als ik het wel heb. Duiven waarschijnlijk ook, en eksters, die brutale herriemakers. Op gezette tijden is het gewoonweg druk met nestmateriaalverzamelaars, grote plukken mos of dor gras in de bek. Hoe ze het klaarspelen om in de nabijheid van het nest ook nog luidop te communiceren met het vrouwtje zonder hun bouwmateriaal te verliezen, het is me een raadsel. Maar het gebeurt wél. Helemaal achterin de tuin, tegen het talud van de spoorlijn, liggen bergen wilgentenen en afgezaagde takken, de ideale houtwal voor vogelparen die woonruimte zoeken voor hun toekomstige kroost. Momenteel is daar een koppel merels aan het werk. Onder luid gekwetter alsof ze alleen op de wereld zijn en er even helemaal geen gevaren bestaan, zag ik ze gistermiddag wederom bouwvakken. Van een redelijke afstand zag ik het mannetje af en aan vliegen, vaak rechtstreeks naar het nest-in-wording, andere keren met sierlijke omwegen. Er in. En dan weer eruit. En er weer in. En zo voort. Maar waarom ze hun nest zo laag bij de grond inrichten, het lijkt mij onverstandig, maar ik weet dan ook niets van de merel-nestbouw. Aardappelen, groenten, fruit Dat stond er vroeger op de winkelruit van groentenboer 'Van Vught' bij ons in de straat. Daar geurden in mei/juni/juli de vroegste appeltjes en lichtgroene meelpeertjes de winkel uit, heerlijk om mee te nemen als we een middag op de hei gingen spelen. Ook nieuwe aardappeltjes had Van Vught dan in de winkel, hauwkes (peultjes) en worteltjes, krombekken (doperwten) en later de 'edelfingers' (zwarte kersen). O, wat moet dat vroeger een verademing geweest zijn, al dat 'verse spul' na die eindeloze winterkost van zoute snijbonen-uit-het-vat en wrange zuurkool. - Ook wij proberen nog steeds zoveel mogelijk 'van het seizoen' te eten. De winkel en de markt helpen je daar bepaald niet bij (die doen net alsof het het hele jaar door lente, zomer, herfst en winter tegelijk is). Het meeste weet je nog van vroeger, en als je moestuiniert, krijg je het met de paplepel ingegoten. Heerlijk! Dit jaar doen wij (opnieuw) pogingen om zoveel mogelijk uit eigen tuin te eten: spinazie (één maaltje, bijna klaar), pluksla (lichtgekleurde sla is zéér in trek bij de slakken), tuinbonen (ze doen het op zich goed, maar... zie pluksla), doperwtjes, capucijners (onvergelijkbaar veel lekkerder dan die glazen knikkers uit een potje), radijzen, bietjes, tomaten (voorzichtig in ons kasje, want o, o, o, wat worden ze buiten gauw ziek), rucola, kervel, lavas, diverse soorten look, en aardbeien, heel veel aardbeien. Onze riante kersenboom laat ik buiten beschouwing: als je daar serieus van wilt eten moet je met netten werken, met kanonnen, spiegeltjes en zilverpapier. Onze kersenboom is voor de vogels, af en toe een handje voor onszelf. Want we proberen zoveel mogelijk in harmonie met de dieren te leven, ieder zijn deel, dat soort opvattingen. Maar vaak zijn de dieren onredelijk, meen ik, hebberig gewoonweg. In Liefde Bloeyende Ik zeg al vanaf het tweede jaar dat wij hier wonen: als wij ons huis nog eens willen (of moeten) verkopen, dat kan dat het allerbeste in mei. Vanwege de tuin. Als je toch ziet in welk tempo die zich in maart, april en mei herstelt van de moordende winter, daar kun je de tranen van in je ogen krijgen. Bovendien ben je zelf ook wintermoe en lentebereid: je helpt de tuin (en jezelf) maar wat graag door deze herstel- en revalidatieperiode heen. De eerste katjes, het prille blaadjesgroen, de kersenbloesems, die accelererende hosta's en aardbeien, de geur van de eerste grassnede, het inrichten en optuigen van de moestuin... de lyriek van al dit tuinleven moet in de lente uitgevonden zijn! In zijn onvolprezen boek 'In Liefde Bloeyende - De Nederlandse poëzie van de twaalfde tot en met de twintigste eeuw in honderd en enige gedichten' demonstreert Gerrit Komrij zijn methode van gedichten beoordelen. Op bladzijde 355 t/m 357 behandelt hij onderstaand gedicht Voortplanting van de dichter Jan Kal. Ik schrijf er een klein stukje uit over, zodat u weet waarom het gedicht van Kal tot Komrij's canon van de Nederlandse poëzie behoort: "U begrijpt, het gaat me niet om de plantjes, het gaat me [ ... ] om de catalogisering. Niets minder dan de herordening van het heelal is het. De microkosmos wordt tot beeld van de macrokosmos en omgekeerd. Jan Kal ordent in dit gedicht de woorden - en de wereld - aan de hand van erotische suggesties met een morbide ondertoon: Nimfkruid, bruidssluier, Venushaar. / Nachtschade, drakekop, engbloem. / Eros, Thanatos. - Maar de voornaamste orde die hij aanbrengt is die van het sonnet, het rijm, het metrum, het gedicht. - De plantjes gehoorzamen wel." Het gedicht 'Voortplanting' van Jan Kal komt uit zijn dichtbundel 'Fietsen op de Mont Ventoux', Amstelveen 1974. Hardop lezen maakt het gedicht nóg feestelijker, probeer maar, in de tuin. VOORTPLANTING Droogbloeier, muurbloem, prikneus, franjezwam, en witte onschuld, nimfkruid en scharlei, brandende liefde, wilde chichorei, bruidssluier, levensboom en hanekam. Venushaar, gulden roede en karwij, de brave hendrik en de tripmadam, de springkomkommer en de borstelvlam, vergeten blaasjeskruid en akelei. Donsnachtschade en rimpelzaadwolfsmelk, de zwarte vlekziekte en moederkoorn, ooievaarsbek en basterdwederik. Smak, kleinbloemdrakekop en dubbelkelk, engbloem, de twijfelachtige andoorn, de vreemde ereprijs, de bolderik. naar boven 13 en 16 april 2012 Geen internet Vrijdag Juist vóór de dag (vrijdag 13 april 2012) dat Sylvia Witteman in deVolkskrant een quasi-bozige column publiceerde over het uitvallen van haar internet overkwam mij hetzelfde: geen verbinding met het internet. Maar het verschil was dat het bij haar een externe oorzaak had (die zich binnen een dagdeel 'vanzelf' oploste zodat ze haar tekst alsnog naar de krant kon sturen), en dat bij mij het probleem 'in huis' zat en nog steeds zit. Van het ene moment op het andere leverde het modem geen 'draadloos signaal' meer aan m'n computer, en dat zonder direct aanwijsbare oorzaak. Dit laatste weet ik natuurlijk niet uit mezelf, dat hebben deskundigen mij verteld. (Na 8 minuten in-de-wacht-muziek en een uitgemolken toetsenmenu 'om u sneller van dienst te kunnen zijn', klinkt het toch nog onverwacht: 'Met UPC, Stefan de Wild, waarmee kan ik u van dienst zijn?') Want zonder deskundige krijgt geen mens zijn computer meer aan de praat als die eenmaal uitgevallen is. Dat is des te erger sinds we voor het reilen en zeilen in ons leven steeds afhankelijker zijn geworden van een werkende computer. Zo bankier ik (nooit gedacht dat ik zoiets nog eens van mezelf zou zeggen) tegenwoordig bij voorbeeld bij een internetbank. Dat systeem gaat ervan uit dat je altijd 'op het net' kunt. Zo niet: dan kun je niet bankieren, krijg je geen geld, kun je niks betalen, en kun je wegens wanbetaling in het gevang belanden zonder dat je er iets aan kunt doen. Sterker: dat kunnen ze je niet eens laten weten, want ook je e-mail ligt plat als je van het internet gegooid bent. Enfin, maandag a.s. komt er een deskundige van Homehulp bv. naar mijn probleem kijken, tussen 11 en 12 uur. Ik hoop dat het probleem dan snel opgelost is, en dat ik genoeg geld op mijn e-rekening heb staan om hem 'contant' te kunnen betalen. Maar dat kan ik dus niet zien! Van die dingen ja, die helpen mij van slag, je wordt er onzeker van, geprikkeld ietwat en timide. Wat nutteloos is, ik weet het. Maandag 10.45 uur Ziezo, mevrouw B. is de deur uit (sinds kort weer met de fiets, dat u het weet, geweldig, niet!?), het huis is aan kant, ik zet het koffiezetapparaat aan en start de computer om alvast een beetje warm te draaien. Het is nu goed 11 uur, ik heb de deskundige nog niet gehoord of gezien, maar ik houd vertrouwen. Een andere keuze heb je niet. 11.30 uur - Ja, goedemorgen meneer Balthasar, met Cas Regulier van Homehulp bv. Ik vrees dat mijn afspraken nogal aan het uitlopen zijn. Bent u de rest van de dag nog thuis? - Jammer, maar ik ben thuis, ja. - Schikt het u dan tussen kwart over een en half twee? - Goed, dat is dan afgesproken. Tot straks dan maar. Ik zet de computer meteen uit, fiets met m'n boodschappenlijstje naar de supermarkt, ruim de boodschappen op en in, maak een verse-groentensoepje met superlekkere lavas uit de kruidentuin, en een rauwkostsalade zonder warme spekjes, en dek de tafel. Exact op tijd voordat mevrouw B. arriveert. - 'Wat een heerlijk soepje, B. Precies wat ik nodig had.' En dat maakte m'n ochtend weer helemaal goed. 13.30 uur - Ja, m'n lunch is erbij ingeschoten, maar dat is niet erg hoor. Komt vaker voor, ik kan ertegen. Zo, ik heb m'n eigen laptop even meegenomen om te checken of uw probleem in de verbinding zit. Kijk, daar is het internet al. Uw probleem zit dus in uw computer, en niet in de verbinding met uw modem. Ach, en kijk, een waarschuwing van MacAfee, dat u gevaar loopt. Verder nog iets bijzonders gebeurd de laatste dagen? - Nou, veel updates van Windows en van McAfee, nou u het zegt. Bijna elke dag wel. - Koffie? - Daar kan 'n probleem zitten. Je kunt 'n computer met filters en firewalls natuurlijk ook té potdicht maken. En of de twee giganten (Microsoft en McAfee - red.) elkaar voldoende op de hoogte houden van hun updates, het móet wel maar of het altijd gebeurt? - Alstublieft, melk en suiker graag. - 's Even zien, programmatoegang en instellingen... nounou, nogal veel uitroeptekens hier, ziet u wel? En uitroeptekens duiden op gevaren. Daar moeten we dus iets aan doen. - Maar wat? - Ik ga de instellingen van uw computer resetten tot vóór de datum dat uw problemen begonnen, was dat vorige week woensdag? Dan ga ik naar maandag, voor de zekerheid. Even wachten... Even wachten... En voilà, daar is het internet al. - Zo eenvoudig is het dus als je maar weet waar je het zoeken moet. Geweldig! - Nu nog even de mail checken. - Zo, nou komt er wel post binnen zeg! - Dat was het? Of zijn er nog meer problemen. - Astublieft zeg, hier hou ik het graag bij! (Helaas vergeten om over de telkens haperende printer te beginnen. Stom. - red.) - Zo, nou, dan heb ik toch weer wat tijd teruggewonnen. Bedankt voor de koffie, de koek eet ik onderweg wel op. Tot ziens, meneer B. - Tot ziens, meneer Regulier. Nou ja... Ik wacht de rekening wel af. Dag meneer Regulier. Ik dank u wel. e-dichter avant la lettre Jules de Corte (1924-1996) was zo'n dichter/zanger/componist/pianist die net zo afstandelijk tegenover technische ontwikkelingen stond als ik. 'Alles goed en wel, maar ziet u de nadelen dan niet?' - Neem nou zijn lied 't Electrisch huis (1956). Het stond op een van de allereerste lp's (langspeelplaten, uit het vinyl-tijdperk, jazeker) die ik kocht, in 1965. Ik zoek de elpee in de brandkast op, haal 'm uit de hoes en wil de tekst nog 's even nalezen om 'm over te nemen in deze blog. Mispoes, er zit helemaal geen tekst bij die elpee. Dan de plaat maar 's even gedraaid, kan ik zelf de tekst noteren. Maar... m'n oude draaitafel geeft geen kik, drooggevallen ongetwijfeld door gebrek aan actie. Even op Google kijken dan maar. Daar vind ik via musicfromnl een transscriptie van 'het' lied. Bij de vijfde regel al aarzel ik, het slotwoord van de regel 'eren' moet 'roemen' zijn, dat weet ik zeker, en is ook logisch na 'noemen'. Hoe secuur is deze transscriptie dus? Jammer dat ik niet beschik over het prachtboek met de verzamelde liedteksten uit de Pluche-reeks Ik zou weleens willen weten (samengesteld, ingeleid en toegelicht door Cees van der Pluijm, Uitgeverij Nijgh en Van Ditmar, 2005). Daar staat de geautoriseerde versie van het lied in. - Enfin, voorlopig moet u het even doen met de hieronderstaande versie die ik dus op het internet vond... En bedenk, het gaat me om de voordelen én de nadelen van 't Electrisch huis, net als om de voordelen én de nadelen van het internet... (Wat nog jammerder is is dat u het lied niet kunt hóren, in de versie van Jules de Corte natuurlijk. Dan is het helemaal niet zo'n lange lap tekst, gewoon een leuk lied met veel toepasselijk rijm, en met een aparte pointe.) 'T ELECTRISCH HUIS Voor kort heb ik een weekend bij een kennis gelogeerd Wiens naam ik hier maar liever niet zal noemen O nee niet dat er iets of maar foutief was of verkeerd Integendeel mijn vriend heeft mij beslist geamuseerd En ik zou niet anders durven dan hem roemen Zijn huis was comfortabeler dan het duurste huis kan zijn Hetgeen ik u ga bezingen in een soortement refrein Elektrisch droogt de natte was elektrisch het fornuis Alles alles alles gaat elektrisch bij hem thuis Het water halen en de kachel steken Zelfs het borden wassen en de piepers jassen Het ramen zemen en het stof afnemen Zelfs het bed afhalen en het koffie malen Tot het sluiten van de deuren toe incluis Je moest draaien aan een doppie of drukken op een knoppie Jongejonge wat een woning van een huis Ik arriveerde netjes op de afgesproken tijd Ontdekte dra de schelleknop en schelde Mijn vriend had mij waarschijnlijk met veel spanning al verbeid En mij een eigenaardig soort van wellekom bereid Waardoor ik tot op het ruggemerg verstelde De deur ging namelijk open en de stoep waarop ik stond Schoof regelrecht naar binnen tot ik me binnensmuurs bevond Ik stiet me aan het stopcontact en ik dacht ’t is hier niet pluis Alles alles alles gaat elektrisch bij hem thuis Zelfs de jas ophangen wie kan dat verlangen Ik moest voortdurend schrikken ik hoorde knopjes klikken Plots verscheen m’n gastheer ik dacht nou heb ik geen last meer Al met al maakte ik een reuzedom abuis Want in plaats van eerst te groeten zo het feitelijk had gemoeten Zei ik Zeg wat heb jij toch een typisch huis Die avond werd ons technisch heel veel lekkers geserveerd Voor mij leek alles net of het een droom was We praatten over noppes wat foutief was of verkeerd Opeens werd door een luide slag ons trommelvlies bezeerd We dachten dat het een splis van een atoom was Toen zaten we te kijken in het donker zonder licht Mijn vriend drukte op de deurknop-knop maar ach de deur bleef dicht Toen kwam ik bij en ik zei verwoed ik vind het maar een kruis Alles alles alles gaat elektrisch bij je thuis De tafel dekken en het gordijn dichttrekken Zelfs het matten kloppen en het sokken stoppen Maar komop vooruit zeg toon me gauw een uitweg Want als ik hier moet blijven zal ik van kou verstijven Want wat heb ik aan jouw elektrisch gasfornuis En trouwens aan al die dure dingen want nu de stoppen springen Zit ik hopeloos gevangen in jouw huis naar boven 6 april 2012 Dwaallichten Zondagochtend 1 april, het echtpaar B. maakt een therapeutische wandeling, weet elkaar binnen de grenzen van 500 vierkante meter resp. 20 minuten gaans grandioos mis te lopen, te hervinden en alsnog twee zinloze zoektochten te onderbreken: dit is geen verlate aprilgrap, maar een kleine oneffenheid onder de steunstok van een revaliderend heupgewricht. Resultaat? Twee roodbezwete koppen en een heilig voornemen. - Over geluk gesproken... De spoorwegovergang We zijn zo'n 400 meter onderweg als mevrouw B. in haar jaszak voelt dat ze haar sigaretten vergeten heeft. Ze loopt inmiddels weliswaar met één stok, maar is nog een flink eind van een stevige wandelpas verwijderd. Teruggaan is voor haar daarom geen optie, dus toon ik compassie met haar verslaving en keer ik in versnelde pas naar huis terug. - We zien elkaar bij de spoorwegovergang, okee? - Okee, tot zo. - O, en waar liggen ze? - In de zak van m'n rookjasje, en de aansteker in de andere zak. - Okee. Vlakbij huis groet ik eerst Tiny K. die voorzichtigjes aan een therapeutische fietstocht bezig is, en vervolgens buurvrouw D. die ijverig voortgaat met haar herstelwerkzaamheden aan de zijtuin. Thuis zoek ik snel het pakje sigaretten, verwissel m'n stadschoenen voor m'n wandelschoenen omdat zich een eerste blaar aankondigt, en spurt via een ultrakort gesprekje met D. de terugweg op. Ha, bij de snackbar kan ik een flink stuk afsnijden, nog een tandje erbij, et voilà, ginds is de spoorwegovergang al. - Maar geen mevrouw B. De nieuwe fietsbrug Ik treuzel op de spoorbaan: is ze er nog niet of is ze al doorgelopen? O, zeker, ze had hier al kunnen zijn, schat ik. Even een stukje verderop kijken dan maar. Geen mevrouw B. Terug naar het spoor. Niemand te zien. Zou ze nóg verder gekomen zijn dan ons groentemannetje misschien? Maar we hadden toch duidelijk bij het spoor afgesproken? In de hoogste versnelling loop ik via het groenteboertje het landbouwpad af richting de nieuwe fietsbrug-in-aanbouw. Alles afgezet, je kunt er niet overheen, en er niet langsheen, zeker niet als je toch wat gehandicapt loopt. Nergens in de wijde omgeving de rode jas van mevrouw B. te bekennen. Terug naar het spoor dus maar weer. Ik krijg het er warm van en ruk m'n pet en m'n dasje af. Is me dat speedmarsen! Maar waar ís ze?! Waar ís ze? Naar huis dan maar. En dan nu geheel conform de route die mevrouw B. gegaan is, of althans gegaan moet zijn. Wie weet ligt ze ergens gevallen omdat ze zich teveel gehaast heeft. Dat zál toch niet? Opnieuw versnel ik m'n pas. Ter hoogte van de huizen bij de oude melkfabriek zijn een paar kinderen buiten aan het spelen, wast een man z'n auto, graaft een vrouw in pas aangeschafte tuinoutfit enkele bevroren laurierstruiken uit, ik heb er vandaag allemaal geen oog voor. Waar is mevrouw B.? Ze zal toch niet... Twee spelende kinderen Ik treuzel bij de spoorbaan. Balthasar nog nergens te bekennen, terwijl ik toch tot de stoplichten terug kan kijken. Waar blíjft ie toch? Ik ga maar 's 'n stukje terug, kijken bij de stoplichten bij de oversteekplaats, daar kan ik het hele kruispunt overzien, daar móet ik 'm kunnen zien. - He, mevrouw, bent u ziek, dat u met 'n stok loopt? - Nee hoor, ik ben geopereerd, aan m'n heup. - O. Maar bent u oud, mevrouw? - Ja, zeker, ik ben 69 jaar. - O, mijn oma is al 70. Da's pas oud he? - Nou, míjn oma is ook heel oud hoor, die is wel 20! - Dat is mooi oud, zou ik ook wel willen. Maar wat ik liever wil is Balthasar. Waar is ie toch? Ook niet bij de stoplichten, nergens. Naar huis dan maar. Precies volgens de route die ik gekomen ben. Dan móet ik Balthasar toch tegenkomen? Tenzij ie ergens gevallen ligt omdat ie zich verkeerd gehaast heeft. Dat zál toch niet? Balthasar waar ben je? Bankje aan de blaak - Je zou toch wachten bij het spoor? - Ja, maar je bleef zo lang weg. - Ik kom anders helemaal van de fietsbrug gespurt! Da's twee keer zo ver als de spoorwegovergang. - Toen ben ik maar terug gaan lopen zoals ik gekomen was. En toen ik thuiskwam had ik geen sleutel bij me. Dus toen ben ik je maar weer tegemoet gaan lopen. - En ik had een heel stuk afgesneden om sneller bij het spoor te zijn! - Dan moeten we elkaar nét gemist hebben toen jij dat stuk afsneed en ik terugliep vanaf het spoor naar huis. - Nog een geluk dat ik óók jouw route precies terug ben gaan lopen naar huis. - Ja, anders zaten we hier nu niet. Te roken en te puffen en te steunen. - Koffie dan maar, bij de Sluis? Kunnen we daarna nog zien wat we doen. - En ik laat je nooit meer m'n sigaretten thuis ophalen. Nooit! - Nou... het is allemaal toch weer goed gekomen? - Gelukkig wel. Zeg, heb ik je al verteld van die twee kinderen die ik tegenkwam? Geluk is de afwezigheid van ongeluk Het bovenstaande nog eens precies naverteld in een vers, ik heb het nergens kunnen vinden. Gelukkig maar, want tijdens het zoeken stuitte ik alras op het romantisch-humoristische gedicht 'Aan Rika' van Piet Paaltjens (1835-1894). En met een beetje welwillendheid van uw kant sluit dat gedicht uit de bundel 'Snikken en grimlachjes' toch wel heel mooi aan bij ons misverstand ter hoogte van een spoorwegovergang. Voor de liefhebber van 'Aan Rika' citeer ik hieronder wat Henny Vrienten van dit gedicht vindt in zijn bloemlezing Zwaan kleef aan (De Harmonie 2009): "Aan Rika is een raadselachtig gedicht. Weliswaar moet je de 'volle vaart' waarmee de sneltrein Paaltjens passeert met een negentiende-eeuws korreltje zout nemen - sneller dan vijftig kilometer per uur kan het niet geweest zijn - toch neemt hij in die paar seconden belangrijke details als wonderdiepe heldere blauwe ogen en blonde haren in zich op. Hij droomt over een treinramp met dodelijke afloop door passie veroorzaakt, en ontfutselt haar tijdens deze vluchtige ontmoeting ook nog de naam Rika. Hier heeft de onmogelijke liefde wel heel letterlijke vormen aangenomen." AAN RIKA Slechts éénmaal heb ik u gezien. Gij waart Gezeten in een sneltrein, die den trein Waar ik mee reed, passeerde in volle vaart. De kennismaking kon niet korter zijn. En toch, zij duurde lang genoeg, om mij Het eindloos levenspad met fletsen lach Te doen vervolgen. Ach! geen enkel blij Glimlachje liet ik meer, sinds ik u zag. Waarom ook hebt gij van dat blonde haar, Daar de englen aan te kennen zijn? En dan, Waarom blauwe oogen, wonderdiep en klaar? Gij wist toch, dat ik daar niet tegen kan! En waarom mij dan zoo voorbijgesneld, En niet, als 't weerlicht, 't rijtuig opgerukt, En om mijn hals uw armen vastgekneld, En op mijn mond uw lippen vastgedrukt? Gij vreesdet mooglijk voor een spoorwegramp? Maar, Rika, wat kon zaalger voor mij zijn, Dan, onder helsch geratel en gestamp, Met u verplet te worden door één trein? naar boven 26 maart 2012 Vallende takken - 6 In de balthasarsblog - ik zeg het nog maar eens - doe ik te hooi en te gras verslag van de faits divers uit het leven van deze pensionado. Scherper gezegd: van de faits divers uit mijn directe omgeving, lief en leed in en om het huis, gebeurtenissen van niks zoals de eekhoorn die ik vanochtend uit de top van een kale buurboom naar beneden zag flitsen, of minore communicatieproblemen met de Simavi-collectant, de bezwaren rond een afgesloten sluisbrug of de aanpak van koninginnendag in het algemeen. Soms is een 'fait' aan de vrolijke kant, soms heeft 'divers' een zwarte rand. Dat laatste overkomt ons dezer dagen weer eens met het overlijden van zwager K. Hij is de zesde dode in mijn allernaaste omgeving, de familiestamboom kreunt en steunt onder het wijdvertakte gewicht, en onderaan de stam zijn de afgebroken takken aan een eigen berg begonnen. Tijdens de groei en bloei van de Balthasars-gezinsstamboom dijde het aantal takken (kinderen van mijn ouders) tot dertien uit. Met daaraan 15 zijtakken (aangetrouwden), 35 zijzijtakken (kleinkinderen) en een onherinnerbaar aantal zijzijzijtakjes (achterkleinkinderen). Sinds de hoogtijdagen is de trotse boom aan een fatale neergang bezig: inmiddels heb ik 1 zus verloren, 4 broers, en nu dus 1 schoonbroer. - Ja, onze vis begint al flink in prijs te stijgen... Het is gedaan met de koopman Dat staat als motto boven de rouwkaart van zwager K. Goed getroffen, als je het mij vraagt. Het is een uitdrukking die mijn moeder (eerlijkheidshalve moet ik haar consequent 'ons moeder' noemen) ook vaak bezigde om aan te geven dat er iets onherroepelijks was geschied, waar zelfs zij zich niet tegen kon verzetten. En zo is het ook met schoonbroer K. (80): die was koopman (rotanmeubelen, borstelwerken, 'partijen van allerlei soort', boten, huisjes), én het is afgelopen met hem. Om met de dichter Wim T. Schippers te spreken: 'Dood? Niks aan te doen.' Wrang, maar onweerlegbaar correct geformuleerd. Want de tijd dat 'De dood de overgang' is 'naar een beter leven', zoals onze Moeder de Heilige Katholieke Kerk ons in onze prille jeugd deed geloven, is vergangen en keert nooit weer. Wat rest is silentium, Latijnse stilte, oorverdovende stilte resp. gewijde stilte, wat u verkiest. In dat stadium is het gepast om voor schoonbroer K. de hoed af te nemen, wat ik bij dezen doe. - [ ... Requiescat in pace ... Amen... ] K. laat intussen een eigen stamboom achter met maar liefst 33 takken, zijtakken en zijzijtakjes. (Daar kunnen mijn eigen Balthasartjes in de verste verte niet aan tippen.) Maar mijn zus M., K.'s weduwe, zal er kracht en overlevingsdrang uit putten. Last Post Schoonbroer K. wordt niet gecremeerd, maar begraven. Dichtbij huis en naast de kerk, alsof we nog in het vroeger leven. Daarmee bengt K. de verhouding begraven-cremeren in ons ouderlijke gezin alsnog op 3:3. K. is ook de derde die 'kerkelijk' begraven wordt, dus ook daar is de stand 3:3. Wij zijn een verdeelde familie, die nog maar zeer ten dele losgeraakt is van haar katholiek-kerkelijke verleden. (Tenminste als het om dopen, trouwen en begraven gaat. In de praktijk van alledag heeft dat 'katholiek zijn' alle herkenbare vorm en inhoud prijsgegeven.) De 'kerkelijken' kiezen voor de standaardrituelen en -gebeden van een pastor of iemand anders die zijn plaats al dan niet bevoegd inneemt, de 'onkerkelijken' voor een meer persoonlijke aanpak die vooral bij crematies tot uitdrukking komt, en daar verstikte kelen overwint en de emoties gelijke (maar in tijd streng beperkte) kansen geeft. Wat steeds gehandhaafd bleef, ook nu bij zwager K.: de koffietafel na afloop, onontbeerlijk aangename overgang naar de harde werkelijkheid. De '33 van K.' doen dit kennelijk met overtuiging, én, wat meer is, met humor. K. was een 'echte' visser, en dus worden de broodjes en de krentenbollen na de teraardebestelling uitgeserveerd in Restaurant 'De Lachende Vis' (het vrolijke alternatief voor Kniertjes 'De vis wordt duur betaald'). - Van K.'s muzikale gezin met aanhang verwacht ik een daverende Last Post, wat mij betreft het liefst tijdens de broodjes, zodat de koffiekopjes trillend loskomen van hun schoteltjes. DRoom is 't leven, anders niet Er zijn veel doodsgedichten, en veel gedichten die bij de dood worden ingezet: kijk er de overlijdensadvertenties maar op na. Ik vind het een mooi gebruik: achterblijvende familie zoekt een gedicht of versregel die uitdrukt wat zij zelf niet (of in elk geval niet zo goed) kunnen verwoorden. En met Google is dat tegenwoordig een heel stuk gemakkelijker dan vroeger, toen iemand namens de familie maar met lood in de schoenen naar de plaatselijke bibliotheek afreisde: je krijgt 48.000 sites als je op Google 'overlijdensgedichten' intikt. Daar móet iets bijzitten. Op Google heb ik niet gezocht, ik put uit mijn eigen boekenkast en mijn geheugen: en wat komt het eerst bij me op als ik een gedicht zoek bij het overlijden van schoonbroer K.? Iets met weemoed, afscheid, iets als 'bedenk mens dat ge stof zijt en tot stof zult wederkeren' (jaja, ook míjn katholieke verleden speelt nu en dan nog behoorlijk op). En zo kwam ik dus terstond op het gedicht 'Air.' van Jan Luyken, 17e-eeuws dichter/etser/schilder. Air. komt uit zijn bundel 'Duytse Lier' (1671), en is het slotgedicht van de 'Negende Verdeeling' daarin. De eerste vier regels van Air. ken ik al sinds m'n middelbare-schooljaren, ze zijn nog steeds indrukwekkend. - Alstublieft schoonbroer K., 'DRoom is 't leven, anders niet', het is niet anders. AIR. DRoom is 't leven, anders niet; 't Glijt voorby gelijk een vliet, Die langs steyle boorden schiet, Zonder ooyt te keeren. d' Arme mens vergaapt sijn tijt, Aan het schoon der ydelheyd, Maar een schaduw die hem vlijt*, - *[bekoort] Droevig! wie kan 't weeren*? - * [verhinderen] d' Oude grijse blijft een kint, Altijd slaap'rig, altijd blind; Dag en uure, Waart, en duure*, - * [waardevol en kostbaar] Word verguygelt* in de wind, - * [verspild] Daar me* glijt het leven heen, - * [daarmee] 't Huys van vel, en vlees, en been, Slaat aan 't kraaken, d' Oogen waaken, Met de dood in duysterheen*. - * [de ogen gaan open na het sterven, en zien dan niets dan duisternis] naar boven 4 maart 2012 Lenteweelde Afgelopen woensdag was een eerste poging tot lentedag. Hoogste tijd dus voor een dagje tuinwerk. Want daar heerste nog de doodsheid van de winter, althans de schijn van de doodsheid van de winter. Die schijn nu moet de tuinbezitter uit de weg ruimen, zodat een begin aan lente in perk en boom en struik tastbaar wordt. En daar dient dus die eerste tuindag voor. Zo zit dat. Aangezien mevrouw B. nog druk met haar nieuwe heup in de slag is, had ik behoefte aan tuinhulp. Want hele dagen met hark en snoeischaar, bezem en kruiwagen, met bukken en buigen in de weer zijn: dat verdomt het lijf tegenwoordig. Maximaal twee keer een uur op een dag, dat is het wel zo'n beetje, en dan nog is het oppassen geblazen voor schouderontwrichting, lage-rugklachten en hoofdpijn achter de oogbol. Maar, met die twee uurtjes van mij help ik die 700 vierkante metertjes natuurlijk nauwelijks op gang. Dus daar verschenen op deze eerste lentedag de Dames Gwé en Em Tuinkabouter om eens een prettig pootje mee uit te steken. En zo werd de volledige potentie van de lenteweelde fluitend en zingend in het licht gebracht. Zagen, ruimen, schonen. En oja, volle kruiwagens De voortuin is niet echt ons troetelkind, maar de blauwspar op de rechterhoek treedt qua omvang en lengte zo langzamerhand echt buiten de perken, en dat binnen 10 jaar! In afwachting van rigoureuzere maatregelen mochten de Dames de onderste breeduitwaaierende takken alvast verwijderen, en een totaal verdrukt hibiscusboompje finaal uit zijn lijden verlossen. Dat bracht onverwacht veel extra licht in voortuin en woonkamer. En dat was dan alvast mooi meegenomen. En ook overigens was het uitharken van winterblad, het bijsnoeien van dorre struiken en het opschonen van voor- en zijkant huis met de nieuwe bezems binnen een half uur gepiept. Drie kruiwagens en een volle groencontainer tuinopbrengst, het nieuwe composteren kan beginnen, tatataa! Wilgen, laurier en vogelkers. En oja, de vijver Gwé droeg de grote ladder naarbuiten, Em verzamelde al wat snoeien kan, en ik, ik deelde de lakens uit. En daar begon het grote knotten, het knippen van bevroren heggedelen, het wegbreken van al wat dor en druistig was, het creëren van ruimte, licht en luchtigheid. En bruisen dat het deed! Een verdrukte rabarberplant werd uitgegraven, kruiwagens en kruiwagens blad geruimd, groene paden geborsteld en getrimd, nieuwe waslijnen gespannen, terrassen geschoond en geboend. En in de zon was het zoet rusten en het werk eens aanzien. 'Hier wordt iets groots verricht,' dat was de gedachte die me bestormde. Na de pauze bekeken we de vijver eens, meer niet, want dat is een heel aparte klus. Niettemin leverde het bekijken alleen al geen prettige aanblik op. De vijver was diep en diep in de rouw, want: 'Er dreven zeven kikkertjes in onze boerensloot. / De sloot was toegevroren, de kikkertjes waren dood. / Ze kwekten niet, ze kwaakten niet,van honger en verdriet. / Ze kwekten niet, ze kwaakten niet, van honger en verdriet.' - Al onze zeven kikkers hebben de laatste strenge vorstperiode met de dood moeten bekopen. We waren er met z'n allen best even stil van. Compostbergen. En oja, de moestuin In afwachting van de aanschaf van een versnipperaar bergen wij alle 'tuinafval' (waarvan geen snipper weg mag) op op composthopen, bergen zeg maar gerust. De tuinopbrengst van 10 jaren omwalt onze tuin aan de achterzijde. Ongelooflijk wat je daar in zo'n periode mee opbouwt. Natuurlijk, alles slinkt en klinkt in, maar toch. En ondanks dat veel kan worden hergebruikt als bonenstaak of rijshout, dan nog blijven er bergen over, bergen. Die moesten we maar eens gaan versnipperen om er de perken en paden mee te bekleden, er anderen misschien ook een plezier mee te doen. - Het wachten is op een aantrekkelijke aanbieding van de Welkoop of de Boerenbond. Tot nu toe geven ze weinig sjoege. En dan straks de moestuin natuurlijk nog. Dat is pas echt een ander verhaal. De zes veldjes liggen er nu nog braak en brak bij. Mevrouw B., die daar eigenlijk over gaat, zit zelf ook nog in de lappenmand, dus daar zullen we de Dames Gwé en Em Tuinkabouter nog eens voor moeten uitnodigen. Op korte termijn, want de eerste zaden moeten de grond in. En wat er daarna niet allemaal op ons wacht! Okee, die phacelia krijg ik zelf nog wel gezaaid, maar al dat andere spul: daar moeten specialisten bij komen hoor! En rap 'n beetje! Lentelied In 2006 bracht de Limburgse zanger Gé Reinders een cd uit met de titel 'Blaos mich nao hoes'. In een uitvoering 'met 15 van de beste Limburgse blaosorkesten'. Het bekendste nummer van deze cd is 'Zóndagmorge blaosmuziek', een juweel! Het vrolijkste nummer is misschien wel het hieronderstaande ''t Veurjaor'. De tekst is in het Limburgs, maar als je het hardop leest, best te volgen. Sterker, als je het nummer een beetje kent, begin je vanzelf mee te zingen en te swingen (zeker het refrein). Zozeer, dat je hart er van open gaat. 'T VEURJAOR Mós se nag 'ne jas aan of kin 't al sónger Geweun in 'ne trui mit 'n t-shirtje d'r onger Det vazel zunke sjient mich al hel genóg Ich wil d'r oet, ich wil oppe lóch Om zes oer sjting ich op, toen ginge die veugel al tekeer Die zinge zo sjoon want de aardbeie zin d'r weer Ze zinge Hie is 't veurjaor, 't veurjaor, 't veurjaor Hie is 't veurjaor, 't veurjaor, 't veurjaor De eerste rökzek kómme hie al naeve Op waeg nao Santiago óm det hendje te gaeve Zo geit d'r good, zo geit d'r baeter Nag maar 2285 kilometer Ich wil det ouch mit dich, maar waal 'n angere keer Vandaag fietse veur nao Lin, want de sperges zin d'r weer Hie is 't veurjaor, 't veurjaor, 't veurjaor 't Veurjaor, 't veurjaor, 't veurjaor Ich reej euver Lerop óm 't Leek waal 'ne bevraore druim Euveral in de bongerd Hónge ies-pegels aan de buim 't Kint heel hei vreze in 't Veurjaor, 't veurjaor, 't veurjaor 't Veurjaor, 't veurjaor, 't veurjaor naar boven 26 februari 2012 Bicycle Park Het Nederlandse autopark, voor sommigen dé graadmeter van de economie, is om de haverklap in het nieuws. Nu eens valt de verkoop van nieuwe modellen gruwelijk tegen en moet er een Limburgse fabriek dicht, dan weer zijn de weersomstandigheden van dien aard dat de 130 km/u nergens gehaald kan worden. Korte ritjes moeten misschien zwaarder belast worden, maar eerst moet dat kwartje van Kok terug: de Avondspits met Joost Eerdmans op WNL (radio 1, 18.30 u) staat er bol van. En dan zwijg ik nog over de benzineprijs en de heftig opgevoerde auto-reclames op tv: doodgegooid word je ermee. - Maar... hoe staat het eigenlijk met het Hollandse fietsenpark? Dáár hoor je nooit eens iemand over! NU in de balthasarsblog!!! Met drie uitroeptekens zonder toegevoegde waarde (bijtelling nul). De jeugd doet het met omafietsen Of het nou ochtend of middag is, heel vaak fiets ik temidden van scholieren van of naar de stad. Even vaak ook komen ze me tegemoet, met drieën naast elkaar en altijd het hoogste woord. Dit laatste moet ik nuanceren: jongens fietsen altijd onder het luidruchtigste woord, meisjes praten zachter maar sneller en fietsen nogal 's met één hand aan het stuur van het naastfietsende meisje. Ik zie ook dikwijls een meisje alleen achter de grote groep aanpeddelen, solitaire jongens zie ik minder. Jongens klieren op de fiets, meisjes hebben daar geen tijd voor. Onveranderlijk is de jeugdfiets een vrij instabiel omageval, meestal zonder handremmen maar met fietstassen aan de bagagedrager, en een wiebelend achterspatbord met een kapot achterlicht. Meisjes hebben voorop heel vaak een kratje met bonte versiering; jongens hebben in toenemende mate ook omafietsen met een kratje, maar dan kaal. Meisjesomafietsen zijn softkleurig (groen, roze, lichtblauw). Jongens en meisjes dragen een tas met boeken en ringbanden op de rug, en altijd hangen de draagbanden zo ruim dat de tas zelf op de bagagedrager steunt. En dan die handen: hoog op het slome stuur alsof de berijders braaf opzitten en pootjes geven. 'Sportieve karretjes', zoals wij ze vroeger noemden, met blinkende trommelremmen en een Brooks-zadel, zie ik nooit onder scholieren. Tot mijn achttiende had ik zelf geen fiets; daarna een Eroba Sport waar ik meer dan 10 jaar trots op ben geweest. Zoiets bestaat niet meer. De kinderen van nu rijden op hun voertuig alsof ze willen zeggen: aan een fiets geef ik geen groot geld uit, want zodra ik achttien ben neem ik toch een autootje, he pap? - Ach ja, de jeugd heeft de toekomst, en daarom nemen ze hier nogal wat ruimte in beslag. Ik kan het nauweljks meer bijbenen. Pensionado's op de elektrische fiets Wat ik ook niet meer kan bijbenen zijn de elektriek aangedreven fietsen: je moet nog wel trappen, maar dat gaat heel licht. Op zulke (altijd splinternieuwe!) fietsen zitten ouderen, mijn leeftijd zo'n beetje. En altijd weer rijden ze mij voorbij met het gemak van een lichtgewicht wielrenner in training voor de Tour de France. Alleen hun zithouding verschilt: die is kaarsrechtop, want fietsen kost geen centje moeite, dus 'kijk mij eens peddelen' (kent u die uitdrukking, nog?)! En ze trappen er heel wat kilometertje op los hoor: bij elke uitspanning waar stopcontacten op de terrassen aangebracht zijn, staan de ouderentjes in de rij met hun zilvergrijze quasifietsen voor méér, méér. Ik heb me laten vertellen dat de elektrische fiets nummer één staat op het wensenlijstje van het dievengilde, ik bedoel natuurlijk op het lijstje van de helers. Omafietsen komen op dat lijstje niet voor. Voor achterop de camper: de 'sportieve fiets' Deze dure 'karretjes' zijn de echte showfietsen, ze komen overal zonder er iets voor te hoeven doen. Ze moeten vooral iets aantonen: kijk eens hoe sportief wij zijn, jaja, wij gaan vakantiefietsen hoor. Met onze 12 versnellingen en dubbele trommelremmen, en met een dosis elektronica om letterlijk alles te meten: snelheid, afstand, tijd, hartslag, omwentelingen per minuut, bandenspanning, enzovoort. Veel van deze fietsen verworden via marktplaats.nl tot stadsfietsen, om boodschappen mee te doen - als het lekker weer is en de lente naakt. Balthasar heeft zo'n tweedehandsje, maar dan zonder de elektronica, de linkerbuitenspiegel en de winterbanden. Echt, om boodschappen mee te doen, weer of geen weer. Hij is aan een grote beurt toe, de banden lopen steeds een beetje sneller leeg, de dynamo is stuk, de snelbinders zijn versleten en de versnellingen 1 en 2 (van de vijf) zijn buiten gebruik geraakt. Oja, en daar zou ik ook nog mee op fietsvakantie moeten als het er dit jaar van komt. De vrachtfiets van Wouter Klootwijk De meest lompe zwarte vrachtfiets zonder remmen, versnellingen of standaard staat op naam van Wouter Klootwijk, u weet wel, die verwaaid uitziende man van 'De wilde keuken', met de zwarte jopper onder alle omstandigheden, en de onblusbare neiging tot experimenteren. Toch moeten we respect hebben voor deze man en zijn fiets: samen komen ze overal. Of het nu een onbewoond eiland in de Stille Zuidzee is of het Zuid-Amerikaanse RivierenLand, Klootwijk en zijn MLZV ploeteren door de klei of het rotslandschap alsof ze elektriek aangedreven zijn. En altijd worden ze vriendelijk opgewacht door de man of vrouw 'die ik altijd al eens heb willen spreken' over het bouillonblokje, de roze schildluis, de inbliktechniek van corned beef of de geep als bijvangst. En die verdomde vóór-bagagedrager komt altijd van pas: er valt iedere aflevering wel een geschenk of een aankoop mee te voeren die níet van de bagagedrager valt ondanks het geslinger van Klootwijk. Inderdaad, Wouter Klootwijk maakt een ideaal fietsprogramma waar Floortje Dessing van BNN nog een duurzaam puntje aan kan zuigen. De 'Bicycle Race' van Queen 'Bicycle Race' is op afstand het beste fietsnummer na 'Hoe sterk is de eenzame fietser' van Boudewijn de Groot en 'Als ik tweemaal met m'n fietsbel bel' van Max van Praag. 'Bicycle Race' is het legendarische nummer van de Britse band Queen, en is geschreven door zanger Freddie Mercury. Het werd uitgebracht in 1978 en stond op het album 'Jazz'. De videoclip liet - volgens Wikipedia - een fietswedstrijd zien met tientallen naakte modellen (wat natuurlijk de beoogde commotie veroorzaakte). Voor de gitaarsolo in het nummer is er een solo van fietsbellen. In de tekst worden veel gebeurtenissen uit de jaren 70 aangehaald, waaronder de films 'Jaws', 'Star Wars' en 'Superman', het Amerikaanse 'Watergate'-schandaal en de oorlog in Vietnam. Maar... 'All I wanna do is: Bicycle, bicycle, bicycle!' - Want een autonummer van deze strekking bestaat er (bij mijn weten) niet. BICYCLE RACE Refrain: Bicycle bicycle bicycle I want to ride my bicycle bicycle bicycle I want to ride my bicycle I want to ride my bike I want to ride my bicycle I want to ride it where I like You say black I say white You say bark I say bite You say shark I say hey man Jaws was never my scene And I don't like Star Wars You say Rolls I say Royce You say God give me a choice You say Lord I say Christ I don't believe in Peter Pan Frankenstein or Superman All I wanna do is Refrain: Bicycle bicycle bicycle Bicycle races are coming your way So forget all your duties oh yeah Fat bottomed girls they'll be riding today So look out for those beauties oh yeah On your marks get set go Bicycle race bicycle race bicycle race Refrain: Bicycle bicycle bicycle You say coke I say caine You say John I say Wayne Hot dog I say cool it man I don't wanna be the President of America You say smile I say cheese Cartier I say please Income tax I say Jesus I don't wanna be a candidate for Vietnam or Watergate Cause all I wanna do is Refrain: Bicycle bicycle bicycle naar boven 15 februari 2012 Interregnum Heb zojuist een paar oude blogjes (vooral 2008 en 2009) gelezen, en tja, sommige vond ik best goed, sprankelend nu en dan, met leven en eigen werk erin. Vooral de voorjaarsblogjes (april, oja zeker, april, dat was het) spoten als vers gras de grond uit, die winter is vergangen, van deredomdeine en hupfaldera, kom mee naar buiten allemaal en zie me daar die paardebloemvelden nou toch eens aan! April... maar nu, nu is het nog even februari, een beetje niemandstijd (interregnum!): een elfstedentocht is nog maar nét afbesteld, de vorst zit nog diep in de grond, maar mevrouw B. loopt op krukken haar nieuwe heup uit te proberen. Want 'heup doet leven,' zoals vriend B. ons onlangs mailde. En ja, 'm'n nieuwe heup zit gebeiteld', repliceerde mevrouw B. gevat. Nog 'even' revalideren en dan kan ze weer 'alles' aan. Kortom: we moesten in 2012 maar eens vroeg aan het voorjaar beginnen, nieuw leven, perspectief, uitzicht met zandkorrel. - Toepasselijk gedicht: 'Die winter is vergangen', uit de blokfluitbundel van James Arden, De jonge blokfluiter - Mijn tweede leerboek, Muziekuitgeverij IXIJZET, Amsterdam [z.j.]. DIE WINTER IS VERGANGEN Die winter is vergangen. Ik zie des Meien schijn. Ik zie de bloemkens hangen. Des is mijn hert verblijd. Zo ver aan genen dale daar is't genoeglijk zijn. Daar zinget die nachtegale als menig woudvogelijn. Maar eerst moeten we nog even pet en hoed afnemen voor de Poolse dichteres Wislawa Szymborska, die op 1 februari jl. op 88-jarige leeftijd in haar slaap overleed. Ik heb de afgelopen jaren menig keer een gedicht van haar in de balthasarsblog opgenomen, steevast afkomstig uit de Nederlandse verzamelbundel Uitzicht met zandkorrel (vertaling Gerard Rasch). Szymborska kreeg in 1996 de Nobelprijs voor de literatuur. En hoewel ze in haar hele leven slechts zo'n 350 gedichten publiceerde, was ze wereldberoemd en zeker in Nederland erg 'geliefd'. Van de verzamelbundels Uitzicht met zandkorrel en Einde en begin alleen al werden zo'n 100.000 exemplaren verkocht. Haar gedichten zijn bijzonder toegankelijk, nieuwsgierig, optimistisch en staan op Wikipedia te boek als 'speels', 'ironisch' en 'verrassend'. - Ik citeerde van haar o.a. 'Gesprek met een steen', 'Theaterimpressies', 'Gelukkige liefde', 'Recensie van een ongeschreven gedicht', 'Het getal pi', 'Uitzicht met zandkorrel', 'Het korte leven van onze voorouders', 'De eerste foto van Hitler', 'Het schrijven van een c.v.', 'Hemel', 'Einde en begin', 'Een kat in een lege woning', 'Niets cadeau'. Ik zou zeggen: lees (nog eens) de bundel Uitzicht met zandkorrel of Einde en begin, je zou er bijna Pools voor gaan leren! - Toepasselijk gedicht voor vandaag: 'De drie wonderlijkste woorden', uit de verzamelbundel Einde en begin (vertaling Gerard Rasch), Meulenhoff/deVolkskrant, 1999. DE DRIE WONDERLIJKSTE WOORDEN Wanneer ik het woord Toekomst uitspreek, vertrekt de eerste lettergreep al naar het verleden. Wanneer ik het woord Stilte uitspreek, vernietig ik haar. Wanneer ik het woord Niets uitspreek, schep ik iets dat in geen enkel niet-bestaan past. Op 28 december jl. besteedde ik in de balthasarsblog enige aandacht aan de nieuwe dichtbundel van Frank Koenegracht, Lekker dood in eigen land, en sindsdien citeerde ik daaruit de gedichten 'Epigram' ('Mijn vriend kocht een mechanisch vogeltje') en 'Brief aan mijn moeder' ('Moet je horen, mamma, luister je?'). En ik beloofde dat ik daar dit jaar nog eens duchtig aandacht aan zou besteden. Zo gezegd zo gedaan: ik stelde een 'Dossier Frank Koenegracht' samen voor ons leesclubje hier, en daagde de leden uit om zelf een gedicht in de geest van Koenegracht te schrijven, t.w. 'een bedrieglijk eenvoudig feitelijk gedicht, over een concrete gebeurtenis of voorstelling, met een onverwachte pointe, het liefst in spreektaalstijl'. De eerste reacties van leesclubleden waren enthousiast, ze hadden er funeraal veel zin in! Tot ik van een lid een mailtje kreeg met de noodkreet dat het boekje nergens te krijgen was wegens 'tijdelijk niet leverbaar'. Dus ik bel meteen de afdeling Verkoop van Uitgeverij De Bezige Bij en ik vraag hoe het zit. - De bundel is in herdruk meneer. Volgende week hopen we te weten wanneer het boekje weer leverbaar is. We denken aan 'weken'. - Goed, meneer Bij, dan bel ik u volgende week nog even terug over de precieze data, want ik moet weten of onze leden vooruit kunnen met hun voorbereidingen op onze bespreking in april. Nou, als dat geen succes is: de tamelijk onbekende dichter/psychiater Frank Koenegracht komt in november 2011 met een nieuwe bundel gedichten en tekeningen, en binnen twee maanden moet de boekhandel nee verkopen, een díchtbundel! Enfin, 100.000 exemplaren van zijn dichtwerken zal ie niet verkopen, onze Koenegracht, maar het is toch leuk dat onze leesclub zo dicht op het spoor van een nieuwe ster zit. - Toepasselijk gedicht hier: 'Epigram', uit de bundel Lekker dood in eigen land, De Bezige Bij, 2011. EPRIGRAM Als je dood bent op een dag blijven de lampen rustig in hun fittingen en ook de wc kan je gewoon doortrekken. Wel voorzichtig want het vlottertje werkte al niet goed. Alles doet het nog: bijvoorbeeld de overdrijvende wolkenvelden en de matige tot krachtige tijdelijk harde tot zeer harde wind uit uiteenlopende richtingen. Bij de opdracht die ik mijn leesclubleden gaf, kan ik natuurlijk niet achterblijven. Zie daarom de 'ready made' hieronder, 'in de geest van Koenegracht'. Maar eigenlijk is het natuurlijk ondoenlijk om jezelf in één blog te plaatsen met dichters als Szymborska, Koenegracht en de Jonge Blokfluiter. Edoch, niet versaagd, de lente naakt (zoals de Comedian Harmonists vóór 1940 al zongen: 'Veronica, der Lenz ist da, die Mädchen singen tralala'). READY MADE Bij de recensie van de theatervoorstelling ‘Woest water’ stond een foutief foto-onderschrift. (Vkr, 27/12/11) Op de foto staat niet Gijs Naber als jongen Sil, maar Lukas Smolders als zeekoe. (Aanvullingen en verbeteringen, 29/12/11) Ik denk dat Gijs en Lukas echt niet blij zijn met deze correcties. naar boven 8 februari 2012 De nieuwe heup - 2 In de arm Drie jaar geleden liet mevrouw B. dan eindelijk heupfoto's maken. 't Was niet best gesteld met het kraakbeen op de gewrichten, en de ruimte tussen de heuponderdelen was flink geslonken, aan beide zijden. - 'Opereren dus maar?' - 'Dacht het niet!' sprak mevrouw B., 'eerst maar 's aangepaste fysio doen, en flink wat bewegen...' Maar intussen kwam ze wel steeds vaker bij mij in de arm lopen om de pijn te vermijden. En dat hield ze zo'n 2,7 jaar vol. Toen begon de pijn bij lopen en liggen welhaast exponentieel toe te nemen. En nu draait sinds een maand het circus-van-de-nieuwe-heup dus op volle toeren: ziekenhuisopname, opereren, een nieuwe heup inzetten (aan de rechterkant omdat ze daar het meeste last ondervond), en tenslotte: revalideren maar. Zoals ik al eerder meldde gaat dat bij elkaar toch algauw zo'n maand of vijf, zes duren. - 'En dan straks ook nog de linkerheup?' - 'Dat zit nog,' spraken de orthopeed, de fysiotherapeut, en inmiddels ook mevrouw B. in koor, want misschien is dat niet nodig. Dus hoop ik dat mevrouw B. niet over een tijdje bij mij aan de linkerkant in de arm komt lopen... tenzij dat 'op vrijwillige basis' gebeurt natuurlijk, dan graag! Kop in kom Toen de afspraak voor de operatie eenmaal gemaakt was, ging het pijlsnel. Voor ze het goed en wel besefte, lag mevrouw B. aan de papegaai in het ziekenhuisbed. Met een heupwond van bil tot dijbeen van zo'n 30 centimeter. Die opening was nodig om de heup 'vrij te leggen', de kop van het heupgewricht af te zagen, de titaniumprothese in het dijbeenbot te hameren, en de kunststofkom in het bekken te nestelen. Het enige wat de patiënt daarna nog hoeft te doen, is voorkomen dat de kop uit de kom schiet voordat het gewrichtskapsel voldoende hersteld en aangegroeid is. Een gigantische opdracht die samengevat kan worden in de 90 graden-regel: voorkom te allen tijde (en dat minimaal 6 weken lang) dat de hoek tussen bovenlijf en dijbeen kleiner wordt dan 90 graden. Daarover krijg je uitgebreide voorlichting met talloze praktijkvoorbeelden. ('Je zit rechtop aan tafel en wilt de krant pakken die 50 centimeter van je vandaan ligt. Je helt licht voorover, en... je zit fout!') Oftewel: je kunt voorlopig een heleboel niet meer, je hebt vooral in het begin een hulpcoach nodig, en je moet een offensief ontketenen naar praktische oplossingen (toiletverhoger, superlange schoenlepel, spullen in de kleerkast louter op horizontale reikhoogte, voordeur niet op het onderslot maar op het bovenslot, enzovoort enzoverder). Oja, en pas als je trappen kunt lopen met één kruk, mag je naar huis. Maar wel binnen vijf dagen, want dan is je bed nodig voor de volgende lichting strompelaars. Rugslaap Een aparte kriem is dat de heupgeopereerde uitsluitend op de rug (of op de buik, maar er zijn er weinig die dat kunnen) mag slapen, dus niet op de linkerzij noch op de rechterzij om 's even lekker knus in elkaar te kreukelen. Daar wordt de ouder wordende mens extra stijf en moe van. Na elke plasbeurt dus maar even lopen met de stok, en wat kleine oefeningetjes draaien. En dan weer proberen ongeschonden in bed te komen: het 'goede' been onder het spierverlamde been in gestrekte houding, een mooie draai naar rechts, en nu nog even het gewonde been in de juiste spreidstand zien te brengen. Met de helping hand (grijper van een meter lang, en anders een karweitje voor de coach) het dekbed over je heen zien te krijgen, en dan maar mooi en braaf stilliggen op de rug. Hèhè..., en (terecht) nog eens hèhè. En dan de volgende ochtend: - hoe krijg ik m'n bedsokken uit? - hoe was ik mijn benen, m'n voeten? - hoe doe ik m'n onderbroek aan? - en m'n huisbroek? - hoe krijg ik m'n kousen aan? - en jee, die telefoon haal ik zo snel niet - en o, wat zou ik graag eens even op de bank gaan liggen - maar dat kan niet! - maar gelukkig, daar is de fysiotherapeut. Wat?! Moet ik al naar buiten? Maar dat durf ik nog helemaal niet. Carnavalskraker Bij het schrijven van dit stukje zat het alsmaar in m'n hoofd: het refrein van de Bossche carnavalskraker uit 1973 van Antoine Uitdehaag (jazeker, dezelfde als die beroemde toneelregisseur) en Jan Tervoort: 'Komde gij aon munnen errum?' (In gewoon Nederlands: 'Kom je bij mij in de arm?') - Okee, achter die carnavalsvraag zat natuurlijk een hele andere gedachte dan het ontwijken van een heupprobleem. Maar toch, ik heb het altijd een heel sympathiek liedje gevonden, en de eerste twee regels mag ik nog altijd graag kwelen 'als het zo te pas komt'. - En oja, die twee, Uitdehaag en Tervoort, vormden toentertijd de cabaretgroep 'Hoeraak'. Vind ik ook nog steeds mooi gevonden, en het komt hier wel 'te pas', niet? (En laat u door dat min of meer Bossche dialect niet uit het veld slaan, er zit niet één moeilijk woord bij!) KOMDE GIJ AON MUNNEN ERRUM? Refrein: Komde gij aon munnen èrrum, want bij jou voel ik me wèrrum. Ik loop zo lang te snakke, maor nou heb ik jou te pakke. Het hele jaar al dat gekèrrum, ge hoort alleen nog maar ochèrum. Maor nou word ik subiet een bietje wèrrum, komde gij aon munnen èrrum. naar boven 30 januari 2012 Eefde IJssel VAN ONZE CORRESPONDENT / EEFDE - De laatste tijd bijna dagelijks in het nieuws: de kapotte sluis in het Twentekanaal bij Eefde, bij de Balthasars om de hoek. In de nachtelijke ochtend van 3 januari 2012 kwam daar een van de sluisdeuren met apokalyptisch geraas naar beneden gedonderd, ketting gebroken, Leiden in last. Wat zeg ik, heel goederenvervoerend Oost-Nederland ligt sindsdien plat. En na ruim drie weken onderzoek weet Rijkswaterstaat het nu zeker: de reparatie gaat nog minstens acht weken duren, want er zijn geen sluisdeurkettingen in voorraad, die moeten op maat en met de hand gemaakt worden. Er worden noodmaatregelen getroffen, veiligheidshalve voor een half jaar. - Het gemor over de onhoudbare toestand in het Twentekanaal heeft nu ook de minister van verkeer en waterstaat bereikt. Of ze er maar voor wil zorgen dat die tweede sluis bij Eefde, waar nu al jaren over gepalaverd wordt, als de sodemieter in uitvoering genomen wordt. De minister beraadt zich, heet het, terwijl de ondernemers hun advocaten laten uitzoeken wie er voor de miljoenenschade op gaat draaien. - Jaja, Eefde, waar Twentekanaal en IJssel samenvloeien, staat weer op de kaart. En dat is voor het eerst sinds de afschaffing van het radio-ochtendprogramma 'De waterstanden van hedenochtend' (1934-1996). Plaats delict Wie precies wil weten hoe het allemaal zo gekomen is, en wat de stand van zaken vandaag is, die googlet dat in vijf minuten bij elkaar, inclusief filmpjes en reacties. Zelf hou ik daarnaast de regionale pers in de gaten, voor de grimmige geruchten en de wanhopige verhalen van gedupeerden. Maar persoonlijke inspectie, daar gaat toch niets boven. Zo kwam ik zeer onlangs 'voor ene korte wandeling naar Almen' rond half elf nog over de sluis. De drukte aan 'baasjes' en andere werkmensen (en het bijbehorende aantal auto's, busjes, sleden, trucs, zandwagens, shovels, enzovoorts op plaatsen 'die vrijgehouden moeten worden op last van de brandweer') is voor de zoveelste keer fors opgevoerd. De rode noodkraan die ze inmiddels in elkaar gezet hebben, stelt het Weense Riesenrad met gemak in de schaduw. Hier gaan ze de gevallen sluisdeur (90.000 kilo) dus provisorisch mee op en neer hijsen om de 42 voor de sluis wachtende schepen 'te bevrijden'. De kraan met zijn drie wijduitstaande vleugels mag dan enorm zijn, hij ziet er tegelijk meccano-fragiel en breekbaar uit. Opgevouwen past hij met gemak in de lege waterbak van de sluis (140 x 20 x 10 m). Ik ben benieuwd hoe lang die kraankettingen het gaan houden. Ik zag ook dat de firma Boels ('Wij verhuren alles') onlangs een pipowagen naast de brug gestald heeft met een 'Hier inschrijven'-loket. Waar dat loket voor dient is voor de argeloze burger niet te achterhalen, want toen ik me ook maar eens wilde melden bleek het loket gesloten. En de crowd aan 'baasjes' had het te druk met elkaar om ook mij nog eens te woord te staan. (Wordt vervolgd, want de brug over de sluis is nu ook voor voetgangers weer voor een week gesloten 'wegens werkzaamheden'. Ja, dat haalt je de koekoek.) Meervoudige moord? Auto's kunnen sinds 3 januari niet meer over de sluis naar Eefde. Dat scheelt weliswaar veel sluipverkeer, het scheelt ook flink wat klanten bij de acht winkelbedrijven die Eefde rijk is: de bloemen, de bakker, wereldwinkel, drogist, vissersport, kapper, fysiotherapie, benzinepomp, Café restaurant 'De Sluis' en wellicht ook de C1000 betalen een flinke prijs voor de toeristische trekpleister die de werkzaamheden rond de sluis natuurlijk ook zijn. Maar die toeristen komen allemaal van één kant: uit Eefde zelf! Okee, dat restaurant mét aangelegen friettent kan zich misschien net redden, de drogist, de pomp, de kapper en de bloemist verkopen inmiddels tot 40% minder. Daar gaan klappen vallen, mensen! Dus ook daar 'beraadt' men zich, hoewel het ongetwijfeld op 'force majeur' en 'ondernemersrisico' uit gaat draaien. - Eefde opnieuw op de kaart of Eefde opnieuw van de kaart? Feit is dat het water de winkeliers aan de lippen staat, een mix van Twentekanaalwater en IJsselwater. - TOT ZOVER ONZE CORRESPONDENT TE EEFDE. Naschrift van de redactie Hoewel wij naarstig gezocht hebben naar een aantrekkelijk gedicht over de perikelen rond de sluis van Eefde, zijn wij daar tot op heden niet in geslaagd. Wel stuitten wij natuurlijk op het befaamde 'Radiobericht' van Ida Gerhardt, uit haar bundel Het levend monogram (1955). Ware de calamiteit te Eefde de calamiteit te Grave geweest, voilà, dan zou heel Nederland zijn berichtgeving over de sluis en de gevallen deur gelardeerd hebben met dit 'radiobericht' uit 1955. Dat wij dat hier en nu ook doen is terecht en vanzelfsprekend: Ida Gerhardt was tientallen jaren een Eefdese, woonachtig aan de Deventerweg, en idolaat van de IJssel. En ware het gedicht over Grave niet over haar prilste jeugd gegaan, dan had ze later ongetwijfeld een dergelijk gedicht over de sluis van Eefde geschreven. Dat althans is de mening van: KEES KLEP, EENMALIG HOOFDREDACTEUR VAN DE EEFDESE KOERIER. RADIOBERICHT Te Grave beneden de sluis voorbij de zware deuren mag mij het water sleuren en kantelen met geruis. - Grave beneden de sluis. 'Wij geven de waterstand.' O God, hoe kon het gebeuren - gesloten het venster, de deuren, gebannen uit liefde en huis. - Grave beneden de sluis. 'Wij geven de waterstand.' Grave, dat is groen land en water, dat draagt mij thuis. 'Grave beneden de sluis.' Grave, beneden de sluis. naar boven 21 januari 2012 Joint care De afgelopen weken is Huize Balthasar door twee vileine gebeurtenissen overvallen. Gebeurtenissen die de voorspellende waarde van de voorgaande balthasarsblog meteen tot nul reduceerden. 1. Door een vermoedelijke hackersactie was het niet mogelijk om met nieuwe tekst op de site van De Zeepkist tot het internet door te dringen. De blog van 9 januari was daardoor pas op 19 januari zichtbaar. - Ergerlijk, maar overkomelijk. 2. Mevrouw B. werd door de orthopeed 'veroordeeld' tot de aanschaf van een nieuwe rechterheup. Wat nogal wat gedoe en consternatie teweeg bracht en brengt in de wigwam van de Balthasars. U begrijpt dat. Aan 1 maak ik verder geen woorden vuil, omdat ik de achtergronden daarvan totaal niet begrijp. Aangaande 2 zal ik u op de hoogte brengen van de rol van de 'coach', want dat ben ik vanaf deze week voor mevrouw B. Mevrouw B. zelf wou ik maar liever in de luwte laten, te druk met het oefenen van lopen met twee krukken. De patiënt We zaten aan het bureau van de orthopeed, en kregen de gemaakte bekkenfoto's uitgelegd: verdwenen kraakbeen, geslonken tussenholtes, wilde botaangroeisels - allemaal oorzaken van de ondervonden pijnen. En geen kans op verbetering of genezing, alleen vervanging van de heupkoppen en -kommen kan uitkomst brengen. Zodra je daar ja tegen zegt, ben je patiënt. En mevrouw B. zei ja. We hebben nog een plaatsje over twee weken, we werken uitsluitend in joint care (groepsaanpak, jaja, een modern ziekenhuis gaat met z'n tijd mee, ook op talig gebied), en u hebt een coach nodig. U verblijft samen met drie andere patiënten vier à vijf dagen in het ziekenhuis, tot u zich zelfstandig kunt bewegen, inclusief de trappen op en neer. En thuis moet er ook het nodige geregeld worden. Dat gaat de assistente u allemaal haarfijn vertellen, Bovendien krijgt u enkele 'boekwerken' mee waar alles maar dan ook alles in staat. Het beste met u mevrouw, meneer. Ach, ik zou dit verhaal net zo lang kunnen maken tot u zich zelf een patiënt waant. Maar ik geef er de voorkeur aan om u de komende weken steeds wat kleine brokjes toe te werpen, tot het beeld min of meer compleet is en u weet wat u te wachten staat mocht u zelf ooit bij een heuppatiëntschap betrokken raken. De coach Bij 'coach' denk ik altijd meteen aan een strenge baas met een titel uit het vroegere welzijnswerk. Iemand kortom, die het voor het zeggen heeft en net doet of de ander ook mee mag praten. Maar ik zit er weer eens naast. De moderne 'coach' is een ziekenhuisterm voor de klusjesman, het manusje-van-alles, de regelneef desnoods of de oppasser van de patiënt. Als hij (of zij natuurlijk) er maar voor zorgt dat de patiënt (die zelf even niets tot heel weinig uit kan voeren) zich op alle wenken bediend weet: kousen aantrekken, potje koken, wc'tje schrobben, wasje draaien, pen en boek aanreiken, helping hand kortom in optima forma. Dat begint al met de voorbereidende beschietingen in het ziekenhuis, als er dus nog helemaal niet gezaagd, geotterd en geboord is: mee naar alle voorlichtingssessies, kennismaken met de andere joint care-patiënten en hun coaches, prik- en plaspoli, kruk- en trapoefeningen. Behalve dat je thuis voor 'alles' moet zorgen, moet je ook op het ziekenhuishuiskamerwhiteboard noteren wanneer je team-dienst hebt, aan- of afwezig bent, en altijd waar je bereikbaar bent. Al met al komt het nu wel bijzonder goed uit als je als coach alle huishoudelijke en helping taken in de vingers hebt. De tweede coach Ja, op de formulieren moet je ook melden wie er als 'tweede coach' in het groepsgenezingsproces zal optreden, iemand dus die de 'eerste coach' in voorkomende gevallen kan vervangen. Wij zijn er gelukkig in geslaagd om zo iemand te vinden, onze bovenstebeste overbuurvrouw J., wat zouden we moeten zonder haar? - Wat je ermee aan moet als je een eerste noch tweede coach in de aanbieding hebt? Dan is de patiënt veroordeeld tot verpleeg- of opvanghuis! Inmiddels is onze tweede coach al behulpzaam geweest bij het ophalen van toiletverhogingen (die zag ik me nog niet per fiets om de nek hangen) en ziekenhuiskrukken. Want o, o, o wat een gelukkie dat onze 'tweede man' een auto heeft, en bereid is om die in te zetten! Ook handig als de patiënt uit het ziekenhuis komt, of er weer eens 'even' heen moet. (Wist u trouwens dat het heel handig is om een plastic zak op de bijrijdersstoel te leggen? Dan kan de heup-patiënt gemakkelijk de auto in en uitdraaien!) En daarna... Zes weken op krukken, dan drie maanden nader revalideren, en na pakweg 'n halfjaar-totaal moet de patiënt patiënt-af zijn: volledig hersteld en weer actief op alle fronten. Tja, en dan moet die andere heup dus nog. Of niet? Dat maakt 'de patiënt' zelf wel uit. Als die geen ja zegt, gebeurt het niet. We wachten het voorlopig rustig af. Tot die tijd hebben we wel wat anders aan ons hoofd, heup, handen. Maar we zijn vol goede moed, en als altijd in voor een goed gedicht. Dat komt deze keer van Frank Koenegracht, met een 'Brief aan mijn moeder' (uit de bundel Lekker dood in eigen land). Het is een ontroerend gedicht waarin de dichter zijn moeder wijst op een aanbieding van de thuiszorg. Laten we het opdragen aan die patiënten die zelf geen eerste en/of tweede coach voorhanden hebben, en op andersoortige hulp aangewezen zijn. Het gedicht ontzet en troost tegelijk, vindt u niet? BRIEF AAN MIJN MOEDER Moet je horen, mamma, luister je? Ik lees hier over een aanbod waarbij zeer oude moeders met meestal zeer oude zonen die om niet tastbare redenen niet meer bij ze willen slapen een zwaan ter beschikking wordt gesteld door de thuiszorg. Het gaat om Hollandse zwanen. Ze zwemmen overdag rond, maar 's avonds worden ze opgeborgen in prachtige vitrines. Ze worden thuisbezorgd en in je bed gelegd. Ze slaan hun linkervleugel om je heen: dat is tegen angst voor duizeligheid en ze leggen hun snavel op het andere kussen: dat is tegen eenzaamheid. 's Ochtends worden ze weer opgehaald. Nou, doe het maar, mamma. Je bent er immers voor verzekerd. naar boven 9 januari 2012 Van Nieuw naar Oud Bij het begin van alweer het zevende balthasarsblogjaar lijkt het me aardig om eens van nieuw naar oud te kijken, om te zien wat ons te wachten staat tot aan 31 december 2012 aan toe. Ik doe dat aan de hand van een paar prangende data, te beginnen met 31 december. 31 december 31 december? Maar dat hebben we toch net gehad? Ja, kijk, dat zit zo. Ik heb een zus die op oudjaar jarig is, 31 december, als niemand tijd, zin of gelegenheid vindt om naar haar feestje te gaan, u kent dat wel, oliebollendag, Joep van het Hek alreeds geprogrammeerd, geen treinen in de avonduren en de naaste buren alvast voor middernacht uitgenodigd, nee, dat is geen dag om iemands verjaardag te gaan vieren. Daar klaagt mijn zus dan ook haar hele leven al over, dat haar verjaardag niet meetelt, dat zij zodoende wel steeds ouder wordt maar nooit 's in het zonnetje staat. Terwijl alle anderen (broers, zussen, kinderen, dikke vrienden) altijd wel hun verjaardag kunnen vieren, volop in de belangstelling staan en (veel) cadeautjes krijgen. 5 augustus bijvoorbeeld vindt ze zo'n dag (zus M wordt 79), of 6 mei (broer J wordt 70) of 30 augustus (broer T wordt 83). Maar 31 december? Nee. - En daarom begin ik dit vooruitzicht met 31 december, ik begin met mijn oudjaarszusje eens in de verjaardagsspotlights te zetten, een feestje voor haar op 9 januari in plaats van op oudjaar 2012 als ze 76 wordt. Dat wordt dus zingen van: Haal de vlaggen van de zolder, / trek je beste spullen aan, / want ons M. die is jarig / en we komen allemaal! - Zo goed, Mien, voor dit jaar dan? 7 juni Elke eerste donderdag van de maand loopt ons clubje 'VoetVolk GoedVolk Sinds 2001' een dagwandeling van ongeveer 15 km door Nederlandse bossen, beemden en velden. In een straal van grofweg 150 km rond Zutphen. Nu eens in de Achterhoek, dan weer in Limburg, soms in Brabant, Utrecht of aan de kust. Dat doen we nu al ruim 10 jaar, 120 VoetVolk-wandelingen schat ik, maal 15 km (gemiddeld): wij hebben er inmiddels al zo'n 1800 VV-kilometers opzitten! En dan vergeet ik gemakshalve nog de verkenningstochten die mevrouw B. en ik 'door de maand' voor het VV maken, en alle andere tochten om ons lijf lenig of vrienden te vriend te houden. Beslist, die 1800 VV-kilometers kan ik voor onszelf gerust met 3 à 4 vermenigvuldigen, zeg zo'n 6000 à 6500 wandelkilometers in de afgelopen 10 jaar, 3 paar wandelschoenen tot nu toe, 400 wandelingen à gemiddeld 50 treinkilometers (20.000 km) en 2 pleisterplaatsen per keer (800 restauraties minimaal), om een beetje moe van te worden doch fit te blijven, niet? Per VV-wandeling zijn er zo'n 7 lopers, de leeftijd schat ik gemiddeld op 60 jaar, doorgaans is het droog en goed wandelweer (2% regendagen), de vertering kost een tientje per man per keer behalve als we ons na een warme zomerwandeling na afloop tegoed doen aan een biertje en een snackje op een zonnig terras in Zelhem of daaromtrent. - Een keer per jaar (op de VV-verjaardag: de eerste donderdag van juni) organiseren wij een 'jubelwandeling' ergens in het land, met officiële lunch en nazit. Daar lopen gemiddeld zo'n 20 mensen in mee. Dit jaar valt feestje nummero 11 op donderdag 7 juni 2012. 23 september Zutphen kent al 7 jaar lang een spectaculair 'huiskamerfestival'. Kleinkunst in de breedste zin van het woord, zolang het maar te doen is in een historisch Zutphens binnenstadspand. Op zo'n festivaldag kom je op ten minste 6 verrassende lokaties: trap omhoog, trapje omlaag, trap buitenlangs, provisorische bühne, geleende stoelen, mini-opera met kostuums, brutale roodkapjes op zolder, mini-opera zonder kostuums, percussiegeweld in de loft van de wethouder, elektriciteitsbuisbeesten, zwartwitfilm met explicatie, Boy Edgar-prijswinnende saxofonisten, parketballet, klavecimbelgeweld (in de werkplaats van de klavecimbelbouwer), Leine, Jan Rot op de woonboot, 6 keer andere kunst aan de wanden, trotse pandjesbazen, spinaziesoep in het advocatenkantoor. En natuurlijk ben ik benieuwd wat er dit jaar allemaal te kiezen valt. Het bestuur van het 'Huiskamer Festival Gast in Zutphen' (Suzanne Hoyink, Tom de Ridder, Laetitia Glaubitz, John Lith en Elma Strijks) schrijft mij in hun laatste mail: "Met genoegen kijken wij terug op het uitverkochte festival van 2011. De voorbereidingen voor de 8de editie zijn in volle gang. Contacten met veelbelovende artiesten zijn gelegd en we bruisen van de ideeën om u ook in 2012 weer te kunnen verrassen met een spannend programma." - Het volgende 'Huiskamerfestival Gast in Zutphen' vindt plaats op zondag 23 september 2012. Echt iets voor onze Middelburgse vrienden, die inmiddels al toegezegd hebben. 6 januari Ik eindig vandaag maar eens met het gedicht Op mijn 72ste, van de inmiddels 82-jarige Remco Campert. Een relativerende waarschuwing tegen al te driest pessimisme van 70-minners. 'Nieuwe herinneringen' heet de bundel waar het gedicht uit komt. Kijk, en dat vind ik dan weer zo optimistisch van die Campert. Alsof je op je 70-ste voor de zoveelste keer opnieuw kunt beginnen, en daarna op je 75e, op je 80-ste, enzoverder tot aan de 100-min of misschien daar nog wel overheen. Optimist tot in de kist, dat lijkt mij ook wel wat! Nu nog even waar maken. - En oja, op 6 januari jl., Driekoningen, werd ik zelf 72. Echt. OP MIJN 72STE Zal ik steeds vaker snotteren als bij zoet sentiment in de bioscoopzaal haar ogen breken haar hand laat los de camera zoomt uit het doodsbericht van onbekenden hooguit een keer in de verte gezien of over gelezen in de krant kan me al ontroeren nu ik voor mijn doen natuurlijk! oud ben en besef hoe dun het koord was waarop ik feestelijke salto's maakte nog loop ik met tragere benen over de blakerende landweg sta stil bij het heldere water van de beek van vroeger toen ik alles wist wat er te weten viel naar boven 28 december 2011 Van Oud naar Nieuw Van Oud Dit wordt het veertigste en laatste balthasarsblogje van het jaar 2011. Januari begon dapperdapper met 'Hoe ik mijn verjaardag vierde' (valpartijen op glibberend ijs, warmhartig brouwerscafé met in bierbeslag gefrituurde patatten), vorige week schreef ik tot slot van het jaar over het gesjochte kerstkonijn 1954 en over mijn vader op zijn ene vrije dag per jaar. Tussendoor kochten we 'even' een nieuwe televisie, werd ik aan staar geopereerd (beide ogen!), en ontmoetten mevrouw B. en ik Anton Tsjechov in augustus 'op het land'. Ach, bekijkt u zelf de volledige lijst 2011 in de linkerkolom hiernaast eens - niet omdat er een echte reden voor zou zijn, maar gewoon omdat iedereen zich toch weleens wil hernemen aan het einde van het jaar? Of herleest u anders eens de acht gedichten die ik dit jaar citeerde uit de prachtuitgave Buddingh' gebundeld (Nijgh en Van Ditmar, 2010, 1120 pagina's!). Een echte aanrader! Vooruit, voor de echte liefhebber zal ik ze hier even noemen, alle acht: Nieuw partijlied / Poëzie no easy job / Boodschap / Vandaag eens geen gedonder aan mijn hoofd / Ha, wat tintelde dat! / Are we downhearted? Not we / Geen schaartje / Weggooivers voor Reg ten Zijthoff. - Wat een titels! Wat een dichtwerk! En dan zijn er natuurlijk nog die andere zesendertig gedichten (waaronder enkele van Balthasar zelf, zei hij bescheiden). Jaja, deze blog bezorgt u elk jaar (naast de faits divers uit het leven van een gepensioneerde letterknecht) ook nog eens een volledige poëziebloemlezing aan huis, 'helemaal gratis!', niet gek toch? naar... Aan het einde van 2010 wenste ik u dat 2011 maar goed mag beginnen én goed mag eindigen! Op deze wens kreeg ik verscheidene reacties, waarvan de aardigste misschien wel van die van W. en B. uit H. is. B. schreef me: 'Al sinds geruime tijd zijn W. en ik trouwe lezers van de balthasarsblog. We hebben nog niet eerder gereageerd, maar vanmiddag zei W. naar aanleiding van de volgende zin: "U wens ik dat 2011 maar goed mag beginnen én goed mag eindigen!", dat we toch maar eens moesten laten weten dat we de wedervaren van de familie B. in tuin en omgeving altijd met genoegen volgen en ons daar heel precies bij kunnen voorstellen hoe dat allemaal gaat. De geciteerde zin kunnen wij boemerangsgewijs vanuit H. retourneren naar E. Helaas maken wij (en dat zal voor jullie ook wel gelden) tegenwoordig te vaak mee dat het begin nog wel deugt, maar dat het einde soms zelfs niet gehaald wordt.' - Dat laatste werd vrijwel meteen daarna de harde waarheid voor mijn oudste zus, die inmiddels al een klein jaar in haar 'Droomland' (zie 4 februari 2011) verkeert. En dan was er ook nog buurman Eppe natuurlijk - die met dat litteken van navel tot kin, dat iedereen mocht zien ook als je dat niet echt wilde - die als Berend Botje met stille trom vertrok en nooit weerom kwam. Om Guido Gezelle nog maar eens te citeren: Is ‘t daar al meê? Ja ‘et. (Is daarmee alles gezegd? Ja.) Nieuw Zoals bekend ('Een woensdag in oktober', 18/10/2011) bezochten wij onlangs de overzichtstentoonstelling 'Even terugschouwen' van de Belgische schilder Roger Raveel. De 90-jarige Raveel is ervan overtuigd dat zijn kunst het nog wel een eeuw uit zal houden. Een van zijn 'schilderijen' bij voorbeeld is een drieluik met spiegels, een raampartij en een levensechte vogelkooi. In die kooi zitten twee gele kanaries. Veel bezoekers proberen die kanaries tot zingen te verleiden door zelf voor de kooi te gaan staan fluiten. Ja, denk ik dan, die kunst zal overleven. - Of dat ook het geval zal zijn met de dichtkunst van Frank Koenegracht, dat zou ik (nog) niet durven zeggen. Twee weken geleden kocht ik zijn nieuwste bundel 'Lekker dood in eigen land' (De Bezige Bij, en wat mij betreft alvast een nominatie voor de mooiste titel van 2011/2012!). Het hart van het boekje wordt gevormd door 16 schitterende tekeningen (eigen werk van multitalent Koenegracht). Op de andere pagina's staan 30 gedichten, die ik nog grondig moet lezen, maar waarvan ik al wel het oordeel van Piet Gerbrandy kan volgen. Die schreef over Koenegracht in de Volkskrant: 'Dat is wat bij veel van deze gedichten gebeurt: je schiet in de lach en voelt tegelijkertijd een steek in de onderbuik, een soort kramp die veroorzaakt wordt door een mengeling van schrik, pijn en plaatsvervangende schaamte.' Ja, mensen, aan Koenegracht gaan wij denk ik volgend jaar eens duchtig aandacht besteden. Hieronder alvast het gedicht Epigram, over 'een mechanisch vogeltje / uit China ter grootte van een mus'. Een hilarisch maar ook schrijnend gedicht om de drempel van het jaar 2011 naar 2012 mee over te gaan! - En jazeker: "U wens ik van harte dat 2012 maar goed mag beginnen én goed mag eindigen!" EPIGRAM Mijn vriend kocht een mechanisch vogeltje uit China ter grootte van een mus en zette het volgens voorschrift in een kooi, waar het voortaan zou wonen en zingen. Het aardige, nu, van dit vogeltje was dat het alleen zong bij lawaai. Als je in je handen klapte begon het te kwinkeleren, maar ook bij deuren dichtgooien, echtelijke ruzies, en hoesten. Vreemd vogeltje. De oorzaak kon hem niet schelen, alsof het antwoord gaf op vragen, niet gesteld. Maar op een kwade dag begon mijn vriend zomaar te hoesten, met deuren werd daardoor niet meer geslagen, de echtelijke ruzies gingen minder ver. Plus kwam daarbij dat in een andere kamer werd gehoest buiten het bereik van de kooi en mijn vriend aan een touwtje het licht aanstak, zodat de stilte toenam en het vogeltje begon te zwijgen. Later, toen het stil was in het hele huis en in alle kamers, zong het vogeltje nog wel eens zonder tastbare reden een stukje, niet het hele liedje. Alsof het iets vroeg. naar boven 23 december 2011 Kerstcontrasten 2011 Hieronder een korte beschrijving van Kerstmis 1954. Ik was toen 14 jaar (bijna 15), ik zat in de derde klas van het lyceum, afdeling gymnasium, en zong (nog steeds) in het koor van de kathedrale basiliek van Sint-Jan in Den Bosch. Ik woonde met vader, moeder, opa en 12 broers en zussen op een bovenhuis in de binnenstad, beneden was de timmerwerkplaats ('voor betimmeringen en lijkkisten'). - Waarom moet ik de oude koeien van toen zo nodig nog eens van stal halen, over 'die goeie oude tijd' is immers al zoveel en zoveel beter bericht? Gewoon, ik had even sterk de behoefte aan een tastbaar contrast met kerstmis 2011: eurocrisis, superdonker herfstweer, bankencrisis, tegenvallende kerstomzetten, het complete restant van de katholieke clerus in diskrediet wegens kindermisbruik, drukte bij de voedselbanken alom, twee BNN'ers die kannibalisme 'bespreekbaar' menen te moeten maken met vlees uit eigen bil, een gewone krant die teruggerekend 182,38 gulden per kwartaal kost, Hans Spekman die de PvdA nieuwe ideologische veren denkt te kunnen geven, kinderen van rond de 45 die letterlijk aan de bedelstaf dreigen te raken, hogescholen die de diploma's praktisch cadeau doen (om op grond van een pervers bekostigingssysteem maar geld te kunnen toucheren van de overheid), zon op 08.45 uur, zon onder 16.28 uur, en o nog zoveel meer waar een normaal mens gedeprimeerd van zou kunnen raken. Maar gelukkig heeft de HEMA lichttherapie in de aanbieding, althans, daar denken ze over heb ik gehoord, geloof ik. - En dat contrast met 1954, tja, dat zult u zelf moeten destilleren uit de gegeven 'omgevingsfactoren'. - Er is een roos ontsprongen... 1954 Om twee uur 's nachts komt moeder ons wekken in de bitterkoude slaapkamer. Met m'n kleren onder de arm daal ik de trap af naar de warme woonkamer. Even het hoofd onder de koude kraan, en dan vlug aankleden voor de kachel. Eten mag niet, nuchter moet je blijven. Het is een dik kwartier lopen naar de kaarsverlichte kathedraal. Ik haast me naar de kooromgang, terwijl de rest van de familie ternauwernood nog een plaatsje kan vinden achter in de rechter zijbeuk. Iedereen houdt z'n winterjas en handschoenen aan, want de kerk is niet verwarmd, anders dan door een overmacht aan kaarsen en het samengedromde kerstvolk. Het orgel speelt Jesus, joy of man's desiring, om klokslag drie uur neemt de eerste pontificale hoogmis met drie heren een aanvang en wordt ons koor door een religieuze aandrift bevangen, we zingen de kerststerren van de hemel. Na de drie verplichte missen wensen we elkaar gemeend een 'zalig kerstmis', en willen we nog maar één ding: naar huis, naar de kachel, naar het kerstontbijt met balkenbrij en eigengebakken krentenbrood. - O kerstnacht, schoner dan de dagen... Tegen zevenen zitten we vol en begint het gevecht tegen de slaap. Maar... vader en opa zijn kerstkinderen, en het eerste verjaarsbezoek wordt al vroeg verwacht. Om half elf moet ik de volgende kerstmis zingen, en bij alle drukte thuis kunnen ze me daar best even missen. Als ik om kwart over twaalf thuiskom, is mijn vader met drie broers in de werkplaats aan de slag. Bij Johan de Deo zijn twee sterfgevallen waarvoor stante pede een kist gemaakt moet worden. Het werk verloopt in alle opgewektheid die past bij een hoge feestdag en nog twee verjaardagen toe, uit de distributieradio kweelt belcanto van het zuiverste soort. Nog vóór het kerstdiner is de kistenklus geklaard, op een tweede beitsbeurt na, maar dat kan na het eten. Het konijn wordt door moeder met vaste hand en onbetwiste gerechtigheid verdeeld, voor de begeerde kop wordt strak aan de kinderhiërarchie vastgehouden. Ik ben pas over drie jaar aan de beurt. - Hoe lijt dit kindeke hier in de kou... Om vier uur moet ik weer in de kathedraal zijn: het lof zingen, met nog enkele kerstliederen toe. De assistent-dirigent vindt dat de jongens-sopranen en -alten niet alert genoeg zijn, en deelt links en rechts wat stevige 'aanmoedigingen' uit. Dat helpt. De heren tenoren en bassen knikken instemmend en doen er hier en daar nog een schepje bovenop. Na het lof deelt de plebaan chocoladerepen uit aan ons jongens, de heren ontvangen een sigaar de man. De plebaan is dan ook een Susante, van de fabrikanten van Elisabeth Bas uit Boxtel. - Komt herders speelt op uw feestschalmeien... Na een simpele avondboterham is het met z'n allen kerstliedjes zingen geblazen bij de kerststal onder de kerstboom op de dressoirkast (die bij ons toen nog gewoon 'het buffet' heette). En dan niet van vlugvlug even De herdertjes lagen bij nachte en hups naar bed, nee, het hele repertoire, met alle kaarsjes in de brand, het grote licht gedoofd, en voor de groten een kerststerretje tijdens het Stille nacht, heilige nacht.... Na deze gezinssamenzang wordt de jongste door vader naar de kaarsjes in de boom getild om die uit te blazen, terwijl de rest zingt: Fuutfuit, fuutfuit, fuutfuit: puntjepuntjepuntje ( = naam jongste) blaast er de kaarsjes nu uit. 1972 Diep in november 1972 lag ik met een griepje in bed. Daar was ik ontevreden over, want ik wilde niet ziek zijn, van ziek zijn werd ik altijd 'n beetje depri, alsof het maar niks was met mij, dat het tijd werd om eens een daad te stellen, iemand te worden, dat soort van gepieker dus. Toen, op die zieke novemberdag in 1972, besloot ik te gaan dichten, om te beginnen maar eens met een kleine 'afrekening' met m'n jeugd. En zo schreef ik 16 'gedichten' (door mij vooralsnog bescheiden 'notities' genoemd) over het leven in het bovenbeschreven gezin, jaren vijftig. Ik noemde de bundel van 16 gedichten (vader, moeder, opa, ik, 12 broers en zussen) 'Lijkkisten en betimmeringen', met als ondertitel 'Notities aan de binnenkant'. Onderstaand 'gedicht' is het vierde, het sluit vrijwel naadloos aan bij mijn kerstbeleving 1954 hierboven. - Ook achteraf vind ik de benaming 'notities' beter dan gedichten, en dan nog: het zijn toch vooral notities zoals die in de jaren zeventig wel vaker voor 'gedichten' gehouden werden. TUSSEN BALKENBRIJ EN KAARSJESLUCHT met kerstmis gingen ze bij bosjes dood mijn vader werkte zich kapot tussen balkenbrij en kaarsjes- lucht zijn ene vrije dag per jaar was goed besteed naar boven 17 december 2011 Peperdure Pracht Poppenkast Het Maarten van Rossum-pad voert je via 308 schitterende wandelkilometers van Ommen naar Den Bosch, of omgekeerd natuurlijk. Op enig moment loop je van Maartens Roofkasteel Cannenburch bij Vaassen via de westelijke omtrekken van de stad Apeldoorn naar 'het gemoedelijke dorp' Beekbergen, of omgekeerd natuurlijk. Te midden van dit traject kruis je het oranjebolwerk Paleis Het Loo en De Koninklijke Stallen. Zo doende zijn wij al menig keer aan dit royale landgoed en de nabijgelegen 'naald' voorbijgewandeld. Het werd tijd om de boel binnen ook eens te gaan bekijken. Toevallig was het deze week voornamelijk hondenweer (en geen wandelweer), en konden we er alle tijd voor nemen. En het was er fraai, heel fraai zelfs. Okee, het getuigde tevens van 'schandelijke decadentie' zoals een recente bezoeker in het logboek bij de permanente tentoonstelling 'Nederland & Oranje - vijf eeuwen samen' schreef. Daar staat tegenover dat wij over gratis toegangskaarten beschikten via de postcodeloterijactie van buurvrouw J. Paleis Het Loo - Nationaal Museum Het entreegebouw (Koen van Velsen, Architectuurprijs Apeldoorn 2011) is van moderne snit, een peperkoek: plat, veel glas, kassa's, een toiletgroep, je bent er gauw op uitgekeken. Da's goed, want je komt toch voor het paleis en de stallen, en 's zomers voor de tuinen natuurlijk. En daar krijg je bij de kassa een handig plattegrondje voor, dat we bij 'Grand Café - Prins Hendrik Garage' eens op ons gemak gingen bestuderen. Eerst heb je links een hele batterij koetshuizen en stallen, dan een lange laan met hoge bomen en Peynet-bankjes naar het paleis zelf, en achter het paleis tenslotte de koninginnetuin, de koningstuin, de benedentuin, de boventuin, de colonnades en de 'rustplaatsen' (hehe, even op adem komen). De hele bedoening stamt oorspronkelijk uit de 17e eeuw, is sindsdien aanzienlijk verbroddeld geraakt, maar is rond 1980 ingrijpend verbouwd en gerestaureerd tot wat het nu is: een pracht van een rijksmonument in uitstekende conditie, ach, kijk zelf even op Wikipedia en vooral ook op www.paleishetloo.nl. - 'Het totale bezoek kost u zo'n drie uur,' zeggen ze in de info op de site ('Nu ook met video in het Nederlands, Frans, Duits of Engels!'). En daar zijn dan de tijdelijke tentoonstellingen nog niet bij inbegrepen. Wij 'deden' Het Loo in 'n dikke vier uur, inclusief 1 permanente en 2 tijdelijke tentoonstellingen, een macht aan serviezen, aankleedpoppen, lage en hoge ridderordes, familieportretten en een koffiebezoekje aan de aantrekkelijk imposante balzaal. Aaah, wie ben ik dat ik dit doen mocht?! Maar toen was de toverbal ook op, en stonden we weer op straat in de striemende regen van Apeldoorn. 'Schandelijke decadentie!' Nog nooit heb ik zo'n eindeloze stoet aan sjezen, landouwers, koetsen, arresleden, T-Fords en Mercedessen bij elkaar gezien. En paardentuigages, rijkostuums, livreien, neppaarden in menigvoud. In tuigkamers met sjieke houten loopbruggen. En een onafzienbare reeks enkele paardenboxen, dubbele paardenboxen, drinkbakken, ruiven, oogkleppen, kokardes, leidsels, en zweepjes natuurlijk. En ook: de witte lijkkoets van prins Hendrik en prinses Wilhelmina alsmede een door prins Claus zelf in elkaar geknutselde trapauto voor Willem-Alexander in felrode tinten. Een bonte stoet, en ja decadent, dat was het. In een aanpalende reeks stallen bevond zich 'ineens' een interactieve historische tentoonstelling van Nederland en Oranje. Technisch goed gedaan, jochie!, met visuele en textuele aanraakschermen, de halve Atlas van Stolk, de Vaderlandsche Geschiedenis van Willem van Oranje tot Maxima en Amalia aan toe. En tussendoor mondjesmaat maar onafwendbaar de toenemende invloed van burger en politiek, Willem Drees en Juliana voor het Amerikaanse Congres. - En dan was er natuurlijk nog dat logboek bij de ingang, met veel kinderhandschriften over 'zo mooi' en 'zo intresant' en 'bedankd voor de speurtocht'. En tenslotte, van eergister, dus die kreet: 'Wat een schandelijke decadentie! Verwerpelijk!!!' En dat was het natuurlijk óók. Troelstra striked back! 'Het heeft Hare Majesteit behaagd...' In de oostelijke vleugel van Het Paleis zijn de 'Kunstkabinetten' en 'Het Kanselarijmuseum der Nederlandse Orden' ondergebracht. Een eindeloos belegen boel in lange gangen en zijkamertjes die je onmiddellijk verzoent met de gedachte zekerheid dat jíj (gelukkig!) nooit voor zo'n 'lintje' in aanmerking zult komen. Wie dat wél deed was oud-minister en oud-secretaris-generaal van de Navo Joseph Luns (1911-2002), de meest gedecoreerde 'burger' die Nederland ooit gekend heeft. 'Zijn totaal aan onderscheidingen weegt meer dan 7 kilo,' zoals een muurtekst vol trots vermeldt. Het was zo'n beetje de belangrijkste mededeling die ik daar in die hele lange gang aangetroffen heb. En dan heb je in de kelder van het paleis nog een soort van snoep- en museumwinkel, de 'Paleiswinkel'. Dorado voor oranjeklanten en Haagse dametjes: posters met het volledige Wilhelmus in kleurige coupletten, stapels kijkplaatjesboeken (waaronder het zwaarwichtige 'Ridderorden en onderscheidingen'!), video's, bouwplaten, gouden koetsjes, stropdassen (laat Claus het niet merken!), en 'cadeauartikelen Máxima'. Ik zocht er naar een afbeelding van het 'Knipmes' van 'Blauw Bloed'. Mooi niet gevonden! 'Ik leef in een land...' En van de zomer wil ik die historische tuinen dus nog wel eens zien, die schijnen 'het echte kunstwerk van Het Loo' te zijn. Ongetwijfeld ook 'schandelijk decadent', met artistieke fonteinen en luxe rustplaatsen en tuinlieden zonder tal. Echt iets voor Maarten van Rossum-wandelaars met rugzakjes en zonneklepjes en stevige wandelschoenen, om er hun meegebrachte lunchtrommeltjes leeg te eten en te genieten van dit 'landschap wijd en zijd'. - Ach, had Pieter Jelles dit nog eens mee mogen maken... Als vervolg op al deze historische pracht en praal van het Nederlandse Vorstenhuis hieronder het gedicht in het land der koningen van Dichter des Vaderlands Ramsey Nasr. In een toelichting op het gedicht schrijft hij: 'Op 30 april 2009 besluit de Nederlander Karst T. een aanslag te plegen op het Koninklijk Huis. Hij rijdt daartoe met een Suzuki Swift op volle snelheid door een menigte toeschouwers. Zeven slachtoffers komen om bij het Apeldoorns drama. Na Pim Fortuyn en Theo van Gogh vormt het de derde politieke aanslag in zeven jaar tijd.' - De auto kwam tot stilstand tegen het monument 'De Naald', in het zicht van Paleis Het Loo. Begin respectievelijk einde van een tijdperk? IN HET LAND DER KONINGEN ik leef in een land waar de dierenvriend besluit uit goedheid een andere mens neer te knallen ik leef in een land waar de vrome gelovige besluit uit eerbied het mes in de ketter te planten ik leef in een land waar onze jongens uit gekkigheid soms de conducteur in elkaar stampen ik leef in een land waar een keurige man, achtendertig, blond de vrijheid neemt om door anderen heen te rammen en in dit rood, rood schemerland waar de grenzen totaal werden opgeheven waar de mondigheid totterdood wordt beleden en waar zestien miljoen koningen leven daar ontstaat vanzelf een nieuwe orde daar zal langs feestelijk afgezette lanen een laatste koningin haar laatste onderdanen als beesten overreden zien worden naar boven 6/8/9 december 2011 Brokkelblog [ 1 ] Langzamerhand verzeilen we in wat wel de donkere dagen voor kerst genoemd worden. Melancholie en somberheid liggen op de loer, vooral in de vroege ochtend ben ik daar goed in. Buiten gieren de natte hagelwinden, binnen zit ik een wattenhoofd leeg te snotteren, pakken papieren zakdoekjes puilen de prullenmand uit. En daarnet duikelden alweer de eerste nieuwjaarswensen op de deurmat. Alsmede de verse voorjaarscatalogus van biologisch tuinzadenbedrijf De Bolster. Jaja, de wereld draait doorrr, ook al is het dan niet altijd met even grote overtuiging. De laatste maand van het jaar is de dulste en de donkerste, maar wij noemen hem feestmaand, klassieke bezweringsformule. - Terwijl ik dit tik verschijnt er een hoge regenboog tegen de loodzwarte wolken op een bedje (zeg maar lits jumeaux) van Van Goghiaans fel zonlicht. De berkenstammen in de achtertuin fluoresceren helderwit, een zilveren meeuw krijst en zwenkt door het zwerk. Het is kermis in de hel, ik zet de verwarming een cijfertje hoger. [ 2 ] [ En meteen na deze eerste alinea gaf ik de pijp aan Maarten en dook het ziekbed in, hoewel ik een direct verband tussen boven beschreven weersomstandigheden en 'ziek naar bed' niet hard kan maken. Nu, donderdag 8 december, ben ik weer even terug achter het scherm. Danku, het valt allemaal nogal mee. De volle prullenmanden zijn geleegd, de neuspartij is ingesmeerd wegens huidirritatie, de ogen prikken nog steeds, dat wel, maar dat kan ook best van 'nadestaaroperatie' zijn. Ik neem nog een paracetamolletje voor de pep. En een nieuwe afspraak met de oogarts is tussen twee haakjes vorige week reeds gemaakt. Nogmaals, danku. ] [ 3 ] De laatste jaren heeft m'n decembermaand aanzienlijk aan glans verloren, terwijl andere maanden (april!, september!) er juist fors op vooruitgegaan zijn. De oudtijdse trucs om de laatste maand van het jaar van de ondergang te redden met liturgisch licht en kunstmatige warmte zijn vals geworden reclames. - [ Hier had ik een cultuurfilosofische beschouwing gedacht over de adventsrol van de maand, het in gewijde eerbied en aandacht toewerken naar het kerstfeest, met z'n bijbehorende geuren en smaken in en om het huis, en met de kerstvakantie als ongeëvenaard toetje: het komende jaar biedt nog legio mogelijkheden om het slechte kerstrapport in een voldoende paasrapport te doen verkeren. Versus: de huidige stimorolwereld van opgeklopte mindfulness en hogere fopkunst (lees vooral ook het pas verschenen boek Mark Rutte is lesbisch van Raoul Heertje), Amy Winehouse en de Ajax-soap als opening van het journaal. - Maar het blijft gewoon donker, koud en nat mensen. Daar helpt geen 'Mag ik voor u bidden?' of ander moedertjelief van De Zutphense Lichtkring aan. December is weer ploeteren geworden, aftellen naar de 'Wende'. Pas in januari gaat het de goede kant op, met Driekoningen als het ware keerpunt, waarneembaar vroeger licht in de ochtend, uitzicht met zandkorrel en tuingereedschap. ] - Dus zet ik morgenochtend nog in het duister de grijze container met vieze snotlapjes aan de straat, en constateer met enige grimmigheid dat het eigen gezondheidsrisico weer met 50 pietermannen verhoogd is, van 170 naar 220 euro de man. Oftewel van 374 naar 484 guldens, als u dat na de eurocrisis gemakkelijker denkt te kunnen betalen. Maar gelukkig wonen wij in een rijk land, met ongeveer één miljoen armoedzaaiers als lastige reminder (bron: Sociaal en Cultureel Planbureau, 7 december 2011, Radio 1-journaal tijdens het kortstondige ziekbed). [ 4 ] Behalve bedreigingen biedt december ook kansen, kent u die uitdrukking ('ManagementBoek.nl', zietuwel)? Je kunt nu [ 9 december inmiddels, bijna beter!, al met al een brokkelig blogje, dat wel ] voordelig van zorgverzekeraar veranderen omdat je vegetariër geworden bent ('let op de radioreclames!'), je kunt je alsnog dan wel opnieuw gratis aanmelden bij het belmenietregister (bedrijven waar je vroeger 'bij' geweest bent, mogen je nog steeds lastig vallen tijdens het avondeten: 'Omdat u vroeger klant bij ons was, mag ik u een bijzonder voordelige aanbieding doen, schikt u dat?'), idem maar dan inclusief 'de goede doelen' ('toets 3'), je kunt nu met een glimlach de plaatselijke volleybalclub sponseren door hun oneetbaar taaie oliebollen aan de deur te kopen en tot vogelvetbollen te promoveren, je kunt nu eens op tijd een nieuwe agenda aanschaffen en daar meteen alle verjaardagen in schrijven die er dit jaar bij ingeschoten zijn, je kunt..., je kunt... [ 5 ] Terwijl iedereen tegenwoordig toch 'je kan' zegt, en 'u heeft' en 'hun hebben' en straks dus 'de meisje'. Maar daar hoef je niet aan mee te doen hoor, je kunt gewoon je eigen gedachten blijven volgen, je eigen naad naaien, ook in december. Feestmaand? Dat zullen we dan nog wel 's zien! Blijf tegendraads, en doe als Rutger Kopland in het gedicht 'een lege plek om te blijven XII'. Lees hieronder maar, of lees het niet. Daar krijg je spijt van. Of niet. EEN LEGE PLEK OM TE BLIJVEN - XII Geef mij maar de brede, de trage rivieren, de bewegingen die je niet ziet maar vermoedt, de drinkende wilgen, zinloze dijken, een doodstille stad aan de oever. Geef mij maar de winter, het armoedige landschap, de akker zonder het teken van leven, de kracht van krakende heide. Geef mij maar de kat als hij kijkt voor hij springt, om te vechten, te vluchten, te paren, te jagen, als hij kijkt. Geef mij maar een paard in galop, maar op zijn zij in het gras. Geef mij maar een vraag en geen antwoord. naar boven 28 november 2011 Verzadigde stoelen Reacties lokt de Balthasarsblog nauwelijks uit. Zo'n soort blog is het dan ook niet, deze uitkijkpost op de faits divers in het leven van een gepensioneerde letterknecht. Voor grote gebeurtenissen moet u elders zijn, voor weidse vergezichten trouwens ook. Ik schrijf en citeer slechts een paar facetten van mijn eigen levensavond bij elkaar in een poging om de tijd te rekken en Douwe Draaisma's credo 'dat het leven sneller gaat als je ouder wordt' kritisch te beproeven. Een doodenkele keer kijk ik naar voren, zoals vanmorgen toen ik met de beste bijbedoelingen de site van de NVVE (Nederlandse Vereniging voor een Vrijwillig Levenseinde) en die van De Einder in Rosmalen bezocht. Twintig jaar in het verleden kijken is voor een 71-jarige een peuleschil, twintig jaar in de toekomst kijken een bananenschil. En om die voorziene uitglijer draaglijk te houden is het misschien wel verstandig om een paar 'wilsverklaringen' op papier te zetten. Dat kan, leer ik op de sites, met behulp van 'een formulierenset' van de NVVE, De Einder en soortgelijke instituties - maar je kunt natuurlijk ook zelf een 'testament' formuleren (notaris niet nodig). Daar is een 'brochure' als hulpje voor beschikbaar (€ 9,50 storten op banknummer 5596402 van De Einder, ovv 'brochure' en je adres). En dat alles onder het motto: een testament brengt de dood niet dichterbij, maar geeft je meer regie over het onvermijdelijke einde. Volgens de gangbare theorieën schijn je daar 'rustiger in je hoofd' van te worden. Nooit weg, als je het mij vraagt, kun je je weer richten op andere dingen. De formulieren en de brochure zijn besteld, later dus meer over dit toekomstgerichte experiment. Zul je altijd zien: denk je na over je levenseinde, schiet je vroegste jeugd je te binnen (zal wel een natuurlijk afweermechanisme zijn, teken van leven). Het is een avond aan het einde van oktober 1944, ik lig in mijn vierjarigenbedje op zolder mijn onnozele slaap te slapen. Tot de wereld met een enorme knal uit elkaar spat, groter dan alle grote knallen van de laatste dagen bij elkaar. Op mijn gekrijs volgen jagende voetstappen op de trap, ik word uit bed gehaald, gesust en bemoederd. In de armen van m'n oudste zus kijk ik door het raam in de achtergevel: vuurballen knetteren door de lucht en spatten in duizend sterren uit elkaar. - 'We zijn bevrijd, Balthasar! De oorlog is afgelopen! Dit zijn geen granaten, dit is vuurwerk, feest! Je hoeft niet bang meer te zijn, menneke!' Of dit allemaal precíes zo verlopen is, kan ik niet meer achterhalen. Maar dit is wat ik me ervan herinner, mijn eigen oerknal als bitterzoete oorsprong. Het gezin waar ik uit stam bestond oorspronkelijk uit zestien mensen, vader, moeder en opa inbegrepen. Van die zestien zijn er inmiddels acht overleden, we zijn ruim in de tweede helft, en we staan op verlies. Mijn broer van tachtig wilde onlangs zijn verjaardag niet vieren, want 'je gaat anderen toch niet lastig vallen met je ellende' zoals hij het formuleerde. Zelf begin ik nog elke dag met een korte ochtendgym, de kranten en de agenda van de week: morgen naar de film The Artist, woensdag mevrouw B. naar de begrafenis van tante Marietje, donderdag lopen we in weer en wind de wandeling De Lage Vuursche, van Baarn naar Hollandsche Rading, zaterdag Shoba jarig. - Maar natuurlijk kan elke dag de laatste zijn, net zoals in het hele voorgaande leven. Daar kun je dus beter maar niet op gaan zitten wachten. Vandaar die aanvraag bij de NVVE of De Einder, voor 'wilsverklaringen' en voorzieningen voor als 'het' je overkomt, en voor de broodnodige gemoedsrust. En tot die tijd: met Koos van Zomeren naar Tirol en weer terug, het leven ervaren zoals het is, vreugde en verdriet, jongelingschap, ouderdom. Maar vooral: nieuwe dingen denken. VERTREK UIT TIROL Koos van Zomeren, uit: 'Ik heet welkom' We waren in de bergen, waar je je kunt bezeren aan gedachteloos gesteente, tot bloedens toe geschaafde schenen jongensachtig. 's Morgens in de vroegte in het ene dal of het andere zag ik tegen de muur van een boerenbedoening vier stoelen staan, vier lege keukenstoelen op een rijtje wachtend op de zon, stoelen die verzadigd waren van het zitten, het zitten te bidden het zitten te eten het zitten te kaarten het zitten te zwijgen. En hier, in dit voorbijgaan, de ene moeder net gestorven, teruggeroepen voor het sterven van de andere - hier dacht ik voor het eerst: want alles op de aarde is als hout begonnen. naar boven 20 november 2011 Binnenkant kaft Mijmeringen tijdens het opschonen van de bibliotheek. Taalschrift Het is zaterdag 9 mei 1950, ik zit in de vierde klas van de Lagere Aloysius School, frater Bellarmino geeft ons een moeilijk dictee met woorden als 'bisschop' erin, ik nader de onderste schrijfregels van de laatste bladzij van m'n taalschrift, en verheug me al op een nieuw schrift, en liefst meteen ook maar een nieuwe kroontjespen, en steek m'n vinger op: 'M'n schrift is vol, meneer, krijg ik een nieuw?' / 'Ga maar door op de binnenkant van de kaft, Balthasar. Er is nu geen tijd voor een nieuw schrift.' - Ik verbijt m'n teleurstelling, en schrijf verder op de grove binnenkant van de groengrijze kaft zonder lijntjes. M'n pen blijft haken aan een papiervezel, en produceert een nare inktvlek in m'n werk. De tranen schieten in m'n ogen, een koppige boosheid ook, terwijl ik met m'n vloeiblad probeer de schade te beperken. Als je schrift vol is moet je dat altijd meteen melden, en dan krijg je een nieuw schrift. Zo is de regel, maar waarom nu dan niet? M'n schrift is toch vol? De rest van het dictee past op de binnenkant kaft. 's Maandags krijg ik het nagekeken taalschrift terug, én een nieuw schrift met m'n naam in zwierig fratersschoonschrift op het etiket. Voor het dictee heb ik een tien, voor schrijven een zevenmin (een vol punt en 'n plusje minder dan bij het vorige dictee) vanwege de inkvlek. Plus de vermaning om de volgende keer tijdiger te melden dat m'n schrift (bijna) vol is. Mailbox Zo kreeg ik eergister van m'n 'System administrator' het alarmerende bericht dat m'n e-mailbox '(bijna) vol' is. En bij vol 'kunt u geen e-mail meer verzenden of ontvangen'. - Ruimte maken dus. Maar wat kan er weg? Wat zet zoden aan de dijk? Die mail met 25 foto's van het uitje in de Biesbosch? Het complete dansje van I. op de Duitse bruiloft? De tien fases 'wording van een schilderij' van kunstenaar Shoba? De hele rubriek 'Voetvolk' dan maar? Zware beslissingen liggen in het verschiet, eigenlijk niet te doen. Maar het moet, m'n box moet (bijna) leeg of ik blijf eeuwig verstoken van in- en uitgaande post, ja, en wie ben je dan nog? 'Ach wat,' zegt m'n dochter luchtig als ze m'n perikelen door de telefoon voorgelegd krijgt, 'dan zet je de boodschappen die je wilt bewaren toch gewoon op een usb-stick? Staat dat niet bij de suggesties van die system administrator? Vast iemand van jouw leeftijd: wel mee willen spelen in de grote wereld, maar denken dat het niet nodig is om je in de spelregels te verdiepen.' - Ik schaam me diep maar ben ook himmelhoch blij: er is dus wel degelijk nog leven na het opschonen van de mailbox. I.'s Duitse dansje kan worden gered en de 'Haagse kippen tijdens de Meijendel-wandeling 2008' blijven vooralsnog in stock. Goed dat er binnenkant-kaften bestaan, ook al weet ik dan niet (meer) hoe je met een usb-stick werkt. Boekenkast Lastiger dan een vol taalschrift of een volle mailbox is een uitpuilende boekenkast, je volle leven. Enige tijd nog kun je je behelpen met boeken op andere boeken te leggen, met boeken in dubbele rijen te zetten, en met wankele stapels bovenop de kast. Het is allemaal uitstel van executie. Als je nog jong(er) bent schaf je extra kasten aan, maak je meer plaats of koop je desnoods een ander huis. Maar als je wat oud(er) bent, zit dat niet meer zo glad. Dan is het opschonen geblazen, kinderen wegdoen, jezelf verwezen, je tijdklok horen tikken, aftellen. - Je nadert simpelweg de onderste regels van de laatste bladzijde in je laatste taalschrift. Maar. Daar is nog de 'binnenkant kaft', onvermoed uitstel, extra bergruimte, hulp van buiten. Dat zijn de boekenkasten van dochterlief M., hier geparkeerd omdat zij aan het verhuizen is, en er vooralsnog geen ruimte voor heeft. Die kasten zijn hoger en breder dan onze eigen kasten. En dus liggen onze eigen kasten nu onttakeld op zolder, naast de dozen met boeken van M. Onze dubbele rijen en wankele stapels zijn nu voor het grootste deel weer keurig op hoge brede planken ingepast. Niettemin hebben we al wel (een beetje) moeten oefenen in het 'opschonen', de eerste pijn zit in vijf dozen voor het goede doel. Toen al het werk gedaan was, schoot me - te laat, te laat - alsnog de methode-Du Perron te binnen. Die houdt in dat je alle bladzijden uit een boek scheurt die je onder de maat vindt. In Du P.'s boekenkast stonden dan ook voornamelijk hele 'dunne' boekjes. Ik was blij dat ik 'te laat' was, want om deze methode toe te passen ontbreken mij de moed, de tijd en het oordeelsvermogen. Het zal wel elk jaar 'vijf dozen opschonen' worden, want er is nu echt geen binnenkant kaft meer over. Weemoedige of vrolijke gedichten waarin mensen met kloppend hart boeken wegdoen, ken ik niet spontaan. In zo'n geval ga ik dan driftig op zoek in de poëziekast. Er moet toch wel een gedicht zijn dat een beetje in de buurt komt? Even bij Campert kijken, bij Komrij, bij Wislawa Szymborska, die schrijven toch over van alles en nog wat? En bijna altijd verzeil ik dan uiteindelijk bij de dikke rode pil met het verzamelde werk van C. Buddingh' ('Buddingh' gebundeld', Amsterdam 2010). Een groot genot om door te jachten, te blijven haken, gefrappeerd te worden. In dit geval kon ik niet voorbij komen aan pagina 573, in de rubriek 'Verspreide gedichten 1960-1969'. Daar trof mij het 'Weggooivers voor Reg ten Zijthoff'. Geniet u even mee? Vrolijk, maar weemoedig tevens. WEGGOOIVERS VOOR REG TEN ZIJTHOFF laatst dacht ik, angstig: een borstbeklemming? maar nee: mijn binnenzakken zaten weer eens te vol en nu je weer een winterjas moet dragen drukt die inhoud dan wat zwaar tegen de gevoelige hartstreek ik ze leeggemaakt: een paar brieven, bundeltjes bankbiljetten, girootjes, postcheques, ook een heel pak gedichten: er moest iets worden weggegooid, maar wat? ik heb er heel lang over nagedacht, vanzelfsprekend, maar ten slotte zijn het toch de gedichten geworden naar boven 7 november 2011 Atlas van Nederland, een bijdrage Het feestje was in het café bij de brug, met uitzicht op de kade met meeuwen en zondagmiddaggewemel. Toen het nog niet druk was kon je er goed praten, oude bekenden begroeten, een paar nieuwe mensen leren kennen. Algauw ging ons tafelgesprek over werken voor en na je zestigste, over de rol van je woonplaats daarbij, en over nieuwe boeken. Over een atlas van Nederland vooral, pas verschenen, en de hemel ingeprezen omdat die zulke interessante inkijkjes geeft in allerlei demografische en sociologische trekjes van het Nederlandse volk. Maar dat het nog beter kon, met eigen inbreng van 'gewone mensen', met insteken als: 'Kunt u mij een overzicht geven van de verhuftering in de samenleving sinds het in verval raken van de ideologische veren?' of items van vergelijkbare strekking. - Door het toenemende cafélawaai verdunde het groepsgesprek algauw tot een-op-een-praatjes in de hoogste volumestand, en kwam de atlas niet verder uit de verf. Wie weet kan onderstaande 'zondag 6 november 2011'-bijdrage ooit nog meegenomen worden? Van het dorp... Sinds tien jaar wonen wij op een dorp in Oost-Nederland, met uitzicht op een boemelspoorwegovergang en massaal geboomte in de aanpalende tuinen. Ons straatje is van het dromerige soort, met grassprietjes tussen de klinkers en om tien uur 's avonds het geluid van uitgelaten honden. Iets verderop doorsnijdt de N348 soms met geweld de dagrust, de PKN heeft er minstens 200 vrijwilligers op een gemiddeld kerkbezoek van 50, en het voornaamste nieuws van de plaatselijke bode betreft de nieuwe sponsorshirtjes van Junioren 3b. Elke dinsdagavond rond zevenen meldt zich de collectant van dienst, jantje beton, het roode kruis, de volleybalclub. Kortom, wie wat te doen heeft kan zich in dit dorp aangenaam concentreren. Ik bijvoorbeeld ben hier al bijna zes jaar zonder dwang of prestatie bezig om het begrippenpaar 'werk en vrije tijd' toepasselijk te herdefiniëren, ongeveer 900 geprinte A4'tjes tot nu toe. Aangenaam niets doen, noemen sommigen dat, buiten de werkelijkheid staan. Toch schrijft de kalender maandag 7 november 2011, halfvier in de middag, wintertijd, het is bewolkt en 10 graden. Volgens de krant verloor Ajax gister met 6-4 van FC Utrecht, wat wereldnieuws schijnt te zijn maar waar ik nog niet van op de hoogte was. ...naar de stad... Wat misschien nogal vreemd is, want gister gingen wij dus die jarige vriendin, oudcollega ook, bezoeken. In Amsterdam! Aan de De Wittenkade, nabij brug 132. Binnen drie uur te bereiken, af huis. Via de moderne gemakken van het internet hadden wij ons voorzien van een plattegrondje van het desbetreffende stadsdeel, voor wandelaars best te belopen vanaf het Centraal Station. Op dat station was het ronduit hectisch, daarbuiten druk, iets verderop wat minder druk, en in de Willemsstraat al erg rustig. En overal volle coffeeshops, koopzondagpubliek, beleefd en aardig volk, geschikte automobilisten die zonder uitzondering stopten voor zeebrapaden en oversteekplaatsen. Het was absoluut prettig wandelen door zondags Amsterdam, een zekere reputatie ten spijt. In een 'tentje' aan de Noordermarkt veroorloofden wij ons een straf kopje koffie, en vroegen meteen maar even naar de bekende weg, brug 132. De twee diensters konden ons in de verste verten niet helpen, zelfs niet aan de gracht die langs hun markt bleek te lopen. Wij spelden ons plattegrondje, liepen een stukje om, rondden een doodlopende gracht en bereikten zonder noemenswaardige vertraging het einddoel aan de De Wittenkade. Van de aanstaande afstraffing van Ajax was gedurende die hele wandeling (nog) niets te merken, want om drie uur waren wij op het feestje. ...en weer terug Rond half zes, op de terugweg naar Amsterdam CS, sprongen me vooral de avondwinkels in het oog ('Goedkoper dan u denkt'), de volle coffeeshops, de lege Chinese restaurants. De hectiek op het station had er nog een tandje bijgezet, de 'mededelingen voor de reizigers' hadden nu een permanent karakter. 'Let op omroepbericht' meldden alle vertrekborden, doven zoeken het zelf wel uit. Wij werden naar 8b gedirigeerd, maar daar wilde de trein naar Moskwa via Kobnhavn maar niet voldoende onder stoom komen om het perron vrij te maken. Toch bereikten wij met slechts 20 minuten vertraging wereldstation-in-wording Arnhem, dat na vandaag die kwalificatie wel weer diep in de kelderkast kan opbergen: in de centrale liep hier en daar een verdwaalde reiziger, bij de SmullerS werden wij met open armen als klant begroet en de trein naar Zutphen vertrok gewoon op de aangegeven tijd en plaats. In Z. haalden wij onze fietsen uit de stalling ('Winterbeurd 23,50 excl. onderdeelen') en reden door het donker van de herfstavond naar ons dorp. - Brandpunt flitste ons voorbij, Met het oog op morgen vielen wij in slaap. En nog steeds waren wij volkomen onkundig van de afgang van Ajax, wereldclub. Na bovenstaande ervaringen op zondag 6 november 2011 is het me onmogelijk om op een ander gedicht te komen dan op 'toen wij nog jong waren', van Gerrit Kouwenaar, uit de bundel 'totaal witte kamer' (afd. 'een glas om te breken'). Dit gedicht schreef Kouwenaar n.a.v. de dood van schrijver en dichter Bert Schierbeek (1918-1996). Over reizen gaat het, en over roestige treinen, wijn en olijven onder kwijnende palmen. En over het nu, jaren later, wanneer de tijd van het lot is verstreken... Een piepjong gedicht is het, vol levenswijsheid, en weemoed ook. Iets voor die Atlas-in-wording van Nederland? TOEN WIJ NOG JONG WAREN Toen wij nog jong waren en de wereld nog oud was en wij in een ver land op hoge bergen stonden en in het dal diep beneden een lange roerloze roestige trein zagen, onbestaanbaar alleen in het oog van een hevige leegte, riep jij terwijl je de hemel een kushand toewierp ik ben een reisgids kinderen leer mij lezen en ’s avonds op het plein onder kwijnende palmen waren er wijn en olijven en een ritselend zwijgen uit klagende kelen en het donker was week op het scherp van de snede, en jij jij kocht het ondraaglijke lot van een blinde en riep het oor drinkt nu is het dus later, een avond na jaren, de dood stille trein is vertrokken, de tijd van het lot is verstreken, je reisgids ligt open onder eendere oudere bomen drink ik de hese stem van je woorden, hoor ik je stilte – naar boven 26 oktober 2011 De winter tegemoet Komend weekend gaan Nederland en ik en jullie weer over van de zomertijd op de wintertijd. Net op tijd, of misschien toch ietsje te laat, als je de momentane ochtenddonkerte en bijbehorende friste in aanmerking neemt. Nog niet zo lang geleden vond deze excercitie een maand eerder plaats. Dat vond ik altijd net ietsje te vroeg, als je het ochtendlicht en de bijbehorend aangename temperatuur in aanmerking nam. Changement... Maar het is niet zozeer om die reden dat wij deze week ons zomerdekbed vervangen hebben door het dubbele winterdek. Okee, natuurlijk heeft het met de temperatuur te maken. Maar het is groter, breder, algemener. Je groeit er als het ware - ook mentaal - naar toe met eerst een dun dekentje erbij, dan een iets warmer nachthemd, een gekleder piamaatje, je gaat 'gewicht' missen en je stopt je hoofd steeds dieper onder het laken terwijl je je benen zo weinig mogelijk verplaatst om geen warmte aan de nieuwe omgevingskoude te verliezen. Al die 'lapmiddelen' bij elkaar wijzen uiteindelijk maar één richting in: het winterdekbed, diep onder de wol, op zoek naar snelle warmte met als culminatiepunt dat volle uur extra bedtijd in de nacht van zaterdag op zondag aan het einde van oktober. Een extraatje waar de zomertijd aanvankelijk weinig substantieels tegenover weet te stellen. - Ik geef toe: wij hebben ondanks allerlei voorzieningen een koud huis, we slapen aan de noordkant, en ik word ook overigens met elk pensioenjaar koukleumeriger. Zo heb ik mevrouw B. al menigmaal voorgesteld om overtrekjes te (laten) breien voor onze wc-brillen, maar zij vindt dat onhygiënisch en mal. Enfin, sometimes you win, sometimes you lose. Ik overweeg nu lieslange winterkousen, op z'n minst voor de nacht want dan zijn de brillen het ijzigst. ...de décor Toen ik - lang, lang geleden - nog bij mijn vader en moeder en broers en zussen thuis woonde, moet het allemaal een fors aantal factoren kouder geweest zijn, ook al herinner ik me dat niet als zodanig. Maar toch, een spouw in de muren: hadden we niet, laat staan spouwmuurisolatie. Dubbel glas: nooit van gehoord. Centrale verwarming: één kachel in de huiskamer zul je bedoelen, en dat was het. Thermisch ondergoed bestond zelfs in sprookjes niet. - Laat 't me zo zeggen: op onze zolder kon je tussen de dakpannen door naar buiten kijken, op de slaapkamerramen ontwikkelden zich bij vorst de meest fantastische ijsbloemen, de kolenkachel had een bereik van maximaal drie meter, een wollen trui droeg je op de blote huid, en voor op de fiets (maar die had ik niet) had je gebreide wanten en oorkleppen of een bivakmuts. Ooit buiten op een bevroren plee gezeten? Daarom hadden wij voor 's nachts een emmer op de gang staan. En om het plaatje compleet te maken: ik heb nog met jas en wanten aan in de jongste klassen van de lagere school gezeten als er geen kolen waren om de kachel te stoken. Ook toen al gold: alles gaat altijd door, en zo was het. Ik denk dat ik het dáár vandaan heb. Zo besloten mevrouw B. en ik afgelopen januari onze uitgeschreven winterwandeling te gaan proeflopen. Het was kerstliederenweer, de rijp lag op de daken, de sloten waren toegevroren, het ijsgeworden sneeuwdek in de buitenwijkse straten was zonder prikstok en schoenijzers onbegaanbaar. Maar wij togen richting De Posbank nabij Rheden, en vielen er de ijshellingen aan met de moed van de overlevers voor wie 'alles altijd doorgaat'. Na vier vergeefse pogingen en even zovele meldingen dat de hele Posbankomgeving voor alle verkeer gesloten was, besloten wij tot een alternatieve wandeling in de directe omgeving van onze woonstee. Want tja, alles gaat immers altijd door! Op de afgesproken dag glibberden 18 dapperen met ons door onbetreden veld en beemd, er waren slechts vijf valpartijtjes zonder noemenswaardige schade, en aan het eind wachtte ons de stamppot en de Glühwein. We waren weliswaar enigszins trots op onze prestatie van het type gekkenwerk, maar een volgende keer toch maar niet meer doen. Het is geen 1946 meer of daaromtrent. De wereld steekt definitief anders in elkaar, en ik ben dan wel (óók definitief) op weg naar het einde, het mag gerust een tandje minder, nu en dan. Want alles gaat dan wel altijd door, als de kruik breekt blijken er wel degelijk grenzen aan zelfs de hoogste wenselijkheid. De onlangs overleden dichteres Ellen Warmond (1930-2011, pseudoniem voor P.C. van Yperen) ken ik van de middelbare school, en van enkele mooie bundelingen als 'De schalmei' (samengesteld door Aldert Walrecht). De goede H.J.M.F. Lodewick schreef in zijn leerboek over Warmond: 'Zij demonstreert in haar eerste bundels vooral haar levensangst, maar geleidelijk aan wordt haar poëzie weerbaarder. Wat ons dan treft is het streven naar open- en eerlijkheid, de tendens de schone schijn weg te nemen en tevreden te zijn met wat aan reële kern overblijft.' - Kijk, die visie op het leven, die sprak en spreekt me aan. In het gedicht 'Changement de décor' (uit haar allereerste bundel 'Proeftuin', 1953) is ze (dus) nog wat aan de sombere kant, net als veel van haar tijdgenoten. Ze wist toen nog niet zo goed hoe ze een vuurpeloton op andere gedachten moest brengen. Later wel. Via changement de décor, door optimisme de plaats van het vuurpeloton te laten innemen! CHANGEMENT DE DÉCOR Zodra de dag als een dreigbrief in mijn kamer wordt geschoven worden de rode zegels van de droom door snelle messen zonlicht losgebroken huizen slaan traag hun bittere ogen op en sterren vallen doodsbleek uit hun banen terwijl de zwijgende schildwachten nachtdroom en dagdroom haastig elkaar hun plaatsen afstaan legt het vuurpeloton van de twaalf nieuwe uren bedaard op mij aan. naar boven 19 oktober 2011 Een woensdag in oktober Als elke dag, plannen genoeg Vandaag had ik zin om na de fysiofitness de tweede helft van het gras te maaien, het gevallen blad te ruimen, daarna een blog te schrijven over de faits divers van een gepensioneerde, en de buurkranten te lezen. Voor Een vrouw op de vlucht voor een bericht van David Grossman zou misschien ook nog wat tijd overblijven, maar secondenlijm kopen ging vandaag absoluut niet gebeuren. Dan liever even neuzen in Kind van een vreemde, de Nederlandse vertaling van Hollinghurst's grote roman The Stranger's Child, dat tot verbijstering van de gehele Engelse (én mondiale) literaire wereld niet werd toegelaten tot de shortlist van de Booker Prize 2011. Oja, en dan L. nog even bedanken voor het boekje Wandelen langs monumenten van Brabant Wonen in 's-Hertogenbosch, nostalgie en historische waarheid op dwars A5-formaat! Tenslotte het 'reisje' van morgen nog even voorbereiden, een bezoek aan het MMKA (Museum voor Moderne Kunst Arnhem) met deze keer als totem de 90-jarige Belg Roger Raveel, met Even terugschouwen. Oja, en niet vergeten de vijf gedichten over Raveel te lezen, in Een man in de tuin, de dichtbundel van Rutger Kopland uit 2004 (Uitgeverij Van Oorschot, Amsterdam). Voorbeeld van een blogje Vanmiddag werd wat een van m'n laatste maaibeurten van het seizoen had moeten worden ruw onderbroken door driedubbel donderend geraas vanuit de hemel. Een inktzwarte wolkeneenheid verdreef in razend tempo het herfstzonnetje, en liet onder zwaar kanongebulder een stortvloed aan pijpestelen en hagelstenen op me los. Ik vluchtte mevrouw B.'s kleine broeikas binnen met de grasmaaier nog in de aanslag, en rukte m'n druipende zonneklep af (jaja, onlangs pas aan staar geopereerd, dus dan is het zonlicht nogal gauw te fel nietwaar). - Ach wat, het werd al minder, toch? Even de hand door de schuifdeur naar buiten steken. Oei, toch nog maar even wachten. Enfin, wat te doen onder het klaterende regenglas? Ik begon het kasje schoon te vegeren (vegeren is vegen met een handveger), stapelde de plastic en aardewerken pot-onderzetters in twee groepen en in orde van grootte op elkaar, en borg het kleine tuingereedschap in het plantentafeltje. Ik ordende de volle, de halfvolle en de lege potgrondzakken en zette de groene watergieters buiten (die moeten leeg vóór de vorst toeslaat, vorige winter waren drie van onze gieters met ijs kapotgevroren, eeuwig zonde). Met grote halen van de handveger maaide ik de laatste cohorten huisjesslakken van de kasribben, en harkte met het handharkje de kiezels onder de oppottafels in het gelid. Ik keek eens tevreden rond in de opgeruimde kas en peilde nog een keer de buitenomstandigheden. Het werd al minder en minder, maar droog worden deed het niet. Ik zette de zonneklep weer op, sloot m'n jackrits tot aan de kin, en bracht de handmaaimachine (en daarna ook de kruiwagen met bladhark en veger en snoeischaar, de afgetuigde drooglijnen en de wasknijpers) naar de grote schuur, en ik dacht: 'Maaien van het te natte gras is voor vanmiddag van de baan, het gevallen blad moet nu ook maar een dagje wachten.' Ik dacht dat natuurlijk wat onsamenhangender, maar goed, een lezer moet het ook kunnen volgen. Enfin en al doende, sloot ik de schuur en de kas, en begaf me in versnelde pas naar huis. Wat te doen met de vrijgevallen tijd? Alsnog die secondenlijm gaan kopen? Raveel en Kopland, kunstenaars Maar ik las de dichtbundel van Rutger Kopland, 'Een man in de tuin'. In de afdeling 'Raveel' gaan vijf gedichten over de beeldende kunstenaar Roger Raveel, die een eigen museum heeft in Machelen-aan-de-Leie, in België. Tik op Google www.rogerraveelmuseum.be in, en verwonder je over de prachtkunst van deze Belgische kunstenaar die in Nederland (nog) te onbekend is. Dóen, je kunt er geen spijt van krijgen. Bovendien is zijn kunst net zo gemakkelijk te 'begrijpen' als de gedichten van Kopland. Hieronder gedicht III uit de afdeling 'Raveel' in de bundel 'Een man in de tuin' van Rutger Kopland. Lees het, en accepteer m'n gelijk over Rutger Kopland en Roger Raveel, of accepteer het niet, en accepteer dat dan, en opnieuw. Soms is de waarheid onbegrijpelijk. III Zoals zijn beelden laten zien hoe toevallig en eenmalig de dingen zijn het gezicht van een vader de rug van een vrouw een stoel aan een tafel - al die dingen even zijn ze gezien een moment en ze zijn al verleden en nog zijn ze zichtbaar niet vast te houden en weg als een glimp van wat was en wat is en ook dat niet zo moet een gedicht zijn moet het iets zeggen en dat niet zeggen en dat opnieuw zeggen naar boven 5 oktober 2011 Eén dag naast Van Gogh Vóór de AH to go op station Arnhem stonden zo'n vijfentwintig mensen met ingepakte kunstwerken, rugzakjes en schoudertassen. Een jongen in een kek blauw jekkie checkte hardop zijn deelnemerslijst. Er ontbraken er nog twee, maar ja, het was nu eenmaal tijd: 'Dus we gaan nu naar de bus, aan de achterzijde van het station. En dan rijden we rechtstreeks naar het Kröller-Müller Museum in Otterlo waar jullie allemaal verwacht worden voor het WKC.' Ik voegde me bij de groep, begroette Shoba als m'n eigen zoon, en maakte kennis met de rest. Er waren maar 'n paar introducés bij, zoals ik, de mensen zonder ingepakte kunst. Maandagmorgen half tien in het mooiste museum van Nederland, normaal gesproken gesloten, maar nu stroomde de hal van heinde en verre vol met kunstenaars, introducés, hotemetoten, suppoosten en UWV-medewerkers, bij elkaar zo'n tweehonderd man, inclusief twee baby's en twee rolstoelers. De kunstwerken werden ingeleverd, de badges opgespeld, de rugzakjes in bewaring gegeven. Shoba en ik kozen een plekje achterin de grote conferentiezaal, dichtbij de toiletten. Het tweede UWV Wajong Kunst Congres - WKC kon wat ons betreft beginnen. UWV, Wajong en kunst De uitnodiging die het UWV in augustus in Shoba's mailbox postte, was meteen al het eerste snoepje: 'De doelstelling van het UWV Wajong Kunstcongres is om kunstenaars met een Wajonguitkering perspectief te bieden en hen maatschappelijk te laten participeren. Middels deze kunstexpositie wil UWV u als beeldend kunstenaar de kans geven uw eigen werk te exposeren en te laten beoordelen door een vakkundige jury. Een uitgelezen kans om uzelf te profileren en tijdens de expositie één kunstwerk ten toon te stellen. De jury beoordeelt niet alleen dat kunstwerk, maar ook andere kunstwerken uit uw portfolio. De jury kiest drie kunstenaars uit die in aanmerking komen voor het exposeren van hun werk binnen de UWV-kantoren.' Daar hadden Shoba en heel wat andere Wajongkunstenaars kennelijk wel oren naar. Want kunst maken op je zolderkamertje is één, maar kunst onder de mensen brengen is een heel ander verhaal. Laat staan geld verdienen met je kunst, hoe zou dat dan in godsnaam moeten? - 'Verschillende organisaties zullen aanwezig zijn op een Infomarkt. U kunt bij een stand van UWV terecht met vragen over uw Wajong-status of mogelijkheden verkennen om u verder professioneel te ontwikkelen en te participeren. Galeries, kunstuitleners, kunstenbonden en opleidingsinstellingen zullen ook vertegenwoordigd zijn.' - Tot grote teleurstelling van Shoba bleek dit snoepje in de praktijk van de dag nogal veel wikkel en weinig inhoud te hebben. Hij kon zelfs niet eens aan de beurt komen omdat er erg veel vraag, maar slechts weinig aanbod was. Maar goed, het was ook pas het tweede WKC van het UWV. Achter de schermen Terwijl de congresgangers met wisselende instemming een vloed aan toespraakjes, filmpjes en 'workshops' over de definitie van kunst over zich heen kregen, werd er achter de schermen hard gewerkt door de jury en een batterij museummedewerkers. In het befaamde Rietveld-paviljoen werd een complete tentoonstelling ingericht van de tientallen ingeleverde kunstwerken en portfolio's. De jury beoordeelde alle de werken, en stelde een steekhoudende argumentatie op schrift die later op de dag tot een prijsuitreiking zou leiden. En tot vele teleurstellingen uiteraard. Om het aandeel KMM zelf aan deze dag een flinke boost te geven, verzorgden de conservatoren inspirerende rondleidingen door het gebouw en door 'het hart' van het museum: de door mevrouw Kröller-Müller zelf aangekochte collectie schilderijen en beelden. En het hart daar weer van waren natuurlijk de werken van Vincent van Gogh, die Shoba voor het eerst of bij herhaling ontroerden en begeesterden. Bovendien was het gewoonweg 'eng' om tijdens die rondleiding te moeten ervaren wat er - omwille van de tijd - allemaal overgeslagen moest worden: werken van wereldklasse genoeg voor een hele week intensief KMM-bezoek! Gaat dat zien, gaat dat zien! De expositie Het was werkelijk een genoegen om op deze prachtigste nazomerdag de tentoongestelde kunstwerken in het open Rietveld-paviljoen van het Kröller-Müller Museum te ervaren. Kunststukjes van hoog, laag en midden-gehalte, veel kleur ook, en goede bedoelingen naast professioneel werk, toch zeker een stuk of zeven die me raakten (maar later geen van alle tot de prijswinnaars bleken te horen). Een nieuwe Van Gogh werd niet gesignaleerd, en er werden zeker geen 'zaken' gedaan. Alle introducés waren druk en begaan met hun eigen kunstenaar en protégé. De jury liet zich niet zien, de hotemetoten wel. Die vonden alles prachtig. Shoba was aanvankelijk zeer tevreden over zijn opgehangen werk, ging ermee op de foto, en roemde zelf de kwaliteiten ervan. Maar verbaasde zich gaandeweg over de geringe belangstelling voor zijn 'Wat doe ik hier?' Misschien is het hier toch niet de goed plek? Iedereen die een beetje uit zijn doppen kijkt, kan toch zien dat de kwaliteiten van mijn werk recht overeind blijven in de vergelijking met de andere kunstwerken? - Ik kon deze observaties en wankelmoedigheden zelf op meerdere plekken horen en zien. De onzekerheid had nu overal genadeloos toegeslagen, de drie kwartier begonnen al te lang te duren. Ach ja, de prijzen Alle de werken zijn van waarde, betoogde de jury. Sommige kunstenaars zouden er wellicht nog een tandje bij moeten zetten, maar zeker de kwaliteit van de uitverkoren werken was hoog en hoopgevend, 'n enkele keer zelfs verrassend. Zeiden ze. En ze bekroonden 1 pentekening, 1 berenpop, 2 foto's, en 1 strip-collage. Er viel geen enkel schilderkunstig werk in de prijzen, terwijl die met 80% toch ruim vertegenwoordigd waren op de expositie. Dat kon niet iedereen begrijpen. Maar Wajongers zijn geen protestanten, ze klapten lang en hard voor de jury, en namen toen een pilsje of een glaasje anders. Volgend jaar beter. In de bus terug naar treinstation Arnhem werd voor het eerst die dag herkenbaar genetwerkt, portfolio's gingen over en weer, er werden afspraken gemaakt, er werd gedebatteerd. Shoba kreeg zowaar enig uitzicht op een eigen atelierruimte in een leegstaand ziekenhuis, voor een vriendenprijsje. De stemming kwam er weer een beetje in, het was een beste dag geweest. En we keken nog eens door de UWV Kalender 2012, met alle afbeeldingen van de ingezonden Wajong-werken. Mooi cadeau. Thinking out of the box Het programma van het UWV Wajong Kunst Congres beloofde voor 11.15-12.00 uur een 'inspirerende workshop van Gordon Dale, Art Coach, verbonden aan de University of Cambridge, School of arts en humanities'. Dale bleek een soort Emiel Ratelband van de kunst, hij kon hard roepen, betrok iedereen voortdurend bij alles, vond alle opmerkingen beautiful, en wat we vooral van hem moesten leren was 'think out of the box', je fantasie laten werken, bekijk het eens van de onderkant. Uiteindelijk bleek hij niet een beroerd Nederlands sprekende Engelsman, maar een beroerd Engels sprekende Nederlander met een pruik op die zijn gehoor toch maar mooi bij de neus genomen had, liedjes had laten zingen en schouderklopjes had leren geven. Als inspirerend verbaal voorbeeld van buiten het doosje denken roemde Gordon Dale Paul van Ostaijen, met zijn beroemde gedicht Oote oote boe. Nou is dat gedicht natuurlijk niet van Paul van Ostaijen (ook al was dat een groot taalkunstenaar), maar van Jan Hanlo. Dat liet ik Dale weten, en hij wist niet hoe hij zich uit moest putten in excuses en amicale aanrakingen. Juist door dat laatste werd ik niet overtuigd, sterker, de hele rest van zijn verhaal donderde er ook door van zijn voetstuk. - Hoe dan ook, voor de liefhebbers hieronder het enige echte OOTE van Jan Hanlo, recht voor zijn raap, en niks geen doosjes om uit te springen. In ons collectieve geheugen zitten overigens niet meer dan drie of vier eerste regeltjes van het 'gedicht', blijkbaar al genoeg om Jan Hanlo voor de eeuwigheid te bestemmen. De rest is toegift. OOTE Oote oote oote Boe Oote oote Oote oote oote boe Oe oe Oe oe oote oote oote A A a a Oote a a a Oote oe oe Oe oe oe Oe oe oe oe oe Oe oe oe oe oe Oe oe oe oe oe oe oe Oe oe oe etc. Oote oote oote Eh eh euh Euh euh etc. Oote oote oote boe etc. etc. etc. Hoe boe boe boe Hoe boe boe boe B boe Boe oe oe Oe oe (etc.) Oe oe oe oe etc. Eh eh euh euh euh Oo-eh oo-eh o-eh eh eh eh Ah ach ah ach ach ah a a Oh ohh ohh hh hhh (etc.) Hhd d d Hdd D d d d da D dda d dda da D da d da d da d da d da da da Da da demband Demband demband dembrand dembrandt Dembrandt Dembrandt Dembrandt Doe d doe d doe dda doe Da do do do da do do do Do do da do deu d Do do do deu deu doe deu deu Deu deu deu da dd deu Deu deu deu deu Kneu kneu kneu kneu ote kneu eur Kneu kneu ote kneu eur Kneu ote ote ote ote ote Ote ote ote Ote ote Boe Oote oote oote boe Oote oote boe oote oote oote boe naar boven 25 september 2011 Keukenweek Maandag Als je 10 jaar in een huis woont, begin je dat zo'n beetje aan alles te merken. Huishoudelijke apparaten houden er om de beurt mee op, de nog van de vorige eigenaren overgenomen traptreebedekking is om verschrikkelijk niet meer aan te zien, die temperatuur-comfort belovende muurisolatie moet er nu beslist eens van komen, en het straatwerk bij voordeur en achterterras vertoont allengs de trekken van een maanlandschap. En zo ben je doorlopend in de weer om je huis een beetje 'bij de tijd' te houden of te brengen. Vorige week was de keuken aan een flinke opfrisbeurt toe, of eigenlijk was dat natuurlijk al veel langer het geval maar het was er gewoonweg nog niet van gekomen. Het zijn van die klussen waar het strammer wordende lijf steeds meer tegenop ziet. Kijk, leuke nieuwe voorraadbussen uitzoeken voor koffie en pasta's zit natuurlijk aan de genoeglijke kant, vetgeworden plafonds en muren wassen en witten valt toch meer in de categorie ongewenste activiteiten, even wachten nog, jaja, het gaat er beslist van komen hoor, nee echt, maandag begin ik. - En zo geschiedde. We maakten een plan. Ik inspecteerde de voorraden en hulpmiddelen. Het werd avond en het werd morgen: de eerste dag was goed. Dinsdag Veel van de noodzakelijke klusjes blijken achteraf en telkens weer gemakkelijk, zelfs prettig: kleurtje uitzoeken voor de granolmuren, rollertjes en kwastjes bijkopen, verfjes mixen voor de deuren en de kozijnen. En natuurlijk het overleg over dat ene extraatje dat de keuken ineens weer een heel nieuwe uitstraling moet geven, deze keer het zwart maken van de horizontale zichtlijnen van de vanillekleurige keukenkastjes. - Nou, dat wordt blitsen hoor! Zo'n eerste echte ochtend van 'de klus' die houdt alleen maar beloftes in. Maar dan het eigenlijke werk: ontvetten maar! De reclame en je oude familieleden zweren bij Sint-Marc, ouderwets drogisterijartikel. Heerlijke dennengeur, belabberd resultaat. Over op het beproefde schildersrecept: water met ammoniak. Verstikkende dampen, maar puik resultaat. En hup, dan neem ik de bovenkant kastjes toch gelijk even mee! 'Even', nou ja: drie keer wassen, drie keer naspoelen en drogen. Maar dan heb je (had ik) ook wat: vetvrije bovenplanken waar straks een paar leuke dingen op kunnen staan. - Het werd avond en het werd morgen: en ook de tweede dag was goed. Woensdag Na de eerste plafondlaag 'extra dekkende muurverf voor vochtige ruimtes' was m'n nek stijf, de rechterschouder ontzet, het linkerbeen in een hevige spierkramp. Maar wat een resultaat! - Dat hoeft echt geen tweede keer, B. Het plafond is prachtig. - Vind je het heus goed genoeg, M.? - Het is heus goed genoeg. En met de granolmuren van hetzelfde laken een pak, nu met fraai zilvergrijs. Mooi genoeg, M.? / Mooi genoeg, B.! / O, o, o, wat zijn we weer tevreden, he! - Een mooi einde van de tweede, pardon derde, dag waarop bovendien de langskomende timmerman nog gauw even kans zag om de klemmende deuren vaardig in het gareel te schaven. Avond en ochtend, het was een puike derde dag. Donderdag Houtwerk schuren is niet m'n favoriete bezigheid, maar is nochtans 'noodzakelijk voor een goed eindresultaat'. De hele ochtend verstofte ik de deuren en kozijnen, zoog ik stof en waste ik alles met water en ammoniak na. Voor de middagboterhammen trakteerde ik onszelf op witte sesambroodjes vegetarische hamburgers met heerlijk zacht gebakken uien, ketchup en majo toe. Gezeten op het achterterras, tussen de uitgespreide verfspullen op oude onderlegkranten, en het buitengezette keukengerei. Tja, en dan begint het lakwerk he! Secure arbeid voor trefzekere handen. En gelukkig heb ik daar ervaring mee al sinds ik op m'n 16e de volledige zomervakantie besteedde aan het verven van keuken, balkon en trappen in het ouderlijke huis. En ook de beloning zal ik nooit vergeten: een zilverkleurig schakelbandje voor mijn eerste polshorloge (schrijve: 17 harde 1956-guldens). Bovendien had ik een schoonvaderschilder die op verloren zondagmiddagen wel zei: 'Heb je even 'n kwastje voor me?' ('En een oude broek,' vulde m'n schoonmoeder aan), en dan deed ie de logeerkamer 'even' of de kast of de tuindeuren. Met een blokkwast of een hemapenseeltje, altijd goed. Zéér instructief, en inspirerend! - Enfin, het eerst waren de twee keukendeuren aan de beurt. In romig gebroken wit, in een omlijsting van zelfgemixt lichtvanille. Asteblieft! Avond en morgen, en ook de nacht was goed, de vierde dag. Vrijdag Deurposten en raamkozijnen, in dat 'lichtvanille' dus. En niks afplakken met tape uit angst voor verf op het glas: alles uit de hand en berestrak (of daaromtrent). Nou ja, ik weet natuurlijk niet of het een professionele beoordeling zou doorstaan, m'n schoonvader is helaas al jaren de hemel 'bij de tijd' aan het verven. Ik moet op m'n eigen oordeel vertrouwen, en vlak anders mevrouw B. niet uit! En dan 's middags dus die zwarte randjes, met rondlopende kantjes; lastig maar toch uit de hand en binnen het uur gereed. Okee, die moeten straks nog een keer, voor het volle zwart. Maar hoe dan ook: vrijdagmiddag 15.00 uur, en de hele klus geklaard. Kwasten schonen, alle spullen opruimen, een laatste keurende blik: nú begrijp ik waarom alle schilders op vrijdagmiddag fluitend naar huis gaan. En als het kan een uurtje eerder. - Het is een genot om te zien dat 'alles goed is', avond en morgen, de vijfde dag. Zaterdag Tijd voor dat andere schoonmaakwerk: keukenkastjes soppen, alles eruit, soppen, herinrichten, overtollige spullen afvoeren. Mevrouw B. zal me roepen als ze me nodig heeft, zij wil óók alle armslag (zo groot is de keuken nou ook weer niet). Ze roept me niet. Intussen begin ik maar aan het maaiwerk in de tuin, dat is ook al te lang geleden. We zweten ons allebei de zaterdag door, de lampen weer geïnstalleerd, de klok heropgehangen, alles blinkt en schittert de week uit. - Morgen en avond, de zesde dag. En zij zagen dat het goed genoeg was. Zondag Hehe, eindelijk de zevende dag, lekker uitrusten met Hildegard von Bingen en Rówwen Hèze, de kranten van een hele week lezen, en dan ergens een hapje eten, filmpje pikken. En op tijd naar bed natuurlijk, want: volgende week weer een drukke agenda, de aarde rondkuieren, kind en kraai bezoeken. Even nagaan of alles nog wel goed is. Op zoek naar een genesisachtig gedicht dat een beetje aansluit bij mijn wat luchthartige verslag van een weekje keukenwerk, kom ik veel gezwijmel en godsdienstigs tegen maar niks speels. Tenslotte stuit ik (natuurlijk) op het gedicht Genesis van de dichteres Ida Gerhardt, uit de bundel 'Het sterreschip' (1979). Ook wel 'het ultieme gedicht over de ouderdom' genoemd. En hoewel ik natuurlijk middenin dat proces zit (dik 71 inmiddels), om het opfrissen van een keuken nou te vergelijken met 'oud worden als het eindelijk vermogen ver af te zijn van plannen en getallen', nóu... nee! Dan liever zo'n halve ready made van Cees Buddingh'. Slaat misschien ook nergens op, maar het hád mij kunnen gebeuren, tijdens dat weekje verven van de keuken! - En dan had ik moeten constateren dat het niet goed was... GEEN SCHAARTJE 'hé, dat lijkt wel een schaartje, wat daar op de grond ligt,' dacht ik, 'een stoffig, grijsgroen schaartje' maar toen ik beter keek zag ik dat het geen schaartje was, maar een elastiekje, ineengekringeld in de vorm van een schaartje naar boven 13 september 2011 Aggiornamento Vandaag, lieve balthasarsbloglezers, beginnen we maar eens met een voetnoot. Voor iedereen die denkt: aggiornamento, aggiornamento, moet ik die kennen? komt hierna en allereerst dus mijn zelfgeschreven stukje wikipedia. - Graag gedaan. Het Italiaanse begrip 'aggiornamento' werd in de jaren zestig van de vorige eeuw internationaal en algemeen bekend door Paus Johannes XXIII. Die riep in 1962 het IIe Vaticaans Concilie bijeen om de verstofte katholieke kerk te moderniseren en 'bij de tijd te brengen'. Met zijn initiatief bracht de eenentachtigjarige Johannes XXIII groot enthousiasme teweeg, ook buiten de katholieke kerk. Aggiornamento werd min of meer synoniem met modernisering, geloof in de toekomst, maakbaarheid. Maar dat liet 'de reactie' natuurlijk niet op zich zitten, zoals we inmiddels wel weten. Anno 2011 lijkt de wereld heel wat conservatiever (om het begrip 'reactionairder' niet te gebruiken) dan in 1968 of daaromtrent. Maar er zíjn geschiedfilosofen die zweren bij de geschiedenis als een golfbeweging. En dan is er dus weer hoop, het lijkt het leven zelf wel. - Met een geloof of de katholieke kerk heeft onderstaand stukje overigens niets te maken. Het gaat eenvoudigweg over einde en begin, over de ongelijke strijd tussen veroudering en vernieuwing. Uiteindelijk leg je het af, maar daar moet je je nooit bij neerleggen - tenzij om 'met een aar tussen je tanden lui naar de wolken te gapen'. Als je in de groei bent, moet je om de zoveel tijd een nieuwe broek, anders loop je voortdurend 'met hoog water', en dat is een vorm van 'sociale schande' die je er natuurlijk niet bij kunt hebben op die leeftijd. Althans, zo verging het in mijn verleden. Tegenwoordig is de (afgrijselijke!) driekwart broek erg in, 'hoog water' heeft het dus helemaal gemaakt sinds de tijden van olim ('vroeger' in hedendaags Nederlands), en het begrip 'sociale schande' is navenant verbleekt geraakt. Maar daar wou ik het eigenlijk helemaal niet over hebben. Ik wou alleen maar zeggen dat je gedurende je hele leven bezig bent met je aan te passen aan veranderende omstandigheden, aan het ouder worden, aan slijtage, aan vernieuwingen - want zolang je dat doet (je aanpassen, bedoel ik), ben je nog bij de tijd, of heb je zelf in elk geval dat idee. Zo begon mijn computer bijvoorbeeld de laatste tijd steeds meer nukken te vertonen, in mijn beleving dan (om die modekreet nu eindelijk ook maar eens te gebruiken). Hij werd steeds trager, hij liep om de haverklap vast, de printer muntte uit in lekkages, en ik kon de letters op het scherm praktisch niet meer ontcijferd krijgen. Intussen weet ik natuurlijk ook wel dat dat maar voor een deel aan het vergrijzende materiaal ligt, en voor minstens de andere helft aan een verouderende Balthasar. Daar ging ik dus allemaal wat aan doen, natuurlijk, sprak vanzelf. De oogarts verdrijft inmiddels mijn staar met nieuwe ooglenzen én een leesbril, ik deed stiekem een korte cursus oefenen in geduld, en ik stelde bij voorbaat mijn persoonlijke verwachtingen bij. En de pc (als term inmiddels ook al lang en breed achterhaald en buiten de tijd), met al z'n randapparatuur, z'n gezucht en gekreun? Die kwam uit de test tevoorschijn als te korte broek, verouderde snit, fraai als old timer, edoch (in aangepaste terminologie) rijp voor het museum. Allereerst kwam er een nieuwe printer, toen de lekkende cartridges door de tafel heen het onderliggende vloerkleed in begrafenisstemming hadden gebracht. Twaalf jaar geleden kostte dat print-apparaat (tevens kopiëer- en scan-machine) nog een dikke 1200 gulden. Wat zou me die vervanging nu wel niet gaan kosten? Zegge en schrijve 49 euro, plus nog eens 5 euro voor een kabeltje! Eenzelfde kwaliteit, eenzelfde degelijkheid? Nee, maar tot nu toe wel dezelfde resultaten. En dat voor amper 10 euro per jaar, als ik veronderstel dat het apparaat 5 jaar meegaat. - En de inktcartridges zijn nog goedkoper ook dan bij de afgedankte HP-mastodont. Zou alle apparatuur dan misschien zoveel goedkoper geworden zijn? Ik haalde een folder bij de computerwinkel. Platte monitoren: van 119 tot 200 euro. 119 euro voor een volwaardig scherm? En dan ook nog eens in breedbeeld, en met ingebouwde speakertjes? Mijn ongeloof was een betere kerk waard. Welnu, dan gooien we ook de computer zelf nog maar in de strijd. Maar: 'Helemaal niet nodig, meneer. U komt eenvoudigweg capaciteit te kort, met al die programma's die hij moet draaien. We zetten er 2 giga in, en u kunt weer tijden vooruit.' En zo is het! Ik dans weer heen en weer tussen Google en Outlook, Word staat weer altijd open, en voor de balthasarsblog werken in een html-bestand (o, veroudering, o, tempo doeloe) is opnieuw een genoegen. Mailt mijn dochter me intussen: wanneer koop je nu eindelijk eens een laptop, man? Het ene aggiornamento ingehaald door het volgende. Slechts een paar maartjes nog Huize Balthasar barst inmiddels haast uit zijn voegen van de afgedankte apparaten (2 televisies toetermodel, 1 degelijk verouderde computer, 1 beeldscherm toetermodel, 1 toetsenbord zwart of wit, 1 kingsizemodel printer uit de vorige eeuw, 1 videoapparaat van nog veel vroeger), en wie weet wat de dag van morgen nog voortbrengen zal (2 fauteuils, 2 vloerkleden, 2 overjarige luchtbedden, 2 afgedankte fietsen, enzovoort enzoverder)? Want voor de eenvoudige fietser is het nog een heel geregel om daar allemaal van af te komen hoor. En of 'het milieu' nou zo blij is met het type 'voortschrijdend inzicht' van telkens weer vervangend nieuws? Tussen haakjes: het installeren van de nieuwe aankoop heet bij verkopers altijd een fluitje van een cent te zijn. Mij kost het tranen met tuiten, handenvol ingekochte handigheid, slapeloze uren en heftige gevoelens van 'uit de tijd geraken'. Maar o,o,o wat een geluksgevoel als 'alles' het uiteindelijk blijkt te doen. Totdat vervolgens alles in een mum van tijd natuurlijk weer aan vervanging toe is. - Ach, kon ik zelf eens wat 'extra geheugen' ingebouwd krijgen! Dan keek ik misschien wel uít naar het volgende aggiornamento. In de woorden van de dichter Een oneindig aantal dimensies dieper (dan bovenstaand blogje) schreef de Poolse dichteres Wislawa Szymborska (1923) over 'einde en begin' (1993) en de tijd daartussenin. Mijn aggiornamento is bij haar veeleer een herstelproces, met veel verdriet over wat verloren ging, en grote aarzeling bij wat komen zal. Een gedicht dat me (opnieuw) aan het denken zet. Daar moet ik even bij gaan liggen. EINDE EN BEGIN Na elke oorlog moet iemand opruimen. Min of meer netjes wordt het tenslotte niet vanzelf. Iemand moet het puin aan de kant schuiven zodat de vrachtwagens met lijken door kunnen rijden. Iemand moet waden door het slijk en de as, de veren van de canapés, de splinters van glas en de bloederige vodden. Iemand moet een balk aanslepen om de muur te stutten, iemand het glas in het raam zetten, de deur in de hengsels tillen. Fotogeniek is het niet en het kost jaren. Alle camera's zijn al naar een andere oorlog. De bruggen moeten terug en de stations opnieuw. Van het opstropen gaan mouwen aan flarden. Met een bezem in de hand vertelt iemand nog hoe het was. Iemand luistert en knikt met een nog niet afgekletst hoofd. Maar om hen heen duiken al gauw lieden op die het begint te vervelen. Soms zal iemand nog onder een struik doorgeroeste argumenten opgraven en naar de vuilnishoop brengen. Zij die wisten waarom het hier ging, moeten wijken voor hen die weinig weten. En minder dan weinig. En tenslotte zo goed als niets. In het gras, dat oorzaak en gevolg overwoekert, moet iemand liggen die met een aar tussen zijn tanden lui naar de wolken gaapt. naar boven 31 augustus 2011 Verval IX: De staaroperatie - Echt, heb jij een tweede huis in Hongarije, Ka? En hoe ga je daar dan naartoe? - Met de auto, heerlijk. 15 uur achter mekaar, zonder overnachting. En dan zijn we d'r al. - 15 uur! Vreselijk. In m'n laatste vakantie heb ik wel 2 uur achter het stuur gezeten. Een ramp, en dat is het. - Nou, vind ik niet hoor. En dan heb ik ook nog m'n dementerende moeder naast me, die moet geregeld plassen. Pauzes genoeg dus, en... - Intussen zijn we ook nog gewoon met uw oog bezig hoor, meneer Balthasar. Kunt u het allemaal wel hebben zo? - Nou, dokter Oftalmos, ik voel momenteel water langs m'n oor m'n nek in stromen, kan dat kloppen? - Dat is goed ja. We zijn nu bezig het lenszakje leeg te zuigen, en daar komt inderdaad nogal wat water bij kijken. En dan gaan we zometeen... - En als we 'n uur daar zijn vraagt ze al: wanneer gaan we nou 's naar huis? - ... zometeen de nieuwe lens plaatsen. Hebben ze u die bij de voorbereidingen laten zien? - Jazeker. En ik was verbaasd hoe groot... De opticiën Al meer dan een halfjaar is het knudde met lezen: die letters lijken wel steeds kleiner te worden, en waziger ook, in elkaar overvloeiend, en het is net of m'n oogsprong steeds krapper wordt, dus ik maar met tranende ogen m'n hoofd steeds heen en weer bewegen alsof ik naar een potje tafeltennis zit te kijken. Toch maar weer 's naar de opticiën gaan. Raar eigenlijk, ik heb deze glazen nog geen jaar, wat zeg ik, de laatste twee jaar heb ik zeker drie keer 'n nieuw glas gekregen. Is dat wel goed? Morgenvroeg even laten meten, dan ben ik toch in de stad. - Ach Wilco, wil je m'n ogen nog 's even checken? Ik heb het gevoel dat m'n bril niet meer klopt. Ik kan er steeds slechter mee lezen, ook op straat. Die fietsknooppuntenbordjes bijvoorbeeld, ik moet er praktisch pal vóór gaan staan wil ik de nummers kunnen ontcijferen. Ik word zo nog een gevaar op de weg. - [ Leest u even de onderste regel. Die daarboven dan? Zo beter of slechter? Kijkt u even recht vooruit, in het lampje. U mag weer achterover leunen. ] - Tja, wat ik zo meet, meneer B., daar kan ik u geen bril op adviseren. Vorige keer gingen we richting de plus, en nu weer richting de min. Vorige keer was uw gezichtsscherpte ongeveer 85, ik meet nu 55. Bovendien lijkt het wel of ik wat sinaasappelstructuur op uw netvlies waarneem. Dat gejojo, en dan nog uw klachten... beginnende staar, schat ik. Daarom kan ik u maar één ding aanbevelen: laat de oogarts er eens naar kijken voor we hier verder gaan. De oogarts - Meneer Balthasar? Was dat niet een van de drie Koningen, Balthasar? - Zeker. De andere twee waren Kaspar en Melchior. Eigenlijk waren het een soort van wijzen, niet zozeer koningen. - U bent goed op de hoogte! - Allicht, ik ben op Driekoningen geboren, 6 januari 1940, 06-01-1940, ziet u wel? Scheelt u weer een controlevraag naar de geboortedatum! - Goed, wat zijn de klachten, meneer Balthasar? - [ Zie hierboven. Daarna: druppeldedruppel, grote pupillen, priemende lampjes, de scanscan en de grafische verbeeldingen ervan op het scherm. Tenslotte het afrondende gesprek. ] - Inderdaad, inderdaad. U hebt een goeie opticiën. Staar, aan beide ogen, daar kunnen we wat aan doen. En ik zie ook verkleuringen op de gele vlek. Dat zijn een soort ouderdomsvlekken, degeneratieverschijnselen zeg maar, en daar kunnen we helaas niks aan doen, ja, in de gaten houden, dat is al. Zullen we dan het rechteroog maar eerst opereren? Goed, dan gaat mevrouw Cecil de afspraken met u regelen. En hier is het recept voor de oogdruppels. Ik zie u in de OK. Dag meneer B., dag mevrouw B. Oja, bijna vergeten, mag ik het computerbonnetje van u, anders loop ik zometeen weer achter terwijl ik niet achter loop, dankuwel. Die nieuwe systemen ook! - Ik loop de afspraken nog even met u na, meneer B. Drie dagen voor de operatie begint u dus met duppelen, tot en met de eerste controle na de operatie. Vervolgens... En dan... Wie kan... Tenslotte geef ik u nu de brochure 'De staaroperatie' mee, daar staat verder alles in wat u moet weten. En belt u ons nog vóór de operatie op als iets u niet duidelijk is. Zijn er nu nog vragen? Natuurlijk, u kunt de druppels nu met het recept bij de ziekenhuisapotheek gaan halen. Sterkte en succes. - Dank u wel, mevrouw Cecil. Dag dokter Oftalmos. Tot over twee weken. De operatie Om half negen lig ik in de operatiestoel, als bij de tandarts. Gelukkig kon ik nog net van tevoren even plassen, want de OK-assistente begint me meteen in te pakken, te druppelen en te bemoederen. Ik ben een ingebakerde baby met een groene koksmuts op die alles maar over zich laat komen, de voetjes zijn intussen al lekker warm, en de pleister met een grote R op m'n voorhoofd trekt een beetje bij de wenkbrauw. Ik kom te weten dat de dokter me zometeen een spuit in de oogzenuw komt geven, en dat dat het vervelendste moment van de hele operatie is. Oja, en in de OK krijgt u een grote doek over uw hoofd, via deze stang ziet u wel, het is net een tentje. Door de gaatjes in de stang krijgt u lucht toegevoerd, anders zou het wel erg benauwd worden natuurlijk. U bent dan wel plaatselijk verdoofd, maar van de operatie kunt u niks zien. De dokter zal u het een en ander vertellen. En dan laat ze me de kunstlens zien die ze erin gaan zetten. Ik verbaas me over het geel doorzichtig plastic lorgnetje ter grootte van een ouderwetse cent, met twee harmonica-oortjes opzij. - 'En dat moet allemaal door dat kleine sneetje van 2,7 mm?' / 'Ongelooflijk, niet? En weet u wat het is: ze willen hier op termijn zelfs nog terug van 2,7 mm naar 2,25 mm! Wat zegt u me daarvan?!' - Daar had ik natuurlijk geenzins en niemendal van terug, 2,25 mm! Dat is geen sneetje meer, dat is een speldenprik. Na twee spuiten is m'n oog genoeg ontzenuwd om het mes (nou ja, mes!) erin te zetten. De dokter rijdt me de OK in, en dan begint zo'n beetje de intro van dit blogje. De dokter en zijn assistente keuvelen er lustig op los, maar weten de klus in minder dan een halfuur te klaren: 'Zo, het is klaar hoor,' zegt ie met een tikje tegen m'n schouder. En meteen daarna word ik teruggereden naar de baakster, en buigt de dokter zich alweer over de volgende patiënt. De baakster pelt me af, en pleistert een wit kapje op m'n oog. Dat moet tot de volgende ochtend blijven zitten. En meteen daarna, zo tegen half negen, zal de dokter me bellen om te vragen hoe het gaat. - 'En dan begint u weer met druppelen, vier keer per dag. Tot de controle volgende week. Dag meneer B., het beste met u. O, en past u op met drempels en deurklinken en zo, want met één oog zie je geen diepte. U zult nog wel 's mistasten, denkt u daaraan.' Een week later De staaroperatie is de meest uitgevoerde operatie in Nederland: elk jaar 185.000 keer. Routine dus, fluitje van een cent, niksandehanda, en zo is het in de meeste gevallen natuurlijk ook. Er zijn wel hindernisjes natuurlijk, maar ach, wat stellen die nou helemaal voor? Okee, het glas in je bril spoort voor geen meter meer met je nieuwe lens, je rechter- en je linkeroog sporen niet meer met elkaar, lezen is een regelrechte kriem, en je gekwelde hersenen zorgen voor een aanhoudende lichte hoofdpijn. Je laat een vensterglaasje in je bril zetten, je koopt bij de Hema een leesbrilletje voor 5 euro. Het helpt allemaal geen bal: je bent enige tijd visueel gehandicapt en je moet je een beetje behelpen. En slapen met een kapje op je oog ligt ook niet echt lekker, dat kan ik wel zeggen. Maar verder? Druppelen maar, en je ziel in lijdzaamheid bezitten. Zo'n ingreep moet je nou eenmaal een beetje tijd gunnen. Over een maand het andere oog. NA DE STAAROPERATIE Na de staaroperatie kun je goed in de verte kijken. Maar dichtbij is het helemaal niks. Dat komt door het accommoderen. Of liever: door het gebrek eraan. Accommoderen is volgens Van Dale 'de lens van het oog wijzigen overeenkomstig de afstand waarop men ziet.' Een kunstlens kan dat echter niet. Die blijft 'in de verte kijken' ook als jij dichtbij wilt zien. Daarom heb je toch weer een brilletje nodig voor dichtbij en soms ook om goed ver te zien. Echter: het zicht wordt helder en klaar omdat de mist is gedaan, het overvloeien over is en het sneetje in je oog verdwenen is. naar boven 22 augustus 2011 Wij leven met de dieren Dag zomer! Moest ik in het recente verleden verslag doen van onze domestic problems met de steenmarter, de veldmuis, de woelrat, de brulkikker, de plaatselijke eekhoorn en de buurhonden, het afgelopen voorjaars- en zomerseizoen bracht weer geheel andere beesten prominent in beeld. Lange slierten slijmerige nachtsporen van naaktslakken op deuren, ramen en tuinmeubilair bij voorbeeld, 's morgens de opvallend agressief diepe vogelgaten in het gras van de zonneweide, en 's avonds menigvuldig zwart gedans van tegen de vloerplinten aanschurkende minipadjes. Welkom in het buitenleven en deszelfs lagere dierenrijk, augustus 2011, en geen woord gelogen hoor! Op naar de herfstwebben. Kort nog even over de mug 'O, maar als de temperatuur omhoog gaat, dan krijgen we die beloofde muggenplaag écht nog wel, hoor,' meldde Jeanette van de fitness vanmorgen toen we het tijdens ons wekelijkse conditieuurtje over wespen hadden en over muggen en steekvliegen, en andere specimina uit het dierenrijk die de zwetende mens gerust door de kleren heen steken en van jeukende bulten en opgezette schouderpartijen voorzien. Oja, en dat muggen 's avonds op het licht afkomen is een fabeltje hoor, net als het preventief insmeren met citrosekt of autanella: allemaal onzin, volgens Jeanette. Echte remedies werden er jammer genoeg niet aangereikt. Want als er íemand over prooikwaliteiten beschikt... enfin, daar heb ik u al 's eerder mee lastiggevallen. - Maar gelukkig is de Wageningen Universiteit nu bezig met experimenten in grote muggententen. Ongetwijfeld allemaal ten behoeve van martelaren zoals ik. DeslakdeslakdeslakdeslakdeslakdeslaK Het was een goed slakkenjaar, het was geen goed slakkenjaar. Het hangt er maar vanaf hoe je je belangen inschat. De belangen van mevrouw B. lagen de afgelopen periode toch voornamelijk bij de moestuin. En die heeft er van langs gehad hoor! In geen enkel van de afgelopen tien jaren waren ze met zovelen, de naaktslakken. De weersomstandigheden van dit kalenderjaar zorgden voor een regelrechte plaag, hoe goed je de dieren in het algemeen ook gezind bent, je kunt het niet anders noemen. En ze lusten alles hoor, die grote bruine glibberlijven! Geen erwt, geen boon, geen blad, geen wortel bleef gespaard, hoe waakzaam mevr. B. ook tekeer ging. Elke ochtend deed ze haar vroege slakkenronde, en tegen de duisternis de uitlaatronde. Scores van 70 à 80 langbruine moestuinvreters per dag, een paar duizend over de hele periode gemeten. En allemaal met de hand gevangen en gehuisvest in de groene compostcontainer, steen erop tegen de ontsnappingswoede en de vermenigvuldigingsdriften. Volgende dag: zelfde verhaal. De daaropvolgende dag, wéér. Enzovoort, ad infinitum. Onze groenecontainerophaaldienst draait overuren: 2012 wordt een extra goed compostjaar! Ook voor de paardrift van de huisjesslak was het een topseizoen. Nooit eerder zijn er zoveel piepkleine, knettergrote en allesdaartusseninliggende bolletjes, grotjes, complete huizen, zuigmonden en ogen op steeltjes waargenomen op onze muren, ramen, deuren, plafonds én in de moestuin. Een vriendelijk en vrolijk gezicht, dat is het ware buitenleven, zegt u? Mwa, zeg ik u, mwa! - De zomer van 2011 mag dan als een van de natste de boeken ingaan, je kunt net zo goed zeggen dat de zomer van 2011 de gladste was, dat de zomer van 2011 aan de H. Slak geofferd is. Volgend jaar graag terug naar normale verhoudingen, ja! Het minipadje Ze blijken gek op ons avondlicht, de onderdeurtjes met het zwarte kabotseken an. Ze hupsen via de tuindeuren de huiskamer binnen, en hebben een voorkeur voor onze lichtgekleurde vloerplinten. Die omarmen ze als een gekruisigde kristus, in hun poging om hogerop te komen. Voor ons het sein om ze maar weer eens buiten te zetten en de deuren te sluiten. - Kom je in de keuken: zelfde verhaal. Naar buiten met jullie. Hadden we vorig seizoen nog slechts één verdwaalde kikker in de kelder, nu zitten er telkens minimaal drie padjes binnen. Je zet ze buiten, en hup, even later weer twee in de keuken. Wat je niet weet is of het twee verse padjes zijn, dan wel een paar van de eerder gestrafte drie. Toch moet het welhaast een complete brigade zijn, want er zitten er ook in het cv-hok, in het boekhuis, in de schuur en in de twee kruidentuintjes. En gistermorgen nog vond ik er een dood, languit liggend op het kleed van het boekhuis, alle armen en benen in volle overgave gestrekt, het zwarte velletje grijs uitgeslagen - en vanmorgen weer een. Hoe kan dit gebeuren?, dacht ik nog, hoe kan dit gebeuren? Maar een antwoord heb ik niet. Hallo herfst! En geen woord gelogen hoor, dat zei ik al. Ook niet over het aanstormende maar dubieuze genot van de spinneninvasie! Het eerste blad, de eerste eikel, de eerste beukennoot zijn al gevallen, eigenlijk al in ruime mate, jazeker, de herfst is nakende, supervroeg dit jaar. En ik heb het ook al gevoeld aan de eerste ochtendlijke winddraden in mijn minuscule stekeltjeshaar, een onloochenbaar spinnenteken. Eén voorbeeld nog van wat ons in de herfst te wachten staat: 'miriaden vliegen en torren rond de gloeilamp'. Lees er het gedicht 'Hoera! De herfst komt' van de dichter H.H. ter Balkt maar op na, voor het gemak hieronder geciteerd. Over dat gedicht is H.H. ter Balkt in de loop van de jaren zelf overigens anders gaan denken. Om dit te laten zien neem ik hier een stukje over uit de Volkskrant van 27 december 2002. De criticus Arjan Peters had toen een interview met Ter Balkt naar aanleidng van diens P.C. Hooft-pijs 2003: "In zijn verzamelbundel In de waterwingebieden, gedichten 1953-1999 krijgt de lezer een indruk van de ontwikkeling van Ter Balkt, ook al heeft de dichter veel werk gewijzigd of zelfs weggelaten. Het beroemde gedicht 'Hoera! De herfst komt' ontbreekt bijvoorbeeld. In een interview met de Volkskrant zegt hij hierover: 'Veel te apocalyptisch. Heb ik ook uit de verzamelbundel gehouden. Ik bén geen onheilsprofeet. Ook niet toen ik dat schreef. Vol verbazing zit ik ernaar te kijken. Heb eindeloos geprobeerd het te veranderen, maar het ging niet. Wat een dreiging. En overal werd het geciteerd! [...] Naar de hel met dat rot gedicht.'" - Enfin, wat dunkt u zelf? HOERA! DE HERFST KOMT De roodkoperen kont van de kunst Wordt door velen gekust, Zo komen ook op de 60watts gloeilamp Vliegen en torren af bij miriaden Denkend: waar ’t licht is is ’t lekker De schrik van de torren ontlaadt zich In miniscule stippen, hun altaren Die zij bouwen op het glas van de gloeilamp Hoera! de herfst komt! veel duister Veel lampen veel vleugelslag Lezer onder je gloeilamp hef je hoofd op: De trekvogels gaan, de uiltjes komen. naar boven 7 augustus 2011 Een zomeravond op het landgoed Van een weduwe en een ongelikte beer Geel oplichtende zonnetjes in het gras en tussen de bomen wezen ons de weg naar de plaats van handeling. 'n Kleine honderd campingstoelen stonden in vier uitwaaierende rijen opgesteld voor het klassieke tuinhuis, dat voor de gelegenheid gehuld was in de rouw van kransen en donkere linten. Tussen tuinhuis en auditorium bevond zich een lange tafel met enkele stoelen, terzijde van het tuinhuis scharrelde een toom zwarte kippen en een bontgekleurde haan rond. Een huisknecht met een groot dienblad glazen liep naar de ongeziene dranktafel achter het tuinhuis, en een sterk op Sjef van Oekel gelijkende persoon vertrad zich op het weidse gazon aan de zuidzijde van het landhuis. Wij zetten ons op de eerste rij, met de avondzon in de nek en het vest tegen de verwachte avondkilte op schoot. Van links, uit de zijvleugel van het landhuis, kwam zacht klaaglijk geschrei onze kant op geslierd. De haan kraaide er eens fier doorheen, en nog eens. Loeka (Van Oekel) schreed naderbij met een blad waterservies en zette een band schettermuziek op. En vrijwel meteen weer uit. Rond zijn lippen speelde een guitig samenzweerderig lachje. Uit het niets kwam van rechts een witte scooter het speelveld opgedenderd. - Tsjechovs eenakter 'De Beer' was begonnen voor wij er erg in hadden. Uit 't Woudbericht: "Een jonge weduwe heeft zich na de dood van haar overspelige echtgenoot opgesloten op haar landgoed. Zij wil bewijzen dat trouw tot in de dood bestaat. Een naburige landeigenaar komt haar bezoeken om per direct een achterstallige schuld op te eisen." - De schuldeiser gedraagt zich aanvankelijk als een ongelikte beer. Dat pikt de weduwe niet. Maar het slot van het liedje is natuurlijk dat de twee verliefd op elkaar worden, en samen op de scooter de eeuwigheid in rijden. - En zo was Tsjechovs eenakter 'De Beer' alweer voorbij voor wij er goed en wel erg in hadden. Overpeinzingen tijdens een pauze op het landgoed * Toneelgroep 't Woud Ensemble is vooral bekend van de theaterfestivals. Maar dit jaar kozen ze voor kleinschalig toneel op historische lokaties in heel Nederland. 't Woud werkt volkomen zelfstandig, de kaartjes zijn zodoende wat aan de prijzige kant. Maar wat je dan krijgt?! Tsjechov op een avond op het landgoed in de zon! Mooier toneel bestaat niet. Gaat dat zien! - Op verzoek speelt 't Woud de eenakters van Tsjechov zelfs bij u in de tuin: info@woudensemble.nl. * De Russische medicus Anton Tsjechov (1860-1904) schreef honderden korte verhalen en meer dan tien toneelstukken (wie kent ze niet, de klassiekers 'De meeuw', 'Drie zusters', 'De kersentuin'?). Om u een indruk te geven van deze uitzonderlijke Russische schrijver, citeer ik een stukje wervende tekst uit mijn Prisma-uitgave 'Anton Tsjechov - Verhalen' (1956): "Het eigenlijke talent van Tsjechov gaat verder dan een weergaloos vindingrijke vertellersgave. Zijn verhalen, dikwijls zonder intrigue of pointe, schijnbaar op een willekeurig punt beginnend en afbrekend, zijn waarachtige verdichtingen van menselijke ervaring, waarin de triviale werkelijkheid van een weggelopen hondje, van een afgewezen verzoekschrift, van een doodgewone ontmoeting van twee mensen, tot een poëtisch feit van de eerste orde wordt, onherhaalbaar, en geladen met alle smart van het menselijk bestaan." - Nou dan! * Landgoed Het Haveke te Eefde nabij Zutphen (14 hectares landschapspark, kilometerslange wandelpaden, vakantiewoning, trouwlokatie, evenementen) dateert uit de vijftiende eeuw, "toen Herman ter Havick het landgoed aan zijn vrouw schonk als huwelijkscadeau". Het park is overdag vrij toegankelijk, en de heer en mevrouw B. zijn daar dan ook regelmatig te vinden voor een korte onderhoudswandeling. Over een aanzoek, een afwijzing, een ja-woord Na de pauze moet je er altijd weer even inkomen. Ik deed dan ook m'n vest aan tegen de kilte, en riep het meegekregen Woudbericht te hulp, dat over 'Het huwelijksaanzoek' meldde: "Deze eenakter gaat over de verwoede pogingen van drie personages die, belemmerd door eigenbelang, bij elkaar proberen te komen. Ivan Lomov, een jonge vrijgezel, heeft eindelijk de moed gevonden om af te stappen op zijn buurman om naar de hand van diens mooie dochter te dingen. In eerste instantie lijkt er geen wolkje aan de lucht, totdat deze liefdesdans ontaardt in een grote chaos." - Hilarische scènes over betwiste schapenweitjes en jachthonden met een te korte beet, met veel gekift en gelammenteer over zonen van tantes van overgrootmoeders die zus en zo op schrift bepaald zouden hebben, over welles-nietes-welles-nietes, en zoals bijna altijd bij Tsjechov tot besluit omhelzingen en gespeeld geluk, eind goed al goed en binnen een halfuur uit en thuis! De drie Woud-acteurs waren nu sterk van rol gewisseld. Met spetterend spel, vandikhout dit en dat, en niks geen subtiliteiten. Alles volkomen geloofwaardig, sterk komisch, en enthousiast van spel. Kortom, het hele Prisma-citaat van hierboven ten voeten uit. - De avond op het land begón puntgaaf, en eindigde puntgaaf. Het publiek beloonde de acteurs met een warm applaus, en de acteurs deden wat terug met een dienblad vol glaasjes wodka. De wodka ging er in één keer in, iets kapot gesmeten werd er niet. Pardon, dat laatste is natuurlijk Grieks! Tsjechov en Gezelle, tijdgenoten Gingen Tsjechovs verhalen over de kleine gebeurtenissen in de rijkere kringen, zijn Vlaamse tijdgenoot en dichter Guido Gezelle (1830-1899) beschreef toch vooral de rijkdom van de armoede. Zeker is dat ze allebei geen onderwerp te min vonden, alhoewel de priester Gezelle nogal vaak in Goddelijke Kringen verkeerde - Tsjechov beschreef altijd 'de realiteit', wat tamelijk nieuw was in die dagen. Beide schrijvers wisten in zeer kort bestek een kabbelend gebeurtenisje te laten exploderen in een onverwachte wending. Een goed voorbeeld bij Gezelle is het gedicht 'Boerke Naas', de kleine geschiedenis van een 'vergimmes' slim keuterboertje, die zijn overvallende struikrover uiteindelijk listig de baas wordt. Hardop lezen, en het altijd 'lastige' Vlaams verkeert in groot genoegen! BOERKE NAAS Wie heeft er ooit het lied gehoord, het lied van Boerke Naas? ’t En ha, ’t is waar, geen leeuwenhert, maar toch, ’t en was niet dwaas. Boer Naas die was twee runders gaan verkoopen naar de steê en bracht, als hij naar huis toe kwam, zes honderd franken meê. Boer Naas, die maar een boer en was, nochtans was scherp van zin, hij ging en kocht een zevenschot, en stak daar kogels in. Alzoo kwam Naas, met stapkes licht, en met de beurze zwaar; hij zei: ‘Och ‘k wilde dat ik thuis en in mijn bedde waar!’ Al met nen keer, wat hoort boer Naas, juist bacht [= achter] hem in den tronk [=struikgewas]? Daar roert entwat, daar loert entwat: ’t docht Naasken dat ’t verzonk! En, eer dat ‘t veintjen asem kreeg, zodanig was ‘t ontsteld, daar grijpen Naas twee vuisten vast, en ‘t ligt daar, neêrgeveld. ’t En hoorde noch ’t en zag bijkan, ’t en voelde bijkans niet, ’t en zij dat ’t een pistole zag, en zeggen hoorde: ’… Ik schiet!’ ‘Ik schiet, zoo gij, op staanden voet, niet al uw geld en geeft; en g’hebt, van zoo gij roert, me man, uw laatsten dag geleefd!’ Boer Naas, die alle dagen vijf zes kruisgebeden [= met de armen uitgestrekt] bad, om lang te mogen leven, peist [= bedenkt] hoe hij in de nesten zat! ‘Wat zal ze zeggen,’ kreesch boer Naas, ‘wanneer ik ’t huiswaard keer? Hij heeft het weêrom al verbuisd! [= opgezopen] die zatlap, nog nen keer!’ ‘Hoort hier, mijn vriend, believe ’t u, toogt dat gij mij minzaam zijt, och, schiet ne kogel deur mijn hoed en spaart mij ’t vrouwverwijt!’ ‘k Zal zeggen, als ik thuis geraak: men heeft mijn geld geroofd, en, letter [= weinig] schilde ’t of ik had nen kogel deur mijn hoofd!’ De dief, die meer van kluiten hield als van boer Naas zijn bloed, schoot rap ne kogel deur end deur de kobbe [= bol] van z’nen hoed. ‘Bedankt!’ zei Naas, en greep zijn slep: ‘schiet nog een deur mijn kleed!’ De dief legt aan en Naasken houdt zijn piteleerken [= slipjasje] g’reed. ‘Schiet nog een deur mijn broek,’ zei Naas, ‘toen [= dan] peist [= denkt] me wijf, voorwaar, als dat ik, bij mirakel, ben ontsnapt aan ’t lijfsgevaar.’ De rover zegt: ‘Nu zal ’t wel gaan, waar is uw beurze, snel: ‘k en heb noch tijd noch kogels meer…’ ‘Ik wel,’ zegt Naas, ‘ik wel!’ Zijn zevenschot haalt Naas toen uit en spreekt: ‘Is ’t dat ge u niet, in een-twee-drie, van hier en pakt, gij galgendweil, ik schiet!’ ‘Ik schiet, van als [= zodra] gij nader komt, uw dommen kop in gruis, en, zoo gij Naas nog rooven wilt, laat uw verstand niet thuis!’ En loopen dat die rover dei, de beenen van zijn lijf, zoo snel dat ’t onbeschrijflijk is, hoe snel ook dat ik schrijf! Hier stoppe ik. Dichte een ander nu ne voois [= wijsje] op boerke Naas; ’t is waar, ’t en was geen leeuwenhert, maar toch, ’t en was niet dwaas! naar boven 27 juli 2011 Proef-fietsen 'DE VLOER OP' IN VIJF BEDRIJVEN - SYNOPSIS DRAMATIS PERSONAE - Balthasar - Mevrouw B. - Onnozele Brunabeheerder Nijmegen - Olijke fietspointbeheerder Nijmegen - Twee bedachtzme visserkes langs de stadsgracht Nijmegen - Trage dienster bij Bäckerei Derks Kranenburg - NS-servicemedewerkster Arnhem - Peijnenburgkoekuitdeler - Ongeïnteresseerde fietspointbeheerder Arnhem (dubbelrol) - VVV-medewerkster Arnhem (dubbelrol) - Mevrouw Selexyz Arnhem - Dienster Eetcafé Sint Jan Eerste bedrijf: Het Plan * Regieaanwijzingen: Wandelclub VoetVolk vindt het 's zomers te warm voor de groepswandeling op de vaste eerste donderdag van de maand. Daarop komt de marsleiding met het voorstel om dan maar een fietstocht te organiseren. Vanwege de bereikbaarheid voor alle deelnemers wordt station Nijmegen het start- en eindpunt. De heer en mevrouw Balthasar zullen de tocht aan de hand van fietsknooppunten uitzetten en in de praktijk beproeven. * Clausen die in dit bedrijf voor kunnen komen: - Ja, lunchen in Kranenburg! Komen we dit jaar tóch nog even in het buitenland! - We moeten onder de veertig kilometer zien te blijven. Weet je nog hoe H. de vorige keer al na 25 km begon te piepen dat z'n achterwerk het niet meer trok? - Niet door de Ooij-polder, we gaan daar geen zonnesteken riskeren zeg! - Als we om half elf sharp starten, kunnen we om vier uur nazitten op de Waalkade. Tweede bedrijf: Proef-fietsen in het Rijk van Nijmegen * Regieaanwijzingen: Het is warm weer. De ritsbroeken kunnen aan en daarna 'af'. De B.'s nemen broodjes en koffie mee. Ze gaan fietsen huren op station Nijmegen. In het begin is er nog volop enthousiasme. Maar gaandeweg wordt de tocht een sof. * Clausen die in dit bedrijf voor kunnen komen: - Kun je hier dan nérgens fietsen huren? Weet hier dan níemand iets? - Mooi zeg, dit eerste stuk langs het water. Maar wat is het hier druk! - Waar zijn die verdomde knooppuntenbordjes nou weer? Geef de kaart 's! Nee, de goeie! - Shit, deze weg loopt écht dood. Terug naar de tunnel en langs de snelweg dan maar! - Eerst even aan m'n rookverslaving werken. - Dit is wel heel veel heel saai boerenland met verkeer en vals plat, is het niet? - Zo'n lange helling met die drie versnellinkjes, daar ben ik helemaal gaar van! - Levensgevaarlijk, die afdaling met al die scherpe bochten, dat gaan we niet doen, B. Dus. Zie je ons dat al doen dan, met twaalf man en twee krakkemikkige oudjes op deze wegen zonder fietspaden? Derde bedrijf: Plan B * Regieaanwijzingen: Balthasar en mevrouw B. buigen zich thuis opnieuw over de kaart. Uitgangspunt is nu Arnhem. Ze zijn het er roerend over eens dat Nijmegen een brug te ver was. Ze willen nu langs spoor- en waterwegen fietsen om hellingwerk zoveel mogelijk te vermijden. Wolfheze lijkt de 'natuurljke' pauzeplaats. Ze krijgen er steeds meer zin in. * Clausen zijn onder andere: - Dat lijkt me prachtig, praktisch de hele terugweg langs de Nederrijn. - Maar heen langs het spoor? Ik heb zo m'n twijfels. - O, maar we kunnen ook zo, kijk, hier, langs Zijpendaal en Groot-Warnsborn. En dan bovenlangs over die groene fietsroute richting nummer 70, maar daarvóór dan scherp linksaf over de Wolfhezerweg, zie je wel? - Ik tel nu 18 plus 17 is 35 kilometer. Kunnen we in Oosterbeek nog even gaan zoeken naar een leuke tweede pleisterplaats. - Schitterend. Morgen gaan we, de weersverwachting is goed. Vierde bedrijf: Eindstation Arnhem * Regieaanwijzingen: het weer is somber, tegen de verwachting in. Uitdagend trekken de B.'s de ritsbroeken weer aan, want: 'dat zullen wij dan nog wel 's zien!' - Maar Arnhem wordt het Waterloo van de VoetVolk-fietstocht. (Hoe, dat wordt aan jullie fantasie overgelaten, B.'s. Jullie kennen station Arnhem, toch!) Bovendien begint het onbedaarlijk te plenzen. Het echtpaar B. houdt de moed erin, maakt er 'het beste van' en belandt uiteindelijk in de prachtige Selexyz-boekhandel, ze eten een stijlvol broodje bij de La Place en kopen een paar nieuwe schoenen. * Clausen die in dit bedrijf voorkomen: - Station Arnhem, wat krijgen we nou? Is me die grote ondergrondse hal ineens open. Wat een plein! - Dus dit hebben ze de laatste 15 jaar onder en achter die schotten bekokstoofd! Immens zeg! Dit wordt groots! Allure! - En heb je het gezien: tot september twee keer overstappen om in Den Bosch te komen. Ze breken hier oude perrons compleet af. - Maar wel gratis Peijnenburg ontbijtkoek en NS-koffie vanwege de overlast, daar zullen die tienertoerders op afkomen! - Kun je hier wel met de fiets door het station naar de achterzijde, want ik zie nergens fietsgoten op die nieuwe trappen. - Nieuwe NS-service: draag uw eigen fiets over uw eigen schouder over onze trappen. Tevens goed voor hart en bloedvaten. - Borg van 50 euro per fiets, élke fiets. Ook als het er vijftien zijn. - Ik zie hier geen fietsen met versnelling staan? - Die hebben wij ook niet. In Arnhem hebben we uitsluitend fietsen met terugtraprem. Ja, meneer, wíj maken de regels niet! - De Arnhemse VVV treurt met u mee: Arnhem kent geen fietsen met versnelling in de verhuur, ook niet in de hele binnenstad, en je kunt niet met je fiets door het station naar de achterzijde. En ja, de treinverbindingen blijven nog een paar maanden brokkelig van karakter. Wilt u misschien een folder over het Museum voor Moderne Kunst of gaat u liever naar het Spoorwegmuseum? Dan moet u in Utrecht wezen. Vijfde bedrijf: Van de schoenmaker en zijn leest * Regieaanwijzingen: de marsleiding van het VoetVolk laat de fietstocht in het Rijk van Nijmegen en Arnhem vervallen. Het wordt wandelen als het wandelweer is, het wordt niks als het geen weer is. En alles geheel en al op vrijwillige basis. Nu alleen nog even een bericht aan de VV-meelopers opstellen. B. zet zich achter de computer en verzint een 4 augustus-mail. * Quotes: - die zijn geheel en al voor rekening van B. Zie aldaar. Troost-fietsen Hieronder 'Op fietse', het troostnummer van de Drentse popgroep Skik, uit 1997. Tekst en muziek zijn van Daniël Lohues. Even hardop reciteren, beter nog: meezingen. En u bent er weer helemaal bovenop! OP FIETSE Ik trap de fietse deur 't buulzand hen Op 'n zandpad tussen Slien en Erm En as ik dalijk even in Diphoorn ben dan fiets ik deur Langs Ermerzand gao'k op Veenoord an Neij Amsterdam en dan langs 't Dommersknaal En as ik dalijk dan de kassen zie dan fiets ik deur Want ik wul aal wieder ik wul alles zien De leste mooie dag van 't jaor misschien Alhoewel 't met de winterdag ok donders mooi kan wezen Ik wul aal wieder deur naor Weiteveen Want achter op 't veld daor mag 'k graag wezen A'k hier zo fietse en 't weijt nie slim dan giet 't haost vanzölf Wie döt mij wat, wie döt mij wat Wie döt mij wat vandage 'k Heb de banden vol met wind, nee ik heb ja niks te klagen Wie döt mij wat, wie döt mij wat Wie döt mij wat vandage Ik zol haost zeggen, jao 't mag wel zo Ik trap de fietse deur 't buulzand hen Op 'n zandbank langs de Duutse grens Ik denk da'k dalijk even kieken gao in 't buutenland De gruppe over, op naor Schöningsdorf Ik stao even te kieken bij'n iemenkörf En ik stao hier even te denken wat za'k nou doen links of recht deur Want ik wul aal wieder nog naor Hebelermeer 'n Kaorte he'k nie neudig want ik ken 't hier Want a'k daor dalijk over 'n slootie gao dan ben 'k weer terug in Nederland Ik wul aal wieder nog naor Barger-Compas Naor Klazienaveen-Noord en 't Oostersebos A'k hier zo fietse en 't weijt nie slim dan giet 't haost vanzölf Wie döt mij wat, wie döt mij wat En nou gao'k over Barger-Oosterveld Over 't schoelpattie kört daor bij de Honeywell En dan recht deur tot de brugge van Oranjedorp 'n Stukkie Bladderswieke en dan de Herendiek En a'k pastoorse bos en de toren zie dan fiets ik deur want 't weijt nie slim 't giet vandaag vanzölf Wie döt mij wat, wie döt mij wat naar boven 19 juli 2011 'We leven in een herfsttij' Soms komt een mens er niet onderuit: even wat 'klagen', vertellen wat je overkomen is, zonder opsmuk weliswaar, maar toch: niemand die erom gevraagd heeft. Deze week heb ik die behoefte. Maar niemand hoeft dit te lezen. - Nou, alleen het slotgedicht van Cees Buddingh' dan! Dik, hard, rood en jeukend Ik kan rustig stellen dat ik - net als velen - aantrekkelijk ben voor mieren, horzels, steekvliegen, muggen, bijen, wespen, kortom voor alle mosquito-achtige deltaduikers en kruipend gedierte dat zich voortspoedt in onze tuinen, en overal elders waar het warm, zweterig en overdag is. Hoewel, ook 's nachts word ik menigmaal beproefd door muggen, vliegen, nachtuiltjes en wat zich maar illegaal in onze slaapkamer bevindt en op zoek is naar prooibloed of deerlijk kalende hoofdhuid. Ja, ik ben zogezegd een lekker hapje, en jaja, dat meestal achterblijft met dikke bulten en onuitstaanbare jeuk. Behalve als ik me vantevoren ruimhandig ingesmeerd heb met citrosekt, citronella, autan, similasan of weet ik welke middelen me ook maar aangeraden worden. - De laatste jaren, met meer tuin, meer buitenwerk en meer lijfelijk zweet, ben ik er alleen maar aantrekkelijker op geworden. Voor de vijand, voor de vijand alleen! In het verleden heb ik ook wel eens brandwonden opgelopen door een bezwete aanraking met de bereklauw, dat was toen uiteraard nieuw voor me. En onthutsend. Het duurde nog een aardig tijdje voor de blaren geheel verdwenen waren. En sinds afgelopen zaterdag heb ik weer wat nieuws: een dikke, harde, rode, jeukende linkerarm. Opgelopen tijdens het grasmaaien, in de zon en bezweet, toen ik in aanraking kwam met onze werkelijk uitzinnig bloeiende blauwe hortensiastruik. Bij nadere beschouwing bleek die hele struik vol te zitten met bijen van de buurman, ja, die heeft achterin zijn tuin bijenkasten staan. Normaal gesproken 'doen die bijen niks', net zo min als andermans honden tijdens de wandeling of fietstocht. Maar deze keer leek het logisch dat m'n dikke, harde, rode, jeukende arm te danken was aan zo'n buurbij die natuurlijk dacht dat mijn zweet de nectar was. Tot ik vanavond ergens op het internet de volgende mededeling aantrof onder de zoekterm 'huidirritatie bij hortensia's': "Gevoelige mensen kunnen contactallergie ontwikkelen door aanraken van hortensia’s door het blauwzuur dat er in voorkomt. Met name contact met de zaadmantel kan een hevige huidirritatie veroorzaken. Na een week verdwijnt de kwaal vanzelf weer." - De buurbij ten onrechte verdacht? Hortensia's voortaan gevaarlijke planten? Ik een gevoelig mens? Drie vragen zonder antwoord. En nog vijf dagen te gaan. Met het oog op morgen De opticiën, 30 juni 2011: "Het beste advies dat ik u kan geven, is even langsgaan bij de oogarts. Ik meet nu alweer een andere correctie dan vorig jaar, u lijkt nu richting de min te gaan, vorige keer was dat nog richting de plus. En dan de gezichtsscherpte: die is teruggelopen van 90/85 naar 55, en ik meen ook iets van een sinaasappelstructuur waar te nemen op het netvlies. Samengeteld met uw eigen klachten over neveligheid en afnemend leesvermogen, en dan nog dat jojoën omhoog en omlaag, dan zegt mijn ervaring: ik kan u momenteel geen stabiele brilcorrectie aanbevelen. Ik denk dat er sprake is van beginnende staar. Bovendien zijn uw glazen nog geen jaar oud, dat wordt wel een dure aangelegenheid op deze manier. Als ik u was zou ik een afspraak maken met de oogarts." - Ik stond een beetje paf, en belde de oogarts. De oogarts, 19 juli 2011: "Uw gezichtsscherpte houdt inderdaad niet over, aan beide ogen. Dat kunnen we verhelpen met staaroperaties. Bovendien constateer ik op enkele plaatsen een kleurverandering op de gele vlek, ook weer bij beide ogen, dat zijn een soort ouderdomsvlekken waar we niets aan kunnen doen. Het beste wat ik u kan adviseren is een staaroperatie aan beide ogen, eerst rechts. Het verouderingstempo van de plekken op de gele vlekken moeten we de komende jaren in de gaten houden." - Totaal verbluft maakte ik een afspraak voor de eerste operatie, volgende maand. Lofzang op het blaasvoetbalspel Nee, een gedicht dat precies over huidirritaties en staaroperaties gaat, ken ik niet. Geklaagd over het verval van de mens wordt er overigens genoeg, door sommige dichters, daar moeten we het dus zeker niet zoeken. Andere dichters gooien het over de boeg van dapperdapper ontkennen of stoer over iets anders beginnen. Dat is al beter. Maar als het je wat sip om de mond wordt is het beste toch Cees Buddingh'. Die haalt de hele wereld en de complete geschiedenis erbij om je af te monteren en op te monteren, om je tenslotte te vragen of het niet beter is om een lofzang te zingen op het blaasvoetbalspel. Kijk, daar heb je wat aan: relativeren maar! - Het volgende gedicht komt uit de bundel Het houdt op met zachtjes regenen (1976), en vraagt om enig doorzettingsvermogen. Maar dan heb je ook wat! ARE WE DOWN-HEARTED? NOT WE! Wat kun je zeventiger jaren twintigste eeuw nog bezingen in een ode. De zon? Bron van alle leven, natuurlijk, maar krijg je huidkanker van als je er te lang in ligt (zeggen ze). De maan? Iets te populair bij de heren generaals. De natuur? Ach, mooi rond je tweede huis, maar zou u er echt weer in een berenhuid in rond willen dolen? De sterren? Het vaderland? Piet Hein? Joop de Uyl? Nee, ik vrees dat de keuze van onderwerpen zoetjes aan even schaars wordt als schoorsteenvegers, en daarbij: als je K. ter Laan mag geloven (Letterkundig woordenboek voor Noord en Zuid) of de grote Van Dale, is een ode 'een lyrisch gedicht aan een verheven onderwerp gewijd', en juist dat verhevene heb ik, sceptisch baasje, nooit zo erg zien zitten. Ja, wat hadden ze het op dat punt nog makkelijk, die oude barden: goed was goed, kwaad was kwaad, God was God, als je Piet zei wist iedereen wie Piet was, Geert-Jan was altijd een schavuit en van Klaar kreeg je steevast de kous op de kop. Een vorst was een vorst was een vorst was een vorst was een vorst, een held deed het nooit eens van angst in zijn broek - en wat waren ze nog dik gezaaid, bijna even dik als heldinnen: heel de schepping sloot als een bus, nergens één speld (die ze toen nog niet hadden) tussen te krijgen - nu ja, de praktijk had vaak erg weinig van de theorie, maar theoretiseren was alles - en mocht je toevallig geen held zijn, gewoon een kind van tienduizenden, dan kwam je, op schrift althans, niet voor in het stuk. (Iemand wie dat niet zinde stak er zelfs nog eens een tempel voor in de fik.) Maar de wereld, die eenmaal de mens tot extasen van angst en ontzag bracht, vervult hem vandaag hoofdzakelijk met argwaan: van kosmos verwerd hij tot korstmos op de geëpileerde kont van zijn universum (dank je, Lucebert), al het staal waarmee hij zich bepantserde sloeg als roest in zijn ziel en ingewanden neer. Trouwens, ziel? Walter Mehring (in The Lost Library) citeert een anatoom: 'Ik heb ik mijn leven meer dan tienduizend secties verricht, maar een ziel ben 'k niet één keer tegengekomen.' Zo, dat weten we dan ook weer. Of sputtert u nog tegen? Ga uw gang. Maar u snapt, naar ik hoop, toch ook wel waar ik heen wil: de dichter is een straathond geworden - en straathonden zijn per definitie niet zo bijster verzot op het hogere, ze gaan meer af op hun neus - en wat daarin opstijgt geurt zelden naar viooltjes. Goed, we zullen dus moeten roeien met de riemen die we niet hebben, maar dat is juist weer een uitdaging - en wie kunnen we, na Iwan Karamazow, nog anders uitdagen dan onszelf? Of we negentig zijn of pasgeboren, we leven in een herfsttij, maar ach, ook de herfst kan prachtig zijn: al dat goud, bruin en geel, wie zou 't willen ruilen voor 't groen van een Chinese lente? We zijn wat we zijn, omdat we niet anders willen zijn. De rest is gelul, (zoals Shakespeare het zo treffend heeft gezegd), en zo, 'unsere Sache auf Nichts gestellt', hobbelen we verder over de heirbaan van ruimte en tijd. (En weten wij veel wat dat inhoudt?) Hector is dood. Agamemnon is dood. Helena is dood. Maar wat zou u denken van een lofzang op het blaasvoetbalspel? naar boven 12 juli 2011 'Holland is een eiland' Voorafje De foyer van Schouwburg 'Het Park' aan de Westerdijk in Hoorn gaf uitzicht op het water van Het Hoornse Hop. In de smalle grensstrook tussen water en schouwtoneel lagen bergen grote keien, sommige welhaast van hunebedgrootte. Die stenen lagen daar niet goed, vond Hoorn. Daarom had de gemeente een keienmanipulator met shovel ingehuurd om de stenen te verleggen, te schikken en te vlijen als het ware tegen de buitenmuren van de stadsschouwburg. Sisyphusarbeid op de vrijdagmiddag, bleek: de ene steen ontsnapte voortdurend uit de wijdgesperde shovelbek, de andere kei rolde steeds en eigenzinnig naar een onbedoelde lekkerder plek. En telkens en telkens scheerde de shovelbek vraatzuchtig maar rakelings langs het schouwburgraam, millimeterwerk. We vermaakten ons zeer, de keienverlegger en ik, maar sieren deed míj dat niet. - Op enig moment moest ik deze Hoornse topattractie verruilen voor een andere: het was tijd voor de Junius-herdenking, tenslotte was ik daar voor gekomen. Eitje, na de voorstelling van Sisyphus. Heb je daar nou nog wel eens wat aan, aan dat Latijn? Ik ga hier een lans breken voor het boek van Nico de Glas. Who the hell is Nico de Glas? Voor diegenen die in zo'n geval niet meteen doorprikken naar Google: Nico de Glas zat bij mij op school, op het lyceum, afdeling gymnasium, alfa, in de jaren vijftig van de vorige eeuw; we zijn nu 71, ietwat op ons retour en Nico was van meet af aan briljant in de klassieke talen (en dan bedoel ik geen negens, tíenen!) en een absolute nitwit op het terrein van de wiskunde (en dan bedoel ik geen drieën, núllen!). Die Nico nu heeft een kleine drie jaar van zijn pensioentijd gestoken in het 'hertalen' van een 16e-eeuws boek over Holland en Holland, dat uiteraard in het Latijn geschreven werd, destijds immers de taal van de wetenschap. De auteur was de Hollander Hadrianus Junius (geboren Adriaan de Jonghe), het boek heette Batavia. In het Nederlands van Nico de Glas werd dat: Holland is een eiland. Het boek is anderhalve week geleden verschenen, is uitgegeven door Uitgeverij Verloren en kost het kapitaal van 45 euro (512 pagina's, dat dan weer wel). Maar ja, van dat prachtboek van Nico werden maar liefst 400 exemplaren gedrukt, of Uitgeverij Verloren er ook zin in had! En dan is mijn exemplaar nog niet eens bij de boekhandel gearriveerd... maar dat ligt natuurlijk aan mijn trage mij. - Koop dat boek, roep ik tot al mijn oud-klasgenoten en andere fervente balthasarsbloglezers. Nico is een must, ik heb delen van de vertaling in statu nascendi gezien! Meeleveren, die toespraak! Voor de presentatie van het boek werd ik op 1 juli 2011 door de vertaler naar Hoorn uitgenodigd, de stad waar Junius (1511-1575) geboren blijkt te zijn, en waar ze een actieve Vereniging Oud Hoorn hebben die 500 jaar Junius natuurlijk niet onopgemerkt kon laten passeren. Het werd zodoende een gezellige middag met enkele geleerde, maar - gelukkig voor de gemiddelde toehoorder - populair verwoorde inleidingen. Er was een mooi kamerkoor met liederen uit de tijd van Junius en Willem van Oranje, en er was vooral een aangenaam ontspannen relaas van Nico de Glas over 'de Batavia van Hadrianus Junius', de twee Hollanden, het eigenzinnige Latijn van omgevallenboekenkast Junius, en de hilarische lotgevallen van steenvanrosetteduider Nico de Glas. Bij een volgende druk van Holland is een eiland dient de uitgever naar mijn mening de toespraak van de vertaler integraal op te nemen, 'los inleggen' kan natuurlijk ook en dat kan meteen! Weet de lezer tenminste waar ie écht aan begint met het boek van Nico de Glas en Hadrianus Junius - die in de loop van de tijd wel 'de tweede Erasmus' is gaan heten, en die zich ook nog eens botanisch onsterflijk wist te maken: de duinstinkzwam, oftewel de Phallus Hadriani, is naar hem vernoemd door Linnaeus. Hoorn op vrijdagmiddag Nadat ik in de drukte van het bonte Junius-gezelschap de gevierde vertaler gedurende wel driekwartseconde de hand had kunnen drukken (evenwel zonder de kans om hem met zijn levenswerk te complimenteren, dat moet hier dan maar), liet ik de schouwburgviering voor wat ie was, en dook ik onder in het Hoorn van de vrije vrijdagmiddag. In de Kerkstraat werd aan het Gebouw De Oude Stoel een gevelsteen met Junius-inscriptie onthuld, in de Boterhal was het een en al krakeel van Junius-adepten die de gratis biografie op kwamen eisen, en de Junius-straat kreeg een nieuw straatnaambordje omdat de hooggeleerde Junius-kenner Van Miert ontdekt had dat op het oude bordje Hadrianus Junius een jaar te vroeg gestorven was. In de straatmenigte meende ik ook nog een oud-burgemeester van Hoorn te ontwaren, maar dat kan evengoed een projectie van ons gezamenlijke verleden geweest zijn: er liepen daar in Hoorn op vrijdagmiddag wel meer optochtfiguren uit de tijd van de rolkragen en pofmouwen rond. Bij een luxe snackbar veroorloofde ik mij een broodje oude kaas met een kop dito koffie, ik stak mijn parapluutje eens op tegen een voorbijwaaiende regenwolk, en sloeg tenslotte bij de HEMA linksaf in de richting van het station. Daar reed mijn trein naar Amersfoort blijmoedig aan mijn neus voorbij, wat mij op een bezoekje aan de plaatselijke KIOSK kwam te staan. Ik stond vanzelfsprekend bij de verkeerde kassa om een kartonnetje verse koffie af te rekenen, en men liet mij daar ook rustig staan, om andere mensen te helpen. Ach ja, veel vrijdagmiddagbezoekers hadden natuurlijk haast om Hoorn de rug toe te keren, stad tenslotte ook van Jan Pieterszoon Coen, die andere grote zoon van Hoorn! Achterafje Zaterdag 2 juli had de Volkskrant in het katern Wetenschap een groot Junius-artikel onder de kop: "Hoorn gaat 'tweede Erasmus' aan vergetelheid ontrukken". Een en al aandacht voor de biografieschrijver Dirk van Miert. Over Nico de Glas en zijn geprezen vertaling van de Batavia geen woord. - Ik dacht, dat moest ik maar eens een klein beetje goedmaken. Schrale troost voor Nico, die natuurlijk groter podium verdient. Bij voorbeeld in een paginagroot artikel in Het Historisch Nieuwsblad of een interview in het zondagochtendradioprogramma OVT. - Ze zullen me daar bij Uitgeverij Verloren toch wel een afdeling PR hebben? De dichter K. Michel ontving begin dit jaar de Awater Poëzieprijs 2010 voor zijn bundel Bij eb is je eiland groter. Wat staat er allemaal in die bundel van K. Michel? Dat heeft uitgeverij Augustus in zijn promotie zo onder elkaar gezet dat er waratje wel een nieuw gedicht ontstaan lijkt te zijn. Aanrader voor auteur én uitgever die nét een boek uitgebracht hebben onder de titel Holland is een eiland? Kom op, Uitgeverij Verloren, kijk eens naar Augustus, hieronder! BIJ EB IS JE EILAND GROTER Wat zit erin? Nieuwe vormen, nieuwe thema’s en motieven en nieuwe ritmes. Zo is er een heus 'douchelied' Een lang vertellend gedicht over het bezoek van Karl Marx aan Zaltbommel in 1864 Een gedicht in dicteestijl Een gedicht met twee voetnoten (waarin een poes kritiek op de tekst levert) Een bijna verlegen ode aan de forens Een liefdevol portret van een gezelschap demente mensen Een slaapliedje Een weemoedige blik op de liefde en een rooskleurige Een gedicht waarin 'Darwins blues' wordt gezongen door een bioloog Enkele gedichten zijn wandtegelig Sommige zijn breed vertellend Het douchelied is uiteraard zangerig En springerige ritmes komen ook veel voor naar boven 6 juli 2011 Stilte in Doodloopstraat Nog één keer Halbe Zijlstra De belofte van vorige week maakt schuld: Ramsey Nasr moet weliswaar nog even wachten, maar vandaag gaat het 'dus' over de Zuid-Afrikaanse dichteres Ingrid Jonker. Inderdaad, weer over kunst dus, ondanks of misschien wel omdat staatssecretaris Halbe Zijlstra zijn kunstkorting van 200 miljoen euro zonder slag of stoot door de tweede kamer kreeg. Mij gaat het niet zozeer om dat bedrag, maar wel om de uitgesproken achterliggende gedachte: we zullen hullie van dat elitegedoe wel 's even een toontje lager laten zingen (en hup, ook nog eens een flinke btw-verhoging eroverheen, dat zal ze leren!), het geld kunnen we immers wel beter besteden: aan de 'begeleiding' van risicovoetbalwedstrijden met z'n hooligans bijvoorbeeld. Het dédain ten aanzien van alles wat beschaafd, intellectueel, ontwikkeld of kunstzinnig is, druipt uit alle poriën van dit gedoogkabinet (zoals eens het wijwater uit de boeken van Arendsoog droop - alleen de eerste drie delen, toen was het wijwater gelukkig op). Wat zou Zijlstra toch bedoelen als ie 'beoog[t] het Nederlandse onderwijs via straffe maatregelen weer in de wereldtoptien te manoeuvreren'? Meer beschaving, meer intellectuelen, meer ontwikkelden, meer kunstliefhebbers? Ik ben bang dat het uitsluitend om de posítie op de wereldranglijst gaat, níet om wat dat wellicht inhoudt. Ingrid Jonker (1933-1965) Enfin, laten wij tot de kunst en tot Ingrid Jonker terugkeren. Zij leefde een kort en tamelijk getroubleerd leven, was moeilijk in de omgang met anderen, en had politiek het hart duidelijk op de goeie plaats. Zij probeerde tevergeefs de gunst van haar vader te verkrijgen (een conservatief parlementslid en minister, fel aanhanger van de apartheidpolitiek), en was uitputtend veeleisend in haar liefdesrelaties. Door kenners werd haar dichterstalent al vroeg onderkend, maar door haar kritische houding tegenover het apartheidsregime lukte het haar jarenlang niet om dichtbundels gepubliceerd te krijgen. Uiteindelijk zocht ze zelf de dood in de zee bij Kaapstad. Volgens sommige bronnen reageerde haar vader op het bericht van haar dood met de uitspraak 'Voor mijn part gooien ze haar weer terug.' - Achteraf leken verschillende van haar gedichten op een zelfgekozen einde te preludiëren, zoals 'Korreltjie sand' uit de bundel 'Rook en oker' (1963). Zie het einde van deze balthasarsblog. Ingrid Jonker brak pas echt bij een groter publiek door toen Nelson Mandela in 1994 haar gedicht 'Die kind wat doodgeskiet is deur soldate by Nyanga' (geschreven n.a.v. rassenrellen in 1960) reciteerde tijdens zijn inauguratierede als president van Zuid-Afrika: Jonker was toen al bijna 30 jaar dood. Ook in Nederland geniet Ingrid Jonker onder poëziekenners grote bekendheid, met dank aan de inspanningen van Henk van Woerden (scenarist van de VPRO-documentaire 'Korreltje niks is my dood' uit 2001) en Gerrit Komrij (met zijn vertalingen van Ingrid Jonker uit het Afrikaans naar het Nederlands in 'Ik herhaal je' (2000/2007) en zijn bloemlezing 'De Afrikaanse poëzie in 1000 en enige gedichten' (1999)). Mandela had niet de ruimte om het hele gedicht 'Die kind...' te citeren. En ik hier eigenlijk ook niet. Daarom geef ik hier het tweede deel van het gedicht, in de vertaling van Gerrit Komrij: Het kind is niet dood noch bij Langa noch bij Nyanga noch bij Orlando noch bij Sharpeville noch bij het politiebureau van Philippi waar het ligt met een kogel door zijn hoofd Het kind is de schaduw van de soldaten op wacht met geweren pantserwagens en knuppels het kind is aanwezig bij alle vergaderingen en wetgevingen het kind loert door de vensters van huizen en in de harten van moeders het kind dat alleen maar wilde spelen in de zon bij Nyanga is overal het kind dat een man is geworden trekt door heel Afrika het kind dat een reus is geworden trekt door de gehele wereld Zonder pas Black butterflies En nu is daar dan die film bijgekomen: 'Black Butterflies' (2010) van Paula van der Oest, met o.a. Carice van Houten als Ingrid en Rutger Hauer als haar vader. Het eerste halfuur zag ik de film niet zitten: ik kon maar geen verbinding gelegd krijgen tussen de actrice Carice van Houten, de figuur van Ingrid Jonker en de gedichten van Jonker. Na dat eerste halfuur - waarin de nadruk wel erg eenzijdig op Carice van Houten en het vermeende seksleven van Ingrid Jonker lag - ging het beter, het laatste deel van de film was ronduit goed, zodat ik toch nog met een brok in de keel het filmhuis verliet. De film was 'English spoken' en niet 'Afrikaans gespreek'. Dat voelde niet als een bezwaar, behalve dan waar het om de gedichten van Ingrid Jonker ging. Ook de Engelse Mandela-versie van 'Die kind wat doodgeskiet is deur soldate by Nyanga' was even schakelen geblazen. Tja, het Afrikaans en het Nederlands liggen nou eenmaal op 'n bijzondere wijze dicht bij elkaar. Bovendien vermag het Afrikaans ons nogal te vertederen, door z'n woordkeus en zinsgrammatica. Ik geef 'n voorbeeld uit het gedicht 'Mamma' om dat toe te lichten: - mamma is niet meer 'n mens nie / net 'n 'n / sy trek aan / sy gaan na die haarkapper / sy loop in die strate / haar voet haak vas / sy spreek die psigiater / nes 'n gewone mens Dat wordt in het Nederlands van Komrij: - mamma is niet langer een mens / niets dan 'n ding zonder naam / zij kleedt zich aan / zij gaat naar de kapper / zij loopt op straat / haar voet blijft haken / zij bezoekt de psychiater / net een gewoon mens Poëzie hardop Wat altijd weer het meeste tot de verbeelding spreekt, dat zijn de woorden van de dichter zelf. Zie hierboven. En zie hieronder, in het schijnbaar zeer eenvoudige gedicht 'Korreltjie sand'. Het leven in een nutchell, tot en met het einde aan toe, het leven is een korreltje zand. En altijd weer: hardop lezen dat Afrikaans! Dan zal het waratje wel lukken, en krijg je zo'n beetje vanzelf de 'eigenaardigheden' van het Afrikaans door. - Voor het gemak en het juiste begrip, geef ik telkens de Nederlandse vertaling van Gerrit Komrij in de tweede helft van de regel. Geniet van Ingrid Jonker! En schaf bijvoorbeeld die bundel aan: Ik herhaal je, Uitgeverij Podium, Amsterdam (negende druk, 2007), met vertaalwerk van Gerrit Komrij en een uitvoerig nawoord van Henk van Woerden. KORRELTJIE SAND - KORRELTJE ZAND Korreltjie korreltjie sand - Korreltje korreltje zand klippie gerol in my hand - steentje gerold in mijn hand klippie gesteek in my sak - steentje gestopt in mijn zak word korreltjie klein en plat - wordt korreltje klein en plat Sonnetje groot in die blou - Zonnetje groot in het blauw ek maak net 'n ogie van jou - ik maak 'n echt oogje van jou blink in my korreltjie klippie - schijn in m'n korreltje steentje dit is genoeg vir die rukkie - eventjes 't is er maar eentje Kindjie wat skreeu uit die skoot - Kindje dat krijst uit de schoot niks in die wêreld is groot - niks in de wereld is groot stilletjes lag nou en praat - stilletjes lacht het en praat stilte in Doodloopstraat - stilte in Doodloopstraat Wêreltjie rond en aardblou - Wereldje rond en aardblauw korreltjie maak ek van jou - korreltje maak ik van jou huisje met deur en twee skrefies - huisje met deur en twee kiertjes tuintjie met blou madeliefies - tuintje met blauwe madeliefjes Pyltjie geveer in verskiet - Pijltje veert weg in 't verschiet liefde verklein in die niet - liefde verkleint tot het niet Timmerman bou aan 'n kis - Timmerman bouwt aan een kist Ek maak my gereed vir die Niks - Ik maak me gereed voor het niks Korreltjie klein is my woord - Korreltje klein is mijn woord korreltjie niks is my dood - korreltje niks is mijn dood naar boven 28 juni 2011 Brand in het hooi 'Het is plicht dat iedere jongen...' en elk weldenkend mens zich op zijn eigen manier verzet tegen de allengs dwingender dictatuur van de platheid, zoals die met name door de PVV in steeds brutalere opties gevestigd wordt. Laatste nieuwsitems in deze arena, o.a.: uitsluitend nog Jan Smit, Frans Bauer en André Rieu op alle Nederlandse radiozenders; Rosenmöller van de buis met z'n linkse praatjes, en rap 'n beetje; 'ook kleinkinderen van migranten zijn allochtoon' en dus de schuld van onze onvrede en agressie; en dan Verhagen met zijn duit in het zakje: 'dat u bang bent voor alles wat buitenlands is, is terecht en daarom moet u bij het CDA terugkeren'. Enfin, zo kan ik nog wel even doorgaan, tot het voor de onderbuik volkomen onontkoombaar, wat zeg ik: volkomen gerechtvaardigd, is dat de bruine horden hier het land eens even in het enig gewenste gareel komen trappen, dat namelijk van de ontevreden, rancuneuze blanke kleinburger die kotst op beschaving en intellectuele ontwikkeling. Geestesziek? Naar de buurvrouw ermee, en anders... 'lösen'! Rechterlijke macht? Vooringenomen links tuig. Ontwikkelingshulp? Híer met dat geld! Kunst? Onzin en entartete eliteluxe! Mijn bijdrage vandaag? Een recente ervaring met grote kunst, het boek 'De wolken', uit de nalatenschap van schrijver, dichter, schilder, filmer Hugo Claus (1929-2008). Uiting van troost en verzet, voedsel voor geest en ziel. (Een volgende keer in dit verband: over de Zuid-Afrikaanse dichteres Ingrid Jonker (1933-1965) en de film 'Black Butterflies' (met het gedicht Die kind wat doodgeskiet is deur soldate by Nyanga). En daarna over Ramsey Nasr, dichter des Vaderlands, met zijn Slotakkoord van de Mars der beschaving, vlammend betoog aan het adres van Rutte en zijn trawanten.) - Maar nu eerst over Hugo Claus, die 'berg in het landschap van de Nederlandse literatuur' (uitspraak van Harry Mulisch). En ik introduceer hem in het kader van deze blog met een uitspraak op p. 55 van het onderhavige documentaire boek: 'Anekdote. Ik ga met Paul Vandenbosch, Frans auteur, eten in een restaurant. Waarop Vlaamse studenten op mij afkomen en mij vragen waarom ik godverdoeme gien Vloms kan klappen laaik iedereén. In Vlonderen, Vloms, menier Claus! Waarop ik natuurlijk de kelner in het Frans heb gevraagd ze er uit te zetten.' Uit de geheime laden van Hugo Claus Alweer over een boek? Alweer over een boek. Want wat voor een boek! De wolken, met als ondertitel 'Uit de geheime laden van Hugo Claus'. Toets de volledige boektitel in op Google en ontvang 'ongeveer 10.700 resultaten (0,16 seconden)', waaronder tig recensies. Het boek kwam uit in mei 2011, meteen toen ik me meldde bij de boekhandel bleek het al in herdruk, en nu lees ik de tweede druk, juni 2011. En dat lezen, dat kíjken!, dat schatgraven, is een overweldigende ervaring. Zeker voor een lezer die Hugo Claus vanaf midden jaren vijftig gevolgd heeft, en minstens zo'n 15 titels in de kast heeft staan (van de godmagweten hoeveel honderd titels aan dichtbundels, romans, novellen, verhalen, toneelstukken, essays, filmscenario's en libretti). Voor piepjonge lezers ligt dat waarschijnlijk toch een stuk lastiger. De wolken is de door Mark Schaevers (en de weduwe van Claus, Veerle de Wit) bijeengeklauwde greep uit de overvolle nalatenschap van de Vlaamse reus. Geen biografie, maar een baaierd aan ingrediënten voor een biografie; geen systematische ordening, maar de overdadige diversiteit van de schatkist waaruit je maar moeilijk kiezen kunt. Ongepublliceerde verzen, dagboekpagina's, correspondenties, lezingen, talloze aanzetten, invallen en observaties, en tenslotte de allereerste ideeën voor wat zijn laatste grote werk had moeten worden: Wolken, in een steeds kriebeliger Alzheimer-handschrift. - Plus dat het boek vele foto's geeft, tekeningen van het multitalent zelf, en interessante fac simile's van brieven, toneelstukken en dagboeken. - Ik lees het boek van a naar b, van begin naar eind, met een uitzondering voor het beeldmateriaal: dat heb ik allereerst en volledig genoten. En elke pagina smaakt naar meer, meer, en naar de rest van die 'geheime laden'. 'Wolken' of 'De wolken'? Het lijkt een detail, maar voor mij is het dat niet. Samensteller Schaevers (en uitgever De Bezige Bij natuurlijk) koos voor 'De wolken'. Maar de schets van het omslag/titelpagina die Claus op het eind van z'n leven maakte (p. 223) heeft duidelijk als titel 'Wolken', daar is geen twijfel over mogelijk. 'De wolken' zijn álle wolken, is allesomvattend, de uiterste pretentie. 'Wolken' zijn sómmige wolken, een voorbijdrijvend veld, deze wél, andere níet, er kan altijd nóg een deel volgen. Ik stem voor de schets van HC (en zijn ironische 'bescheidenheid'), en niet voor het finale totaal dat het voorliggende boek suggereert. Dat, tussen haakjes, nog maar een 'kleine' selectie uit die grote schatkist bevat - bekijk het DWDD-filmpje op www.boeken-over-boeken.nl maar, en hoor en zie het Veerle de Wit zelf uitleggen. In de woorden van de dichter Hugo Claus was een Belg, een Vlaming, maar hij was misschien toch vooral wel een Nederlandse auteur. Hij schreef in elk geval in een eigen Nederlands. In de opvatting van Wikipedia wordt dat: "In 1969 ging zijn toneelstuk Vrijdag met Kitty Courbois in de hoofdrol in Amsterdam in première. Dit was het eerste toneelstuk waarin zijn mengtaal van dialect en Standaardnederlands naar voren kwam. Het was alsof Claus tegenover zijn Hollandse fans een Vlaamse identiteit wilde affirmeren. En de 'Hollanders' spraken in zijn regie onberispelijk 'Vlaams'." Op p. 80-86 van De wolken staat een lezing van Claus over zijn poëzie, 'wellicht voor een schoolpubliek'. De verhandeling eindigt met de Oostakkerse gedichten, 1956. Lees in elk geval p. 86 van die lezing, en je wilt nog maar één ding: die Oostakkerse gedichten (her)-lezen! Om u op gang te helpen hieronder alvast het gedicht 'Bitter smaakt' uit die beroemde bundel, p. 14 van mijn Bezige Bij Poëziepocket 1, 1985. - Kandidaatslachtoffer van het nieuwe denken in Nederland? BITTER SMAAKT Bitter smaakt het kruid der herinnering 's morgens in de mond. Kanonnen, fosforen rotsen, Kalken stoppelrapen omsluiten mijn woning en wie Waken er niet, onkuise wachters op het teken Van het braambos, van de hoorn, Van de gehelmde weerhaan van de haat? Eén stap en slingerapen glijden, Schuiven binnen op vingers En breken baan in de ruststand van mijn bloed. En wonen er gezwind En wonen er traag. Tot het brandt in het hooi van alle woorden, Tot het brandt in het verleden veld, de verdronken dagen en Hun gistend koren. naar boven 18 juni 2011 Overstapservice - maand 3 De Winkelexpert - Met Balthasar, goedemiddag. - Met Thijs de Winkelexpert te Z. Na twee maanden heb ik eindelijk uw problemen van de dubbele rekeningen en de krakkemikkige overstap kunnen bespreken met KPN en UPC. Er blijkt nogal wat misgegaan te zijn in de communicatie tussen die twee. U krijgt schriftelijk bericht van UPC over bevestiging, contract en overstapservice naar hun totaalpakket. Kunt u meteen ook een UPC-emailadres nemen. En wat betreft die dubbele rekeningen: dat had UPC natuurlijk met KPN moeten regelen. Is niet gebeurd. Maar nu gaat KPN u opbellen om u hun diensten op te laten zeggen. Dan komen er geen dubbele rekeningen meer. Ja, dat moet met uw persoonlijke stem, nee, wij konden dat niet voor u regelen. - O, dus KPN kan aan mijn stem horen dat ik het ben, en dan sturen ze geen rekeningen meer? Knap én tricky hoor. - Dat is het. U wordt straks dus gebeld door KPN. - Vandaag nog, op zaterdag? - Vandaag nog, meneer B. KPN-callcenter - Met Balthasar, goedemiddag. - Met KPN. Waarmie kon ik oe van dienst zijn, menier? - Nou, u belt mij toch? Dus u... - Met KPN. Waarmie kon ik oe van dienst zijn, menier? - Nou, ik denk wel dat ik weet waar dit over gaat. U bent gebeld door Thijs de Winkelexpert te Z. Over mijn dubbele rekeningen en de half mislukte overstap van KPN naar UPC-totaalpakket. En nu zou u ervoor kunnen zorgen... - Met KPN. Waarmie kon... Rinkeldekinkel. Holderdebolder. Hoornhaakgeklander. En van je tuuttuuttuut. Tuuttuuttuut. - Hallo KPN, bent u daar... - Tuuttuuttuut. Tuuttuuttuut. De Winkelexpert - Met Thijs, de Winkelexpert te Z. - Thijs, met Balthasar. Die KPN heeft me gebeld. Maar dat was geen succes. Ze vroegen deze menier wat ze voor mie konden doen. Toen ik amper aan m'n verhaal begonnen was, werd de verbinding bruut verbroken. Sindsdien niks meer van gehoord. Dat gaat zo niet lukken, Thijs. - Ik zal m'n contact bij de KPN 's bellen, hoe we hier mee verder moeten. Ik bel u terug. De Winkelexpert - nog 's - Dat schijnt bij KPN vaker voor te komen, meneer B., slechte ervaringen met het callcenter waar ook ter wereld, m'n contact zelf weet niet eens waar dat ligt. Daarom heb ik het volgende voor u afgesproken, en dat is misschien ook wel veel beter. U belt zelf met de KPN-klantenservice, 0900-0244, menu 1, keuze 4 beëindiging abonnementen, menu 2, keuze 3 overige abonnementen. En dan kunt u alles bespreken. - Is het zo eenvoudig, Thijs? Dan had dat twee maanden geleden toch ook wel gekund? - Eh... Dus u belt zelf de KPN, meneer B.? - Doe ik Thijs, vandaag nog. Ik heb genoteerd: 0900-0244, menu 1, keuze 4, menu 2, keuze 3, en dan komt alles in orde. Bedankt Thijs! KPN-klantenservice - 0900-0244. Dit nummer kost 10 eurocent per minuut. - KPN-klantenservice, met ... (naam niet verstaan). Waarmee kan ik u van dienst zijn? - Dat zal ik u vertellen, meneer hoewasuwnaamookalweer? Danku, meneer Jansen. - Okee, ik zal het kort houden, want de problemen duren nu al meer dan twee maanden, en ik word er een beetje moe van... - Tjee, meneer B., wat vervelend voor u. En mag ik dan nu even uw postcode en huisnummer? - Ik zie hier dat u... U had dus telefoon van KPN, nummerbehoud, UPC, en nu hebt u dus nog internet basis van ons? - Nee, meneer Jansen, ik heb nu internet van UPC. - Aha, en dat abonnement wilt u dus opzeggen, inclusief uw emailaccount. Per direct of over een maand? - Als dat betekent dat ik ook m'n planet-emailadres kwijt ben terwijl ik nog geen UPC-adres heb, dan lijkt me dat niet erg handig. Kan ik dat adres niet houden? En wat kost dat dan? - Natuurlijk kunt u dat adres houden, meneer. Als u alleen uw email-account wilt houden, dan kost dat 2 euro 50 per maand. En dat verrekenen we dan neem ik aan met de dubbele rekeningen die u ontvangen hebt. - Geweldig, dan doen we dat toch? Blijf ik van heel wat werk verschoond. Ik hou m'n oude emailadres. En ik hoef niet al die moeite te doen om alles en iedereen van een nieuw adres op de hoogte te stellen. Dat is me wel 2,50 per maand waard. Plus dat ik zo natuurlijk ook nog een beetje bij KPN blijf! - Inderdaad, en op onze site kunt u altijd zien welke diensten we u nog meer kunnen leveren, meneer B. - U komt in aanmerking voor de Bonus 2011, meneer Jansen. - Dankuwel, meneer Balthasar, u ook een prettig weekend. - Gedaan op zaterdag 18 juni 2011, de dag van Het Licht. - ?...? Tuuttuuttuut. - Halleluja! Toch? Relativeren maar! In zijn bundel 'Tot het ons loslaat' nam Rutger Kopland het gedicht Bericht van het eiland Chaos op. Een schrijnend verslag van schone schijn, folders met glanzende foto's versus de barre werkelijkheid. Niet dat ik het overstappen van de ene naar de andere 'aanbieder' Het Nieuwe Chaos zou willen noemen, feit is dat dit soort veranderingen (bij ons) telkens weer in vervelende verrassingen uitmonden. Het beste is natuurlijk om hier sterk relativerend tegenover te staan, het kan altijd erger, zo is het leven nou eenmaal! Of je kunt er op een licht ironische toon verslag van doen, bijvoorbeeld in een balthasarsblogje, dat lucht ook heerlijk op. Zodoende eindig ik toch nog een tikje opgewekter en minder 'in chaos' dan Rutger Kopland, maar ja, die hield er wel een mooi gedicht aan over! BERICHT VAN HET EILAND CHAOS Hoe lang zijn we hier nu al, vrienden, het was ooit bedoeld als vakantie, maar wat het nu is - We zagen de folder: Chaos, dames en heren, Uw eiland; de glanzende foto's, de helblauwe Chaotische baai, het krijtwitte vissersdorp Krisis. We lazen dat het eiland wordt geprezen om zijn zeer diepe rust, de laatste bewoners worden zelfs gelukkig genoemd onder hun plataan. Wij dachten dat het een grap was en gingen er heen, maar of het zo is - we zitten op de kade iedere dag en aan onze voeten ligt een van de honden iedere dag, bang dat we weggaan. Wij zien hoe de Hagia Katastrophi daar voor anker ligt, langzaam helemaal wordt bescheten door de meeuwen, ligt te wachten op passagiers. Hoe lang al, onze geschiedenis wordt hoe langer hoe vreemder. Mocht dit bericht jullie ooit bereiken of mocht dit niet zo zijn. naar boven 13 juni 2011 De poëzie van Wislawa Szymborska AFWEZIGHEID Het scheelde niet veel of mijn moeder was getrouwd met meneer Zbigniew B. uit Zdunska Wola. En hadden zij een dochter gehad - ik was het niet geweest. Misschien had ze een beter geheugen voor namen en gezichten, en voor elke, slechts één keer gehoorde melodie. Herkende ze feilloos van een vogel welke het was. Had ze uitstekende cijfers voor natuur- en scheikunde, en slechtere voor Pools, maar schreef ze heimelijk gedichten meteen al stukken interessanter dan die van mij. Het scheelde niet veel of mijn vader was in diezelfde tijd getrouwd met juffrouw Jadwiga R. uit Zakopane. En hadden zij een dochter gehad - ik was het niet geweest. Misschien was ze standvastiger in wat ze wilde. Sprong ze onbevreesd in het diepe. Geneigd tot overgave aan collectieve emoties. Voortdurend gezien op meerdere plaatsen tegelijk, maar zelden over een boek gebogen, vaker op de speelplaats, een balletje trappend met de jongens. Misschien hadden de twee elkaar zelfs wel ontmoet op dezelfde school in dezelfde klas. Maar zonder een paar te vormen, zonder enige verwantschap, en op de groepsfoto ver uit elkaar. 'Meisjes, komen jullie hier staan,' zou de fotograaf hebben geroepen, 'de kleintjes vooraan, de grotere daarachter. En mooi lachen, als ik een teken geef. Alleen even tellen, zijn jullie er allemaal?' 'Ja meneer, allemaal.' Zo'n vijftien jaar geleden kocht ik bij Boekhandel Heijnen in Den Bosch de verzamelbundel Uitzicht met zandkorrel van de Poolse dichteres Wislawa Szymborska (1923). Ze had net de Nobelprijs voor literatuur gekregen, en Volkskrantcriticus Michael Zeeman had een laaiend enthousiaste en diepgravende recensie geschreven over die net verschenen dichtbundel. De naam van de dichteres kon ik amper uitspreken, maar haar teksten kwamen moeiteloos tot me: toegankelijke en aangrijpende gedichten, over herkenbare situaties uit het dagelijkse leven. (Met de complimenten aan Gerard Rasch, vertaler.) Gaandeweg de balthasarsbloggen heb ik er menigmaal uit geciteerd, de trouwe lezer kan het beamen. En mijn dochter M. die in het geheel niets met poëzie zegt te hebben, bekende mij laatst dat gedichten van Wislawa Szymborska daar de enige uitzondering op vormen. Dat leek me een tweede klinkende recensie. In alle toonaarden suggereert WS dat je naar haar werk moet kijken, en naar het werk alleen. Haar persoon zelf is oninteressant vindt ze, en ze is dan ook allergisch voor interviews of andere berichten over haarzelf. Wat we van haar weten is dat ze een onconventionele vrouw is, wars van uiterlijk vertoon of eigendunk, en die tijdens de uitreiking van de Nobelprijs (december 1996) 'telkens op de verkeerde momenten een buiging maakte'. Daar heeft ze niet onder geleden meldt ze, wél onder de druk die het winnen van de Nobelprijs kennelijk met zich meebrengt. Wislawa Szymborska is nu 88 jaar, en nog steeds verschijnen er met enige regelmaat nieuwe bundels van haar hand: Dubbele punt in 2007, Hier in 2009. Einde en begin Dat is niet alleen de titel van haar 'verzamelde werk' in het Nederlands (Uitgeverij Meulenhoff), het is ook de titel van de documentaire film die Albert Jansen ter gelegenheid van Poetry Ínternational 2011 maakte over Wislawa Szymborska, haar thema's en haar woonplaats Krakow. Die film is met de onwillige medewerking en het nodige gemor van WS tot stand gekomen, en wordt dinsdag 14 juni 2011 op Nederland 2 uitgezonden in het VPRO-programma 'Het uur van de wolf' (23.00 uur). Het is, in de woorden van de VPRO-gids, 'een associatieve reis gebaseerd op een aantal kerngedichten en informele ontmoetingen met de Poolse dichteres. Het is tevens een reis door Polen; in haar gedichten geeft ze op zeer persoonlijke wijze commentaar op de Poolse geschiedenis.' En omdat WS sinds 1996 praktisch in een afgeschermde privé-wereld leeft, is deze documentaire een 'unieke' inkijk in haar leven en werk. Ik ben er nieuwsgierig naar. Het lijkt praktisch ondoenlijk om mensen via een blogje enthousiast te krijgen voor een dichter. Daar kan eigenlijk alleen het lezen van het werk voor zorgen, maar zo veel ruimte biedt een blogje nou ook weer niet. Zo nu en dan een blog-afsluitend gedicht van WS: dat helpt allicht. En die documentaire van morgen? Die helpt hoop ik ook. Plus natuurlijk het gedicht dat ik vandaag hieronder plaats. Op dit moment weet ik nog niet wélk gedicht! Er zijn er zo veel die ervoor in aanmerking komen... Daar ga ik het komende halfuur over beslissen, het komende pracht-halfuur, u zou willen dat u met me mee kon lezen. Ik begin de lezing met de gedichten die ik al eerder in de balthasarsblog plaatste (en beperk me daarbij tot de jaren 2009 en 2010), t.w.: Het korte leven van onze voorouders (24/8/2009), Gelukkige liefde (2/8/2009), Gesprek met een steen (22/5/2009), De eerste foto van Hitler (7/7/2010), De twee apen van Bruegel (5/6/2010). En het werd tenslotte, o onmogelijke opgave!, het werden er tenslotte twee: Afwezigheid en Eigenlijk elk gedicht, resp. het eerste en het laatste gedicht uit de bundel 'Dubbele punt' (De Geus, 2007 - vertaling Karol Lesman). Het gedicht Afwezigheid blijkt inmiddels aan het begin van dit stukje terecht gekomen te zijn, tja, dat verrast mij eigenlijk ook! EIGENLIJK ELK GEDICHT Eigenlijk elk gedicht zou de titel 'Het moment' kunnen hebben. Een enkele frase is voldoende in de tegenwoordige, verleden of zelfs toekomende tijd; iets hoeft maar door woorden gedragen te gaan ritselen, blinken, overvliegen, voorbijstromen of ook vasthouden aan zogenaamde onveranderlijkheid, maar met een bewegende schaduw; er hoeft maar sprake te zijn van iemand naast iemand of van iemand naast iets; van aap noot mies of was het mies niet aap; of van andere miezen apen of geen apen uit andere abc-boeken omgebladerd door de wind; een auteur hoeft maar binnen het blikveld voorlopige bergen te plaatsen en vergankelijke dalen; bij die gelegenheid melding te maken van de hemel alleen in schijn eeuwig en statisch; er hoeft onder de schrijvende hand maar een enkel ding te verschijnen dat iemands ding wordt genoemd; er hoeven zwart-op-wit, of desnoods op voorhand, om een belangrijke dan wel banale reden, maar vraagtekens te worden geplaatst, en bij wijze van antwoord - een dubbele punt: naar boven 4 juni 2011 Johan of de kleine geschiedenis van een jubileumwandeling [ Ook zonder enig overleg was iedereen ervan overtuigd: daar gaat B. een blogje over schrijven. En ja, wie ben ik dan... ] We zaten met z'n zeventienen op het terras van Brasserie Oppe Windraak, we genoten onze besproken lunchpauze tijdens de Limburgse jubileumwandeling, maar keuken noch bediening waren op de mooie hemelvaartsdag en deszelfs toeloop van fietsers, wandelaars, motorrijders en afspraken berekend. Opstand dreigde alom, maar wij hadden Johan. Die pakte op z'n halve vrije dag de dagelijkse werkdraad gewoon op, en noteerde en serveerde bestellingen alsof ie de baas van het brasseriespul was. Z'n optreden werd in onze kring met luid gejuich begeleid, maar aan de beurt waren we vooralsnog niet, collega komt zo bij u meldde Johan routineus. Halverwege z'n zelfgekozen shift moest Johan afhaken: wilde hij op tijd op z'n (echte) werk zijn, dan moest hij nú de bus en de trein halen, met een lege maag weliswaar maar met de waardering van de uitbaatster en het applaus van zijn wandelvrienden in de knip. Onze geplande lunchpauze liep uiteindelijk met meer dan een uur uit de klauw tot een ware oefening van geduld. En daarna misten we ook nog eens een afslag in het glooiende geelwitgroene korenveld, maar 'de gezondheid van de keizer [was] beter dan ooit', dat moet gezegd. [ Tien minuutjes, dan komt alles eraan hoor, we doen ons best! ] Of we iets wilden drinken vooraf, de waardin zelf, toen nog vol goede moed. Koffie, thee, espresseo, jus, gewoon of versgeperst? Ja, versgeperst natuurlijk, 7 keer. 'Dan tel ik dus: 5 plus 4 plus 2 plus 7 is 18 bestellingen. En u bent met... 17. Mag ik dan nu even de handen omhoog voor de koffie, voor de thee, voor de espresso, voor de jus versgeperst? 18! Hoe kan dat nou? Opnieuw! Telt u even mee mevrouw.' - Enfin, we kwamen er niet uit, en riepen in koor dat we die 18e bestelling zelf wel zouden verdelen en betalen, écht, het begon allemaal een beetje lang te duren. Dus mevrouw monkelend aan de slag: een blaadje met twee kopjes koffie, terug naar de keuken, een tweede blaadje met twee kopjes koffie, naar de keuken, dan een blaadje met één koffie en één thee in een schattig koffiepotje. Enzoverder tot aan de jus versgeperst, die gerust op zich liet wachten, wachten, wachten, maar wij hadden Johan. Met 7 jus versgeperst en de verklaring voor de vertraging was hij opnieuw onze held: de keuken beschikte uitsluitend over grote handsinaasappelen, die pasten niet in de sinaasappelpers, wat neerkwam op het ware handwerk dus, en tja, dat kost tijd beste mensen. Bovendien bood de keuken maar plaats aan 2 koks, dus kon hij helaas... [ Ja, als u ook allemaal iets anders wilt... ] Van ons pauze-uur was inmiddels 45 minuten verstreken. Zullen we de bestelling voor soep en broodjes dan maar zelf opnemen? Johan noteerde 2 tomatensoep, 5 maal soep van de dag - maar wat ís de soep van de dag? laat je nou maar verrassen mens - , de broodjes-gezond, de tosti's, de kroketten-brood, met en zonder boter of salade. En hij naar de keuken. En terug: 'Mensen, de soep van de dag is kippensoep.' Daar wilden de vegetariërs onder ons niet van weten, dus doe maar uiensoep dan, 5 keer uiensoep in plaats van soep van de dag. Johan weer naar de keuken met de nieuwe bestelling. Onze gereserveerde tijd zat erop, en Johan moest nu écht weg. De stemming in het gezelschap werd allengskens onrustiger. Ik begon uit te rekenen welke trein we misschien nog konden halen voor onze borrelafspraak na afloop. De 3 motorrijders hielden het na een zwijgend halfuur voor gezien en hesen zich weer in hun lederen pakken, op weg naar een eetbaar alternatief. Klikklak, klikklak. Daar daagde hulp voor een brasserie in nood: dochterlief met hoog opgetast kapsel kwam kittig en vrolijk aangestapt. 'Goedemiddag samen! Ik kom er zó aan, hoor!' En binnen 5 minuten werden er 3 broodjes kaas uitgeserveerd. En 1 broodje ham. En 1 tomatensoep. Toen viel dochterlief stil. [ En nou is de magnetron ook nog 's kapot gegaan, ziet u? ] Ik ging eens een kijkje nemen in het binnenste van de brasserie. Niet om te mekkeren natuurlijk - 'U houdt ons maar op, had u niet eenvoudig 1 soort soep en 1 soort broodjes af kunnen spreken?' - ik kon het verweer van mevrouw Windraak moeiteloos uitschrijven. Nee, gewoon even supporteren en tegelijkertijd naar het vervolg informeren. Dochter stond werkeloos bij de kassa en verwees me meteen naar 'ons moeder' in de keuken, de baas. En die had haar woordje klaar: Ja, als u allemaal iets anders wilt... En dan ook nog 7 verse jus... En nou is de magnetron ook nog 's kapot gegaan. Ziet u? Tien minuutjes, dan komt alles eraan hoor, we doen ons best! Ik was snel weer buiten en meldde m'n hongerige lotgenoten dat het volledig onze eigen schuld was, vooral die van mij, maar 'nog tien minuutjes, we doen ons best.' En oja, dat de magnetron ook nog eens kapot gegaan was. En jammer dat Johan er niet meer was. Maar vanaf dat moment druppelden de broodjes, de soepjes, de andere broodjes, weer een soepje, en 4 maal uiensoep ons gezelschap binnen. 4 keer uiensoep? We hebben toch 5 uiensoep besteld! We lieten het zitten en één van ons begon toch nog wat nijdig aan zijn eigen meegenomen proviand, de schouderklopjes en aanbiedingen van anderen ten spijt. Na bijkans twee volle lunchuren hervatten wij overhaast onze tocht door het schitterende Limburgse landschap in zomertooi. Niks geen maïs hier! En jammer dat Johan dit nou net moest missen! - En toen liepen we dus ook nog een flink stuk verkeerd, maar u wilt vast niet weten hoe dát nou toch kon. Op de markt van Sittard zat tout Midden-Limburg ontspannen op het terras, wij haalden op het nippertje een trein, zwaaiden 6 achterblijvers toe, en kwamen weer helemaal tot onszelf in een lege coupé. O, o, o, wat een geweldige dag zeg! En dat was het! [ Na de zevende voetval het wonder van de engelenpies en de zwevende kout ] Vanuit de trein overlegde ik mobiel met de uitbater van de nazit. Dat we later waren. en of ze de tent een uur langer konden openhouden. Oja, ze waren vol begrip, en heetten ons alvast hartelijk welkom, de hapjes stonden klaar, ook al was het dan voor een danig uitgedund gezelschap... want behalve Johan moesten er nog 4 naar hun werk: babysitten maar liefst, en rap 'n beetje! En het eerste pilsje na een dag van wandelen op Limburg's Eerste Heilige Communiedag, toen Johan de Kok ons de helpende hand bood terwijl Brasserie Windraak slagzij maakte, dat eerste pilsje dat door de droge mond en de verstofte keel gleed als engelenpies op Rosa's bruiloft, dat eerste pilsje nogmaals geleek in mijn beleving in alles op de grote verbazing van dichter C. Buddingh' dat het water veranderd was in brandewijn toen hij plotseling moest niezen. Okee, niet iedereen zal deze gedachtengang van mij onmiddellijk scherp kunnen volgen (dat komt nog), maar zo'n dag was het nou eenmaal, de ochtend en de middag en vooral de lunchpauze bij Ma Baker in aanmerking genomen. En daarom past het gedicht 'Ha, wat tintelde dat!' van Cees Buddingh' precies bij deze jubileumwandeling, met z'n zeventienen door het Limburgse landschap, en via de via dolorosa naar een verlate felicitatiedronk op tien jaar VoetVolk GoedVolk Sinds 2001. Leest u het bewijs hieronder even mee? HA, WAT TINTELDE DAT! Hij wandelde langs de rivier - goed, het was wel geen erg mooie dag misschien, maar hij had al zo lang binnen gezeten, hij snakte gewoon naar wat frisse lucht Plotseling moest hij niesen hatsjie! oesjasjee! nog voor hij zijn zakdoek had kunnen pakken rook hij tot zijn grote verbazing dat het water was veranderd in brandewijn Hij stak er zijn vingers in, likte ze af: mmmm, exportkwaliteit! hij schepte met beide handen en dronk en dronk - (nee, engelenkoren hoorde hij niet zingen) Hij deed zijn schoenen en sokken uit en liet zijn benen in de koele glinstering bengelen, ha, wat tintelde dat! hij plukte een grasje, kauwde erop en was zelfs haast blij dat hij zijn veldfles niet had meegenomen naar boven 26 mei 2011 Dat is de kunst! Gister keek ik door de nieuwe VPRO-gids, die voor volgende week. Op bladzij 25 las ik het 'Brands met boeken'-kadertje ('Achteruitlopen') van Wim Brands. Het stond, net als de rest van de artikelen, in het teken van het thema 'Vrije gedachten'. Aan de hand van een voorbeeld betoogde Brands dat je even ontspannen - een eindje lopen, het oud papier voor zaterdag alvast verzamelen, je hoofd leegmaken dus - een goede voorwaarde is om daarna de taak waar je in vastgelopen was, in een mum van tijd af te handelen. Ik heb vandaag een soort van wattenhoofd, het probleem waar ik mee wakker werd heb ik nog niet op kunnen lossen, en het beloofde retourtelefoontje dat ermee samenhangt heeft me nog steeds niet bereikt. Daarom sluit ik deze tekst nu voor een halfuurtje af - even de afwasmachine uitruimen en de snijbonen voor vanavond prepareren - om daarna deze blog 'in een mum van tijd' af te schrijven en het veronderstelde probleem tot een onnozelheidje terug te brengen. Vanwege de tijdwinst, dat snapt u, daar doe ik het voor; dat ruim voor vijf uur de bonen gesneden, de balthasarsblog geschreven én de probleempjes verdwenen zijn. Fluitenderwijs. Nog goed voor het humeur ook! [ . . . ] Zo, daar ben ik weer, met deze volkomen overbodige mededeling. Zie het maar als een simpele poging om er weer in te komen en de draad van hierboven weer op te pakken. (Dit noemt men een cliché of ook wel een stoplap. Die kunnen écht niet, in een serieuze tekst. Maar natuurlijk weer wel als ze met opzet aangewend worden. Taal is net gelijk mode.) Intussen blijkt op de radio, die ik tijdens het uitruimen aan had gezet, generaal Radko Mladic opgepakt te zijn en de toetreding tot de EU van Servië een stuk dichterbij gekomen. De opgetrommelde deskundigen buitelen alweer over elkaar heen en het zogenaamde rumoer rond de eerstekamerverkiezingen is weer naar haar fluisterhoekje teruggebracht. Wat er in zo'n halfuurtje niet allemaal voor gewichtigs kan gebeuren! Behalve dan natuurlijk dat de helft van de snijbonen mals en de andere helft een stuk taaier bleken te zijn. Dat wordt gefaseerd koken straks: eerst de taaie bonen opzetten, en tien minuten later de rest pas. Benieuwd of tegen die tijd meneer Mladic reeds in Den Haag (Joegoslavië-tribunaal) of Scheveningen (waar het speciale gevang is) is aangeleverd dan wel of de cyankalicapsule nog steeds tot de basisuitrusting van het topgeboefte blijkt te behoren. [ . . . ] Nog maar even een hoofdleegmaak-pauze genomen, om de 'mum van tijd' nog wat te laten verschrompelen en de theorie van Wim Brands ten tweede male te tarten. Potje gekookt, slechte snijbonen gegeten (volgens mevrouw B. ben ik op de markt genept, en hebben ze me diepgevroren bonen van vorig jaar in de maag gesplitst, nou, dat is ze dan godsgruwelijk goed gelukt want de randen van onze bordjes lagen na het eten vol groene taaislijmsliertjes), op de radio gehoord dat de opiniemakers er nog niet uit zijn of Mladic per helikopter dan wel per automobiel zijn opwachting in Scheveningen zal maken en wanneer dat zal zijn. WNL-nieuwsradio wist te melden dat het de Serven allemaal niets zal helpen, deze uitlevering, want dat de EU aan één Griekenland genoeg heeft en dat 'het huishoudboekje' van Servië 'nog lang niet op orde is'. Van deze PVV-ontspanning dreigde mijn hoofd eerder vol dan leeg te stromen met zorgen en stress, en ik was blij dat ik weer achter mijn blog en mijn eigen probleempjes kon gaan zitten. Wim Kok, pikte ik nog even mee, vond het een dag van gerechtigheid en de opgespoorde Dutchbatter van weleer vond het allemaal te laat, veel te laat. Maar onze premier Rutte vond het een bewijs dat het uiteindelijk niet loont om zulke zware misdaden te begaan. Ik wist niet hoe snel ik me van deze radioclichés vandaan moest sleuren om de tekst van deze blog 'aus einem Guss' op het HTML-scherm te pletteren. In dit opzicht heeft de ontspanning/inspannings-theorie van Wim Brands zijn gelijk volkomen bewezen. Mijn probleempjes zijn geminusculiseerd, mijn tekst is af, en het is nu precies een half uur vroeger dan toen ik aan deze blog begon! [ . . . ] In de derde ontspannings- en leegmaakpauze pakte ik de rode pil van de dichter Cees Buddingh' (Buddingh' gebundeld) erbij die ik hier al enkele weken onder handbereik heb liggen. In de index (p. 1107 t/m 1117) zocht ik naar een gedicht om de nieuwe dimensie die WB aan de relativiteitstheorie heeft toegevoegd mee te onderstrepen. In één blik was ik klaar, bladzij 327, een titel die ikzelf had kunnen bedenken (maar dat heb ik vaker bij Buddingh'): 'Vandaag eens geen gedonder aan mijn hoofd'. En dan tóch met twee benen op de grond blijven, dat is de kunst, de dichtkunst van CB, en de vrije-gedachtekunst van WB. VANDAAG EENS GEEN GEDONDER AAN MIJN HOOFD zeker: het is weinig opwekkends wat de avondbladen ons melden (om van de ochtendbladen nog maar te zwijgen) maar de zon schijnt en ik loop door de wereld op mijn eerste en mijn laatste benen naar boven 17 mei 2011 Mozart te Laren (Gld.) La ci darem la mano Het is dinsdagmiddag, wisselvallig weer, ik heb geen drive voor tuinwerk dat kan wachten, en heb een extra vest aangedaan wegens de kilte. Ik zet de computer aan, en kijk naar de dvd 'Aangenaam klassiek 2005' met het beroemde duet La ci darem la mano ('Reich' mir die Hand, mein Leben'). Bovenaan m'n blog prijkt sinds gister 'Mozart te Laren' als titel, maar verder was ik nog niet gekomen. Ik loop onze cd-rekjes door: toch zeker 15 stuks met daarop muziek van Mozart (waaronder drie uitvoeringen van het Requiem). Ik blader in 'Het psalmenoproer' van Maarten 't Hart op zoek naar de pagina's die gaan over Mozart's bezoek aan Holland. Uit de kast met 'historische boeken' trek ik 'Mozart' uit de serie 'Groten van alle tijden' (Mondadori 1969), en verlies me in alle daarin opgenomen historische prenten met verklarende bijschriften. De cassettebandjes met de volledige filmmuziek van 'Amadeus', waar heb ik die ook alweer gelaten?, ik blader nog eens door het luxe uitgevoerde programmaboekje van de muziekvoorstelling 'Wolfgang Amadeus Mozart' van het Plaatselijk Projectkoor, waar wij afgelopen vrijdag naartoe geweest zijn. Sindsdien wil dat La ci darem la mano maar niet uit m'n hoofd, ook al was de projectkooruitvoering half en half onder de maat vanwege een slecht gecaste tenor. Overbuurvrouw J. die in dat projectkoor zingt, hebben we na afloop van het concert getrakteerd op wijn en lekkere kaas, en op een aards gesprek over het spirituele. - En intussen dendert Mozart maar 'door munne kop', nu al drie dagen lang: Lacrimosa dies illa, Ave verum corpus, Confutatis maledictis, Laudate dominum, In diesen heiligen Hallen - en tussendoor telkens weer dat La ci darem la mano als eeuwig meanderende achtergrond voor de eenvoudige muziekgenieter: Reich' mir die Hand, mein Leben, hét liefdeslied uit de opera Don Giovanni op een libretto van Lorenzo da Ponte. Ave verum corpus In mijn katholieke jeugd heb ik ruim tien jaar gezongen in het koor van de kathedrale basiliek van Sint-Jan in Den Bosch ('Die Sangheren Onser Lieve Vrouwe', minimaal twee repetities per week en twee optredens per zondag). Dat klinkt plechtig, en dat was het ook, vaak. Van eenvoudig gregoriaans tot achtstemmige missen, van Palestrina tot Herman Strategier, van Christiaan Bach tot Badings... de toenmalige dirigent Frans van Amelsvoort had het behoorlijk hoog in z'n bol, gelukkig. Hier ging een wereld voor mij open waar ik van huis uit geen zicht op had. Op het repertoire van FvA stond natuurlijk ook Mozart (1756-1791), met als publiekstrekker het alom bekende Ave verum corpus, waarvan ik de tekst nu nog van buiten ken. Later, toen ik een blauwe maandag de viool probeerde, heb ik het nog eens samen met mijn geliefde broer C. in huiskamerdecor uitgevoerd. Toen ik in militaire dienst moest, bleef mijn viool in de kist. Maar C., die speelde voort. Edoch. Op de Isabella-kazerne te V. hadden we een fanatiek katholieke luitenant die overal (vermeend) militair zangtalent opspoorde, en daarmee een soldatenkerkkoor bevolkte. Ik werd (helaas) gespot, en moest meezingen of ik wilde of niet: 'Dit is een dienstbevel!' Bij een bepaalde gelegenheid werd ik 'uitverkoren' om bij een soldatenmis solo het Ave verum corpus te vertolken. Door de zenuwen, m'n onwil, en een slechte voorbereiding werd het een flop, nou ja, een matige uitvoering, nou ja, ik kreeg wel complimentjes maar niet van harte, nou ja, het was een gedoe om gauw te vergeten. Het Ave verum corpus heb ik lange tijd nadien niet meer zonder gêne kunnen aanhoren. Tot aan C.'s uitvaart, waarbij 'zijn' gemengd koor het Ave verum corpus met zo'n passie en waardering voor hém zong dat bij mij alle vorige edities uit het brein gebannen werden. Tegenwoordig denk ik alleen nog maar aan broer C. zodra ik de passage 'natum de Maria virgine' (geboren uit de maagd Maria) hoor - wij hebben allebei 'Maria' als derde doopnaam terwijl onze moeder zelf ook Marie heette, dat zal het zijn, ook al ben ik dan voor geen cent katholiek meer en kon het C. toen al evenmin een cent schelen. Lacrimosa dies illa Zo, dat moest ik eindelijk eens kwijt. Goed dat Mozart te Laren (Gld.) me daar de gelegenheid voor bood toen het Ave verum corpus als slotnummer klonk van het concert van voornoemd projectkoor in het Kulturhuus (voormalige protestantse kerk) te Laren. Er waren daar een dikke 200 bezoekers, een koor van 70 'man' en nog eens zo'n 20 muzikanten en solisten: bij elkaar een volle kerk van 300 mensen dus. Er had wel een raampje méér open gekund. Buiten was het fris genoeg! En van dat Ave verum corpus had ik het nog eens extra warm gekregen. Maar er ging geen raampje extra open, zomin als er in een toegift voorzien was. Nou ja, ik was welvoorzien, en wilde na anderhalf uur kerkelijk zitten wel weer eens naar buiten. We reden met buurvrouw J. en medekoorlid E. naar huis. Er was geen 'gezellige nazit met een hapje en een drankje' te Laren, dus namen we de avond in de auto nog even door. Het koor presteerde boven verwachting, het orkest was een samenraapsel van goed en slecht, de pianist verdiende een betere piano, de solisten waren goed of sof, het programma nogal religieus en niet van de lichtvoetigste Mozart. Een stukje Zauberflöte bijvoorbeeld had misschien wat meer evenwicht kunnen brengen. Kortom: een auto vol deskundigen in een door de bank genomen tevreden stemming. Na een kwartier viel de duisternis, de stemmen verstilden, iedereen zong nog wat na in zijn eigen hoofd. Ik haakte aan Lacrimosa uit het 'Requiem': Lacrimosa dies illa - Die dag is een dag vol tranen. Mooie muziek, treurige tekst, een goede typering van de avond? Maar nee, gelukkig kabbelde die mano er weer doorheen, La ci darem la mano - Reich mir die hand, mein Leben, en zij leefden nog lang en gelukkig. Nou nee, dat nou ook weer niet, Mozart werd 35 jaar. Maar wat voor jaren: hij schreef 700 werken voor de eeuwigheid, één breed uitgemeten Krönungsmesse. Het Plaatselijk Projectkoor kan nog járen met Mozart vooruit, al dan niet te Laren (Gld.). Oja, en neemt u voor de volgende tekst van Lorenzo da Ponte de muziek van Mozart er even bij, desnoods via YouTube, uitvoeringen te over. La ci darem la mano REICH' MIR DIE HAND, MEIN LEBEN Don Giovanni Reich' mir die Hand mein Leben, Komm' auf mein Schloss mit mir; Kannst du noch widerstreben? Es ist nicht weit von hier. Zerlina (für sich) Ach soll ich wohl es wagen? Mein Herz, o sag es mir! Ich fühle froh dich schlagen, Und steh' doch zitternd hier. Don Giovanni Lass' nicht umsonst mich werben! Zerlina Masetto würde sterben! Don Giovanni Glück soll dich stets umgeben! Zerlina Kaum kann ich widerstreben. Don Giovanni Komm', o folg' mir! O komm, o komm! Zerlina (überwältigt) Wohlan! Don Giovanni und Zerlina So dein zu sein auf ewig, Wie glücklich, o wie selig, Wie selig werd' ich sein! Don Giovanni O komm! Zerlina Wohlan! Don Giovanni und Zerlina Komm lass' uns glücklich sein, Komm lass' uns selig sein! naar boven 12 mei 2011 Nieuwe telefoons Vrijdagmiddag, monteur I - Goedemiddag, meneer B., wilt u 2 of 3 handsets gaan gebruiken? - Handsets, wat zijn dat? - Goed. Dat zijn de uitneembare telefoons. - Uitneembaar? - Goed. Uitneembaar uit het basisstation respectievelijk het station. - Het station? - Goed. Het station is de houder waarin de handset staat, en die verbonden is met het lichtnet. - En het basisstation? - Goed. Dat is het hoofdstation, dat behalve op het lichtnet ook op het modem aangesloten is. - Modem? - Goed. Dat is het witte kastje dat het basisstation verbindt met de signaalingang. - Signaalingang? - Goed. Dat is die kleine doos daar in de muur waarmee de kabel uw huis binnenkomt. - En die kabel is mijn heen-en-weerverbinding met de buitenwereld: voor tv, internet en telefoon? Is dat nou die zogenaamde glasvezelkabel waar tegenwoordig zoveel om te doen is? - Goed. U hebt grotendeels glasvezelkabel. - Grotendeels... Ach, het spijt me dat ik u zo slecht kan volgen. Dat ligt volledig aan mij hoor, op het gebied van de elektronica ben ik nou eenmaal een nul. - Goed. Of 'n één natuurlijk. Grapje! De hele wereld hangt tegenwoordig van nullen en enen aan elkaar zoals u weet. Goed. Drie handsets dus? - Okee, drie handsets dus: een in de woonkamer, een voor boven, en een voor in het boekhuis. - Goed. Die derde zal ik moeten bijbestellen, want deze doos is een box van twee. Zal ik u nu de werking van de handset dan even voordoen? - Goed. Graag, bedoel ik. Maandagmiddag, de winkelmanager - Met de Winkelexpert, wat kan ik voor u doen? - Met B. uit E, goedemiddag. Kan ik Monteur I even spreken? - Dat gaat helaas niet. Die is aan het bezorgen. Misschien kan ik u helpen? - Nou, uw collega heeft hier vrijdagmiddag twee handsets van het merk P. geïnstalleerd. Maar het geluid is belabberd, er vallen steeds stukjes weg. 't Is net of ik weer terug ben in de tijd van de conservenblikken-met-een-touwtje. Bovendien hebben wij de tweede telefoon in het geheel niet aan de praat gekregen. - Tjee, meneer B., dat is niet best. En kon u er zelf niet uitkomen met de gebruiksaanwijzing? - Gebruiksaanwijzing? Die heb ik helemaal niet. Die zit zeker nog in de doos die de monteur mee terug genomen heeft... Maar de kwaliteit van het geluid, dat is eigenlijk het grote probleem, dat gaat zo niet. - Dan komt m'n collega zo spoedig mogelijk bij u terug. Morgenmiddag, schikt dat? En misschien moeten we eerst nog maar eens een ander merk proberen voordat we bij de provider aan de bel gaan trekken. - Dat lijkt me een strak plan, meneer Winkelexpert. Kan het een beetje vroeg in de middag? - Goed. Dinsdagmorgen, monteur II - U hebt problemen met de nieuwe telefoon hoor ik? - Inderdaad. Het geluid is abominabel, aan twéé kanten van de lijn. En handset 2 doet niks. - Ik heb hier het merk S. meegekregen, voor twee handsets. Die zal ik even voor u inpluggen. Wilt u dan intussen de spullen van P. in de doos doen als u die nog heeft? - Die doos heeft uw collega I meegenomen. Maar ik heb hier nog wel een plastic zak van uw winkel, mag dat ook? - Kunt u dan wat vloeipapier om alle onderdelen doen? Oja, en als u een derde handset wilt, moeten we een doos van drie sets bestellen. Ik weet niet of u dan straks drie nieuwe toestellen krijgt, of dat we uit die doos van drie er apart een bij u kunnen installeren. - Ik kan dus nog geen nummers inprogrammeren en zo? - Dat kán natuurlijk wel, maar dan moet u alles daarna misschien weer overdoen. Hebt u al een handleiding? - Nee, die zit nog bij het vloeipapier in de oude doos bij uw collega. - Neenee, kijk, u moet natuurlijk de gebruiksaanwijzing van het merk S. hebben. Want heel veel dingen gaan bij S. anders dan bij P. Alstublieft. - En kan ik nu wél met allebei de telefoons bellen? - Dat gaan we nu controleren. - He, niks! - Mag ik de handleiding nog even terug? - 's Even kijken. Natuurlijk, elke handset moet apart op het basisstation aangemeld worden. Hebt u nog vijf minuten geduld? - Oja, en wilt u dan overmorgen de Winkelexpert bellen of deze telefoons wél goed bevallen? - Goed. Woensdagmorgen, de winkelmanager - Met de Winkelexpert, wat kan ik voor u doen? - Met B. uit E. Ik bel naar aanleiding van de nieuwe telefoons. Het geluid is nu stukken beter ook al is het dan nog geen donderdag. - Dat doet me genoegen om te horen, meneer B. Maar wat is er met donderdag? - O, ik mocht u overmorgen terugbellen. Maar na één dag wist ik het ook wel. Dat het geluid veel beter is, en dat er geen stukjes gesprek meer wegvallen en zo. - En welk merk hebt u nu dus? - S. En ik wil nu ook graag die derde handset hebben. Is die er al? - Een derde handset... Die hebt u nog niet? Even in de computer kijken, nee, die is nog niet besteld. Dan gaan we dat nu gezwind even doen. Dat duurt een weekje. Komt u dan nog in de stad? - Eigenlijk wil ik graag dat de monteur die even komt installeren. Want ik geloof niet dat ik... - Dan komt m'n collega natuurlijk nog even bij u langs. Ik bel u als de handset binnen is. - En weet u al iets over de prijs? - U had eerst merk P., he? En nu S.? Ik spiek even in de computer, nee, daar is geen speciale aanbieding van. Dat wordt dan, rekenreken, dat komt u op 55 euro extra, meneer B. Voor de hele set van drie. Komt u het verschil vooraf even afrekenen? - Goed. Vrijdagmiddag, twee weken later, monteur I - Goed, ik heb hier drie nieuwe handsets S. voor u. Denkt u er aan dat de batterijen eerst volledig geladen én ontladen moeten worden? Dat duurt acht uur, handleiding. bladzijde 5. U kunt alledrie de handsets gelijktijdig laden en ontladen. - En al die tijd kan ik de telefoon dus niet gebruiken? - Goed. Daarna moet elke handset apart op het basisstation aangemeld worden, handleiding, bladzijde 6. Dat duurt vijf minuten per set. Daarna kunt u de telefoons gebruiken, zodra de batterijen voldoende geladen zijn, handleiding, bladzijde 7. - Ik hoop dat ik dat allemaal klaarspeel. Anders zitten we weer het hele weekend zonder telefoon. - Goed. Dan kunt u natuurlijk zolang uw mobiele telefoon gebruiken. Goed. Alles zit erin, u hebt de handleiding, u hebt betaald zie ik, dan wens ik u er veel plezier mee. - En als het niet lukt, dan kan ik u bellen? - Goed. Dan hoor ik het wel. - Goed. naar boven 30 april 2011 Thuistaal Iedereen kent het fenomeen 'thuistaal' ook al kent misschien niet iedereen het woord 'thuistaal'. In elke huishouding wel worden woorden of uitdrukkingen gebruikt die verder nergens gebezigd worden, en die daarom een extra intiem karakter hebben. Woordverhaspelingen uit de vroegste jeugd van een van de kinderen bijvoorbeeld ('nasjinsjonisjeren' als vervanging van het onuitspreekbare 'nasynchroniseren'), letterlijk uitspreken van verouderde schrijfwijzen ('Step-hanuskerk' i.p.v. 'Stefanuskerk' of het grappigere 'Nico-de-Mus' voor 'Nicodemus'), of eigen bedenksels die dicht tegen bestaande woorden aanschurken maar toch nét even anders zijn ('witte dekens' in plaats van 'lakens'); en ook wel schrijffouten die in elk geval mondeling een leven lang in stand gehouden worden ('verekaiker' voor 'verrekijker' of 'paapie' voor 'pappie'). Ik 'pluk zomaar wat bloempjes uit de lucht van wat er uit m'n eigen leven voorbij gevlogen komt': gewaagde synesthesie van bestaande uitdrukkingen, ook zoiets 'eigen-aardigs'. - Enfin, iedereen kan er zo zijn eigen voorbeelden voor in de plaats stellen. Zo heb ik er zelf nogal eens een handje van om letterlijk voor te lezen wat er gedrukt staat, vooral de namen van filmacteurs in tv-gidsen moeten het (waarom, o waarom?) daarbij ontgelden ('ge-or-ge klonie' voor 'George Clooney' en 'merel streep' voor 'Meryl Streep'). Soms ook meen ik bestaande woorden met een uitdrukkelijke ontkenning van verworven kennis te moeten opleuken. Zo ken ik natuurlijk het fenomeen Umlaut, maar ik wil die twee puntjes in huiselijke kring meestal graag weglaten: dan krijg je dus 'knake-bröd' i.p.v. 'knäckebröd'; of, bij omgekeerde toepassing: 'näore dröme' in plaats van 'nare dromen'. Overblijfsel uit de tijd van de 'Zweedse kok' uit de Muppet-show, en sommige Bergmann-films met veel geelgroen smakende eu-klanken in een somber zwart-witte setting. Ik moest hieraan denken toen ik mevrouw B. gisteravond vertelde hoe ik die morgen in de grote AH te Z. verdwaald raakte tussen de volkoren beschuiten en de afgebakken-broodbalie. Ik kom zelden in die AH te Z., en dan meestal alleen nog voor de paar vaste inkopen op de vaste plaatsen in de vaste rijen 'één' (vegaballetjes) en 'dwars' (Duits landbrood met harde korst). Maar nu zocht ik naar het sesam-knäckebröd ter vervanging van het lege pak van de dag ervoor. Tig soorten toast, roggebrood, beschuit en peperkoek, maar nergens een spoor van knäckebröd, AH of Wasa, dat maakte me allang niet meer uit. Tenslotte klampte ik een mevrouw met halfvolle kar en boodschappenbriefje in de hand aan die daar ook ronddoolde. 'Mevrouw, weet u misschien waar hier het knäckebröd te vinden is?' / 'Meneer,' zei ze, en daarbij duwde ze me haar boodschappenbriefje onder de neus, 'ziet u eens wat ik enkel nog maar moet hebben: Wasa knäckebröd, maar ik kan het echt niet vinden. Hier misschien dan,' en ze zeilde de hoek om waar ik net vandaan kwam. Gezamenlijk liepen we alle schappen nog eens na: geen knäckebröd. Dus wij op zoek naar een AH-medewerker. Die zat op z'n knieën voor het zuivelschap en bleek de bereidwilligheid zelve. En we moesten niet bij de koekwaren zijn, maar bij het brood: voorlaatste gang links aan de rechterkant onderin. Fluitje van een cent en een eigen logica, tóch? - Frappant, niet, dat die mevrouw toevallig ook net naar knake-bröd liep te zoeken? - Naar knake-bröd, B.? - Dat zeg ik: Wasa knake-bröd. - Wasa knake-bröd bestaat niet in de AH. - ??? - Bij AH is het knäckebröd, B., Wasa knäckebröd! - Ja, Wasa knäckebröd, dat zeg ik toch? Poëtisch winkelen De dichter Cees Buddingh' (die van de vorige week, inderdaad) was een meester op het gebied van de 'spreektalige' poëzie, en van de poëzie van de 'gewone dingen'. Een van z'n allerbekendste verzen heet 'Pluk de dag' en gaat over de miraculeuze ontdekking dat het dekseltje van 'een middelgroot potje marmite' precies past op 'een klein potje heinz sandwich spread'. Dat gedicht kent iedereen, ook de groenteman. Lees hieronder maar, in het gedicht 'Boodschap' dat Buddingh' jaaaren later schreef, en waarvan ik zeg: - o, maar daar ben ik zeker van: - boodschappen doen kan reuze poëtisch zijn - is het niet bij de groenteman - dan wel bij de super van Albert Heyn BOODSCHAP van de week liep ik even bij de groenteman binnen om in telefonische opdracht van wiebe een pot jam te halen: kersen (maar die was er niet, wel aardbeien) terwijl ik betaalde zei de groenteman: 'ja, dat deksel past niet op een sandwich-spread-potje.' zo ziet men: langzaam maar zeker komt de poëzie toch waar ze zijn moet naar boven 22 april 2011 Op controle - Doorgaan met de medicijnen. En volgend jaar maken we dus een echo van het hart. Die afspraak moet u in maart 2012 maken, voor mei 2012. Dat kan nu nog niet, ik noteer het allemaal even op dit afsprakenkaartje. En dan krijgt u ook een gesprek met een andere cardioloog, wie weet ik nog niet, ik hou er in de loop van dit jaar mee op. Pensioen. - Dat lijkt me plezierig voor u, u begint aan de 'gouden jaren', ik kan er van meepraten. - Ja, we zullen zien. Tot ziens. - Tot ziens dokter Nu, en bedankt voor de afgelopen vijf jaar. - Ja, tis goed (wuifde hij me weg). Dag. Een nieuw ziekenhuis Een keer per jaar kom ik in het ziekenhuis, voor controle van de angina pectoris. En een doodenkele keer nog 's als er bloed getest moet worden. Dit keer was het in elk geval een jaar geleden dat ik er was. Nou ja, op vorige week woensdag na dan, want toen gingen we 'oefenen' en poolshoogte nemen, mevrouw B. en ik. De stad Z. heeft namelijk intussen een nieuw ziekenhuis gebouwd, hartstikke modern en niets gaat meer zoals het ging. Eenvoudig melden bij de balie van de polikliniek waar je zijn moet, en dan maar wachten tot je aan de beurt bent: het is er niet meer bij. 'We' zijn geheel en al over op 'elektronisch' en 'computergestuurd', en zonder 'bonnetje' ben je echt nergens. Het ziekenhuis kent nu een geweldige centrale hal, de ene toegang laat allemaal automobilisten binnen, door de andere ingang verschijnen de fietsers en openbaar vervoerders. Het is een fantastische wirwar van functies en verwijzingsborden, en gelukkig ziet het er zwart van de hulptroepen met badges die je meteen aanspreken omdat ze heus wel doorhebben dat jij hier heg noch steg weet, en zíj wel! - 'Welkom,' meneer/mevrouw, 'mag ik u helpen bij het inchecken?' / 'Ehhh...' / 'Hebt u een paspoort bij u, of een rijbewijs of een andere ID-kaart?' / 'Ehhh...' / 'Komt u even mee naar een van de incheckzuilen, dan zal ik u laten zien hoe we tegenwoordig werken.' / 'Ja maar, ik wil alleen maar...' / 'Pakt u uw paspoort nou maar even, mooi zo, ziet u nou wel.' Kort gezegd komt het erop neer dat je in het ziekenhuis nergens meer terecht kunt als je niet eerst centraal ingelogd bent met een ID, te zien hebt gekregen dat je bent wie je bent, dat je vandaag wel/niet een afspraak hebt, en dat je welkom bent, welkom, inclusief looproute, balienummer en barcode. - 'Entert u even?' En dan spuwt de incheckzuil een bonnetje uit waar je leven van afhangt. Maar dat hadden wij bij het oefenen natuurlijk niet ontvangen, omdat we immers géén afspraak hadden. De wachtruimte Toen ik dus voor m'n echte afspraak kwam, stapte ik gedecideerd op een incheckzuil af en probeerde m'n paspoort in de juiste stand in de juiste hoek van het incheckscherm te manoeuvreren. Fout natuurlijk, maar gelukkig stond daar al weer een hulpdame met badge naast me. Die voerde me nogmaals door de zuilenprocedure heen, attendeerde me uiteindelijk op het bonnetje dat de zuil 'rechts onder' uitspuwde, en 'of ik dat toch vooral maar niet kwijt wilde raken'. Vanzelfsprekend was ik vroeg van huis vertrokken, alle tijd dus, en ik kuierde eens op mijn dooie akkertje langs alle infoborden en open balies naar afdeling 2.19, met de trap natuurlijk, hartpatiënt tenslotte, maar de trap was listig verscholen in een zijvleugel wat ik een minpuntje vond. Onderweg zag ik allerlei beeldschermen die me meldden dat er (het was tenslotte pas goed half negen) gelukkig nog nergens uitloop was, maar dat ik vooral en telkens weer 'welkom' was. Tenslotte meldde ik me bij balie 2.19, liet m'n bonnetje zien en vroeg of ik daar terecht was. Nou, nee dus. Ik diende met m'n bonnetje naar de scanner in die hoek daar te gaan, de barcode langzaam naar het oog te bewegen, en af te wachten wat het scherm me mee te delen had. Het scherm werkte: 'Welkom, meneer Balthasar, u hebt een afspraak. U wordt opgehaald.' - Ik stond alweer paf, het scherm kon wat voorheen alleen de baliemedewerker kon. Ik stopte het bonnetje in m'n jaszak, hing m'n jasje aan de kapstok, ging op een van de zeer krappe zwevende stoeltjes in de zon zitten, en pakte m'n krantje. Aan het gepraat om me heen maakte ik op dat iedereen hier voor het eerst was, de baliemedewerkster had het dus maar wat druk met wat nu niet meer haar werk was. Ik kon een lichte glimlach niet onderdrukken. De fietstest 'Meneer Balthasar?' / 'Dat ben ik.' / 'Gaat u even mee naar de testkamer?' - Dat vond ik natuurlijk goed, maar ik wist niet hoe je dat eigenlijk zegt. Enfin, eenmaal in de testkamer posteerde de testpleeg (hoe noem je zo iemand eigenlijk?) zich achter een beeldscherm, tikte wat in, en vroeg: 'Mag ik uw bonnetje even?' / 'Oeps, zit nog in m'n jasje, even halen.' Daar snelde ik heen, ving in het voorbijgaan een verwonderde blik van de baliemedewerkster op, en spurtte terug. - 'Geeft niet hoor,' zei de testpleeg, 'het komt vaker voor. Dan mag u zich daar even uitkleden, het bovenlichaam ontbloten, en dan hier terug komen voor de fietstest.' Met tig draden aangesloten op de testapparatuur werkte ik me gedurende krap tien minuten en toenemende weerstand in het zweet, bepleitte ondertussen het voordeel van de eenzame fietser op de asfaltverslindende automobilist in de file, en mocht me na afloop en hevig hijgend opfrissen en aankleden zoals ik wilde, en 'u hebt het goed gedaan hoor, je kunt wel zien dat u flink wat ervaring hebt, ik wou dat ik ook de auto wat vaker kon laten staan. Hier is uw bonnetje. Dankuwel, en tot een volgende keer.' Toen ik langs de balie kwam kon ik het niet laten om aan de baliemedewerkster te vragen of ik me voor de afspraak met de cardioloog weer opnieuw moest melden, en of dat dan bij haar kon. Ja, ik moest me opnieuw aanmelden, want dat moet bij élke afspraak, en nee, dat kon niet bij haar. Dus daar ging ik weer, naar het scanapparaat in de hoek, haalde de barcode langzaam in de richting van het oog, en kreeg opnieuw een 'melding': 'Welkom, meneer Balthasar, u hebt een afspraak. U wordt opgehaald.' - Ik stopte het bonnetje in m'n jaszak en ging verder met m'n krantje, terwijl ik probeerde om de rug van m'n tegenzitter op de zwevende stoeltjes te vermijden. De wachtruimte was inmiddels benauwend vol en leek nu lager van plafond dan voor de fietstest. Het zal aan mij gelegen hebben. Gesprek met een computerscherm 'Meneer Balthasar?' / 'Dat ben ik.' / 'Komt u mee?' - Onder het lopen gaf ik de man in de witte jas een hand en zo betraden we de kamer van dokter Nu. In de war gebracht door de meubelopstelling ging ik bijna op de stoel van de cardioloog zitten, maar gelukkig werd ik nog net op tijd gered door de positie van het flikkerende computerscherm. Toen we zaten zei de dokter: 'Gaat u zitten. Mag ik uw bonnetje?' / 'Oeps, weer vergeten, zit nog in m'n jasje, even halen.' - Dus daar snelde ik weer heen, naar m'n jasje aan de kapstok, langs de balie. 'Dat is de tweede keer, meneer Balthasar,' zei de baliemedewerkster terwijl ze naar haar scherm bleef kijken, 'daarnet was u het bonnetje ook al vergeten!' Ik voelde me als een schaap, ik lachte als een schaap, en liep de deur van dokter Nu voorbij, en weer terug. Ik gaf hem het bonnetje en ging nu meteen aan de patiëntenkant van het bureau zitten. Ook dokter Nu had uitsluitend oog voor zijn scherm dat de plaats van zijn papieren dossier ingenomen had, hij was eventjes de weg net zo hard kwijt als zijn patiënt. 'Hoe was uw naam ook alweer? Weet u misschien welke medicijnen u gebruikt? Waar is die brief toch? Ahhh, oja, nu weet ik het weer, wat zei u nou over uw medicijnen, monocedocard retard hónderd?!' - En zo voerden we voor het vijfde jaar op rij hetzelfde gesprek over klachten en bijverschijnselen, over de batterij medicijnen en wat we over een jaar eens voor een test zouden doen. Ondertussen bekeek dokter Nu de papieren van de fietstest, verscheurde alvast de eerste helft en beantwoordde mijn laatste vraag met een glimlach naar zijn scherm: 'Dat is een - tiktiktik, met twee vingers - goeie vraag. Maar als ik naar de test - tiktiktik - kijk, dan moet u gezien uw leeftijd en uw lengte een score van 100 kunnen halen, en wat lees ik hier - tiktiktik - 180! Aan uw hart kan het dus zeker niet liggen, uw conditie is werkelijk - tiktiktik - zeer goed.' - En zo kwamen we tenslotte en als vanzelf op de intro van deze Balthasarsblog uit. Een tosti-kaas alstublieft Over de fietsenstalling, de koffieruimte (waar ze wel veel zoetigheid hebben maar beslist geen tosti-kaas voor je kunnen maken), de verblindend paars-oranje kleuren, de krappe toiletten (zonder scheiding in H's en D's), het chique restaurant, het geotter en geboor (voor nog veel meer richtings- en verwijzingsbordjes), over dat alles en nog veel andere zaken wellicht een andere keer, een nieuw ziekenhuis is natuurlijk zo maar niet af. Bovendien went een nieuw ziekenhuis ook niet zo snel... als je geluk hebt en er weinig hoeft te zijn. Deze gedachte voert me onbedaarlijk en onafwendbaar naar Cees Buddingh' (1918-1985) die in zijn jonge jaren langlang-erglang in het sanatorium lag omdat hij tbc had. Daar ontstonden ook zijn eerste gorgelrijmen, waar 'De blauwbilgorgel' wel het prominentste voorbeeld van is. Omdat ik dat gedicht al minimaal twee keer geciteerd heb, deze keer een ander 'sanatoriumgedicht' van Cees Buddingh'. Het heet 'Poëzie no easy job', o, waren alle ziekenhuizen maar zo simpel als de gedichten van Cees! Dan draaide ik mijn hand er niet voor om. POËZIE NO EASY JOB in het sanatorium lag ik naast een man die tiberius heette en die echt op een keizer leek toch is hij doodgegaan wat mij later sterk beperkte in de keus van mijn metaforen naar boven 12 april 2011 Overstappen maar Natuurlijk, je kunt op van alles en nog wat overstappen: naar een volgende trein of bus bij voorbeeld, of naar een andere bank, een stiptere kaasboer, een beter merk ouzo. Het meest ingrijpend is het echter als je overstapt naar een andere provider, en vooral als dat gebeurt in het kader van de overgang naar het alles-in-één-pakket! Internet, telefonie, televisie: alles voor een mooi totaalprijsje per maand, meneer, dat 'gegarandeerd' goedkoper uitpakt dan al die verschillende deelpakketten bij elkaar. - Wij hebben zo'n overstap gezet, liever: wij zijn zo'n overstap aan het maken, en ik moet toegeven: het is allemaal behoorlijk stressy. Maar dat kan ook aan de jaren liggen, en aan het gebrek aan affiniteit met techniek en technologie. Leest u even mee. Les 1: Het meeste kom je pas te weten ná de aankoop Dus om maar met de deur in huis te vallen: gooi nooit je oude schoenen weg voordat de nieuwe tv het doet, je telefoon weer uitgaand én inkomend werkt, en je e-mail ophoudt met uitsluitend foutmeldingen te genereren. Want er komt heel wat bij kijken om weer 'op je oude niveau' te geraken, en zeker om een treetje hoger te klimmen. Dat kost duiten, dat kost ontregeling van dag en humeur, dat kost slaap. Maar ja, na dik tien jaar raken al je apparaten, voorzieningen en applicaties verouderd, uit de tijd, onklaar. Zo gingen wij dus een nieuwe televisie kopen omdat we het steeds kleiner wordende beeld en de steeds petieteriger wordende lettertjes nauwelijks nog geconsumeerd kregen met onze retirerende vermogens. En mevrouw B. wil ook wel eens lui op de bank en met de benen op tafel naar haar serie kijken, zonder in het toestel te moeten kruipen als het ware, dus. Bovendien is onze beste buurvrouw enkele maanden geleden om precies dezelfde redenen op een modern toestel overgestapt, en die heeft alle bijkomende sores in haar eentje weten te doorstaan. Dus daar gingen wij, op naar de expert, en met de ervaringen van onze stoepgenoot achter de hand. - En we kwamen voldaan naar buiten met de volledige offerte voor een nieuw tv-toestel, een totaalpakket aan providervoorzieningen, en de afspraak voor een snelle en deskundige installatie van alle voorkomende werkzaamheden en te treffen regelingen. Daar kon op gedronken worden hihaho. Voorbereidende beschietingen De overgang van de ene naar de andere provider werd voortvarend door de winkelier in gang gezet. De afstemming met de installatie van het nieuwe wondertoestel liep evenwel even voortvarend in de soep, en met het weekend voor de deur konden wij onverhoeds niet meer bellen en niet meer mailen. Lekker rustig zult u zeggen, maar toevallig had ik op de vroege zaterdagochtend enkele dringende zaken te regelen waarvoor telefoon en e-mail van node waren. Zodoende stond ik voor dag en dauw bij de dealer op de stoep om verhaal te halen en te zien of er nog wat te regelen viel. Maar welzeker, meneer, ook op zaterdag, service meneer! Dezelfde middag nog stond er een monteur voor de deur met de nieuwe tv en het noodzakelijke gereedschap om telefoon en computer weer aan de praat te krijgen. Terwijl wij nog met open armen stonden, ontsnapte hem het verbaasde maar niettemin professioneel neutrale gesis tussen de tanden dat hoort bij atypische omstandigheden en verwachte tegenslagen. Waar of de ingang van het signaal te vinden was, of er misschien een kabelgoot onder de buitenplaats naar het boekhuis liep, dat het door de provider geleverde modem het verkeerde was, dat de huiskamerkabel verouderd was, en dat die tweede telefoon in het nieuwe systeem niet meer te gebruiken was, de eerste trouwens hoogstwaarschijnlijk ook niet. En opgewekt ging hij aan de slag, nee, koffie hoefde hij niet, net gehad. Wij stonden erbij en hielden vertrouwen en ons hart vast. Kijken of het misschien digitaal kan Toen de man naar wat restte van zijn weekend vertrok, konden wij met één telefoon bellen, lag er een noodkabel vanuit het ingangskastje van de provider door de kamer, via het raam, over de buitenplaats naar de computer in het boekhuis, en was de nieuwe tv voorlopig aangesloten met een troostkabel en een extra 'kastje'. Staandebeens en in een vlotte schwung werd ons de werking van de twee afstandsbedieningen (een voor het tv-apparaat, een voor 'het kastje') voorgedaan, het magistraal nieuwe beeld bewonderd, en de tv uitgezet. Der Mohr kon gehen, prettig weekend. Ik snelde naar de computer om een afgesproken en noodzakelijk maltje te verzenden, en kreeg dat prompt retour omdat het niet bezorgd kon worden. Gezien de tot nu toe geleverde service belde ik meteen de dealer, nee, vandaag helaas niet meer, maar maandag, dan zou Thijs zeker langskomen, vanzelf. en ook u een prettig weekend, meneer. Pal na sluitingstijd van de winkel zetten wij de tv aan, afstandsbediening één, afstandsbediening twee, en tenslotte op oké drukken. Geen beeld, geen geluid. Alleen de melding van 'geen signaal' gevonden, hoe wij ook probeerden! Beste buurvrouw gebeld, natuurlijk kom ik meteen even. Maar ja, bij haar ging alles anders, 'digitaal' en meteen hup, zender 1 of 4, on demand, uitzending gemist, maar hier en nu: nee, inderdaad, geen signaal, dat zal het zijn, sneu hoor. Om acht uur hadden we nog steeds niks gegeten, was de uitprobeerstemming danig gezakt, en voorzagen we een tv-loos weekend van een prachtig apparaat. Terwijl mevrouw B. zich ontspande met een spelletje freecell op de computer (ja, dat natuurlijk wel), zette ik de nieuwe installatie uit met beide remote controlls, posteerde de oude tv op een bankje vóór de nieuwe en probeerde of de nieuwe ingangskabel op onze oude tv wél signaal zou geven. Een eureka-moment! De Midsummer Murders konden alsnog en in real time gepleegd worden. In klein formaat, maar dat moest dan nog maar 'n keer. Te dom voor deze wereld Maandag wasdag, en meteen na het middaguur was Thijs present om de uitgaande mail in het hart en de hersenen van de computer te programmeren. 'Hij prambeerde en het gong,' zoals de dichter het eertijds formuleerde. Nu nog even een paar vraagjes van onze kant. Nee, die telefoons moet u helaas vervangen, ik kan volgende keer wat modellen meebrengen. En we gaan dat 'draadloos' doen, heb ik overlegd, kunt u de telefoon in elk stopcontact steken waar u maar wilt. Over die draad voor de computer zijn we nog aan het kijken hoe dat moet, maar dat lossen we op. Ach, en wilt u nog eens laten zien hoe de tv aan moet, wij komen er niet uit, en de buurvrouw met net zo'n zelfde toestel ook niet. En dan schrijf ik alles op, want 'geen signaal', hoe moet dat dan? - En Thijs deed alles voor, ik schreef het op, en welgemoed gingen we ten tweeden male uiteen. En 's avonds keek ik naar het achtuurjournaal op... ons oude toestel. Met geen mogelijkheid kregen wij de nieuwe schoonheid aan de praat, wat wij ook prambeerden, het gong niet! Geen signaal, en daarmee basta! Van de onnozele stress had ik een slechte nacht, hoe onzinnig me dat ook voorkwam, het is maar televisie hoor! U weet hoe dat gaat, je krijgt die knop niet omgezet soms, en acht jezelf te dom voor deze digitale wereld met al die verdomde elektronica. Hoezo krijg je een tv niet aan de praat, te belachelijk voor woorden! Dat was het, en dat is het. Dinsdagmorgen alweer - Goedemorgen, meneer de expert. Bent u al open dan? - Altijd voor u klaar, dat weet u. - Tja, ziet u de kwestie is dat wij nu al drie dagen niet in staat zijn om de tv aan te zetten. - Momentje meneer B., hier komt Thijs zelf. Die kan het u vast per telefoon uitleggen. - Met Thijs. Hebt u de Loewe aangezet, meneer? - Wacht even Thijs, mevrouw B. zit aan de knoppen, ik herhaal wat u zegt, zij voert dat uit, en ik schrijf dat vervolgens op. Okee? - Goed, daar gaan we. Zet de Loewe aan. - Met welk knopje Thijs, mijn vrouw vraagt: met welk knopje Thijs? Enfin, de genante details zal ik u verder besparen, maar zeker is dat het niet aan ons lag. Thijs nam zonder meer maar aan dat wij wel zouden weten dat Reference GW in de aanvangsmenulijst soms zo maar vervangen is door HDM1, en dat dat in wezen precies hetzelfde is. Mevrouw B. en ik stonden daar paf van, en voelden ons met terugwerkende kracht bevrijd van de domste domheid der onnozelen. En na drie keer oefenen hadden wij de Loewe en 'het kastje' in de tang en in de knip. Het hele scenario is inmiddels uitgeschreven en vastgelegd, de tv doet het (ook al moet je voor de volumeregeling tóch weer die andere afstandsbediening hebben), en dan maken wij ons nu op voor de laatste fase: de installatie van het nieuwe modem alsmede de definitieve oplossingen voor de niet werkende telefoons en het draadloos tevoorschijn toveren van het internet. - Oja, en die andere overstap, die van de ene bank naar de andere, die bewaar ik voor een volgende keer. Eerst dat alles-in-één-pakket van onze kabelaar maar eens in de doos van Pandorra terug zien te krijgen. Tv-sores Door alle aansluitingsperikelen kwam ik er niet toe om serieus te zoeken naar een gedicht met dezelfde of vergelijkbare wederwaardigheden als onderwerp. Maar gelukkig lag daar 'Buddingh' gebundeld' nog op mijn leestafel, met alle de poëtische uitbarstingen van meester Cees zelve, 1116 pagina's dundruk in een mager lettertje. Daar vind je op pag. 399 de tekst Nieuw partijlied, een kort juweeltje over tv-verdriet. Ziezo, dat is alvast één. En al dagenlang spelen ook Henny Vrienten (zij het om andere redenen die hier niet zo veel terzake doen, maar waar ik binnenkort beslist eens op terugkom) en Doe Maar door m'n kop, met het lied Doris Day. Daar is ook 'geen bal op de tv', maar dan anders. Ziezo, dat is twee. En om het helemaal af te maken, doe ik ze alletwee, zij het dan dat Doe Maar met het refrein genoegen moet nemen, ach, eigenlijk tellen alleen die eerste twee regels van het refrein, en dan heb je tóch het hele lied! - Zingen maar mensen, het leven is al kort genoeg! DORIS DAY Doe Maar Hé! Er is geen bal op de tv Alleen een film met Doris Day En wat dacht je van net twee Ein Wiener Operette Nee! Er zit een knop op je tv Die helpt je zo uit de puree Druk em in en ga maar mee De bloemen buiten zetten NIEUW PARTIJLIED Cees Buddingh' wat een ellende! (4 x) wat een diepe ellende: (4 x) zondag jl nederland-belgië (2 x) alweer niet op de tv (4 x) beeldschermbezitters aller landen verenigt u (2 x) asjeblieft (8 x) snel! (3 x) naar boven 30 maart 2011 Jeder stirbt für sich allein (Alleen in Berlijn) De plicht tot weten... Een mens blijft zijn leven lang leren, dat is bekend, je kunt niet alles meteen weten. Toch verwonder ik me steeds vaker over mijn eigen onwetendheid, over dingen waar ik nog nooit van gehoord heb, terwijl die toch van onvergetelijk belang zijn. Tegelijkertijd, of misschien juist wel daardoor, word ik alsmaar milder tegenover jonge mensen die niet op de hoogte blijken van eminent belangrijke gebeurtenissen uit het (recente) verleden: - Maar weet je dat dan niet? - Hoe zou ik dat allemaal moeten weten dan? - Gelijk heb je. Ik wist zelf aanvankelijk ook praktisch niks over de dekaden voor mijn geboorte. - En nou voor den draad met die 'belangrijke gebeurtenis', want daar wou je het toch zo graag met me over hebben, is het niet? - Natuurlijk, dit moet je weten, luister. ...wat je kúnt weten Een paar voorbeelden om er een beetje in te komen. - Een aantal jaren geleden pakte VPRO-radio uit met een serie programma's over The Comedian Harmonists. Nooit van gehoord, toen. Maar sinds die radiouitzendingen vertegenwoordigt deze zanggroep voor mij het volledige levensgevoel van het Duitsland in de jaren dertig, de jaren dertig in Duitsland, bestaat er iets van grotere betekenis in de twintigste eeuw? Ik kan elke dag wel iets van deze groep 'draaien', altijd prijs. En wereldberoemd dat ze in hun tijd (slechts een paar jaar vóór mijn geboorte!) waren, die vier zangers en hun pianist! Maar het liep slecht met hen af, nazi-Duitsland, Joodse zangers... En ikke niet weten! Achteraf onverteerbaar. Maar gelukkig is er later nog een indrukwekkende film van gemaakt, gaat die zien. Ander voorbeeld, de film Unter Bauern over de onderduik van Joden in Nazi-Duitsland (Balthasarsblog dd. 31 oktober 2010: In de schaduw van gisteren). Ik had nooit eerder weet gehad van de ongelooflijke moed van (sommige) Duitse burgers jegens hun Joodse landgenoten. Je kunt het misschien wel bedenken, maar pas als je concrete voorbeelden ziet realiseer je je dat je totaal onwetend was, wel oordelen had, maar waren dat de goede? Iets vergelijkbaars overkwam me bij het lezen van De kleine sjoa van Isaac Lipschits (Balthasarsblog dd. 24 december 2008: Godbewaarme), over de kille, zeg maar gerust misdadige manier waarop misbruik gemaakt is van de bezittingen van in gevangenschap weggevoerde Joden. Door particulieren én door de Nederlandse overheid. Plaatsvervangende schaamte bevangt me nog elke keer als ik er aan denk. - Maar ben jij zelf zo'n moedig mannetje, dan? - Nou, ehhh... dat zou ik eigenlijk niet weten. Waarschijnlijk niet. De last van plaats en tijd: Berlijn 1940 Deze hele inleiding had ik kennelijk nodig om tot mijn punt van aanbeveling te komen, het onlangs in Nederland verschenen boek Alleen in Berlijn (Jeder stirbt für sich allein). De Duitse auteur Hans Fallada schreef het eind 1946, in Nederland kwam het uit in 1949 - en sindsdien bleef de schat in het verborgene. Maar halleluja, soms bestaat er wel degelijk gerechtigheid, het meesterwerk werd herontdekt, opnieuw uitgegeven, en is nu een bestseller in de reeks 'Cossee Century' van Uitgeverij Cossee, Amsterdam 2010 - en ook wereldwijd. En een meesterwerk is het. Ten bewijze hiervan citeer ik hier twee autoriteiten (op verzoek en met gemak uit te breiden tot pagina's en pagina's lof!). Ten eerste de Italiaanse grootheid Primo Levi, die Alleen in Berlijn typeerde als: 'De beste roman die ooit over het Duitse verzet tegen de nazi's is geschreven.' En ten tweede het oordeel van de bekendste krant ter wereld, The New York Times: 'Als je Fallada's grootse roman over de meest donkere jaren van de twintigste eeuw leest, dan weet je het zeker: zo was het, zo is het gebeurd.' - Gelukkig kreeg ik dit boek onlangs van mijn betere B. cadeau, anders had u misschien nog wel langer op deze aanbeveling moeten wachten. Het verzet van Otto en Anna Quangel (Voor het verhaal zelf en voor het gemak put ik hier mede uit de flapteksten van de Nederlandse uitgave.) Berlijn 1940. Otto Quangel verdient zijn brood in een meubelfabriek en hij en zijn vrouw Anna interesseren zich niet voor politiek. Maar als ze per brief de melding krijgen dat hun zoon tijdens Hitlers veldtocht in Frankrijk gesneuveld is, voelen de Quangels, die niet per se als helden geboren zijn: dit is te erg! Als protest verspreiden ze kaarten met onhandig geformuleerde anti-Hitlerslogans (met rare spelfouten) in trappenhuizen en op vensterbanken van openbare gebouwen. Ze dromen ervan de mensen met hun actie wakker te schudden. Maar de meeste kaarten worden onmiddellijk ingeleverd bij de Gestapo. Een ambitieuze agent markeert op een plattegrond de vindplekken met rode vlaggetjes, en een moordend kat-en-muisspel begint. Met fatale gevolgen uiteraard. De Quangels worden opgepakt en in een schijnproces ter dood veroordeeld. Na maanden martelende celstraf sterft Otto onder de valbijl; Anna en al haar medegevangenen komen om bij een bombardement omdat staatsgevaarlijke gevangenen niet in de schuilkelder mogen. Toen schoot de bijl krakend door zijn nek (p. 450) Hans Fallada modelleerde de Quangels naar het moedige Berlijnse arbeidersechtpaar Otto en Elise Hampel. Hij schreef hun verhaal binnen acht weken, kort voor zijn dood, nadat hij verslagen van de verhoren had gelezen. Alleen in Berlijn is Fallada’s monument voor het verzet van gewone mensen tegen het naziregime, en het is de eerste roman over dit onderwerp in het naoorlogse Duitsland. - De roman wordt inmiddels verfilmd door de makers van Good Bye, Lenin! Dat kun je begrijpen als je de recensent van NRC-Handelsblad mag geloven: Alleen in Berlijn is een roman vol effectbejag. De lezer proeft het melodrama van Hugo, de verlichte waanzin van Dostojevski, het sentiment van Dickens. Het is ook een vuistslag, vol in je gezicht. - Anders nog? Ik heb er in elk geval niet van terug. 66 jaar na de oorlog, op mijn eenenzeventigste, en ik had geen weet van dit type verzet, in Duitsland, van 'gewone' Duitsers, tegen de nazi's. In de woorden van Otto Quangel (Otto Hampel) op één van zijn verspreide 'kaarten': Ein deutscher Deutsches Volk wacht auf! Wir müssen uns von der Hitlerei befreien! Maar 'het volk' was het niet met hem eens... Dan dooft het licht H.M. van Randwijk (1909-1966) was een van de bekendste Nederlandse verzetsmensen, hij was onderwijzer, journalist, schrijver en dichter. Hij was een van de oprichters van het verzetsblad Vrij Nederland. In 1942 werd hij door de Duitsers gearresteerd en zes weken lang verhoord; hij ontkende stug en hield vol dat iemand met zijn theologische opvattingen geen verzetsblad kon uitgeven. Hij werd vrijgelaten onder de uitroep: 'U bent óf onschuldig, óf de grootste leugenaar die er bestaat.' - Over zijn weken in de cel schreef Van Randwijk het lange (en beroemde) gedicht Celdroom, waarvan ik hieronder een fragment citeer omdat het wonderwel aansluit bij de cel-ervaringen van Otto en Anna Quangel. Op het Weteringplantsoen in Amsterdam, dat tijdens de oorlog een fusilladeplaats was, is een monument opgericht met de volgende dichtregels van Van Randwijk: Een volk dat voor tirannen zwicht, zal meer dan lijf en goed verliezen, dan dooft het licht. - Het had het motto van Otto en Anna kunnen zijn. CELDROOM (Fragment) Nog is het nacht en in mijn cel, tussen de vier bakstenen muren, twee stappen breed, vijf stappen lang, wacht ik den dag, tel ik de uren; links van mij stinkt de kiebelton, het raam is zwart, mijn makkers slapen... '- O God, de droom die hier begon, Gij hebt de macht het waar te maken...! De wereld wankelt voor Uw ogen, Uw schepselen in bloed en slijk, vergeef ons het vermetel pogen rakelings langs Uw Koninkrijk een schone dwaze droom te spinnen, dit trots en overmoedig lied...' - Vrijheid, gerechtigheid, o eindeloos beminnen, nog niet... nog niet... nog niet... naar boven 21 maart 2011 Betreft: werkzaamheden aan het spoor Brief van ProRail Tot mijn vaste ochtendrituelen behoort het ontsluiten van de toegangen tot het huis: keukendeur, boekhuis, bijkeuken, tuinpoort. Niet de voordeur, die blijft in principe op slot. Bezoek komt 'achterom', uitgezonderd natuurlijk Jehova's getuigen en de collectanten: voor Koksmaatjes, Oranjefonds, toneelvereniging, volleybalclub, maagdarmleverstichting, Jantje Beton, het gehandicapte kind, kinderpostzegels, Simavi, Memisa, de Muziekvereniging, Ouderenwerk Achterhoek, Psychische Gezondheid voor iedereen.nl, enfin, u kent dat wel, elke week minimaal twee keer prijs. Tijdens de ochtendronde neem ik altijd even de tijd om in de bijkeuken door het brede raam over de tuin uit te kijken. Die plek is tevens onze 'vogelkijkhut' (van de week had ik het bij voorbeeld nog druk met de ijdele Vlaamse gaai in de hulstboom en de twee ruziënde eksters in de laurierheg), je bent er onbespied en als vanzelf vol verwachting wat de dag weer brengen zal. Sinds vrijdag zijn er 'baasjes' van ProRail bezig op het spoor achter onze tuin. Daar zouden tijdens een lang weekend de wissels, de rails en het spoorbed vernieuwd en vervangen worden, stond er in de brief van Pro Rail-baas meneer Arbeider. De twee belendende spoorwegovergangen (tussenruimte maximaal 200 meter!) zouden om de beurt een hele nacht en een dag buiten gebruik blijven. Wij waren gewaarschuwd, inclusief werkzaamhedenoverzicht. Dag en nacht aan het werk Ik zeg nou wel: 'op het spoor achter onze tuin', maar men dient dat te lezen als 'op het spoor dat door onze achtertuin loopt'. Dat is zo'n dikke zestig meter bij onze woon- en slaapkamer vandaan. En om maar meteen het hoge woord te spreken: het waren drie hele dagen én nachten van sterk verhoogde aardetrillingen en -bevingen. Nou wil het toeval dat ik juist in deze dagen met griep te bedde waar, dus ik heb er de volledige klusperiode van mogen genieten, dagen én nachten. Toch ben ik nu, mirabile dictu, weer beter. Ja ikdankuzeer, nee iksnaphetookniet. Nooit geweten dat er zoveel zwaar materieel, zoveel manschappen en zoveel kabaal aan te pas komen om treinen over nieuwe kiezels, nieuwe dwarsliggers en nieuwe rails te laten lopen. Noch wat het betekent om dat in volcontinuewerk voor elkaar te boksen: 's morgens onchristelijk vroeg al zingend en klingend in de vrieskou, des middags zwetend in de stralende zon, en des nachts in het volle licht van gigantische bouwlampen die een stralende zonnedag in de schaduw stellen. Ik verwacht een stevige vermindering van onze elektriciteitsrekening over de afgelopen dagen, sterker, het was onaangenaam hel in de nachtelijke slaapkamer. Tevens was het onmogelijk om het raam open te zetten, too many notes, laat ik het daar maar bij laten. Maar... het is in de geplande periode gepiept, dus na vandaag is het weer 'zo heerlijk rustig, jaja'. Gleis Power Gister was ik voor het eerst weer uit het ziekbed, de zon scheen warm, dus ik meende de werkzaamheden achterin de tuin maar eens van wat dichterbij te moeten bekijken, jek aan, das om, zonnehoedje op, handjes op de rug. Sinds 's ochtends vroeg was er een gigantische werktrein op het spoorverloop verschenen, van de firma 'Spitzke - Die Gleis Power', beter gezegd: het waren drie à vier werktreinen-in-één. Vier onafhankelijk van elkaar verschuivende werkpanelen deden hun werkjes náást elkaar: gaten in de steenlaag boren, rails platdrukken, kiezelstenen bijvoegen, dwarsliggers aandraaien, kortom de hele reutemeteut van 'laatste werkzaamheden' aus einem Guss, en gezien door de ogen van een belangstellende nietweter (klinkt toch een stuk vriendelijker dan nitwit niet?). Wat er daarna nog moest gebeuren is een venndiagrammetje peanuts, met veel gele hesjes, dat wel, veel vuurwerk van de slijptollen ook, maar voor het overige toch in bijkans vredige stilte. Zoals je de stoep nog even aanveegt als je de voortuin hebt gedaan. Persoonlijke inspectie Sinds vanochtend zes uur rijden onze treintjes weer, alsof er niets veranderd is. Daarom heb ik me daarnet maar eens verstout om de vernieuwingen persoonlijk vanaf de twee spoorwegovergangen op me in te laten werken. - Een grote teleurstelling! Ja, deels nieuwe kiezels, die heb ik gezien; kapotgereden grondstroken naast de rails, die ook. Maar verder? De vurenhouten markeringspaaltjes met oranje kopjes zijn verdwenen, okee. Veel zwaar materieel nog langs de N-weg, zeker. Werkketen ook, opgestapelde hekwerken, een verdwaalde shovel en een reuzenoplader van de firma N. Werkman. Maar dat is straks allemaal verdwenen. En wat rest er dan? Onze vier boemeltreintjes per uur, die net een ontspannen weekendje achter de rug hebben, dus misschien rijden ze nét even wat darteler. Maar voor the rest? Silence. Klachten? Tot mijn vaste avondrituelen behoort het afsluiten van de toegangen tot ons huis: bijkeuken, boekhuis, tuinpoort, keukendeur. En controle van de voordeur natuurlijk, want ik weet nooit zeker of zich geen vreemdeling aangediend heeft, of Speeltuin Het Hoekje, hebt u iets over voor Het Rode Kruis, Het Kankerfonds, meneer Arbeider wellicht, nou ja, dat weet u nu wel. Vogels spotten heeft diep in de avond natuurlijk geen zin, ook niet met de klaarliggende kijker. De megabouwlampen zijn verdwenen, en er is geen vierdelige werktrein meer voor een nieuwe balletvoorstelling, gezang en geklang zijn ook verdwenen. De rust is weergekeerd, en voor vragen of klachten kunnen we ons melden bij de afdeling Publiekscontacten van de firma ProRail. De enige klacht die ik zou kunnen bedenken is dat de werkzaamheden uren en uren voor de geplande eindtijd afgerond waren, maar of je dat nou een klacht moet noemen? Tijd genoeg dus voor een gedicht Er zijn mensen die het genot van een treinreis ontberen sinds hun vroegste jeugd. Die dus nog een sprankje herinnering hebben aan stationsloket en kartonnen kaartjes met een gat erin. En aan het spoorwegspel dat ze op hun zesde verjaardag cadeau kregen van oom Theo, weet u nog wel, met dat spiegelei en die roodgebiesde stationschefspet. Die mensen zijn misschien nog niet geheel en al verloren voor het spoor, dat serieuze alternatief voor de file, de asfaltering van gans een land, en voor een onverantwoord hoge CO²-uitstoot. Al die mensen zou ik allereerst een boekje uit 1989 willen aanraden. Het heet: 'Bestijg de trein nooit zonder uw valies met dromen - Dé bloemlezing uit Nederlandse treinverhalen en -gedichten vanaf 1829'. Af en toe een halfuurtje in lezen, en u bent om: u wilt van geen ander vervoermiddel meer weten. Zo simpel kan het zijn? Zo simpel kan het zijn. Uit dit eindeloos inspirerende boekje haal ik de onvolprezen Willem Wilmink even naar voren, met het even heldere als overtuigende spoorgedicht In de trein. Het komt uit de bundel 'Dicht langs de huizen' (Amsterdam, 1982). - Ik zie u binnenkort nog wel, ergens aan het spoor. (En dat gedoe met die OV-chipkaart? Geen paniek, ik zal u helpen met die totaal onzinnige, overbodige, klantonvriendelijke en geldverslindende uitwas van het moderne veiligheidsdenken. Kleinigheidje.) IN DE TREIN Ik zag het zonlicht op een waterplas, en weilanden met hekken in het gras, en aan een vaart: huizen, van achteren. Daar leek het leven een veel zachtere stemming te hebben dan het ooit nog heeft, tenzij men in herinneringen leeft. Ik zag de bomen met hun groot geduld: geen boom toch vindt het leven onvervuld omdat hij staan moet blijven waar hij staat, terwijl een koe mag lopen tot het draad, en zeer bereisd is, als we 't vergelijken met beuken of met eeuwenoude eiken. Jaja, zo filosofisch kan men zijn in 't monotone ritme van een trein, en 'k had naar China willen reizen zo, maar moest er helaas uit in Almelo. naar boven 9 maart 2011 Almost April Zondagmorgen vroeg En ik hoor eerste vogels op radio één hupst er een vrolijke polka vedertjelicht net de groenlingenmeldlijn binnen als menno en winsemuis op vroegevogelsterkte owee de klappen voor het milieu de bossen de dassen de bevers uit het stemgedrag voor de eerste kamer lezen. Uit ovt komen de lessen van nelleke en henk in het bombardement van rotterdam en de internationale geschiedenis van vrouwendag deze week die de honderd passeert op 8 maart maar daar merk je heel weinig van hoor door het carnaval caro navalis dat tegenwoordig met gemak van de donderdag start tot de woensdag erna heerst. Zondagmorgen laat En ik kijk door het raam in de tuin hangt de was wittig blind aan de lijn in de zon naast de heg bij de kas waar het raam zich open opener opent voor het genot van de bron die in stromen doorzinderend trillende warmte geeft kassa! In het gras schrijdt king ekster parmantig en statig en stralend van witblauwe bontheid zijn lief tegemoet krwèkkèkèk krwèkkèkèk klinkt het heen en weer heen en weer terug in de berk naast de berk naast de berk en de eik. Zondagmiddag Ik loop langs het water de horizon schijnt in de rug van het fietsende blauw & lichtblauw & ze trappen zich rood in de wind & ze hebben geen spraak & geen groeten alleen maar die wind woei die wind. Het water geeft goudgelig licht op de dukdalven zitten ze rotganzen zwartig & roerloos ze tekenen af tegen knalblauwe ansichten winter in aarzelend voorjaar met muts & met das & met want & hun kuif in de zon & de war zonder komma's. Zondagavond Ik lees in het werk van Jan Hanlo godhebbezijnziel verzamelde verzen bladzijde 63 het gedicht dat er 's Morgens heet en voor Mai is zijn moeder liever was nou ja liever dat geeft hier geen pas en G.A. van Oorschot de uitgever Amsterdam 1958 voor het eerst en daarna nog vaker veel vaker tot heden aan toe. Kees Fens meestercriticus godhebbezijnziel en zijn zaligheid vond het gedicht dat 's Morgens van Hanlo zijn mooiste naast toppers als Oote Tjielp Tjielp De Mus Hoor de merel Het dak. Wat ook mooi is heel mooi is het omslag van Helmud H. Salden geweldige vormgever boeken godhebbezijnzielook net als van Jossie op 73 Jossie lief Jossie. 'S MORGENS Voor Mai Het was half vijf ’s morgens in April Ik liep, en floot de St. Louis Blues Maar ik floot die op mijn eigen wijze Al fluitend dacht ik: mocht mijn fluiten gelijken op de zang van de grote lijster En waarlijk, na enige tijd geleek mijn fluiten van de St. Louis Blues op de zang van de grote lijster: turdus viscivorus naar boven 1 maart 2011 De woorden van vandaag Intro Gisteravond was er in het radioprogramma Kunststof iemand die vertelde dat ie elke week al z'n tweets van die week 'wegmaakt' (deletet), en dat iedereen dat zou moeten doen. Gewoon: voorbij is voorbij, en waarom zou je al die onnozelheid maar eeuwig laten voortbestaan? De presentator van dienst dacht daar juist heel anders over: het zou toch fantastisch zijn als je over een flink aantal jaren de dag van vandaag feilloos zou kunnen reconstrueren met behulp van al die miljarden tweets van iedereen bij elkaar. Ze werden het niet eens. Ooit zelf wel eens geprobeerd om een dag, een uur, een gebeurtenis minutieus vast te leggen? En? Ook maar enigszins gelukt? Mij in elk geval nog nooit. Altijd is er achteraf wel weer iets dat je over het hoofd gezien hebt, of misschien toch niet helemaal exact of correct weergegeven hebt. Is dat erg? Welnee, dat is niet erg, maar je moet er dus altijd van uitgaan dat wat jij in je hoofd hebt ook ietsje anders kan liggen, en zeker dat iemand anders er ietsje anders tegenaan kan kijken. Als ik politicus was zou ik nu afronden met de oneliner: mijn stelling is dat alles hierdoor draaglijker wordt, Libië, het Kabinet-Rutte, het leven. Maar ik ben geen politicus. En of het helemaal waar is lijkt me ook betwistbaar. Toch? Dinsdagochtendrituelen Wekker, opstaan, koffie zetten, douchen, scheren, u kent dat wel, aankleden, bed opmaken, boterhammetje, waar is de boodschappentas, waar is de kapperskaart, straks m'n slappe band even oppompen, gelukkig is er nog pas één klant in de herensalon, goedemorgen, goedemorgen, kan ik door Petra geknipt worden, o, gaat u alvast maar zitten meneer B., ik kom eraan, koffie? Heb ik wel geld bij me? Bij de kapper - Zo waren wij vorig jaar mei met elf meiden 'n lang weekend in Berlijn. Veel te kort natuurlijk, maar... - O ja, Berlijn, geweldige stad. Een en al geschiedenis. Prachtige nieuwe architectuur. Zeker ook in het KDW geweest? - Ja, maar we stonden wel mooi voor een gesloten deur. Het KDW is 's zondags dicht. Dat zeg ik, 'n lang weekend is te kort. Dus we zijn van plan... - De bakkebaarden mogen er helemaal af. Maar ga door, wat waren jullie van plan... Bij de Wereldwinkel - O, ben je naar de kapper geweest? Geen wonder dat ik voor een gesloten deur stond toen ik thuis even een doosje opkikkerkaarten op wilde halen. - Heb je geen sleutel meegenomen dan? Ik kwam even kijken hoe je papierwinkel er intussen uit is gaan zien. Mooi ruim, inderdaad, maar die A4-enveloppen liggen niet lekker, niet? - Ja, een hele verbetering, en nou ben ik met de kaartenstandaard bezig. Alleen die opkikkerkaarten... - Dan ga ik die toch even voor je ophalen, schat, waar kan ik ze vinden? - In het kantoortje, groene kastje, bovenste plank. O, en wil je dan ook even... Intermezzo 1 Even thuis een doosje opkikkerkaarten ophalen. Kantoortje, groene kastje, bovenste plank. En dan meteen die overtollige winterkaarten op het bureautje zetten, en nu dan maar even die slappe band oppompen, waar is die verdomde pomp gebleven?, 'Baltische zielen', dat ik toch weer niet op die boektitel kon komen, o, en wat moest ik ook nog even?, shit, vergeten! Terug bij de Wereldwinkel - En hier is dan dat doosje opkikkerkaarten. Zo, dan ga ik nu... - Wacht! Even die klanten helpen. Kun jij misschien... - Dingdong. In de supermarkt - O mevrouw, zal ik het even oprapen voor u? - Dank u wel, meneer. Tja, het wil niet meer zo erg, dat bukken. - Och, ben jij het Riek? Ik had je zo gauw niet herkend met die vliegeniersmuts op. - Ik dacht al, als hij me niet wil kennen dan laat ik het ook maar zo. - Welnee, d'r zit helemaal niks achter, ik was alleen nogal gefocust op m'n eigen boodschappenlijstje... - O, nou, goed dan. Met mevrouw B. ook alles goed? Aan tafel - Hier, een brief van Groen Links. Met een acceptgiro erbij. Er staat in dat giften aan GL aftrekbaar zijn van de belastingen. Goed voor volgend jaar, we moeten meer aftrekposten zien te vinden! - Kun jij je giro's niet nog 's doorvlooien, of we geen post over het hoofd gezien hebben? - Heerlijke salade overigens. - Ja, als er maar spullen in huis zijn, he! Radio 1, Lunch! - We spelen vandaag de Nationale Nieuwsquiz met Lenie Al. Hoeveel punten wilde je vandaag ook alweer scoren, Lenie? - Hihihi. In elk geval één meer dan m'n vriendin vorige week. Toen die hier was. Hihihi. - En hoeveel had die vriendin er toen goed, Lenie? - Hihihi. Zes. Hihihi. Hihihi. - Aan de slag dan maar. Ben je d'r klaar voor? - Hihihi, Ja. Hihihi. Hoor. Hihihi. - Dan starten we nú het kanon! Intermezzo 2 Vandaag wil ik m'n belastingformulier af maken. Gister heb ik alles met potlood in het klad gedaan. Grote twijfels bij de aftrekposten. Tja, die gewerkte vrijwilligersuren, ik weet het niet hoor. Ik zal even de site van de belastingdienst raadplegen. Dacht ik het niet! Giften, dit jaar extra aandachtspunt van de inspectie! Maar het gaat toch ook om de intentie! Als je pillen voor je hart moet nemen, dan is het toch duidelijk dat je ook een dieet moet volgen! Dat dieetbriefje van de huisarts kun je toch ook altijd later nog wel even halen? Als je opgerecommandeerd wordt... In het postagentschap - Goeiemiddag, mevrouw K. Mag ik vijf roze strippenkaarten van u? - [ ... ] - En tien postzegels van 44? - [ ... ] - En dan nog graag een pakje Caballero, van 29. - Dertig negentig. - Kan ik even pinnen, mevrouw? - [ ... ] - Tot ziens maar weer. Uittro Dingen van de dag, in woorden gevat. Waren die samen écht de dinsdag van 1 maart 2011? - Lees hieronder eens hoe de dichter Remco Campert daar tegenaan kijkt. Een leerzaam gedicht, woorden om over na te denken. ‘Notitie' is één van de gedichten uit zijn bundel 'Nieuwe herinneringen' (2007). Het gaat over het opschrijven van een ervaring, om je die te blijven herinneren. Maar juist door het op te schrijven wordt de ervaring tenietgedaan. - Hebt u dat ook wel eens? NOTITIE Gauw opschrijven voor ik het vergeet: in de auto met D. en haar vader dwars door Amerika's seizoenen heen de vochtige zon in Santa Barbara de kletsnatte sneeuw in Denver en in alle Best Westerns het knipperlicht van de televisie op haar lieve slapende gezicht van weer heel jong meisje zijn maar het schrijven van de woorden verandert wat ik niet vergeten moet dat wat geen woorden had enkel levend, ademend beeld was zodat ik nu twee versies van hetzelfde heb die ik vandaag nog over elkaar kan leggen maar waarvan morgen als ik weg ben alleen de woorden resten die aan iets herinneren waar geen oog meer weet van heeft naar boven 18 februari 2011 Van de mattenklopper en de tijgertjespoes Laren Gelderland: Eindpunt Pieterpad I De routebeschrijving van het Pieterpad is zo omvangrijk, dat Organisatie LAW (Lange Afstands-Wandelpaden) er twee boekwerken van heeft moeten maken. Deel I beschrijft Pieterburen (Groningen)-Laren (Gelderland), Deel II doet Laren (Gld.)-Maastricht (St.-Pietersberg). Nu zijn wij niet per se van de volledige routes, dus wij waren nogal eens rond, en pikken te hooi en te gras de mooiste dagwandelingen uit al die heerlijke LAW-boekjes. Zo liepen wij gister het slot van PP I, tussen Holten en Laren (Gld.), goed voor 15 km oostelijk buitengebied. Het weer was grosso modo aan de lekker-pittige kant (mist, zon, wind, de gevoelstemperatuur pendelde tussen 0 en 17 graden), het gebied gevarieerd en aangenaam landelijk, en onze conditie kon wel wat onderhoud gebruiken. We liepen de route voor de tweede keer in tien jaar, het grootste gedeelte bleek weer prettig nieuw voor ons. Jazeker, een matig geheugen heeft zo zijn aantrekkelijke kanten. Ook is het ronduit aandoenlijk om in de Nieuwe Routebeschrijving PP I nu en dan te lezen dat het 'Hier' werkelijk 'Heel mooi!' is. Kijk, daar heeft een mens wat aan, altijd en overal informatie van de bovenste plank. Per Synthus naar Holten Niets is zo aangenaam als een wandeling te beginnen met een busreisje. Vanachter het glas ontwikkelt de ochtendnevel zich beloftevol tot het schuchtere zonnetje dat nog moeite heeft om door de duistere bosrand te breken. Daar wordt een mens vanzelf lyrisch en hebberig van. En dus gun je jezelf glimlachtend de eerste boterham gebakken ei met meegebakken lucht uit de dagrugzak. O, mocht dit ritje eindeloos duren, wel zeven strippen van de oude papieren buskaart lang en hemeltjesblauw breed. Zo raak je vanzelf in de stemming om te begrijpen hoe Herman Gorter aan de dansende titels voor zijn dichtbundels kwam: 'De dag gaat open als een gouden roos'. - Want zo is het, zo was het, en zo beleefden wij het. En dan ineens klinkt het, onverwacht snel nog: 'Busstation Holten. Reist u met de OV-chipkaart? Vergeet dan niet uit te checken.' - Dus checken wij uit uit de Synthus-bus, groeten de chauffeur met handgezwaai en trekken de muts onmiddellijk diep over de oren. Buiten is het nul graden, met de belofte van méér, zeker, maar nu nog even niet. Koffie met eigen 'Möpke' Grand-Café De Biester ligt pal tegenover het station, wij kennen het nog uit de tijd van de stofjassen. Sindsdien is het interieur ondefinieerbaar gemoderniseerd en dragen de uitbaters groene schorten. Nog steeds even vriendelijk serveren ze hun koffie met zelfgebakken koekjes, de Möpkes. Bovendien, zo valt op hun website (!) te lezen: 'Aan de stationszijde hebben wij een ijsloket met de keuze uit Softijs en Italiaans schepijs'. En ook nog: 'Tenslotte bevindt zich aan de zuidzijde de slijterij, waar tevens gelegenheid is om te parkeren.' - Grand-Café Holten, zo waarlijk helpe mij god almachtig. - Goedemorgen, heren Biester. - Goedemorgen, mevrouw, meneer. Aan de wandel? Pieterpad zeker? Wat mag het zijn? Koffie, gewone koffie, cappuccino? - Ja, Pieterpad, inderdaad. Koffie graag, gewone koffie. Met Möpke. - De Möpkes zijn vandaag helaas niet zo geslaagd als anders. Vinden wij zelf. Maar goed. [ ... ] - Nou, die Möpkes zijn waarachtig heerlijk hoor. Zo lust ik er nog wel een. - Koffie, gewone koffie, cappuccino? - Allebei gewone koffie graag. - Dus de Möpkes zijn goed? - De Möpkes zijn top. Enerverender kan de start van een wandeletappe niet zijn, toch? Het lied van de reclamefolder Wij stappen het land en de sfeer van Piet Paaltjens en A.C.W. Staring binnen, en verwachten elk moment het geluid te vernemen van de waldhoorn of ook wel de Turkse trom. Optrekkende veldmist en de geur van versgebrand snoeihout dingen met de prille ochtendzon naar onze voorkeur. Wij kunnen weer eens niet kiezen en delen drie prijzen uit: goud, goud en goud. De das kan losser, de muts gaat af, de rits kan lager. Van verre klinkt klaaglijk de mattenklopper die hier nog in zwang is, we speuren de boomtoppen af naar ene Woody Woodpecker, de eerste blaadjes van kamperfoeliestruik en vlier ploppen zichtbaar uit hun knoppen. - Jazeker, ik herken de reclameschrijver in mij, maar kan daar even niet van loskomen. De beschrijving in de LAW-gids stuurt ons een 'onaanzienlijke landbouwweg' op die ons echter zeer kan bekoren, vooral vanwege de boerderijpoes met het dunne halsbelletje die ons hectometers lang begeleidt naar een half verstoken zitboomstam met de neus in de zon. Poes vleit zich tegen ons aan, tijgert wat rond met de staart omhoog, klimt in een scheefgroeiende berk, klimt er weer uit, eet een hapje mee, en schurkt nog maar eens langs m'n benen. In één zin: Dat was gezelschap goed ende fijn. Inderdaad, de oudtijdse schoolbloemlezingen van Knuvelder en Lodewick houden me vandaag stevig in hun greep. - We moesten maar weer eens opstappen. Verder Landgoed Verwolde in, we zijn nu zo'n tien kilometer onderweg en de gewrichten beginnen af en toe knorrig te doen. Het tempo gaat een tandje lager. Metershoge rododendronlanen kondigen Het Historische Landhuis Zelve aan, beheerd door Het Gelders Landschap met sponsorgelden van Het Prins Bernhardfonds en De Postcodeloterij. Jac P. Thijsse en zijn navolgers hadden het gelukkig al vroeg in de smiezen: van de overheid moeten landschap en natuur het niet hebben, de particulier moet redden wat er te redden valt. De Vereniging Das en Boom wordt godzijdank nieuw leven ingeblazen, dus leve Jaap Dirkmaat en al die andere natuurbeschermers. En staatssecretaris Henk Bleker van E.L.I. kan gerust de boom in, om z'n blik te verruimen. Wijnand Wereldbakker Na vijftien kilometer beëindigden wij ons dagje PieterPad I in Laren. Laren (Gld.) is een gat met buitenproportionele horeca, aanzienlijk weekendgedruis, machtig veel café-zaal-gebeurtenissen, én 'Stegeman' waar 'Wandelaars Welkom' zijn. Kortom: een waardige finish van PP I en start van PP II. Bij Restaurant Stegeman aten wij een broodje van de kaart. Geen wit broodje of bruin broodje of waldcornbol, maar een 'Bakker Wijnand-broodje'. Bakker Wijnand is de buurman van Restaurant Stegeman, hij heeft de kwalificatie 'Wereldbakker' in chocoladeletters op zijn gevel staan, en hij bakt broodjes van graan uit de eigen streek. Als je zo'n broodje van Wijnand kiest, moet je bij Stegeman 1 euro extra betalen. Wat je van dichtbij haalt is kennelijk duurder dan wat van ver komt, maar het is gelukkig ook beduidend lekkerder en beter voor je ecologische voetafdruk. Daar waren klant en restaurateur het snel over eens. Op naar Bakker Wijnand dus, voor meer broodjes 'om mee naar huis te nemen'. Bovendien stopt de retourbus er voor de deur. Dus zetten wij ons na de broodaankopen op het busbankje in het zonnetje voor het front van de wereldbakker. Ahhh, ik zei het al vaker, wie ben ik dat ik dit meemaken mag? Met gesloten ogen genietend van de zon en de lentewarmte laat me daar een bus zich horen. Ik speur de aankomende route af maar zie geen bus. Nee, die is inmiddels uit de belendende zijstraat achter ons aan komen rijden, en gaat de hoek om zonder zich om de wachtende passagiers bij de bushalte te bekommeren. En is weg. De heer en mevrouw B. in opperste verbouwereerdheid achterlatend. - Nou ja, deze emotie hadden we nog niet gehad vandaag. Goed voor het totaalplaatje! "O als de zon schijnt" Tot besluit een van Herman Gorter's (1864-1927) zogenaamde sensitieve verzen, Er was veel goud eikegeel uit de bundel 'Verzen' van 1890. Een gedicht om op te kauwen, te zweven, te drijven - zonder de behoefte om er iets achter te zoeken. De bundel 'Verzen' staat er vol van, van de sensitivistische verzen, liederen van vervulling en tekort, pogingen 'om de zintuiglijke waarneming van het aanschouwde zo precies mogelijk weer te geven'. Gorter wordt er zelfs 'een beetje een met de natuur' van. Zelf staan wij liever met twee benen op de grond, bosgrond liefst, en met wandelschoenen aan. ER WAS VEEL GOUD EIKEGEEL Er was veel goud eikegeel licht gerezen en groen gegroeid, veel gesidder voor blauwgouwe witte trilling, heel even grauwe, omdat het oog zeer deed van 't zonnige stekende leed. Spiegelend was de lucht of ik overal wandelde, heet gezwollen of ik in duizend veranderde. naar boven 11 februari 2011 Apeldoorn revisited Sergeant B. Tweeëntwintig maanden zat ik 'voor mijn nummer' in militaire dienst, het was 1960/61, je was braaf en wist niet beter. Bovendien zouden ze daar wel eens even een 'man' van je maken en zag het er dag en nacht groen, álles, tot het toiletpapier aan toe. Toen ik op 4 februari 1962 afzwaaide was ik anderhalve centimeter gegroeid, vier centimeter breder geworden, stak ik brutaler de rijweg over, kon ik kikkeren en afflanken, deed ik de kleur groen voor 15 jaar in de ban, en was ik een vriend voor het leven rijker geworden. Mijn eerste burgerbaan betaalde evenveel als mijn sergeantenwedde, maar dan bruto in plaats van netto. Burgerbazen blijken per saldo net zo betrouwbaar en onbetrouwbaar als militaire commandanten. Ondanks de absoluut hiërarchische structuur van het leger was ik er assertiever en zelfbewuster geworden zonder dat mijn nieuwe heren dat wisten te waarderen. Al met al vond ik de militaire-diensttijd sinds mijn 'bevrijding' toch voornamelijk verloren tijd die nooit meer ingehaald zou kunnen worden. Tegenwoordig weet ik niet meer zo zeker of dat wel zo is, nog los van de overtuiging dat het beschavingspeil van de mensheid zijn schepper grote zorgen zou moeten baren en het geld voor 'defensie' alleszins beter ingezet zou moeten worden. En met die vriend voor het leven deed ik gister - vijftig jaar na dato - een stukje diensttijd over, in Apeldoorn. Vriendschap per drietonner Na een kaderopleiding van acht maanden werd ik per militaire vrachtwagen naar mijn 'parate bestemming' gebracht, het was 5 december 1960 en gaandeweg de rit waren alle andere lotgenoten al uitgeladen op hun nieuwe kazernes. Allemaal, op één na. Toen we tegen de avond bij de laatste bestemming, De Koning Willem III-Kazerne in Apeldoorn, arriveerden, maakten wij als twee enige overgeblevenen kennis met elkaar - we hadden tijdens de opleiding zes maanden in elkaars nabijheid verkeerd zonder daar weet van te hebben. De volgende dag bleken we als administratieve krachten te werk gesteld te zijn bij de Staf van het Eerste Legerkorps, afdeling G3 Operatiën - inderdaad, één kamerdeur verwijderd van de wandvullende landkaarten met vlaggetjes, tankjes en vliegtuigjes. Die geheime kaarten kwamen pas tevoorschijn als de rolluiken voor de ramen neergelaten en de rolluiken voor de kaarten opgetrokken waren: het heilige der heiligen, het hol van de leeuw, het domein van de 'zonne-officieren'. Onze taak bestond voor een goed deel uit het versturen van codetelegrammen naar de NAVO-hoofdkwartieren en het tikken van stencils voor de ondercommandanten. Mijn kantoorbaas heette majoor F., ze hield nogal van een glaasje, en viel na een nachtelijke tocht per fiets van de bagagedrager, met haar hoofd op de stoeprand. Toen werd ik tijdelijk waarnemend, wat me uiteindelijk een week prestatieverlof opleverde. Inderdaad, we hadden een luizenbaan, mijn nieuwe vriend en ik. Inwendige dienst Buiten het werk op het geheime kantoor leefden wij met een menigte andere soldaten in een kazerneritme van appèls, messmaaltijden, sergeant-van-de-weekklussen, poets- en corveediensten (inwendige dienst, elke vrijdagmiddag!), nachtelijke alarmoefeningen en eindeloze 'parate' weekends. De verstandigen (?) onder ons begonnen ruim voor hun afzwaaien aan een mede door het rijk betaalde studie, en kregen na verloop van tijd 's avonds een van de geheime kamers als studieruimte toegewezen - de sleutels van de NAVO-rolluiken verbleven elders, in verzekerde bewaring, wat dacht u dan? Een dag per week was er avondverlof, je kon dan na de warme maaltijd tot twaalf uur wegblijven. De kazerne lag een heel eind buiten de bewoonde wereld van Apeldoorn, er liep géén bus, voor taxi's had je geen geld. Het betekende op zo'n film- of uitgaansavond dus een uur lopen heen en een uur lopen terug, een ontnuchterende exercitie. De lange weg bestond in mijn herinnering grotendeels uit vrijstaande dorpshuizen met een halfverhard zandpad als trottoir. Buiten een kapper en een thuiswerkende fotograaf was er verder niets te beleven of het moeten de rotgeintjes van heen- en weer-gaande soldaten geweest zijn. Dat laatste zal overigens nogal meegevallen zijn, want de kazerne waar wij ingekwartierd waren - dat ben ik tot mijn eigen verbijstering nog even vergeten te melden - was een opleidingskazerne voor de Koninklijke Marechaussee (militaire politie), controles en uitslovers alom aanwezig dus. Maar ook als je met verlof ging of ervan terugkwam moest je dat hele pokkeneind met je weekendtassen lopend overbruggen. Van al die veertien maanden Apeldoorn is me het fenomeen van de lopende heenweg en de lopende terugweg nog het meeste bijgebleven. Op herhaling Ter gelegenheid van onze vijftigjarige vriendschap besloten mijn makker en ik die tocht van Station Apeldoorn naar Koning Willem III-Kazerne nog eens te gaan lopen. Maar ja, vijftig jaar, in die tijd vergeet je meer dan je weet. En in diezelfde vijftig jaar wil een stad ook nogal eens wat veranderen: kortom, de volledig uit enorme kantoorkolossen en andere monumentale gebouwen opgetrokken nieuwe stationsomgeving van Apeldoorn (een echte A-lokatie, meneer!) bracht ons meteen en volkomen in verwarring. Wat te doen? Mijn vriend had de oplossing bij de hand: een kopietje uit een stratenboek, en een grove stiftverbinding tussen A en B. Met dit hulpmiddel als enige baken ploegden wij ons in anderhalf uur een weg door 'Apeldoorn - Stad in verandering!'. Grote brede wegen, Amerikaans aandoende avenues, 99% nieuwbouw, verzekeraarsreuzen en opleidingsinstituten, af en aan rijdende stads- en streekbussen, zeg maar gerust: New New York op de Veluwe. We herkenden NIETS. Tot we er bijna waren, er met onze neus zowat óp stonden: het ronde veldje met monument, pal voor de ingang van de kazerne. Nagelnieuwe kolossale hekwerken omgaven een complex terrein waar de oude militaire gebouwen slechts terloops in figureerden, bouwbedrijven waren overal bezig met hopen zand, hydraulische kranen en betonmolens, bewaakte slagbomen op tal van plaatsen, reuzelelijke betontorens tussen 'onze Staf-gebouwen', enkele bejaarde soldaten, over de volle breedte van de naastgelegen rijweg uitwaaierend. Een afgang, dat was het, en een deceptie van reuzenomvang tevens! De terugweg deden we per stadsbus (ja, nú wel!), die nam al snel een totaal andere route dan wij gelopen hadden. Hee, is dit niet de sfeer van onze oude looproute? Verlopen dorpse huizen, en dat kappertje daar, die zanderijstroken... Maar toen ging de bus onverhoeds een hoek om en waren we de weg weer helemaal kwijt. In de binnenstad kozen we tenslotte Grand-café De Notaris voor een kop koffie en een broodje - want Café De Zon, óns Café De Zon, echt nérgens te bekennen! Na her-bestudering van het routekopietje kwamen we tot de conclusie dat we een heel stuk gerichter hadden kunnen lopen, met meer kans op herkenning, meer kans op 'toen', maar ja, om dat nou nóg een keer te gaan doen... Er zijn grenzen, zelfs aan nostalgische retourroutes. Wat blijft komt nooit terug - met dank aan Jan Eijkelboom en Rien Vroegindeweij Op zoek naar een aansluitend gedicht bij onze halve-eeuwse bedevaart kwam ik als vanzelf terecht bij Jan Eijkelboom met z'n bundel 'Wat blijft komt nooit terug'. Maar het bleef deze keer bij de titel, een juweeltje als je het mij vraagt. Een paar planken verder stond Rien Vroegindeweij (1944) mij toe te roepen dat ie wel tig gedichten had die over teruggaan gaan en over nostalgie, en over de teleurstellingen die daaraan inherent zijn. Ik sloeg 'blind' pagina 201 op in zijn verzamelbundel 'Later wordt alles echter' (Nieuw Amsterdam, 2009), en trof daar het gedicht 'Straat'. En dat moest het zijn. STRAAT Lopend door de buurt die hem vreemd geworden was, kwam hij in de straat en zag het huis en voelde zich ontheemd en wist dit is de plaats van misdaad. Ik ben teruggekeerd. Wat heb ik misdaan? Hij keek de gevel langs tot aan het raam waaruit een licht scheen; hij belde aan en wachtte en las een vreemde naam die stond waar de zijne had gestaan. Hij mompelde wat heeft mij hier gebracht. Ik ben een ander. Mijn spoor is uitgewist. Wat ik heb misdaan heb ik niet gedaan. Ik heb mijn tijd in wroeging doorgebracht. Het was vergeefs. Zij heeft mij nooit gemist. naar boven 4 februari 2011 Droomland: een reconstructie Bij het overlijden van mijn oudste zus Vorige week overleed mijn oudste zus A., 82 jaar oud, aan haar hart, aan haar nieren. En eergister hebben we haar ten grave gedragen, het was een waardig afscheid. Ik mocht er ook een woordje spreken, en haalde daarbij herinneringen op aan haar muzikale verleden van toen we allemaal nog als gezin samenwoonden, vóór 1956 dus. Zij speelde de banjo en de mandoline in clubverband, maar haar hart lag toch vooral bij de zang. Daar hadden meer van mijn broers en zussen iets mee, zodat het bij ons thuis - al dan niet onder de grote afwas - nogal eens daverde van de meerstemmige liederen onder gitaarbegeleiding van broer C. Geweldig was dat, een weldadige herinnering, een warm bad (terwijl we toen nog niet eens over een douche beschikten). Toen ik enkele jaren nadien (1961) de beschikking kreeg over een meersporenbandrecorder, heb ik natuurlijk met de microfoon opnames gemaakt van de individuele zangers, voor samenzang schoot mijn opnametechniek te kort. Een van die opnames betrof het lied 'Droomland', het werd gezongen door zus A., en dat lied gebruikte ik eergister op de crematieplechtigheid - met instemming van haar man en kinderen, de emotie was anders misschien wel te veel geworden voor de een of de ander. Haar lied, gezongen met de krachtige en heldere stem uit 1961, viel gelukkig bij jong en oud in goede aarde. Terug naar 1961 Hoe kwam een eenvoudige jongen als ik, uit een zeer eenvoudig milieu waar het geld altijd schaars was, in 1961 in godsnaam aan een meersporenbandrecorder van Philips? Dat ding kostte als ik me wel herinner 250 gulden, dus dan weet je het wel! Ik zat in die tijd in militaire dienst met een sergeantenwedde, studeerde daarnaast op eigen kosten het vak M.O. Nederlands bij de Leergangen in Tilburg, en was vanuit mezelf maar toch ook uit de aard van de omstandigheden absoluut van de zuinige. Maar dan nog: het bezit van een bedrag van 250 gulden raakte aan Utopia. Maar... ik verkeerde ook geregeld in de nabijheid van een potentiële maecenas (de vader van mijn rijke vriendje, mede-eigenaar van een transportbedrijf, en van het gullere type) die mij bovendien goed gezind was. Zo betaalde hij al eens, volkomen op eigen initiatief en uit volle religieuze overtuiging, mijn 'eigen bijdrage' aan een militaire bedevaart naar Lourdes, en speelde hij zondagavonds altijd de royale verliezer bij het kaartspel. Die man betaalde op 6 januari 1961, mijn eenentwintigste verjaardag, de 250 gulden voor het opnameapparaat onder de voorwaarde dat ik binnen een jaar de helft terug zou betalen, de rest zou me dan geschonken worden. Ik heb er hard voor gespaard, in de wetenschap dat ik voor elke gespaarde gulden er één cadeau kreeg. In al de 50 jaar nadien ben ik zijn royale geste nooit vergeten. Slaapkamer als opnamestudio Met een geleend 'draadje' en de bijgeleverde microfoon heb ik heel wat sporen van de bandrecorder volgekregen. Het 'draadje' prutste ik in de ingangen van onze distributieradio, en zo kwamen de muzikale grootheden uit die tijd op mijn bandrecorder terecht: Jacques Brel, Charles Aznavour, Mozart ('Die Zauberflöte'!), Mirjam Makeba, Harry Bellafonte, die eerste opnames hebben jaaarenlang mijn muzikale voorkeuren bepaald. Naast - uiteraard - de opnames die ik zelf met de microfoon vastlegde. Bijna ons hele, grote gezin had iets met muziek. De meesten van ons konden een aardig potje zingen, maar daarnaast waren er nog de banjo, de mandoline, de gitaar, de klarinet, een occarino, een ukelele, en de viool. Vooral broer C. kon je praktisch elk instrument in handen geven, en binnen de kortste keren wist ie er raad mee, onze muzikale omnivoor die zich overigens niks te goed vond om vooral de begeleider van anderen te zijn! Hij was werkelijk een muzikale duizendpoot die ik sinds zijn te vroege overlijden maar al te vaak gemist heb. Dat gepiel met zo'n microfoontje, dat was nog niet zo eenvoudig. Alle omgevingsgeluiden kwamen er voortreffelijk op te staan, maar bij duozang viel er al geregeld een halve stem weg, hoe we ook ons best deden. Uiteindelijk kwam het er op neer dat uitsluitend enkele stemmen opgenomen werden. De slaapkamer van mijn ouders, annex 'goei kamer', annex huiswerkvertrek, annex kaartkamer, annex van alles en nog wat, diende als opnamestudio; het was de enige deur in huis waar een sleutel op zat. Ik wil graag geloven dat ik een bordje 'Stilte - Opname' voor op die deur gemaakt heb, maar het blijft bij 'geloven'. Hoe dan ook: de hele stoet zangers en zangeressen kwam successievelijk aan de beurt, het werd een mooie band vol. Het meest vertederen me nog steeds de stemmen van mijn vader (bepaald geen zanger, maar onbevangen en vrolijk) en van mijn jongste zus (die het Bevrijdingslied 1960 zong, met ijle kinderstem, maar vastberaden en vol passie: 'Ik teken je vandaag een huis, / een blij huis met een vlag. / Met ramen waar de zon door kijkt / en jij dat ook wel mag.'). - En toen raakte het hele bandopnameapparaat en de zanglustige familie voor jaren in het stof en het slop. Uiteindelijk werd het apparaat zelfs geruild voor een platenspeler, want dát was het helemaal, tóen. Reünie 1992 Bij gelegenheid van een familiereünie in 1992 kwam ik op het idee om die oudste banden met familiezang nog eens te draaien. Maar ja, bestonden die banden nog, en was er überhaupt nog iets van het materiaal over na al die jaren? De recorder kwam boven water, en avonden lang ben ik bezig geweest met knippen en plakken om de bruikbare delen over te zetten op geluidscassettes (dat was tóen weer je van het). Van dat geheel maakte ik voor alle gezinsleden een musicassette, en bood hen dat een jaar later aan. Ik dacht dat - buiten mijzelf - níemand al die jaren ook maar één ogenblik aandacht besteed had aan ons gezamenlijke muzikale verleden. Tot aan het overlijden van mijn oudste zus, vorige week. Toen bleek mijn idee - om zus A. als zangeres op te voeren met 'Droomland' - bijna als vanzelfsprekend geaccepteerd te worden. Tijdens de nazit van de begrafenisrituelen kwam 'Het geluidsarchief van de familie B, 1961' volop ter sprake. Dat daar natuurlijk een cd van gebrand moet worden, want dat dat toch een kostbaar bezit is, dat doorgegeven moet worden aan jongere generaties: 'Hoor eens zeg, zo zong jouw oma in 1961, nee, ja, dit is een echte opname hoor, dat is echt mijn moeder. Mijn zus, mijn vader, mijn broer.' - En zo zal het geschieden, er blijkt veel belangstelling voor te zijn, juist ook bij de jongste generatie. Droomland 1961 'Droomland' was oorspronkelijk een vrij religieus Amerikaans lied (1897): 'Beautiful isle of somewhere', onder andere gezongen door Vera Lynn. De Nederlandse vertaling kende vele vertolkingen (o.a. Willy Derby, Johnny Jordaan, Willy Alberti, Heintje) - het recentst door Paul de Leeuw en André Hazes. Die laatsten hebben de tekst van Droomland nog meer 'gemoderniseerd' en het aantal nootjes ongeveer verdubbeld. Het lied zoals mijn zus A. dat zingt vind ik echter veel geloofwaardiger, niet zozeer omdat zij beter zingt dat de twee BN'ers, wél omdat zij er écht in gelooft. Zo klinkt het in elk geval, ik kan het haar helaas niet meer vragen: zij heeft inmiddels haar bestemming bereikt: Droomland 2011. Ik schrijf hieronder de door haar in 1961 gezongen tekst van onze familieband even voor u op. DROOMLAND Heerlijk land mijner dromen, ergens hier ver vandaan. Daar waar geen leed kan wonen, daar waar geen leed kan bestaan. Droomland, Droomland. Oh, ik verlang zo naar Droomland. Daar heerst steeds vree, dus ga met mij mee, samen naar 't heerlijke Droomland. Daar vindt men jeugd en vreugd weer. Kent men geen arm of rijk. Daar is geen zorg en smart meer. Allen zijn wij daar gelijk. Droomland, Droomland. Oh, ik verlang zo naar Droomland. Daar heerst steeds vree, dus ga met mij mee, samen naar 't heerlijke Droomland. naar boven 28 januari 2011 55-plus Want tussen toen en dan... Computers, mobieltjes, televisies: ik ben een minimumgebruiker, mij mankeert het duidelijk aan affiniteit met de moderne technologie. Daar ben ik niet trots op, ik schaam me er evenmin voor, je raakt er evenwel versneld door uit de tijd lijkt het wel. Als ik op stationsperrons de reclamezuilen lees, dan overvalt me in toenemende mate de gedachte dat ik niet iemand ben aan wie de verzamelde reclamewereld iets wil verkopen. Ik heb geen flauw idee wat pingen is, en definieer het verschil tussen wii en wifi onnozel in de letter f. (En dan moet ik nog oppassen dat ik niet per ongeluk ff tik, want ff betekent even, en is een uiting van de moderne economie die vrschrft dt je geen lttr te veel mg sxrvn [schrijven], wnt lttrs ksten gld.) - Van wat tegenwoordig 'de sociale media' worden genoemd, ken ik alleen de etiketten; tot minimumgebruiker heb ik het nog niet geschopt. Deze ontwikkelingen staan in schril contrast met de uitnodigingen die elke 55-plusser met enige regelmaat in zijn brievenbus vindt. Het gemeentebestuur bij voorbeeld meent hem/haar (en ongetwijfeld zichzelf en zijn financiën) een levensvoorwaardelijk plezier te doen met een lijst tips 'om langer zelfstandig te kunnen blijven wonen'. 55! Dan moet je volgens dat andere gezicht van de overheid over de condities beschikken om nog zeker 12 jaar je eigen inkomen te verwerven, je eigen broek op te houden zeg maar, in een maatschappij die van de technologische reuzenstappen vergeven is. - Of neem anders de plaatselijke Oranjeverenigingen en groepjes welwillende dorpsgenoten die ervan overtuigd zijn dat ze 'de 55-plussers onder ons' een geweldig hart onder de riem steken met een feestelijke dag 'om u eens terecht en lekker in de watten te leggen' met Egerländer-muziek en de plaatselijke explicateur-met-dia's, 'en dat alles gelardeerd met een heerlijk stamppottenbuffet en koffie-met-verrassing toe'. De toegangsprijs wordt zwaar gesubsidieerd door de plaatselijke middenstand, en o, als vervoer voor de 55-plusser een bezwaar mocht zijn, dan komt de organisatie mij met de fanfare, een stralend gemoed en per particuliere charriot wel even aan huis ophalen, geen enkel probleem! Het zijn inderdaad duivelse dilemma's waar je je als jongbejaarde voor gesteld ziet: naar voren kún je niet, naar achteren wíl je niet. staan pakketten in de weg... Zo worden wij momenteel getroffen door een bombardement aan luxe brochures en brieven, aanmoedigingen en herinneringskaarten van de firma Glashart L. Samen met de Oppergemeente L., de deelgemeenten en dorpsraden E., G., B., H., A., Ep. en Ex. probeert de firma de 'bewoners van dit pand' over te halen om toch vooral een glasvezelabonnement te bestellen bij een van de vier providers waar het bedrijf mee samenwerkt. Want: 'wanneer 40% van de huishoudens vóór 31 januari 2011 een glasvezelabonnement bestelt, zal Glashart L. starten met de aanleg van een glasvezelnetwerk', de straten opengraven en een kuil naatst uw voordeur produceren. En dan beloven ze je niet alleen een supersnelle verbinding voor internet en telefonie, 'wat dacht u van nieuwe communicatiemogelijkheden zoals beveiliging op afstand, e-learning en zorg op afstand'. Nou, ik sta er paf van, vooral van die imaginaire sloten in den verte! Ik kan bij de dienstverleners - die mij in deze laatste week overweldigen met reeksen paginagrote advertenties in alle huis-aan-huisbladen - een basispakket nemen, of een pluspakket, en daarnaast nog allerlei extra-pakketten zoals een sportpakket, een eredivisie live, een kidspakket of een videotheek thuis-pakket. En daarbij ook nog eens een HD TV-pakket à 10 euro extra, dat levert maar liefst 'de nieuwste manier van tv-kijken' op. - Bij andere providers kun je dan weer kiezen tussen een Brons-pakket, een Zilver- of een Goud-pakket. Tussen 30, 50 of 100 Mb/s down- en upload, meer dan 90 zenders en 'voordelig bellen'. Ik ben de draad en de kluts allang kwijt, en de datum van 31 januari komt maar dichterbij en dichterbij! En zonder mij en mijn glasvezelabonnement misschien wel geen glasvezelnetwerk, voor mij niet én voor de hele gemeente van tig samenstellende delen en raden niet. Wie ben ik, dat ik dit aanrichten kan? Inderdaad, het zijn duivelse dilemma's, meneer. Niet meedoen, dan ben je achterlijk, niet van deze tijd en virtueel ten dode opgeschreven. Wel meedoen brengt de zorg op afstand alleen maar sneller, scherper én dichter bij! en praktische bezwaren Die leeftijd van 55-plus (55+), dat zit me dwars, ben je dan al oud of juist nog jong? In de ene digitale toekomst moet je desnoods met een chip in je hoofd doorwerken tot je zeventig bent, in de andere zien ze je als een hulpeloze bejaarde die z'n mobieltje maar niet ingeprogrammeerd krijgt en die dan ook niet meer weet hoe hij bij het dorpshuis moet komen. Natuurlijk, het zit 'm in dat plusteken, daar word je overjarig van, je UVD (uiterste verkoop-datum) wordt ermee verstreken verklaard, maar intussen moet je natuurlijk wel even intekenen op een pakket 'waardoor uw zieke kind thuis tóch de lessen in het klaslokaal zal kunnen blijven volgen'. - En rap 'n beetje, want anders mis je 'de lift naar de toekomst' van jezelf en die van de buurman tevens. Kijk, als ze dat 50-plus nou eens een tijdje zouden vervangen door 100-min, dan zouden ze het grijze deel van de bevolking tenminste het juiste perspectief bieden: niet klagen over een percentuele achteruitgang van je AOW-uitkering, maar plannen maken voor een lekkere moestuin; niet aanschurken tegen een kneuterige ouderen-omroep van regenkapjes en berenpantoffels, maar meer Henk-Hofland-VPRO, meer Wilde Keukens van Jongbejaarde Klootwijken. Geen PVV-achtige en Oranjekleurige Jan Nagel Ouderen-Partij Voor Ontevredenen en Legen, maar een Honderd Min-Partij Voor Republiek en Revolutie. - Of zoiets dan. Zelf ben ik nu 71, dat is weliswaar reeds 70-plus, maar nog steeds 100-min. Sterker, bij 100-min kan ik gewoon nog een tijdje vooruit, zonder me voortdurend af te vragen of ik al 'verder uit de tijd geraakt ben' omdat ik niet weet wat pingen is en of ik wel of niet behoefte heb aan een Plus-pakket of een Min-pakket. Dat is eenvoudigweg niet van belang. Ik was van plan voorlopig nog een tijdje richting de 100-plus te streven, als opvolger van de 100-min-beweging. Opnieuw beginnen, telkens weer Ik eindig vandaag met het gedicht Op mijn 72ste van de inmiddels 81-jarige Remco Campert. Als een waarschuwing tegen al te driest optimisme van een 71-jarige (die al naar zijn 72ste uitkijkt!). 'Nieuwe herinneringen' heet de bundel waar het gedicht uit komt. Kijk, en dat vind ik dan weer zo optimistisch van die Campert. Alsof je op je 70-ste voor de zoveelste keer opnieuw kunt beginnen, en daarna op je 80-ste, enzoverder tot aan de 100-min of misschien daar nog wel overheen. Een optimist tot in de kist, dat lijkt mij ook wel wat! OP MIJN 72STE Zal ik steeds vaker snotteren als bij zoet sentiment in de bioscoopzaal haar ogen breken haar hand laat los de camera zoomt uit het doodsbericht van onbekenden hooguit een keer in de verte gezien of over gelezen in de krant kan me al ontroeren nu ik voor mijn doen natuurlijk! oud ben en besef hoe dun het koord was waarop ik feestelijke salto's maakte nog loop ik met tragere benen over de blakerende landweg sta stil bij het heldere water van de beek van vroeger toen ik alles wist wat er te weten viel naar boven 18 januari 2011 Januarituin Voorafje: ik schrijf dit allemaal nou wel op, zoals het ons overkomt, en zoals wij daar (ongeveer) op reageren. Maar wij zijn geen deskundige hoveniers of buitenmensen, liefhebbers zijn we wel, en dat telt toch ook? Dus dat geschrijf van mij, neem het niet serieuzer dan het is; en kleine foutjes, ach, zie ze door de vingers, 'het is maar een spelletje'. - Aldus 'de chroniqueur van de kleine dingen des dagelijksen levens van een gepensioneerde dagloner'. Hoog water Even voor de statistieken: na een zeer winterse periode van zeker zes weken steeg de temperatuur in de tweede week van januari 2011 tot de lenteachtige hoogte van zo'n graad of tien, twaalf. Het dooide dus als een gek, inclusief een flinke portie warme regen die dagenlang neerdaalde uit de hemelen. En geldig voor het gehele stroomgebied van Rijn/IJssel/Waal en Maas. Nou, dan weet je het wel in Nederland: hoog water in Limburg, Gelderland en Noord-Brabant, met deze keer de ondergelopen Welle-kade in Deventer als nationale trekpleister. Zondag 16 januari gingen wij 's naar de waterzee kijken waar IJssel en Twentekanaal in elkaar overlopen. Weids en indrukwekkend natuurgeweld, met knotwilgenpartijen en eenzame waterverkeersborden als kansloze drenkelingen. Nu en dan kwam de zon heel even tussen de wolken doorgepiept, en meende ik de eerste duiven met olijftakken in het zwerk waar te nemen. Onderweg naar huis zagen wij de doorgewinterde moestuinwerkers alweer aan de slag: veldjes werden omgespit, bedjes opgemaakt, de vroegste gewasbordjes bij de verborgen zaadjes in de grond gestoken. Binnen twee weken is de eindeloze witheid vervangen door verkavelde zwartheid. En wíj werden erdoor geïnspireerd. Ook al heeft een tweede winterhelft zeker nog kansen. Maar dat zijn statistieken, niet de waarnemingen van het moment. Kriebels Thuis lopen we eens keurend door de tuin: wat een winterse uitstraling nog, rommelig, doods, nattig. En dan die donkerdreinende uitbloeiers, dat vastgerotte blad, die groenuitgeslagen berkestammen, en... - Hee, wat zie ik daar nou? Langhangende geelgroene stuifkatjes aan de hazelaar, waar komen die ineens vandaan? En ach, zie je die lichtgroengele hamamelisbloei daar aan de overkant van het spoor? Dat moet dan vannacht gebeurd zijn, want gister was daar nog niks te zien, zeker weten! - En heb je onder de beukenhaag gekeken, B.? Allemaal sneeuwklokjes, en de eerste narcissenkopjes. - Narcissenkopjes, narcissenkopjes, heb je dat wel goed gezien, kan dat dan al? - Wat dacht je van al die sneeuw, dat is een heerlijk warm dekentje hoor! En de knoppen van de rododendron zijn ook al dikkig en met lichtgroene aanwas, heb ik gezien. Geweldig! - Nou, laat die lente maar doorkomen, zeg! Morgen maar eens flink aan de slag, zou ik zeggen. Ik denk dat ik vandaag maar 's even begin met de vijver bladvrij te maken. - Ach, zie je die twee dode kikkertjes daar drijven? Hoe kan dat nou? - Rotgeintje van Koning Winter natuurlijk. We zijn gewaarschuwd. - Ik vind het zielig voor die beestjes, hoor. - En dat is het. Inhaalslag In het late najaar verraste de winter me: terwijl nog niet eens alle blad gevallen was, begon het al te sneeuwen. Geen kijk op dus om de grasveldjes 'winterklaar' te maken. Want dan moet alle blad eerst van het gras de borders ingebonjourd zijn, waarna je kalk en mest over het gras uit kunt strooien. Dat kan dan allemaal in de wintertijd mooi intrekken, meeliften met de regen of met de sneeuw. Nou, en dan wil het in het vroege voorjaar wel weer groeien hoor, dat gras. Zo doe ik het al jaren. - Maar nu komt het me goed uit dat ik hartje januari dit najaarswerkje nog in kan halen. Ach, je moet gewoon een beetje flexibel meedeinen met de grillen van het weer. Terwijl ik met m'n bladhark en m'n snoeischaar en m'n kalkkorrels heen en weer dreutel over de proleptische zonneweiden, rooit mevrouw B. de laatste pastinaken, preitjes en winterwortelen - dat wordt weer hutspot vanavond! - en tovert de eerste winterveldjes om in voorjaarscouveuses. Nee, nog geen zaadjes de grond in, want die zitten nog allemaal in hun Bolsterzakjes in de Bolsterdoos. Wat zeg ik, het zaaiplan is nog niet eens klaar. Maar ja, die voorjaarsomstandigheden he! Dat je als het ware de handen uit de mouwen wilt steken terwijl je je winterjas nog aan hebt, dat stroopt niet lekker op hoor. En om die winterjas nou alvast op te bergen... dat is, dat is ronduit onverstandig. Minder dan twee weken geleden glibberden we hier nog over de ijsstraten! En vorig jaar begonnen we pas in de derde week van februari met onze eerste voorjaarswerkjes, meester ongeduld! Winterwaarschuwing Op onze korte dagwandeling over Het Haveke werden we vanochtend verrast door de beplaste paden. Goed, het heeft wel geregend vannacht, maar om nou te zeggen dat de hemelsluizen wagenwijd openstonden... nee. En toch zijn de paden onbegaanbaar. De bovenkant was gister al behoorlijk zacht, smeuiig en glad. En dat is vandaag nog zo, maar daaronder... houdt de vorst nog stevig stand zodat het water in arren moede dan maar óp de paden blijft staan. Weer zo'n rotgeintje van Koning Winter. Maar ja, 18 januari, waar bén je ook helemaal! - Terug naar de realiteit dus! Morgen bij de Halfords nog maar eens kijken naar fietswanten voor mevrouw B. En misschien hebben ze wel weer nieuwe aanvoer van schoenijzertjes, voor lopen over beijsde Veluwezomen en Posbanken! Heb ik meteen even ruim de tijd om na te denken over het verplaatsen van de rabarberplant die ik vorig jaar op een open plek in de siertuin gezet heb. Daar bleken later allemaal zonneogen op te schieten, twee meter hoge zonnebloemachtigen, maar dan iets kleiner, maar wel in een hele bos, zodat de verse rabarbarplant de hele zomer niet meer mee heeft kunnen doen! Dat wil ik hem dit jaar besparen. Bovendien hoort een nieuwe rabarberplant het tweede jaar oogst te leveren, daar ben ik ook op uit, ik geef het eerlijk toe. Interbellum 18 januari 2011: op het snijvlak van winter en voorjaar, de krijgskansen wisselen, het is nog niet gedaan met de strijd tussen de seizoenen. Soms is het (weer) winter, soms is het (alvast een beetje) lente. Het is een dubbelhartige tijd. - Daarom vandaag twee gedichten, het ene heet Winter (1975) en is van Herman de Coninck; het andere heet Voorjaar (1940) en is van M. Vasalis. - Zo lang er sneeuw ligt is er hoop. WINTER Winter. Je ziet weer de bomen door het bos, en dit licht is geen licht maar inzicht: er is niets nieuws zonder de zon. En toch is ook de nacht niet uitzichtloos, zolang er sneeuw ligt is het nooit volledig duister, nee, er is de klaarte van een soort geloof dat het nooit helemaal donker wordt. Zolang er sneeuw ligt is er hoop. Dan is het even 18 januari 2011. En daarna? - Wegdansen zonder te bezinnen. VOORJAAR Het licht vlaagt over 't land in stoten, wekkend het kort en straf geflonker der blauwe wind-gefronsde sloten; het gras gloeit op, dooft uit, is donker. Twee lammren naast een stijf grauw schaap staan wit, bedrukt van jeugd in 't gras... Ik had vergeten hoe het was en dat de lente niet stil bloeien, zacht droomen is, maar hevig groeien, schoon en hartstochtelijk beginnen, opspringen uit een diepe slaap, wegdansen zonder te bezinnen. naar boven 8 januari 2011 Hoe ik mijn verjaardag vierde Nog in de diepe halfslaap van kwart voor zeven loop ik de trap af, draai twee radiatoren open, vul de kan met water, en wil op de tast een nieuw filterzakje in het koffieapparaat doen. - 'Heehee, dat moet ík vandaag doen hoor!' roept geliefde mevrouw B. me achterna. 'Jíj bent jarig vandaag!' - Glad vergeten! 6 januari, Driekoningenfeest Toen ik afgelopen donderdag met m'n tien medewandelaars om plusminus tien voor vier vermoeid maar trots en voldaan de stadsbrouwerij binnenstapte, hieven de Drie Lantaarntjes en hun gevolg van zessen klaar hun aloude Drie Koningen Lied aan, en zongen mij luidkeels toe: DRIE KONINGEN LIED (Bossche variant) Driekoningen, Driekoningen, geef mijn unne nieuwen hoed, hoed, hoed. Want m'n ouwe is versleten, en m'n moeder mag 't nie weten, en m'n vader is nie thuis. Piep, zei de muis, al in het zomerhuis. De uitbater stond erbij te glimmen alsof ik voor de rest van de dag en de nacht het volledige etablissement afgehuurd had en zijn eerste week van het jaar alvast een toppertje op zou leveren. De omhelzingen en felicitaties en cadeautjes waren hartveroverend, niet van de lucht en menigvoud - een woord dat de eenenzeventigjarige grif vergeven werd. Hiephiephoera! Hiephiephoera! En daar moet op gedronken worden hiehaho. - Het klinkt tóch anders, als je zelf het jobje bent! Barre tocht Onmiddellijk na deze warme entree nam het gesprek over de ijselijke wandeling de overhand: oja, één grote glibberpartij was het, een barre tocht door stad en ommeland, vijf valpartijtjes al met al, en dan die verkrampte bovenbeenspieren en de gestaag vallende regen, nounounou! En dan die belangstelling voor het omgevingsschoon: verspilde opzet, vergeet het maar, niet te doen, absoluut nul, blij dat het ene been voor het andere kwam. En dan te bedenken, bizar niet? bizar toch?, dat dit nog maar het alternatief was voor de eigenlijke wandeling, die over de Veluwezoom en de Posbank en de Koningsallee nabij de Carolinahoeve moest gaan. Afgelast wegens 'gladheid en afbrekende takken', onbereikbaarheid en onbegaanbaarheid! - 'Daar gaan we dus niet aan beginnen,' schreef ik in m'n Nadere Mededelingen Aangaande De Wandeling, 'tenzij jullie er twee gebroken benen en een gapende achterhoofdwond, per man!, voor wilt riskeren.' - Nou, daar had niemand van terug. En gelukkig kwamen daar de hapjes al aan, tijd voor de changementen en andere kout. Dag lieve mensen, wat leuk dat jij kon komen, hoe is het toch met de voetjes, en met de vorderingen aan het nieuwe huis? Dat smaakt naar meer In het kielzog van de wijntjes en de in bierbeslag gefrituurde champignons en de oplopende temperatuur en het vanzelfsprekende gezelligheid-kent-geen-tijd-verloop zochten de eerste treinreizigers hun natte jassen, wanten en mutsen op en omhelsden de nog steeds jarige Balthasar opnieuw met complimenten en kreten als 'Dat zouden we vaker moeten doen!', 'Nou, zó wil in m'n verjaardag ook wel vieren!', 'Waar is m'n stok en het onderste rubbertje en m'n rugzak en m'n cadeautasje, heb jíj die?', 'Waarom slaan we hier niet drie tenten op, Balthasar, Driekoningen immers?', 'Makker, wat was het... jazeker, doen we, de dertiende ja, vergeet je je agenda niet?, sta ik erin?, volgend jaar? zeker, zeker!', en wat er bij zo'n gelegenheid allemaal over en weer gaat voordat de kapstok leeg, de rekening betaald, de kroegbaas en zijn personeel bedankt, en het café verlaten is. - Geheel rozig en uitgeteld fietsten mevrouw B. en de jarige ik door de miezerregen en de wegdooiende ijsresten naar huis. Voor nog een paar uurtjes benen op de tafel en een borreltje op de goede afloop. PrrrPrrr... PrrPrr... 'Ja Mava hier... Ik wou even een liedje voor je zingen, jij bent toch jarig vandaag, of niet dan? Komt-ie.' NIEUW DRIE KONINGEN LIED (Korenbrugstraat-variant) Driekoningen Drie, Driekoningen Drie, en m'n moeder heet geen spie, spie, spie. En m'n vader is naar BVV, en die heet alle centen mee. Driekoningen Drie, Driekoningen Drie. En m'n moeder heet geen spie, spie, spie. Balthasar of Baltasar? Zomerhuis of Achterhuis? Zus jarig of Zo jarig? Een verjaardag middenin de winter, wat doe je eraan? Zomers, ja zomers, dat is gemakkelijk zat: stoelen in de tuin, glaasje bier, schalen met zomerse mesè, gescheurd Turks brood, en alles 'loopt vanzelf'. Maar 's winters? Moeilijkmoeilijk, ijzige reizen, treinuitval, donkerte, zwaarbeladen boodschappenfietsen over gladheid en hardbevroren sneeuwranden, en dan ook nog vlak na al die dulle feestdagen... De familie Balthasar c.s. deed het dit jaar op twee manieren. Met twintig man wandelen en daarna een beschaafd uurtje in de kroeg, zie hierboven. Maar het leukste was misschien de avond tevoren: het cadeau was een etentje buiten de deur op toplocatie en très petit comité van drieën, een verrassingsavond voor de jarige zeg maar. Geweldig, en logisch dus dat Balthasar op de ochtend van 6 januari vergeten was dat ie die dag jarig was! - En zo kan alles variëren en is de variatie de verrassing die misschien wel en misschien niet de reden voor herhaling is maar dan zonder dat verrassingsaspect, begrijpt u wel? Ach, u kent dat toch, niet dan? Zo moet het in de loop van de tijd ook met die Driekoningenliedjes gegaan zijn. 'Als we het nou eens zó doen, zou dat leuk zijn? Of anders zús misschien?' - En dan volgend jaar net weer ietsje anders, zo komen de varianten in de wereld en in de liedbundels en op straat of aan de deur, lees hieronder maar. MELCHIOR EN BALTASAR (PeuterPlace-variant) Melchior en Baltasar kwamen uit het oosten, kwamen uit het oosten. Melchior en Baltasar kwamen uit het oosten met hun neef Caspar. Ik kom voor u iets zingen. "t is Drie koningen feest. 'k Kom een vrolijk liedje zingen op Drie koningen feest. Feest van lichtjes, lampionnen, Drie koningen feest, het is begonnen. 'k Zing mijn lied en ik bel aan. Daarna zal ik verdergaan. 'k Zing mijn lied en ik bel aan. Daarna zal ik gaan. Driekoningen, Driekoningen, geef mij een nieuwe hoed, hoed, hoed. Want mijn oude die is versleten en mijn moeder die mag het niet weten, en mijn vader is niet thuis. Piep, zei de muis, al in het achterhuis. naar boven 28 december 2010 Rites de passage Aan het einde van 2010 Achter de rij wachtenden voor de afsprakenbalie - St. Radboud, Oogheelkunde, Afdeling blauw - kwam een minne man van ik schat dik tachtig met een stok op me af. Ik dacht dat hij me wilde passeren op weg naar de uitgang, maar daar niet helemaal zeker van was. Zijn watergrijze ogen lachten een schalks lachje of misschien alleen maar een lichte twinkeling - de vrolijke versie van mijn vader ooit - en sprak me aan alsof hij nergens onder leed. Toch nog onverwacht helder klonk het: - Goede man, zou u de rits van mijn jek even dicht willen maken? Ik krijg het allemaal niet zo goed gecoördineerd meer vandaag aan de dag. - Maar natuurlijk, piepte ik meer dan behulpzaam, kijk eens aan. En goed dat u het even gevraagd hebt. Want waarom zou u daarmee blijven rondlopen nietwaar? - Goede man, ik dank u wel. En dan wens ik u - hier rustte hij even - nog het allerbeste voor het nieuwe jaar. - U ook het beste, meneer, een zalig (!) uiteinde, en een goed begin. - Maar vooral dit goede man - en opnieuw moest hij even zwijgen - dat het nieuwe jaar goed mag beginnen is één. Dat het maar heel goed mag eíndigen, dát vooral wens ik u. Dat vond ik nog eens een royale wens en ik gunde hem uiteraard van hetzelfde. Evenals u, lezer. U wens ik dat 2011 maar goed mag beginnen én goed mag eindigen! Aan al degenen die de Balthasarsblog een goed hart lenen draag ik deze wens op: Annie bij voorbeeld, en Ben, Bert, Carlo, Cees, Ciel, Couzijn, Doca, Eef, Francien, Hans, Isabel, Ivonne, Jac, Joke, Jordan, Jos, Leo, Liesbeth, Lisa, Maarten, Marga, Marit, Marja, Mary, Mien, Mirjam, Netty, Nico, Riek, Rien, Riky, Saskia, Thea, Tiny, Tom, Toos, Vera, Wiel, Willemien, Yvo en al die anderen die ik hier nu geheel en al per ongeluk vergeten ben. Of die daar wel eens van gedroomd hebben! En ik besluit met een van de mooiste Nieuwjaarswensen van de dichter Guido Gezelle (1830-1899), bedoeld voor het jaar 1895: Dit jaar, zoo 't gaat en staat. (En om vooral niets te missen van de clou in de slotregel: Is 't daar al meê? = Is daarmee alles gezegd?) Ja 'et. = Jazeker! DIT JAAR, ZOO 'T GAAT EN STAAT Guido Gezelle Ik wensche u wat ik zelf betracht: bij dage werk, en rust bij nacht; als g’honger hebt, een bete brood; als dorst u kwelt, geen waternood; geen schulden als die ge effen kunt betalen met gepaste munt; en heel dit jaar, zoo ‘t gaat en staat, geen tandzeer. Is ‘t daar al meê? Ja ‘et. naar boven 21 december 2010 Winter van buiten en van binnen DE ENE WITHEID. EN DE ANDERE Onder de sneeuwbevroren lichtkoepel bezie ik de winterse wereld van binnen en van buiten. Terzijde geschoven witheid en uitgeworpen bloemkoolroosjes. Dichtgetapete kieren en nutteloze waterleidingbuizen. Inelkaargedoken merels tussen de winterjasmijn fantaseren compostemmers vol appelschillen. Het park is wit en grijs en zwart en vol contrast. De tandarts doet er nog een schepje bovenop. Pardon - dit is een andere witheid -, met kijkertjes op de doktersglazen. Compostemmer Voor de compostering van fruit- en groenteresten hebben wij achterin de tuin met stenen een aparte composthoop ingericht. Om de paar dagen dragen wij de emmer die daartoe pal achter de keuken staat, naar achter, kiepen 'm om op de composthoop, slaan de laatste resten er genadeloos uit op de omringende wal, en dragen de emmer weer keukenwaarts voor nieuwe vulling. Maar nu ligt er al dagenlang sneeuw en is het ijzig koud. Daarom staat de emmer onder het afdak naast de keukendeur en de veilig gestelde buitenstoelen. En is het een grote zooi rondom de emmer. Mussen, merels, mezen Overdag weten de merels en de mussen en de mezen en de enkele vink er wel raad mee. Eerst even vanuit de laurierbeschutting zenuwachtig loeren links en rechts, dan een duik in de emmer, appelschil roven, spruitjesblaadjes confisqueren, links en rechts loeren, en hup meteen weer de emmer uit, ojee, daar valt een van de spruitjesblaadjes, niks aan te doen, gauwgauw onder de hortensia's, knauwen en slikken, zenuwachtig hippen en loeren, en vlugnuvlugnu weer de emmer in. Pik in, het is winter, en je weet maar nooit wanneer de poes van de buren er aan komt. En weer terug met een stuk rode kool of een uienkontje. Nee, een merel heeft nooit rust, en een vink ook niet, laat staan een mus of een meesje. Veldmuizen en woelratjes Zodra het donker wordt verdwijnen de mussen en de merels en de mezen en de enkele vink. Daar komt het eerste veldmuisje al aan, eerst even poepen onder de aanpalende tuinstoel, en de strategie bepalen. Plankje, takkebos, muurrichel, en dán meteen schuin de emmer in. Wat een dorado, wat een graanschuur, wat een warmte, en dat bij dit helse weer, daar onder dat bloemkoolblad, wat hoor ik?, weg hier, gelukkig zit hier een muizegaatje in de emmer, nog een keuteltje of twee onderweg, en afwachten achter die bezem daar. Shit!, daar is de woelrat. Wat doet ie nu? Grote staafkeutel onder de tuinstoel, behendig klimt ie in de compostemmer. Ik stap met verse voorraad de keuken uit, de buitenlamp springt aan, en ik zie het woelratje als een haas de emmer verlaten, gauw weer even een staafkeutel, waar is ie nu, de schijtlaars? Egels, herten en kamelen Rond de composthoop achterin de tuin: zelfde verhaal. En toch wat anders. In de sneeuw eromheen is het een komen en gaan van dierensporen, hele fijne, iets grovere, grove, hele grove, maar ook onbegrijpelijk grote reuzepoten van honden, herten, pony's, kamelen. Dat laatste is natuurlijk fantasie van mij. Maar zeker is dat er 's nachts een bont faunaleger door onze tuin marcheert met achterlating van de schillen en de dozen, en een gesorteerde hoeveelheid mest. Machtig mooi, dat buitenleven man, vooral bij sneeuw en pittige vorst is dat zo. Gebons in het cv-hok Zo ging ik eergister het water in de cv-installatie controleren, wijs geworden in eerdere jaren toen dat hok symbool stond voor een aaneenschakeling van rampen en rampjes in de wintertijd. Het hok bleek bezaaid met muizekeuteltjes. Dus besloot ik ook de laatste kiertjes in het plafond met stevige tape dicht te plakken. Trapje op, plumootje bij de hand tegen de ruim aanwezige spinnewebben, zie ik me daar de kap van de cv-machine aan: één slagveld aan zwartbruine keutels. Muizen in de machine! De schrik slaat me om het hart, want het zou niet de eerste keer zijn dat de bedrading doorgeknaagd is. Ik beklop en bebons de volledige cv-mantel om de muizenfamilie te wekken. Geen reactie. Ik schoon het hele hok, en neem me voor om elke tweede dag de boel te controleren. Met het water zit het tot mijn verbazing wel goed, maar klopt dat wel? Voorheen klopte dat toch ook nooit? En de kelder, en de zolder, en zo voort? Dan ook nog even de kelder in. Daar is het weer eens vrij muizenhof: zeven pakken en pakjes voedsel heb ik al weg kunnen gooien. En nu doe ik alles in dikke plastic dozen en kratjes. Het kelderraam is inmiddels hermetisch gesloten, tegen de muizen maar óók vanwege de helse koude die hier op de waterleidingbuizen slaat, zodat 's nachts alles afgetapt dient te worden, met een emmer taptewater bij het toilet als placebo. En de twee zolders? Ik blijf er weg, ik negeer ze. Ik kijk wel uit. Ik ga de dik besneeuwde straat op, de wandelschoenen aan, het is wintersport aan huis. En aan de weg naar de tandarts die mijn kies gaat hervullen. O, wie ben ik dat ik dit doen mag? HET WATER. EN OMGEKEERD De tanden gepoetst en de plas gepleegd draai ik de rode hoofdkraan twintig maal rechtsom. Ik spoel het toilet leeg, laat de keukenmengkraan nadruppelen en snel door de maannachtsneeuw naar het cv-hok om de kraan in de emmer te lozen. Nog eenmaal kijken of het watercloset écht leeg is. En dan. En dan naar bed. En dan de wekker. En dan weer alles opnieuw. Maar dan omgekeerd natuurlijk. Hij doet 't, roep ik naar boven. Het water! En dan begint het allemaal pas. naar boven 17 december 2010 Eerbied voor de gewoonste dingen Lieve Kiekie, Lieve Geert In 2009 gaf Uitgeverij G.A. van Oorschot te Amsterdam het boek 'Briefwisseling 1951-1987' uit, 'n kleine 300 pagina's gebundelde correspondentie tussen de dichter M. Vasalis (1909-1998) en de uitgever Geert van Oorschot (1909-1987). De uitgave werd bezorgd (ja, zo heet dat nou eenmaal in vakjargon) door Nop Maas en Maaike Meijer, en verscheen ter gelegenheid van het honderdste geboortejaar van beide auteurs. Het is een fraai gebonden boek, met meegesealde losse achterflap, en het kostte 35 euro - toch een redelijke rib uit 's mensen lijf. Waarom vindt iemand dat interessant om te lezen, zo'n briefwisseling? Ik kan natuurlijk alleen voor mezelf spreken, en dat ga ik hier ook doen. Want interessant vind ik het. Eerst even een paar posities bepalen, want wie was M. Vasalis ('Kiekie' voor intimi) ook alweer, wie Geert van Oorschot, en wat heb ik met hun zakelijke en persoonlijke confidenties te maken? Voorop staat dat ik nog steeds zeer geïnteresseerd ben in het 'boekenvak', vooral de periode tussen 1960 en 2000, omdat ik toen zelf in de uitgeverijwereld werkte en het vak van onderafaan heb leren kennen en beoefenen. Bovendien studeerde ik in de jaren zestig het vak Nederlandse taal- en letterkunde, 'Vasalis' en 'Van Oorschot' zijn mij zodoende met de paplepel ingegoten als het ware. Want het is niet echt overdreven om te zeggen dat M. Vasalis de bekendste en meest gelezen dichter(es) van de Nederlandse twintigste eeuw is; Geert van Oorschot was heel lang de bekendste literaire uitgever, niet in het minst door het nogal explosieve karakter van de man, die overigens in zijn nadagen zelf nog een betrekkelijk succesvolle literaire auteur zou worden. De vriendschappelijke correspondentie tussen deze twee literaire giganten begon godweetwanneer (en daar doet het boek ook geen enkele uitspraak over), en eindigde twee uur voor de dood van Van Oorschot toen hij in zijn laatste briefje aan M. Vasalis en haar man Jan Drooglever Fortuyn schreef: 'Op alle verschrikkelijke ogenblikken in mijn leven waren jullie er. Nu weet ik niets meer. Dag 2 lievelingen. Geert.' Privé is privé is privé? Zeker is dat de twee 'helden' van dit boek hun brieven nooit geschreven hebben met het idee dat die ooit gepubliceerd zouden worden. Sterker, Vasalis was zozeer gesteld op haar privacy, dat ze Van Oorschot op enig moment voorstelde om al haar brieven aan hem te vernietigen. En het was al helemaal taboe dat ook maar enig 'versje' uit die brieven zonder haar uitdrukkelijke toestemming verder zou komen dan de leestafel van Geert van Oorschot zelf. Terughoudend bleef Vasalis tot op het laatst, maar na haar dood kon er blijkbaar toch gepubliceerd worden: op de 'aparte' pagina 5 van het boek staat in cursieve letter vermeld: 'De uitgever dankt de erven Vasalis voor hun instemming met deze uitgave.' Hier ligt een duidelijke parallel met haar dichtwerk: tijdens haar leven werden zegge en schrijve drie dichtbundels (overigens met zeer groot succes) uitgegeven, maar in haar nalatenschap bleken zich later honderden verzen te bevinden, waarvan een klein deel postuum door de erven uitgegeven werd onder de titel 'De oude kustlijn'. Vasalis zelf zag er in haar onophoudelijke zelfkritiek kennelijk niets in om ermee voor de draad te komen, ondanks alle aanmoedigingen van haar uitgever. Toen hun correspondentie in 1951 begon, had M. Vasalis haar poëtische oeuvre al afgesloten, zo bleek achteraf. Maar gelukkig gingen hun brieven over veel meer dan alleen de poëzie en de uitgeverij, over centen en procenten, over drukproeven en contracten. De twee waren echte vrienden, soulmates die het open en eerlijk voor elkaar opnamen, maar die elkaar ook bekritiseerden als hun persoonlijke betrokkenheid dat verlangde. Vooral in de tweede helft van het boek, als het leven van Van Oorschot een aaneenschakeling van persoonlijk leed dreigt te worden, ontpopt Vasalis (eigenlijk zou ik hier 'Kiekie' moeten zeggen, als dat niet al te privé was) zich als een groot psychologisch talent die allesbehalve de betweter uithangt. En de vroegere bullebak van het grote woord ontwikkelt zich tot de subtiele beschrijver van diepe zieleroerselen en de tederste lenteobservaties. De latere brieven zijn gemiddeld dan ook een stuk langer dan in de vroege correspondentie. De ouderdom komt kennelijk niet alleen met gebreken, maar ook met kostbare inzichten en uitingen. Social media toen en nu In het tijdsgewricht van e-mail, twitter en smartphone kun je je niet meer voorstellen hoe de communicatie vroeger verliep tussen mensen die wel zo'n 200 km van elkaar af woonden. Bij voorbeeld. Als de uitgever Van Oorschot een briefje ontving van Toneelgroep X met het verzoek om een gedicht van Vasalis te mogen opnemen in een toneelvoorstelling, dan scheef hij een soortgelijk briefje aan de dichter met een advies en een honorariumvoorstel, de auteur dacht daar dan enige tijd over na, schreef een briefje terug aan de uitgever met een fiat of een amenderende invulling, waarna de uitgever de vragenstellende Toneelgroep dienovereenkomstig berichtte en 'uw overschrijving met belangstelling afwachtte'. Ongeveer een half jaar na dato kon de dichter-schrijver die 7,50 gulden dan wellicht op zijn girorekening tegemoet zien na daar door de uitgever eerst schriftelijk van in kennis gesteld te zijn. Kortom, er gingen eindeloze tijden overheen voordat een simpele kwestie schriftelijk geregeld was. Dus zo kwamen toentertijd die uitgeversdossiers aan hun groteskforse omvangen! Daar staat tegenover dat mensen toen ook de tijd en de ruimte namen om hun gedachten 'aan het papier toe te vertrouwen' zoals dat toen heette, en daar hun uiterste best op te doen. Jaja, 'de kunst van het schrijven' werd door menigeen beoefend en geoefend met geen andere doel dan om met elkaar te communiceren. Vergelijk dat eens met de stilistische kwaliteit van het gemiddelde e-mailtje... Vasalis kon gerust meer dan een jaar aan een gedicht 'werken', en het dan nog niet goed genoeg vinden. Sterker, in haar latere jaren stond een deel van de door haar gepubliceerde gedichten haar in toenemende mate tegen, zoals in de briefwisseling met uitgever Geert van Oorschot te lezen valt. Dit zal ongetwijfeld mede oorzaak geworden zijn van haar oneindige getalm en aarzelingen bij nieuwe schrijfsels. Niettemin, deze dichter van drie (3!) dunne dichtbundels (Parken en woestijnen, De vogel Phoenix, Vergezichten en gezichten) kreeg o.a. de Constantijn Huygens-prijs en de P.C. Hooft-prijs! Geert van Oorschot was behalve uitgever ook literair schrijver, onder het pseudoniem R.J. Peskens. Hij schreef romans (o.a. Mijn tante Coleta), verhalen (o.a. Twee vorstinnen en een vorst), gedichten en vele correpondenties. Voor zijn literaire werk werd hij o.a. onderscheiden met een eredoctoraat in de Letteren aan de Universiteit van Tilburg. In hun eigen woorden Hieronder citeer ik van M. Vasalis, uit ‘Parken en woestijnen' (1940), het gedicht 'Fanfare-corps'. Vooral vanwege de slotregel, maar ook wel vanwege de gehele slotstrofe die zo mooi aansluit bij haar correspondentie met Van Oorschot. Geert van Oorschot 'eer' ik met het korte en zeldzaam bescheiden gedicht 'Er was een tijd', gepubliceerd in het tijdschrift Tirade (1979), onder het pseudoniem Gerrit Smallegange = R.J. Peskens = Geert van Oorschot. ER WAS EEN TIJD Gerrit Smallegange Er was een tijd dat ik mij dichter vond, om welke reden wou ik dat toch wezen? Want elke regel die in mij ontstond kon men veel mooier bij een ander lezen. FANFARE-CORPS M. Vasalis De lucht scheen blinkend door de blaren, bleek en volmaakt als glas geslepen. Met vaste manlijke gebaren werden de horens aangegrepen, en luidkeels, zonder enig schromen spoot de muziek tussen de bomen; heldhaftig, trots. Een onverbloemde voor elk verstaanbare muziek, die aan het ademloos publiek ieder gevoel met name noemde. En even plots werd dit geklater gedempt, twee koopren kelen weenden… - over het donkergroene water gleden twee smalle witte eenden geluidloos als een droombeeld voort - De horens, smekend en gesmoord schenen hen dringend iets te vragen, hen volgend met haast menslijk klagen. Een warm en onverwacht verdriet, eerbied voor de gewoonste dingen, neiging om hardop mee te zingen, en dan te huilen om dit lied ontstond in mijn verwend gemoed. Ik voelde me bedroefd en goed. naar boven 7 december 2010 Blokkades Het waait en het vriest en het faalt Dat was een rare gewaarwording, zeg, vorige week woensdag. Ik ga met de fiets naar de fitness, stal m'n ros voor 'Dit Is Nummer Tien', doe de vier cardio-apparaten en al m'n andere oefeningen, haal vervolgens m'n fiets van het slot, en rijd in de barre winterkoude naar huis, op weg naar koffie en een warme douche. Maar nu komt het. Halverwege moet ik remmen in een bocht, waarna ik opnieuw aanzet, en... op de hoogste weerstand ooit stuit. M'n fiets is niet vooruit te branden, al trap ik nog zo hard. Van de weeromstuit knijp ik nog maar eens flink in de handremmen, maar die flapperen nu als lamme vogeltjes aan het stuur. De remmen doen het niet, en toch zijn de wielen volkomen geblokkeerd. Ik stap af - nou ja, val half van m'n fiets - duw het onwillige gevaarte met moeite naar huis, zet alsnog koffie, straffe koffie, om m'n verbazing de baas te worden, want wat is hier aan de hand? Ik zet m'n fiets in de bijkeuken, en constateer dat de handremmen nog steeds niks doen terwijl de remschijfjes muurvast blijken te zitten. Tjeeja, natuurlijk vastgevroren, komt beslist door die ijzige wind waarin mijn fiets een uur op me heeft staan wachten. Dat zal het zijn, en dan zal het na een uurtje warme bijkeuken ook wel weer over zijn. En ja hoor, een uur later is het weer heerlijk knijpen in de handremmen en weer heen en weer rollen met de fiets. Ziezo, en dat was dan dat. Het vriest en het sneeuwt en het faalt opnieuw Na de verdiende warme douche en een eenvoudige doch voedzame lunch van zachtgebakken uien en vegetarische hamburgers met eivrije mayonnaise en biologische ketchup op een bedje van bruin zacht brood met zonnebloempitten, rijd ik naar de supermarkt voor de broodnodige aanvullingen. De wind is een beetje gaan liggen en heeft zich laten aflossen door een sneeuwbui met potentie. Het vriest stevig en we maken haast, mijn fiets en ik, want het huiswerk wacht en Erwin Krol heeft intussen aangeraden om binnen te blijven 'als u er niet per se op uit hoeft'. Zodoende. En of de duvel ermee speelt, halverwege de terugweg moet ik remmen voor de dalende overwegbomen. Ik knijp in de remmen, maar krijg er geen beweging in. Kneep ik de vogeltjes vanmorgen nog lam, nu zijn ze stijf bevroren en dood. Ik schakel met gevoel voor drama over op de voetrem, een halve noodstop in anderhalve centimeter sneeuw. Ik haal de spoorbomen met gemak, want die lijken ook te lijden onder de barre omstandigheden. Ik stap af, controleer nog even de appelen en de bananen en de aardappelen in het doosje op de bagagedrager, en knijp voor de zekerheid nog maar eens in de remmen. Dood, nog steeds. Deskundigen van de tweede en de eerste rang 'Tja, wat zal dat zijn? Ik ben tegenwoordig niet meer zo thuis in de fietsenbranche,' is het eerste al te voorzichtige commentaar van de motorman die ik 's avonds spreek tijdens een visite-op-uitnodiging, onze echtgenotes kennen elkaar en een gezamenlijke ontmoeting leek ons gezellig, vandaar. 'Vroeger heb ik dat ook wel eens gehad, met m'n fiets, met handremmen, blokjesremmen op de velgen, dus geen trommelremmen of schijfremmen zoals bij jou, weetjewel. Die blokkeerden toen ook, net als bij jouw fiets. Daar zat toen vocht in de remkabeldraden, dat was het ja, vocht in de kabels! Die zul je moeten laten repareren bij de fietsenmaker, of misschien wel laten vervangen, iets anders zou ik niet weten. En, zal ik nog eens bijschenken, kerel?' / 'Ja, lekker.' Na het weekend is het maandag, en dan is de fietsenmaker dicht. Maar vandaag, dinsdag, ging ik erheen, voorzichtig rijdend om niet te hoeven remmen, maar hoe neem je een stoplicht zonder remmen, dat was nog een heel gedoe hoor, maar het lukte gelukkig, anders was het natuurlijk onverantwoord geweest. - 'Ja, meneer, dat is vocht in de kabels, en die bevriest vandaag de dag, dus die gaan we vervangen, die nieuwe daar zit teflon omheen, dus dan heb je nooit meer last van vocht, dat is dan veertig euro inclusief een hersteld achterlicht, wilt u een vervangende fiets, ik heb ze alleen met terugtraprem.' / 'Ja graag, en hoe lang duurt het?' / 'Dat wordt morgen na vier uur, uw leenfiets staat klaar bij de uitgang, m'n collega weet ervan.' / 'Tot morgen, na vier uur. En het was veertig euro is het niet? Tjonge, nou, een goedendag dan nog.' Leenfiets En daar ging ik, op de leenfiets met breed stuur, terugtraprem en boer-zoekt-vrouw-fietstassen. Het zadel stond nog wat laag, maar dat liet ik zo, voor het gemak van het voetremmen. Nou ja, een vreemde fiets tenslotte. Ik zeilde met matige snelheid de Geweldigershoek door, en bereikte via het bolle voetgangersbruggetje nabij het grote Marsplein het enige kritische kruispunt van de hele stad. En ja hoor, daar had je van rechts al de markante vrachtwagen van schildersfirma K. Niks geen last van de ijzigbevroren sneeuw noch van enig begrip voor de kwetsbaardere weggebruiker. Geef hem voorrang, B., laat hem gaan! Remmen dus. Ik kneep uit alle macht in het brede stuur van de leenfiets met terugtraprem. Een halve hartverzakking later had ik de grip op de trappers eindelijk te pakken, en de terugtraprem deed waar ie voor dient als ie met bruut geweld ingezet wordt: abrupt stoppen! Geloofd zij de heer en alle andere goden in de hemel of waar ook ter wereld dat ik hier niet met mijn eigen verkouden handremfiets reed. Zo rustig als vandaag ben ik nog nooit naar huis gefietst, op een feestelijk aandoende leenfiets voor één dag, met breed stuur, bontgekleurde fietstassen en een terugtraprem, en met van begin tot eind maar één ding in mijn kop: Swing low, sweet chariot, coming for to carry me home! Uit de bundel 'Kun je nog zingen? Zing dan mee' uit mijn langvervlogen jeugd. SWING LOW, SWEET CHARIOT Swing low, sweet chariot Comin' for to carry me home Swing low, sweet chariot Comin' for to carry me home I looked over Jordan, what did I see, Comin' for to carry me home? A band of angels comin' after me, Comin' for to carry me home. Swing low, sweet chariot Comin' for to carry me home Swing low, sweet chariot Comin' for to carry me home naar boven 30 november 2010 Karton Kartonkunst "De Stichting Boardkarton heeft het genoegen u uit te nodigen voor de presentatie van de luxe-editie van het WERKBOEK KARTON van beeldend kunstenaar Couzijn van Leeuwen." - Nou, daar gingen wij dus, op zaterdagmiddag, met de trein, naar Amersfoort. Om te gaan kijken in een luxe-boek vol karton-kunst. Het was al vroeg donker en koud, en het adres was ook nog eens verstopt tussen allemaal piramidehoge gebouwen die absoluut ongeschikt zijn voor de menselijke benadering te voet. Bij binnenkomst bleek alles ontstellend hel en sterieligwit. Even had ik de neiging om m'n jas en m'n wanten aan te houden. Maar, aha, daar stond reeds een smalle kartonnen tafel met tien warme tulbanden in eigenwijze uitsneden, die uitliep (die smalle kartonnen tafel, bedoel ik) in een presentatiekatheder van kartonnen dozen waarin zich de handgeschreven toespraak plus de leesbril van de kunstenaar bevonden. Een belendende paktafel leek te bezwijken onder de stortvloed aan kartonnen enveloptassen-met-inhoud en nietjes. En ineens viel het me op dat er ook mensen waren, heel veel mensen. En glazen jus en wijn, beschaafd vernissagegelach-met-de-bekende-uitzondering en een dito geroezemoes. Ik werd er pardoes een maatje kleiner en onbeduidender van. Eerst maar even plassen dus, en pas daarná op verkenning. Mevrouw B. nam intussen een beslissende voorsprong en kuste de prikkelbaard van kunstenaar Couzijn op links en op rechts. En toen ging het meteen al een stuk beter met mij. Kartonassociaties * Geef een kind een paar kartonnen dozen, en je hebt er geen omkijken meer naar. Het is een vaste uitdrukking, want dat was vroeger de praktijk. Hoe het tegenwoordig zit met al die verveelde mobielbellende gamertjes in obesitasformaat, dat weet ik eigenlijk niet. M'n welhaast enige ervaring stoelt op onze buren-tot-vandaag met hun vier kleine kinderen, die lijken van mobieltjes en games en obesitas nauwelijks last te hebben, ze springen kussen, jagen de kippen op, en sollen met verhuisdozen de laatste weken. Het kan dus nog best meevallen met de jeugd van tegenwoordig, zolang je maar geen documentairemaker bent of beleidsambtenaar op het voormalige ministerie van jeugd en gezin, en daarvan verslag doet in een kwalitietskrant of in 'De wereld draait door'. Op de presentatie van het 'Werkboek Karton' waren geen kinderen aanwezig, noch heb ik de kunstenaar zelf naar zijn bevindingen in dezen kunnen vragen. En anders wel of hij er zelf al vroeg aan verslingerd was, aan die kartonnen speeldozen. - Maar die gelegenheid komt nog wel. * A.s. zaterdag is het weer zover: volleybalclub 'EVV Naar Voren!' komt in alle vroegte het oud papier ophalen dat wij keurig gebundeld in kartonnen dozen aan de straat moeten zetten. De meeste mensen hebben hele grote dozen, van die bananendozen zeg maar, waar ze de kruidenierswaren achterin hun auto mee vervoeren. Mijn doosjes steken er altijd wat povertjes bij af, maar ja, die moeten dan ook op de bagagedrager van mijn fiets passen. Trouwens, ik heb altijd méér kartonnen dozen dan de rest van de straat, dat dan weer wel. * En soms dwarrelt dat liedje van 'Het dorp' door mijn hoofd, meer in het bijzonder de line over het dorp van Mien, waar ze: wonen in betonnen dozen, maar dat is natuurlijk een verknipte associatie die weinig met karton te maken heeft. * In 'Het papierboek' (EPN Houten, 5e druk, 1995) van het Opleidingsinstituut voor de papier-, karton- en golfkartonindustrie komt het woord 'karton' in het hele trefwoordenregister niet als zelfstandig lemma voor. Omdat papier en karton het hele boek door in 'een adem' genoemd worden. Zou de kunstenaar dit boek wel kennen? Ik kan het hem bij gelegenheid misschien cadeau doen. Zou dat wat zijn, Couzijn? * "Waar ik karton mee associeer? Met Kaas, meneer, van Willem Elsschot. Kent u dat boek? O, u kent het niet, jammer. Nog een goedendag dan." Kartonboek In het 'Werkboek karton' (Stichting Boardkarton Amersfoort, 2010. ISBN 978 90 925490 6) staan géén - ik herhaal: géén - kunstwerken die refereren aan dozen met oud papier langs de stoep, of aan spelende kinderen die kartonnen dozentorens bouwen, erin wegkruipen of 'per ongeluk' overreden worden. Kaas heb ik er ook niet in gezien. - Maar natuurlijk gaat het om wat je wél in het 'Werkboek karton' allemaal aantreft. Prachtige foto's, ensceneringen en uitsnedes van, ik doe maar een greep, om u lekker te maken, om u te verwonderen, om u uit te lokken tot mailtjes om het adres van de kunstenaar, of toch op z'n minst de prijs van dat 'Werkboek karton', al dan niet in luxe-uitvoering, ik herneem deze ontspoorde zin nu even als volgt, zodat u alsnog begrijpt wat ik op het oog heb: ik zie, ik zie... kartonnen meesterwerken van: * kasten in werkelijk alle klassieke soorten en maten * vazen groot en groter * zalen vol vloerbedekking van beduidend hogere allure dan paradetapijt ooit zal bereiken * vogels en andere zeer rare beesten met benauwend spitse staarten * in vogelkooien, op takken, in het struweel, in het lui * portretfoto's en Van Goghs in kartonsjieke lijsten * de hele 'Kamer van Van Gogh te Arles' in een kijkdoos op kloostergrootte * de ets van Piranesi, na uitvoerige meetstudies uitgevoerd op een grondoppervlak van 140 vierkante meter * Spakenburgse vesten en schouderstukken * beelden, beelden, stuk voor stuk meesterwerken * bosverdiepingen in des kunstenaars huisje * keramiek naar kartonnen mallen die meegebakken worden * het Droom-Paleis te Emmen * kerkjes en kathedralen in menigvoud * impressionistische kartonknipkunst van Matisse-niveau * delftsblauwe borden en serviezen, maar dan van karton, he! * brieven in kartonnen karakters geschreven * de moeder van de kunstenaar in kartonnen sierlijsten, al dan niet met gouden doornenkroon * en de rest, tot een totaalscore van zo'n 2,5 kilo boek die welhaast om een aparte plank vraagt Maar... wat heeft een mens aan zo'n opsomming? Je moet het zien! - Inderdaad, sommige blogs zijn volkomen overbodig. Kartongedicht Wislawa Szymborska, de beroemde Poolse dichter van 'Uitzicht met zandkorrel' en andere schitterende poëzie, schreef in haar boekbesprekingenbundel "Onverplichte lectuur' een onthullende beschouwing over het boek 'De geschiedenis van het oude papier' (Kazimiera Maleczynska, 1974). En het karton, zou ik daar aan toe willen voegen, want papier en karton, dat zijn twee handen op één buik. Ik citeer een klein stukje uit de recensie van WS: "Elke papiermolen had zijn eigen voddenrapers, en elk van hen had een nauwkeurig afgebakend rayon, hetgeen voortdurend leidde tot achtervolgingen, hinderlagen en gevechten op leven en dood. [ ... ] Ik zie hem scharrelen in de achterhoede van de grote legers, zie hem in de struiken op de loer liggen in afwachting van een behoorlijke veldslag. Daarna het slagveld op, om fluks de wapenuitrusting van de gevallenen te stropen, ringen, hun schoenen, wat zich ook maar aanbiedt. En als zich niets aanbiedt, omdat iemand anders zijn zakken al eerder met de beste buit heeft gevuld, dan zijn er altijd nog wel wat repen van bebloede hemden te vinden... Want papier maakt het niet uit waarvan het is gemaakt, zoals het papier ook niets uitmaakt wat erop geschreven wordt." - Szymborska besluit haar boekbespreking met een gedicht van de poeet Halas, ik citeer het hieronder. Ik vraag me af of de kartonkunstenaar Couzijn van Leeuwen - die ik bij deze nog hartelijk groet en bedank voor het grandioze 'Werkboek karton', nr. 3/100 - dit zelf ook wel eens overdacht heeft... MISSCHIEN... Misschien schrijf je gedichten of zelfs rekeningen en een liefdesbrief, en een arrestatiebevel en een gebed op iets dat gemaakt is van de hemdjes van dode kinderen van de lompen van gefusilleerde soldaten van ziekenhuislakens van zakdoeken waarmee tranen zijn gedroogd van lijkwaden van hoerenondergoed en weet ik waarvan nog meer... naar boven 20 november 2010 'Zoo lag ik in den Hemel' Herfst = vallende blaadjes = 't Er viel 'ne keer een bladjen op het water, het beroemde experimentele gedicht (1859) van Guido Gezelle. Elk jaar herfst weer zit dat gedicht van oktober tot januari, elke dag, 'in munne kop' naast het kinderliedje Herfst, herfst, wat heb je te koop? / Duizend kilo blaad'ren op een hoop! - wat daar ook alweer duizend jaar zit, ja, zo lang is het al geleden dat mijn eigen kinderen klein waren. 't Er viel 'ne keer een bladjen op het water is een nogal lang gedicht van 66 regels, met in elke even regel het woord water, en in bijna alle oneven regels het woord bladje of bladjen. Dat vraagt nogal wat van de lezer, om het vol te houden bedoel ik, om al die subtiele verschillen tussen de regelparen te proeven en tot het einde van het gedicht toe te beleven. Daarom heb ik het gedicht in vijf stukken gebroken en afgewisseld met van die kleine herfstbelevinkjes van mijzelf - ook al is dat de oneerbiedigheid voor het origineel welhaast voorbij, ik moet Gezelle nodig en schuldbewust om vergeving bidden, een klein experiment, grote dichter, dat moet kunnen, toch? De verzamelde gedichten van de grote Vlaamse poeet Guido Gezelle (1830-1899) staan kapotgelezen in mijn kast, het omslag en de rug liggen los, de bladzijdjes worden door elastiekjes bij elkaar gehouden, het houthoudende papier van de pocket-uitgave uit 1956 begint op allerlei plaatsen te verbruinen en te verkruimelen. Maar wegdoen zal ik mijn 'Prisma 57' nooit, nooit. - Het gedicht 't Er viel 'ne keer een bladjen op het water is ruim 150 jaar oud, en komt voor in de bundel 'Laatste verzen' die in 1901 door enkele literaire vrienden samengesteld werd uit her en der aangetroffen gedichten die Gezelle zelf (nog) niet in een bundel opgenomen had. Dit 'laatste vers' dateert van 40 jaar vóór zijn dood, en was bepaald niet zijn 'laatste vers'. Bij mij staat het op de pagina's 299 en 300. Voelt u niets voor mijn 'experiment in brokken'? Sla mijn gekwaak dan over, en lees alle cursieve delen van het gedicht aan één stuk door. Hardop, dat is het beste, dan wórdt het wat, hoort u wel? 'T ER VIEL 'NE KEER (Herinnering aan Beethoven's Septuor) 't Er viel 'ne keer een bladtjen op het water 't Er lag 'ne keer een bladtjen op het water En vloeien op het bladtje dei dat water En vloeien dei het bladtjen op het water En wentel-winkelwentelen in 't water Want 't bladtje was geworden lijk het water Zoo plooibaar en zoo vloeibaar als het water Zoo lijzig en zo leutig als het water Zoo rap was 't en gezwindig als het water Zoo rompelend en zo rimpelend als water Ik heb nu zeven keer blad geruimd in onze tuin, deze herfst, en er is geen bergen meer aan. Alle borders en moestuinveldjes liggen inmiddels overvol de bomen, de struiken en de planten te beschermen tegen de komende vorst, we hebben vijf grote bladcomposthopen, en er hangt voor nog minstens drie stuivers aan de wilgen, de vogelkers, de blauwe regen en de beukenhagen. En vochtig dat het is, nát, zeg maar. Zoo lag 't gevallen bladtjen op het water En m' ha' gezeid het bladtjen ende 'et water 't En was niet 't een een bladtje en 't an- der water Maar water was het bladtje en 't blad- tje water Mulchen móet: de moestuin, de struiken, de bomen, het losse goed, alle 'aanplantingen' liggen onder het rottende blad. Natuurlijk, je bent een moderne hovenier of je bent het niet, maar onze tuin levert zo langzamerhand zo'n overkill aan blad dat nu de groene en de grijze containers eraan te pas moeten komen. Tienduizend keer bukken en reiken, bukken en reiken, bukken en reiken. En 't viel 'ne keer een bladtjen op het water Als't water liep het bladje liep, als't water Bleef staan het bladtje stond daar op het water En rees het water 't bladtje rees en 't water En daalde niet of 't bladtje daalde en 't water En dei niet of het bladtje dei 't in 't water Volgend jaar de helft van de bomen en struiken dan maar rooien? Dacht het niet. Dus blijf ik dit jaar, volgend jaar en ook het daarop volgende jaar, blad harken tot de laatste val, half december schat ik. - En daarna drie maten rust. Zoo viel der eens een bladtjen op het water En blauw was 't aan den Hemel end' in 't water En blauw en blank en groene blonk het water En 't bladtjen loech en lachen dei dat water Maar 't bladtje en wa' geen bladtjen neen en 't water En was nie' meer als 't bladtjen ook geen water Mijn ziele was dat bladtjen: en dat water Het klinken van twee harpen wa' dat water En blinkend in de blauwte en in dat water Zoo lag ik in den Hemel van dat water Den blauwen blijden Hemel van dat water Tot half december zeker nog vier bladbeurten te gaan. Ook rontelom de vijver, en natuurlijk uít de vijver, het schepnet staat er dag en nacht gereed. - En al die tijd, al die tijd dwarrelt Gezelle door mijn hoofd, met z'n bladjen en z'n wateren, tot aan z'n laatste versregels aan toe: En 't viel ne keer een bladtjen op het water En 't lag ne keer een bladtjen op het water. naar boven 9 november 2010 De wereld volgens Peter Vos Dood? Niks aan te doen! Op de dag dat schrijver Harry Mulisch in grootse stijl begraven werd, stierf de geniale tekenaar Peter Vos (1935-2010). Hij haalde het journaal niet. Zo min als enig ander tv-programma dat aan kunst of cultuur heet te doen. Maar ja, Peter Vos was, ondanks z'n relatieve bekendheid, dan ook zo'n beetje de bedeesdheid zelve. En dan krijg je dat: 'Nog maar net overleden, of hij bestond al niet meer,' zoals tv-recensent Jean-Pierre Geelen in de Volkskrant schreef. Een lot dat Vos met de meesten van ons deelt. Niet iets dus om je persoonlijk aan te trekken. 'Dood? Niks aan te doen!' dichtte de acteur IJf Blokker eens in de Barend Servet-show. Maar is dat wel zo? Erfenis Toen de dood van Harry Mulisch bekend geworden was, bekeek ik in mijn boekenkast de titels waar ik over beschik. Vijftien stuks, waaronder alle echt bekende werken. Ik bladerde nog eens door mijn favorieten (Het zwarte licht, Het Stenen Bruidsbed, Hoogste tijd), maar bleef toch het langst haken bij een van de drie mooiste korte verhalen die de Nederlandse Literatuur Volgens Balthasar kent, t.w. Wat gebeurde er met sergeant Massuro? uit de verhalenbundel 'De versierde mens' (1957) - dat ik in langvervlogen tijden nog eens aan mijn kinderen voorgelezen heb, op een zondagochtend, met vieren in het grote bed. Van Peter Vos bezit ik slechts drie werken, in volgorde van aanschaf: 'Scheppingsverhaal, getekend voor een meisje' (1966), het 'Beestenkwartet' (1970) en het alom bekende 'Sprookjes van de Lage Landen' (1972). Verder ken ik Peter Vos natuurlijk van zijn wekelijkse humoristische en komische tekeningen in het Vrij Nederland van 'toen', met als uitschieters de capriolen van Douwe Trant, en de Leeuwtjes in de rubriek Terzijde van datzelfde blad. Gouden tijden, gouden tekeningen, elke week feest. Beestenkwartet Dit kwartetspel is het enige kwartetspel dat ik ooit gespeeld heb (want aan spelletjes heb ik nou eenmaal een klein broertje dood). En dat komt door die tekeningen van Peter Vos. Spreekwoordelijk werden zijn Schijtlijster, de Kloothommel, de Mafkees, de Snotaap, de Werkezel, en al die andere prachtfiguren in viervoud (hoofd, benen, buik, voeten). Het gave en nog volledige kwartetspel bevindt zich in onze doos 'Oude spellen - Kaartgeld (oud)' die inmiddels naar de schuur/bijkeuken doorgeschoven is. Het spel heb ik er weer eens uit gehaald, opnieuw bekeken, en m'n nieuwe favoriet bepaald. Het is geworden: '12, Luistervink, voeten', met als goede tweede: '2, Mafkikker, hoofd'. Een spel om heel Nederland met sinterklaas cadeau te doen: onschuldig vermaak van het hoogste uitvoeringsniveau. - En oja, dat 'Kaartgeld (oud)' is inderdaad geen stuiver meer waard, want nog van voor de euro. Mooi geld overigens. Scheppingsverhaal Dit prachtboekje van 48 pagina's kunstdrukpapier was, is en blijft mijn enige echte 'bijbel'. En er staat geen woord in, maar wel de mooiste stomme film die er ooit van het boek 'Genesis' gemaakt is. Ach, was het in het echt ook maar zo humoristisch en teder verlopen, dan leefden we de meeste dagen van de week nog steeds in het Paradijs, en waren er geen Kains Kilders om de Abels Aboutaleb het leven zuur te maken. Maar ja, Peter Vos 'liet zijn verbeelding de vrije loop en tekende voor een meisje zonder woorden het scheppingsverhaal, en toen hij klaar was gaf hij het haar als sinterklaasgeschenk'. Kijk, dát waren nog eens tijden en cadeautjes! Vooruit, een klein stukje uit de flaptekst van 1966 dan: 'In het boekje van Peter Vos is de schepper (of Schepper) een mannetje met een lange baard, gehuld in een pij-achtig gewaad. Hij laat het licht ontstaan door een lamp in een fitting te draaien, en vervolgens zien wij hem (Hem) met een pikzwart brilletje op, dat hij echter ook wel eens in de hand houdt, of op het voorhoofd plaatst.' - En Vrij Nederland schreef o.a.: 'Getekend voor een meisje, naar de flaptekst vermeldt, en ik doe haar bij deze mijn hartelijke groeten, want mooier geschenk is moeilijk te bedenken.' Zoals de dichter zegt Zeg ik: Peter Vos, Het scheppingsverhaal, dan zeg ik: Cees Buddingh', Het mes op de gorgel. U weet wel, dat is die bundel gedichten die begint met de 'Blauwbilgorgel', en daarna al die andere Fantasiefiguren Gods. Ik citeer hieronder 'De kwabbeldras' omdat dat misschien wel het mooiste aansluit bij de fantasie van Peter Vos, godhebbezijnziel, en die van Harry Mulisch en Cees Buddingh' tevens. DE KWABBELDRAS De kwabbeldras staat op zijn rots, En voelt zichzelf een pluisje Gods. Ontroerd buigt hij zijn kop en kust De vrouw die aan zijn zijde rust. Die blikt hem teder-blozend aan, En vangt dan blij te blaten aan. De kwabbeldras staart weer omhoog, En pinkt een traan weg uit zijn oog. naar boven 31 oktober 2010 'In de schaduw van gisteren' Deze blog bestaat voornamelijk uit citaten, verwijzingen en doorverwijzingen (doorgewinterde pc-gebruikers maken daar dan 'links' van, dat heb ik de laatste tijd te weinig gedaan, dus nu weet ik niet meer precies hoe dat moet. Hopelijk kunt u met mijn 'verwijzingen' toch uit de voeten). Hoe komt dat zo, Balthasar, 'uitsluitend citaten en verwijzingen'? Wel, dat heeft eigenlijk alles te maken met een aantal indrukwekkende gebeurtenissen die ik de afgelopen week 'meegemaakt' heb, en die het stuk voor stuk verdienen om hun 'eigen verhaal' te vertellen. * Ik zag een absolute brok-in-de-keel-film over ondergedoken Joden in het Duitsland van WO II (Unter Bauern). * Ik heb inmiddels plaatsen gereserveerd voor een tweede film met een vergelijkbaar motief (Haar naam was Sarah), die dag in dag uit volle zalen trekt en uiteraard geïnspireerd is op het gelijknamige boek van Tatiana de Rosnay. * Ik verzeilde niet geheel toevallig via YouTube bij het meer dan indrukwekkende optreden van Gerard van Maasakkers (wa zoude gij dan doen?) tijdens de dodenherdenking bij het oorlogsmonument in Kamp Vught. * En ik zag de Dichter des Vaderlands (Ramsey Nasr) op tv met een actueel gedicht (Mijn nieuwe vaderland) indrukwekkend variëren op het aloude lied (ons voormalige volkslied!): 'Wien neerlandsch bloed in de aders vloeit'. * Al met al had ik daar niet van terug, vandaar bijna 'uitsluitend citaten en verwijzingen'. Unter Bauern Nee, er is nog steeds geen einde aan de verhalen en films over de Tweede Wereldoorlog. Vooral de ín-menselijke aspecten van de vervolging en vernietiging van Joden, en andere zondebokken als Roma-zigeuners, homoseksuelen en politieke tegenstanders, zijn nog bij voortduring onderwerp van boeken en films. En we schijnen er wel 'pap' van te lusten: Schindlers List, Escape from Sobibor, Het bittere kruid, La vita è bella, The pianist, Rosenstrasse, Sophie Scholl, Der Untergang, Haar naam was Sarah, en nu dan weer Unter Bauern: volle zalen, uitverkochte filmhuizen. Wat doet het ons toch steeds weer? Is het plaatsvervangende schaamte en schuldgevoel, smartlapperij, tranentrekkerij? - Hoe dan ook, het zijn zonder uitzondering waarschuwingen die we ons aan moeten trekken. Hieronder de tekst van Filmhuis De Keizer Deventer (www.filmhuisdekeizer.nl) over de film Unter Bauern: "Als in 1943 steeds meer van zijn Joodse vrienden en kennissen worden opgepakt, vindt Menne Spiegel, paardenhandelaar in Münster, het tijd worden dat hij met zijn vrouw Marga en dochtertje Karin gaat onderduiken. Hij benadert een boer met wie hij zij aan zij in de Eerste Wereldoorlog heeft gevochten. Die vindt het goed dat Marga en Karin op de boerderij komen wonen, zogenaamd als dakloos geworden evacués. Menne zelf kan zich op een andere boerderij in de buurt verstoppen. Op het helpen van Joden staat de doodstraf. Alleen de boer en zijn vrouw kennen de ware achtergrond van de nieuwe gasten, die zich snel aanpassen en deelnemen aan het werk op de boerderij. Tussen Marga en Anni, de dochter des huizes, ontwikkelt zich zelfs een diepe vriendschap, ook al is de laatste verliefd op een aanvoerder van de Hitlerjeugd. De Nazi's zijn bijzonder waakzaam en houden alles in de gaten. Met 'Unter Bauern' wordt voor het eerst in een speelfilm aandacht besteed aan het fenomeen 'onderduiken' in Duitsland. Tijdens de Tweede Wereldoorlog hebben slechts enkele honderden Joden in Duitsland op deze manier de Holocaust weten te overleven." * Het ontroerende lied van de film, in vele uitvoeringen op YouTube te vinden: J'ATTENDRAI TOUJOURS. * J'attendrai / le jour et la nuit, / j'attendrai toujours / ton retour / j'attendrai. * Ik zal wachten / dag en nacht / altijd zal ik wachten / op je terugkeer / ik zal wachten. Haar naam was Sarah Tekst van de site van Filmhuis De Keizer Deventer: "Haar naam was Sarah is de ontroerende verfilming van de bestseller van Tatiana de Rosnay over het grote drama dat zich in de Tweede Wereldoorlog in Parijs voltrok. De tienjarige Sarah wordt in de nacht van 16 juli 1942 samen met haar ouders opgepakt en naar het Vélodrome d'Hiver in Parijs gebracht, waar duizenden Joden worden verzameld voor deportatie. Niemand heeft echter gezien dat Sarah haar kleine broertje Michel in een kast opsloot, net voordat de politie het appartement binnendrong. Zestig jaar later krijgt Julia Jarmond, een Amerikaanse journaliste in Parijs, de opdracht een artikel te schrijven over deze razzia, een inktzwarte bladzijde in de Franse geschiedenis. Ze gaat op zoek in archieven en via het dossier van Sarah ontdekt ze een goed verborgen geheim van haar eigen schoonfamilie. Haar echtgenoot probeert haar ervan te weerhouden zich met deze geschiedenis te bemoeien, maar Julia besluit desondanks het spoor van Sarah te volgen." * Sinds deze week in de bioscopen! * Vervolg van het lied J'ATTENDRAI TOUJOURS, ook op deze film van toepassing: * Le temps passe et court / en battant tristement / dans mon cœur si lourd / et pourtant, j'attendrai / ton retour. * De tijd verstrijkt, de tijd vliegt / en klopt treurig / in mijn bedrukte hart / en toch zal ik wachten / op je terugkeer. Wa zoude gij dan doen? Tijdens de Dodenherdenking 2006 in Kamp Vught, was er een absoluut indrukwekkende optreden van Gerard van Maasakkers met 'De vaste mannen'. Het lied, het was eerder een performance, dat ze daar in aanwezigheid van een groot publiek tot leven brachten, heet: Kamp Vught. Maar meer in het bijzonder: Hogestraat 39, Rijsbergen. Wa zoude gij dan doen? Zoek het ('Kamp Vught') even op op YouTube: http://www.youtube.com/watch?v=QnK0DWJcf_A Echt, daar zul je geen spijt van hebben, maar kippevel! - Ik citeer hierna het laatste couplet (laat je niet afleiden door het dialect, gewoon hardop lezen, lukt altijd). De volledige tekst is te vinden op: www.gerardvanmaasakkers.com * 't is zondag en ik gao / op de fiets naor Rijsbergen / 't is weiter dan ik ha gedacht / d'r woont daor 'n vrouw mee... / mee ook 3 kiendjes / ik zeg; "ik heb 'n bericht van oewe mens / hij zit in Vught en hij is bang da 't-ie / op transport moet naor Duitsland / hij zee da't-ie veul van oe houdt en da ge / mer wa geld moet vraogen aan zijne vader / hij hoopt da d'n oorlog gauw vurbij is / en da gij mer goeie moed zalt houwen " / ze zee niks, mer efkes later vertelt ze wel / da't-ie engelse piloten / de grens over ha geholpen / naor Bels / zodoende / ze bedankt me en ze geeft me / vur onderweg, wa appels mee / d'n terugweg is zwaor, meneer...... / / Hogestraat 39, Rijsbergen / wa zoude gij dan doen / wa zoude gij dan doen / / en vandaag, in 't kamp / zie ik 'm weer, ik knik naor 'm / en hij knikt terug / en ik leg de appels op de vensterbank / en hij krijgt de tranen in z'n ogen / / wa zoude gij dan doen / wa zoude gij dan doen Van vreemde smetten vrij Daags na het debat in de tweede kamer over de regeringsverklaring en het schandelijke onderscheid dat onze premier maakt tussen een staatssecretaris met een tweede Zweeds paspoort en die met een tweede Marokkaans paspoort, zag ik 's avonds bij Pauw en Witteman onze dichter des vaderlands, Ramsey Nasr, vurig maar welbespraakt vlammen over het huidige politieke en maatschappelijke klimaat in Nederland: was hij nou verdacht als iemand met een Palestijnse oorsprong, of was het vanwege zijn vermeende lidmaatschap van de linkse kerk, of leefde hij volgens zeggen nu op de pof van de linkse hobby's, of was het omdat hij ingedeeld werd bij de zogenaamde grachtengordel-elite? Hij maakt zich zorgen, en dus maakte hij daar een groots gedicht over, een vrije variant op het oude volkslied 'Wien neerlandsch bloed'. Het werd donderdag jl. gepubliceerd in NRC Handelsblad, Nasr was bij Pauw en Witteman, maar verder heb ik er nergens iets over gelezen of gehoord. En dat lijkt me absoluut onterecht. Zegt het voort, zegt het voort! Vandaar dat ik het gedicht hieronder volledig citeer, onder verwijzing naar Nasr's eigen site: www.ramseynasr.nl. Alwaar men ook het originele 'Wien neerlandsch bloed in d'aderen vloeit' kan lezen. - Goed dat er nog mensen zijn die zich met alles wat in hen is teweer stellen tegen het gif en de gevaarlijk populistische verdachtmakingen van Geert Wilders en zijn cohorten. - En over het boek In de schaduw van gisteren - Kroniek van het verzet 1940-1945 van H.M. van Randwijk (waar ik dus de titel van deze blog vandaan heb): een andere keer. Ik volsta hier met de slotregels, een Russisch rijmpje dat Van Randwijk 'bij u onvergetelijk zou willen maken': "De eerste wereldoorlog was niemands schuld / De tweede wereldoorlog was iemands schuld / De derde wereldoorlog is mijn schuld..." - Maar nu eerst en vooral het 'Nieuwe vaderland' van Ramsey Nasr: MIJN NIEUWE VADERLAND Wie neerlands bloed in d’aders vloeit van vreemde smetten vrij wiens hart voor volk en orde gloeit verhef uw zang als wij. Vandaag zien wij weer één van zin de vlaggen afgestoft. Vandaag zet ik mijn feestlied in voor vaderland en schoft. Ik eer de leiders van mijn land. Hun vlekkeloos parcours leert mij wat macht vóór al verlangt: ’t geweten van een hoer. Ik eer mijn leiders hemelhoog en ’t hoogst zit een fascist die u en mij zolang gedoogt – zolang als hij beslist. Beschermt gij, leiders, onze grond waar vreemde adem gaat gij die zo rein zijt, kerngezond en zuiver op de graat. Wij smeken om een harde hand in aangewreven haat. Behoud voor 't lieve vaderland de blanke natiestaat. Braakt uit, gij vrienden, vrij van zin uw krop, uw kreet, uw gal. Niets is taboe en niets te min uw bagger minst van al. Verneder dus wat u niet zint sla stuk wat niet bevalt laat zien hoe u dit land bemint omhels het op zijn smalst. Hoe klopt ons hart, hoe zwelt ons bloed bij 't rijzen van dees’ toon. Klonk ooit een zuiverder gemoed een leger hart zo schoon? Waar hoorde men die koekoekszang voor volk en vaderland? Dat was toen in het landsbelang een heel volk werd verbrand. Dood nu wat afwijkt van uw bloed en van uw onderbuik. Bewaar het niet, verdelg het goed zodat dit land ontluikt. Wie hier nog onze mildheid zoekt: los op in brandend veen. Waar elk verschil werd opgedoekt zijn staat en burger één. Wie neerlands bloed in d’aders vloeit van vreemde smetten vrij die fabel staat weer eens in bloei in dwazen zoals wij. Veel liever word ik door een volk van hunnen aangerand dan mee te gaan in deze kolk van schoft en vaderland. naar boven 21 oktober 2010 De zon in moeders kamer In de schaduw van de bloeiende clivia Mijn huiswerk maakte ik altijd in de goeie kamer, die bij ons 'door omstandigheden' voorkamer heette, en waar ook het opklapbed van mijn ouders zich bevond. In het piepkleine muurboekenkastje dat uiteraard door mijn vader zelf getimmerd was, veroverde ik sluipenderwijs meer plankruimte, ten koste van de omnibussen en de streekromans van Het Thijm-Fonds en de Geleende Bibliotheekboeken. In het zelfgemaakte schrijfbureautje bevond zich, naast het afgesloten geldkistje, ook nog 'De Geheimen van het Menselijk Lichaam', maar dat heb ik officieel natuurlijk nooit onder ogen gehad. Tussen het bureautje en de tafel waaraan ik studeerde, stond De Clivia. Hij of Zij stond op een plantentafeltje, uiteraard ook in eigen werkplaats vervaardigd: een eiken voetje, een eiken plateautje, en daartussenin de opgepoetste koperen granaathuls die de familie eigenhandig uit de oorlog had weten te slepen. De clivia werd vertroeteld, de bladeren elke week gestoft en geboend, en eens in de zoveel jaar stond Moeders Trots in bloei. Dan was het slecht studeren, wegens aanhoudend bewonderend bezoek. Het sterfhuis Tot aan mijn veertigste is 21 oktober de gevierde verjaardag van mijn moeder geweest. Ze werd geboren in 1903, ze stierf in 1980, 77 jaar oud. Hartstilstand, werd me verzekerd. Wat trouwens geen verrassing was, want van 'hartkloppingen' en 'rustgevende druppeltjes' was haar leven doortrokken. Toen op die bewuste zaterdagmorgen in februari heel vroeg de telefoon ging, en m'n broer me zei dat ie een hele droevige mededeling had, dacht ik dat m'n vader gestorven was. Die was immers al tijden aan het sukkelen met z'n 'het kan vriezen, het kan dooien'-gezondheid, en had al vaker op het randje van de dood gezweefd. Maar nee dus, het was 'ons moeder'. Toen ik een goed halfuur later bij het sterfhuis arriveerde, was ze al weg, naar het ziekenhuis, het mortuarium. Dat hadden m'n oudere broers alvast maar zo geregeld met de begrafenisondernemer, want 'je kunt dat menske daar toch niet zomaar laten liggen'. - Verdriet was m'n boosheid en teleurstelling daarover nog maar nét de baas, anders waren er harde woorden gevallen, wat natuurlijk totaal geen pas gegeven had. Maar hartzeer heb ik er heel lang van gehad, 'ons moeder' niet meer thuis toen ik haar voor de laatste keer kwam bezoeken. Haar verjaardag Herfstboeketten van gele en donkerrode chrysanten met verkleurend eikenblad, daarmee stond ons huis op 21 oktober altijd vol. Treffende cadeaus voor jarigen in oktober; kerkhofblommen, vond ik later, en ik heb ze nooit meer gekocht. Maar destijds waren ze de ouverture van een traditionele verjaardagsviering, met eigen gebak van de plaat, bezoek van de tantes-met-de-hoedjes-op, zelfgebrouwen bowl en het advocaatje met slagroom. Overdag moesten we natuurlijk naar school, maar daarna en 's avonds was het dan toch feest. Het avondeten op die dagen staat me niet helder meer voor de geest, maar het kan niet anders of het moet iets eenvoudigs geweest zijn omdat er voor koken nauwelijks tijd en ruimte geweest kan zijn. En 's avonds werd er natuurlijk gezongen, het hele peloton deed de medleys onder gitaarbegeleiding van broer C., maar er waren ook solo's. Vooral die van 'ons moeder' waren geliefd. Smartlappen als 'De bedelares' of 'Mijn fiere schooiershart'. Maar het toppunt was toch wel 'De zon in moeders kamer'. Daar werd niet mee gespot, daar werd met eerbied en aandacht naar geluisterd, het was haar lijflied. Jaren later (in 1961) heb ik het nog eens opgenomen op m'n allereerste bandrecorder. De voorkamer met het opklapbed en de boekenkast en de clivia was de studio. Een tranenlied is het geworden, heimwee van de eerste orde, en dat is het. Het bidprentje Op de middag van haar sterfdag ben ik met m'n oudste broer J., 'de kunstenaar', naar mijn huis gegeaan. Wij hadden de vererende opdracht van de verenigde familie om een bidprentje voor 'ons moeder' te maken. J. zou de voorkant tekenen, ik het in memoriam schrijven. Dat viel eerlijk gezegd nog niet mee, onder de gegeven omstandigheden. Ik zat achter mijn Gabrielle 25, Adler-kofferschrijfmachine van klassiek allooi, en ik vocht met m'n tranen in plaats dat ik typte. Totdat broer J. me aansprak op m'n verantwoordelijkheid, en me de juiste push tot concentratie gaf. Zelf tekende hij vol stijl en overgave en in rap tempo 'de zon in moeders kamer', zoals híj die zag uiteraard. Inmiddels koerste ik gelijk met hem op, en binnen een stief uurtje waren we klaar; we omhelsden elkaar en spoedden ons met de manuscripten naar de overlijdensdrukker. Onderweg van de drukker naar het sterfhuis brachten we een bezoek aan de rouwkamer in het ziekenhuis. En daar lag 'ons moeder', nóg kleiner dan ze altijd al was, gekleed en gekapt als de jarige, rondom in de gele chrysanten met eikenblad. Een straal zonlicht piepte tussen de gordijnhelften door. Daar lag ons bidprentje. Gedesoriënteerd archief Uiteraard zocht ik bij het schrijven van deze Balthasarsblog het bidprentje en het geluidsbandje met moeders lijflied op. Maar ja, onlangs de archieven geschoond, anders ingedeeld, elders opgeborgen hè. En NIET gevonden. Waar zijn die kostbaarheden van dertig jaar terug? Ik zoek nogmaals en nogmaals de logische plekken af. Zonder resultaat. U begrijpt dat ik hier het moederslied 'De zon in moeders kamer' had willen reproduceren als slotgedicht. Ten einde raad dan maar eens gegoogled. Maar daar zijn ze de draad kennelijk ook kwijt: niet één vindplaats voor "De zon in moeders kamer", lied en smartlap tussen dubbele aanhalingstekens. U zult het met mijn al dan niet vermeende herinneringen moeten doen. - En met een ander kleinood uit mijn moeders zang-repertoire, althans het refrein daarvan: WIE? Wie bond dat blikkie aan diejn hond zunne staart? 'ne Gulden is meer dan een kwartje waard. M'n tante en die lust geen mokkataart. Wie bond dat blikkie aan diejn hond zunne staart? naar boven 10 oktober 2010 De hoorns van Haydn en ander geluk Mist trekt op Als een blindeman stap ik uit bed, daal de trap af, pak de krant uit de bus, onee, zondag, geen krant dus, en verricht op de volautomatische piloot alle handelingen die moeten leiden tot dat typische kopje zondagochtendkoffie met klassieke muziek en de ongeziene Vrij Nederland van donderdag toe. Het is koud in de kamer, ik ontsteek de kachel en omvat met beide handen de hete koffiemok, er mort geen haast en ook hurkt er vooralsnog geen windengel tussen de bladeren op het terras (dank, Gerrit Kouwenaar, dank). Mist trekt op, een eerste zonnestraal breekt baan, optimisme steekt de kop op. Het hoornconcert van Haydn komt bij mij naar binnen als Gods woord in een ouderling, zo heet dat immers op zondagochtend, vrede zij met u, en wenst niet meer. - Of toch, alstublieft, twee beschuiten, eentje met kaas, eentje met jam, een halve peer in partjes en een blaadje munt op de kaas, en natuurlijk ook nog koffie, er is genoeg en anders maken we bij. Het zonnestoeltje In zondagochtendwandelornaat dreutel ik op het frisse terras alvast wat heen en weer. Mevrouw B. is nog even druk met de bonte was, het cryptogram en haar roerei, dus doe ik alvast een rondje tuin en beland als vanzelf op het zonnestoeltje voor de schuur aan de voet van het boemeltreintalud. Op de poef naast me spint de kat van de buren de eerste zonnestralen bij elkaar, en de dito kippen krabben de kale grasplek nog wat dieper uit, ze hebben er weer zin in zie ik. Ik ben nog steeds vervuld van vrede, en vergevingsgezind. Over anderhalve maand zijn ze weg, verhuisd naar een boerderij, de kippen, de buren, de poes, de honden, het kindergeklater en de benzinegedreven bladblazer om halftien des 's avonds met het oog op de 'kijkers' morgen. - Na 1 december zal het nooit meer zijn zoals het tien jaar was. Ik mis een gevoel van weemoed, maar is dat wel gepermitteerd? Er schijnt een jong stel in te komen, zonder kinderen, maar we hebben gezien hoe snel zoiets kan veranderen. We zijn benieuwd, en vooralsnog niet van plan om te verhuizen, de hypotheek is nét pas vernieuwd. Zilveren IJssel Na vijfhonderd meter al gaat het dasje af, het vestje uit, het jek om het middel, de pet tegen de lage zon op. Het pad langs de Zilveren IJssel is in zondagochtendtrek. Een fietsend gezin met vader aan de telefoon en de jongste in tranen wegens een ingevlogen vliegje, een zwartgeklede amateurtoneelspeelster werkt aan haar conditie met een keur aan dribbel- en intervaloefeningen alsmede het juichende overwinningsgebaar, een postbesteller die morgen aan zijn eerste baantje begint fietst eindeloos heen en weer met grote open fietstassen en slechts één hand aan het stuur, een echtpaar in fleecejeks komt ons tweemaal achterop gefietst maar blijken toch twéé paren te zijn, wij proberen een alternatieve route langs de onderlangse dijksloot maar verzanden in de opgehoopte resultaten van de recente schouw, ganzen oefenen het V-teken maar onderkennen het verschil met de W nog niet, twee witte zwanen steken hun kop in het zand, het water, het zand, het water, het zand. - Het heerlijke stulpje aan het H-pad is nog steeds te koop, de moestuin van mevrouw T. ziet er zelfs in de vroege herfst uit alsof er morgen foto's gemaakt moeten worden voor de Landleven van 2011. Na anderhalf uur wandelen is het mooi geweest, de nieuwe podozooltjes zijn goedgekeurd, er wacht werk in de tuin. Tuinieren is vooruitzien Ik maak mijn maaiwerk van gister af, en besluit de Noorse esdoorns alvast te toppen. Dus posteer ik de huishoudtrap met zeven treden in het gras aan de voet van de leibomen, en haal de snoeischaar met de lange benen uit de schuur, bij elkaar een snoeilengte van dik vijf meter: goed twee meter trap, krap tweeëneenhalve meter Balthasar met uitgestrekte armen, een snoeischaar van driekwart meter. En nog kom ik tekort. Dus besluit ik om de maximale leiboomhoogte met een halve meter te verlagen. Is nu weliswaar meer werk, maar volgende jaren minder, bovendien neigt mijn lichaam alreeds naar de eerste krimp. Tuinieren is vooruitzien, je bent zeventig of je bent het niet. Dat zet mij aan het mijmeren over hoeveel werks een jongbejaarde op een zondag in de vroege herfst maximaal ter hand moet nemen. Ik voel me goed, nog energie genoeg, dat is wel eens anders, en bovendien moet ik nog een blogje schrijven. Waarover deze keer, dat zijn de écht prangende vragen waar ik vandaag voor sta. Ik keur m'n maaiwerk, m'n snoeiwerk, overzie m'n volledige zondag en constateer dat het tegen drieën loopt. Aan het werk, Balthasar, 'even' nog een blogje wegwerken, eten koken, Bernhard kijken, glaasje drinken. - Zondag 10 oktober 2010 was en is in goede gezondheid en naar tevredenheid gevuld en verlopen. Het zeer behartenswaardige interview in Vrij Nederland met socioloog-ecoloog Egbert Tellegen ten spijt ('Er is geen andere vijand dan wijzelf'), léés die man en z'n boek ('Groene herfst') , en overweeg of je leven niet drastisch of wellicht toch minimaal enigszins op de schop moet. Dankzij de dingen Even hebben wij gedacht, zo'n jaar of negen geleden, dat wij hier 'voor enige tijd' zouden gaan wonen, in het dorp aan de IJssel, niet Gorssel of Wilp, maar wel in de buurt. Dat 'aangehaalde' begrip is vervaagd, zoals het alternatief vervaagd en verschraald is, het verleden vervaagd is, de toekomst verschraald is. Het leven is hier en nu. Zo is het. En amen. Nou, vind maar eens een gedicht dat hierover gaat. Dat viel nog best mee. In de prachtverzamelbundel 'Geluk is gevaarlijk' van Rutger Kopland vond ik binnen drie minuten op bladzij 139 het gedicht Een middag op het land, uit de deelbundel 'Dankzij de dingen'. Ik kan niet anders zeggen dan dat Kopland een van de dichters is die mijn mijmeringen en gedachten veelomvattend weet te verwoorden. Geen gekke dichter, die Kopland. Als je het mij vraagt. EEN MIDDAG OP HET LAND We zochten hem op - een middag zoals die telkens weer groeit uit een stukgelezen bladzij van Tsjechow, een langzame middag op het land. Hij voerde ons door het oude, geduldige huis, de tuin met de oude, geduldige appels en peren, de rivier langs, de weilanden in. Daar stonden we, hij met dat grijze kostuum, die zijden foulard, zijn sigaar, heer van de wereld, tussen de boterbloemen. Langzaam, zei hij, later in de schaduw van de bomen op het terras, ga ik begrijpen dat dit mijn huis is, mijn tuin, voorgoed. Stilte, warm en zomers, geur van hooi en sloten, geluid van koeien, scheurend aan het gras, van hevig zingende vogels, een middag, zo voorgoed als een bladzij. naar boven 27 september 2010 'En dan: wat is natuur nog in dit land?' Ruilverkavelen en ruilverkavelen is twee Een paar jaar geleden kocht ik het boek 'Nog in morgens gemeten - Nieuw Herwijns dagboek' van Koos van Zomeren. (Tussen haakjes: een 'morgen' is een stuk land, zo groot als men op één ochtend kan ploegen.) Dat boek gaat onder andere over de ruilverkaveling die in de jaren zestig in de Dorpspolder van Herwijnen in de Betuwe plaatsgreep. De afgedrukte topografische kaart van 1978 demonstreert 'de vooruitgang' t.o.v. 1958 en daarvóór: eentonigheid, rechte lijnen, grote landbouwpercelen. - En natuurlijk gaat het boek ook over de economische en sociale gevolgen die die ruilverkaveling met zich meebracht. In de woorden van de achterflap: '[Van Zomeren] beziet de armoede van vroeger en herinnert zich mensen die hadden wat ze wilden hebben en waren wat ze wilden zijn. Hij beziet de Betuwse woeste gronden van vroeger en concludeert dat de vergankelijkheid zich voorgoed meester heeft gemaakt van ons landschap.' - Koos van Zomeren zelf nu kort aan het woord in het gedicht Toen iedereen nog leefde (fragment): Toen het land nog in kampen was verdeeld, de polder nog in morgens werd gemeten. Toen dingen nog een hortje konden duren - je ging een hortje kuieren - het gras werd nog gegroend, de zeis werd nog gehaard. Sinds 'Herwijnen' blijkt het begrip 'ruilverkaveling' een volledige metamorfose te hebben ondergaan. De tijd van de 'wederopbouw' is sinds lang voorbij, daarom is er in de laatste decennia nieuwe wetgeving gemaakt die ervoor zorgt dat de beschikbare grond zodanig verdeeld wordt dat niet alleen de boer er beter van wordt, maar ook de natuurliefhebber, de wandelaar, de fietser, de liefhebber van het oude cultuurlandschap, en ja, ook de automobilist. - Afgelopen zaterdag heb ik op onze jaarlijkse familiedag aan De Reusel nabij Moergestel en het Wilhelminakanaal aan den lijve moge ervaren hoe dit proces tegenwoordig uitpakt. Het was een ronduit openbarende ervaring. Misschien zelfs wel een soort van antwoord op de dichter J.C Bloem, die in 1945 in het gedicht De Dapperstraat pessimistisch uitriep: Natuur is voor tevredenen of legen. En dan: wat is natuur nog in dit land? Een stukje bos, ter grootte van een krant. Een heuvel met wat villaatjes ertegen. Aan De Reusel Schoonbroer M. had dit jaar de beurt om de familiedag te verzorgen. Nou wil het gelukkige toeval dat hij nogal betrokken is bij grote land(her)inrichtingsprojecten. En dat hij ons daar graag deelgenoot van maakt. En zeg nou zelf: wat is er aangenamer dan 'picknicken' in een bouwkeet, alwaar allereerst ook de theorie en de blauwdruk-plattegronden van het project uit de doeken gedaan worden. Dan het veld in, laarzen of wandelschoenen aan, pet en capuchon op, en met z'n allen dicht rond de explicateur gaan staan om geen woord, geen handwijzing, geen verlegde aardkluit of drijvende waterweegbree te missen. Heerlijk! Zo ook afgelopen zaterdag, aan het Spruitenstroompje bij Biest-Houtakker aan De Reusel. Het stroomgebied van dat riviertje wordt in dit project over een lengte van vier kilometer 'in de oorspronkelijke staat' teruggebracht, om zo honderden hectares beekdalnatuur te scheppen: meanderen dus in plaats van rechttoe rechtaan stromen, het hele stroomgebied is inmiddels afgegraven en verlaagd, met de oorspronkelijke hellingen en oeverpartijen, natte en droge broeken, poelen en opstuivende scholen zilvermeeuwen. En 's winters mag het vernieuwde / verouderde riviertje dan naar hartelust buiten z'n oevers treden, ruimte genoeg. Het afgegraven zand is grotendeels onder de aanpalende boerenbedrijven verdeeld zodat die hun gronden kunnen ophogen, overal zie je die afgeleverde bergen vruchtbaar zand nog het landschap bepalen. Op onze rondgang door het 'werk in uitvoering' was het nog goed uitkijken geblazen: door de overvloedige neerslag van de laatste weken was het zand overal modder, kuiltjes werden waterpartijen, en sommige stukken 'oude rivier' waren zelfs verraderlijk drijfzanderig - voor inklinken was immers nog geen tijd geweest. En hele stukken 'afgegraven land' waren in die korte tijd alweer begroeid geraakt, met van alles en nog wat dat tijdenlang als zaad onder in die rivierklei bewaard en verborgen was gebleven. - Maar daar mocht je alleen maar naar kijken, op lopen niet. Rondje Brabants Kempenland Prachtig, zoals in de plannen van het 'Natuurontwikkelingsproject De Reusel' het eerste 'doel' beschreven wordt, ik citeer: 'Ontwikkeling van 700 hectare natuur tussen Moergestel en Diessen, waarvan 200 hectare vochtig schraalland. Dit beekdalgebied vormt daarmee een grote schakel in de ecologische hoofdstructuur, de ruggengraat van de Brabantse natuur.' - Nou, dat wilden wij dan wel eens met eigen ogen verder gaan zien. Daarom trokken we na afloop van de excursie in de wetlands per bus het landschap van Reusel en Beerze wijd en zijd in. En we kwamen van een koude kermis thuis, want haast overal werden de rijbanen omzoomd door metershoge muren maïs, maïs, maïs. Mij is het een volkomen raadsel hoe je tegelijkertijd machtig veel geld kunt steken in de ontwikkeling van 'de ruggengraat van de Brabantse natuur' en toch de totale verprutsing en verduistering van het landschap toe kunt staan door die afgrijselijke monocultuur van bijkans vier meter hoge schuttingen op basis van eindeloos geïnjecteerde mest, mest, mest. Is een ecologische hoofdstructuur alleen maar van belang tussen november en april? Ach, aten we maar wat minder vlees = minder vakens = minder mest = minder maïs. Maar dat zal ik gerust niet meer meemaken. Daarom is het van het grootste belang om van de natuur te genieten wat er te genieten valt (ook al is dat dan met name in augustus en september niet overal mogelijk). Er blijft heus nog genoeg over, zeg ik dan tegen mezelf. Vergeet die maïs van vandaag, en bepaal je tot het 'Natuurproject met grote gevolgen' waar je afgelopen zaterdag getuige van geweest bent. Daar was het toch geweldig, zoals het op zoveel plaatsen in de Nederlandse natuur geweldig is. Zeker als er gewerkt wordt aan een 'terug naar vroeger' zoals aan de Reusel, in Sint-Oedenrode, aan de Dommel, De Moerputten en ik weet niet op hoeveel andere plaatsen nog meer. En inderdaad, sinds zaterdag is het alleszins gerechtvaardigd om deze blog te besluiten met een ode aan de natuur. Moderne dichters zijn daar niet zo van, zo min als je tegenwoordig nog waterlelie-impressionisten à la Monet hebt. Is dat erg? Nee, dat is helemaal niet erg. Van oude meesters valt nog volop te genieten. Van dichters als Guido Gezelle bijvoorbeeld, die reus uit het einde van de negentiende eeuw, toen God nog overal was, zeker in de natuur, wat zeg ik, God wás toen de natuur. Als je dat in het oog houdt, is de God van Gezelle nog volkomen acceptabel en vanzelfsprekend als 'oorbegin' en 'eerstigheid' (oorsprong en begin) in het gedicht 'o Wilde en onvervalschte pracht', uit 1882. Geniet u even mee? Desnoods hardop lezen, dat werkt hoor! O WILDE EN ONVERVALSCHTE PRACHT o Wilde en onvervalschte pracht der bloemen, langs den watergracht! Hoe geren zie ‘k u, aangedaan* - [*gekleed] zoo God 't geliefde, in ‘t water staan! Geboren, arg- en schuldeloos, daar God u eens te willen koos, daar staat ge: en, in den zonneschijn, al dat gij doet is blomme zijn! ‘t Is wezen, ‘t geen mijne ooge aanziet, ‘t is waarheid, en g'en dobbelt* niet; - [*dubbelzinnig doen] en die* door u mijn hert verblijdt - [*nl. God] is enkel, zoo gij enkel zijt! Hoe stille is ‘t! ‘t En verwaait med al* - [*in 't geheel] geen bladtje, dat ons storen zal; geen rimpelken in ‘t lief gelaat des waters, dat vol blommen staat; geen wind, geen woord: rondom gespreid, al schaduwe, al stilzwijgendheid! Dan, diepe, diepe in ‘t water, blauwt, half groen geblest*, de hemelvaut**; - [*gevlekt] - [**hemelgewelf] en, priemend' hier en daar vergaat een langgesponnen zonnedraad. Hoe eerbaar, edel, schoone en fijn kan toch een enkele blomme zijn, die, al med eens, en zorgloos, uit de hand van heuren Schepper spruit! Door Hem, en door geen menschenhand, lag hier een nederig zaad geplant; door Hem, op dezen oogenblik, ontlook het, en dien troost heb ik, dat, blomme, gij mij bidden doet, en wezen zoo ik wezen moet: aanschouwende en bevroedende in elk uiterste einde ‘t oorbegin*, - [*oorsprong] den grond van alles; meer gezeid, maar nog niet al: Gods eerstigheid! naar boven 21 september 2010 'Onder het vergrootglas tijd' Erwin Krol en de uitgewassen geulen Eerst even een kort lesje wandelkunde, om erin te komen. - Al verschillende keren liepen wij in Zuid-Limburg delen van het Krijtlandpad (1998, 2000, 2004, en 2007.) En nu dan dus in september 2010 voor de vijfde keer. Het Krijtlandpad is een zogenaamd Streekpad oftewel een regionaal Lange-Afstands-Wandelpad (LAW). Het is totaal 90 km lang, is het meest geaccidenteerde wandelpad van Nederland, en voert door plaatsen als Maastricht, Valkenburg, Gulpen, Vaals, Epen, Slenaken, Eijsden en weer Maastricht. Streekpaden lopen altijd 'rond'; echte LAW's lopen van A naar B, bij voorbeeld het Pieterpad, dat van Pieterburen in Groningen naar de Sint-Pietersberg in Maastricht loopt. Er zijn 25 echte LAW's in Nederland (wit-rode markering), en zo'n 18 streekpaden (geel-rode markering). Het hele jaar door zijn er massa's vrijwilligers op pad om de routes in te richten en te onderhouden. Zo wordt het Krijtlandpad bij voorbeeld bijgehouden door de Stichting Instandhouding Kleine Landschapselementen Limburg, het IKL. Na het wandelen zelf moet dit toch wel het mooiste werk zijn dat je in Nederland maar kunt doen. Hulde, driewerf hulde aan al die Instandhouders! Oja, en krijt blijkt bij opzoeken de wetenschappelijke naam voor mergel of kalksteen te zijn, dan weet u dat ook weer even. - Was getekend: Wandelplatform LAW i.s.m. [ ... (onleesbaar), grootgouverneur van Limburg ] en Het KoningsKoppel B. Thuis hadden wij ons drie wandelingen voorgenomen: Valkenburg-Gulpen, Epen-Vaals, en Gulpen-Slenaken. Bij de eerste moesten wij nog danig wennen aan het pittig op en neer gaande landschap en deszelfs vereiste inspanningen, de tweede was ronduit zwaar en hol en steil en glibberig en lang en lastig met uitgewassen geulen en verraderlijk losse stenen, en de derde was de mooiste, de gemakkelijkste, de ontspannenste, met hooggelegen wereldlandschappen, grazige rivierdalen en de wonderbaarlijkste hollewegen waar op elk moment Floris tevoorschijn gegaloppeerd kon komen. Drie dagen avontuur rond een drielandenpunt waar Erwin Krol noch kornuiten vat op bleken te hebben, gelukkig, want zo hadden wij tenminste heerlijk wandelweer terwijl er van het meteorologische front louter somberte gemeld werd. Eten en slapen tussen Geul en Gulp Hotel Gulpen is pas goed twee jaar open, maar loopt nu al als gesmeerd met roomboter. Amper een kamer vrij, veel wandelaars ook, vergaderaars in pak en Limburgtoeristen in broeken met geperste vouwen. Dus bij het ontbijt is het lekker druk, maar de bediening geeft geen krimp ook al lopen wij op kousevoeten zonder lemerige wandelschoenen. Het nieuwtje is het roestvrijstalen driepersoonskoffiepotje, zes kopjes, en alweer gevuld voor het leeg is. Het krentenbrood blijkt suikerbrood en de kakelverse mik kun je zelf net zo dik snijden als je wilt, tenminste als je door de krakend krokante korst heen kunt komen. En dan natuurlijk nog de sapjes, de cruesli's, de croissantjes, de fruitjes, de zjemmetjes, nee zeg, na zo'n ontbijtje hoef je voor tussendemiddag niet meer dan een soepje of een broodje en klaar is keesje hoor. En na de wandeling, de stralende douche, het avondeten, het biertje en de gezellige kout fluks naar de privacy, het nieuws, het heenenweergeflos en het leesboek ('Een nacht in Tunesië', reisverhalen van Cees Nooteboom). En daar komen we bij het enige minpuntje van de dag en de nacht in Hotel Gulpen: de verlichting is zo spaars dat er niet te lezen valt met het boek op de neus op het bed op de kamer. Dan maar vroeg slapen na die steile kilometers in je benen, je kuiten, je spieren, je voetzolen, waar voel je ze niet? - 'Uw ogen worden alreeds zwaarder. De zon schijnt zachtjes. Daar is de alpenweide al. Het lieflijke belgeklingel is niet van de lucht. De geurige kruiden kietelen uw reukorgaan en het beekje kabbelt en kabbelt en kabbelt. U strekt zich eens heerlijk uit, u pakt uw lekkere leesboek en houdt het voor uwe ogen. Uw ogen worden alreeds zwaarder en zwaarder. De zon schijnt zachtjes. Daar is de...' - ZzzZzzZzz. - En zo gaat de wekker al luider en luider voor het volgende hotel-ontbijt. Elske van Vaals Na de lange, moeilijke tocht naar Vaals strijken wij neer op het terras van Bruin Café Limburgia om eens danig en driftig uit te rusten. Met een Brand-biertje, natuurlijk, een Witte Korenwolf, ook goed. Maar daarna een elske hoor, de streekeigenste borrel van Vaals en omstreken, dat móet je geproefd hebben, wat zeg ik: gepreufd! - En daar is ons elske al terwijl een klein clubje niet-Limburgse vrouwen uit een bus goed Rotterdams publiek aan ons terras voorbijtrekt. Ze houden halt bij het stoepbord met de handgekrijte tekst: 'Koffie met Limburgse vlaai - € 3,50.' - 'Limburgse vlaai!' roept mevrouw 1 tegen mevrouw 2. 'Zie je dat: Limburgse vlaai! In plaats van vla! Het moet vla! zijn, vla!, en niet vlaai!' - 'Nou, dan hoef ik die niet hoor, vlaai! Ik wil alleen vla!' - Ziezo, en dat was mevrouw 2. Daar moet op gedronken worden, hihaho, het eerste slokske van elske dus. Het blijkt een stevig aperitiefje, niet te zoet, niet te wrang, typisch gekruid, nipje voor nipje maar! - En dan worden wij aangesproken door de oude magere man in een regenjas uit de dagen van olim. - 'Mag ik hier bij u komen zitten, messjeu-dames? O, pardon, spreekt u Frans of Duits of Nederlands? Ik kom namelijk uit België, ziet u, en ik spreek alle talen, voilà, maar ik ben ook Nederlander, n'est-ce pas.' - 'In België reis je gratis, voilà, als je gepensioneerd bent. Dus ga ik elke dag op stap, even koffie drinken in Liège of Maastricht - een café, s'il vous plaît, mevrouw - maar naar Nederland terug? Mais non, veel te veel regeltjes, hein.' - 'Achtenzeventig, madame. Ja, ik mag er nog best zijn, merci voor uw compliment. O, u moet votre bus halen, mais naturellement, lijn 61, Maastricht, elk kwartier, voilà, en tot ziens, voilà!' O heerlijke busreis naar het einde van de dag Hooggezeten achter grote ramen rijdt de Veolia-bus ons in drie kwartier naar het treinstation Maastricht. De regen klettert tegen de ramen en de lampen gaan op. Hoewel het glooiende landschap zelf er geen aanleiding toe geeft, zit ik inmiddels en ongemerkt in de verlichte bus van Vasalis over de afsluitdijk ( 'als een kamer door de nacht' en 'een kleine maan schijnt zacht'). Alleen de twee matrozen ontbreken, alsmede 'mijn hoofd boven het watervlak'. - De bui trekt over en een fletse zon bepaalt mij weer bij de les van het verlopende Maas-landschap. Station Maastricht: 2 km, Bonnefanten-Museum De Silo, Het Céramique, Gouvernementspad, Stationsweg, en waar had ik ook alweer de OV-chipkaart gestopt? In de Intercity pak ik m'n treinleesboek: Gerrit Achterberg, Spel van de wilde jacht, bladzij 49, het gedicht 'Zonneleen'. Wat een toeval zeg, de zon, het najaar, te paard over bronzen wegen, de stilte van een kind, en 'ridders, getreden in het krijt'. Toeval? Het is hoe dan ook een mooi gedicht, met een optimistisch slot, en niet gemakkelijk bovendien. Maar ja, goed uitgerust door drie dagen wandelen, nietwaar, dus dat mag geen excuus zijn. Laat uw hersens even meekraken, het loont! (Bron: Gerrit Achterberg, het gedicht Zonneleen, uit de bundel 'Spel van de wilde jacht' (1957). Querido, Amsterdam, vijfde druk 1982 ('De Boekvink').) ZONNELEEN Het najaarsgoud is uitgebroken tegen het hemelblauw. Een middeleeuw begint. Ik ga te paard over de bronzen wegen met het idee dat ik u wedervind. Gestoken in het harnas en gezind tot kruistocht, met de pauselijke zegen, is mij aan huis en hof niets meer gelegen; rij ik door deze stilte van een kind. Voor hen die achterblijven werd ik al initiaal. 's Winters zullen ze lezen over ridders, getreden in het krijt. Ik echter, onder het vergrootglas tijd, ben uit de dode letter opgerezen. Het dorre blad krijgt een metalen schal. naar boven 14 september 2010 Turkse pil Deze week alleen een gedicht Omdat ik m'n rugzak aan het inpakken ben: even paar dagen wandelen in de Zuid-Limburgse heuvels, Gulpen, Vaals, Valkenburg, dat werk. Onze tweede minivakantie van dit jaar, drie dagen nog wel, moet kunnen, zou ik denken. En dus nu even geen tijd voor een balthasarsblog, maar natuurlijk wel voor een gedicht. Dat gedicht, 'Watermerk', komt uit het laatste boek dat ik onlangs gekocht maar nog niet gelezen heb: Moderne Turkse poëzie. Dat boek is de neerslag van een gigantisch vertaalproject van de Leidse Universiteit, o.l.v. Mehmet Emin Yildririm, Sytske Sötemann en En Mehmet Cetin. Ik citeer hierna één alinea uit de recensie van Janita Monna (Trouw, 31 juli 2010): "Deze bloemlezing laat ons in chronologische volgorde kennismaken met de Turkse poëzie van 1900 tot nu: iedere dichter is ruim vertegenwoordigd, in het Turks en in soepel klinkend Nederlands. De selectie wordt voorafgegaan door een heldere inleiding op de Turkse literatuurgeschiedenis, met stromingen als 'Vreemd' en 'Tweede nieuwe'." - Het boek kent 728 bladzijden, waarvan de helft Turks, ik ken nog geen enkele Turkse dichter of gedicht, laat staan een woord Turks: dat wordt dus nog een hele hete herfst! Op basis van de recensie van Monna kies ik het gedicht 'Watermerk' op bladzij 266, het is van de hand van Behcet Necatigil (1916-1970), en het lijkt me een hele mooie aansporing om die dikke pil te gaan veroveren. WATERMERK Als je sommige stukken papier Tegen het licht houdt Zie je een streep, een afbeelding, een vorm. Of een met onzichtbare inkt geschreven Leeg lijkende bladzij Wordt leesbaar in de buurt van een warmtebron. Sommige gedichten Laten zich aan de achterkant lezen Als je zelf een vuurtje hebt. naar boven 9 september 2010 Weet je nog wel, oudje? Het geheugen volgens Douwe Draaisma Op 2 november a.s. (Allerzielen: wie moeten er vooral níet vergeten worden?!) verschijnt bij Historische Uitgeverij de titel Vergeetboek, het nieuwste 'geheugen'-boek van Douwe Draaisma. Eerdere belangrijke geheugen-titels van hem zijn: Waarom het leven sneller gaat als je ouder wordt (over het autobiografische geheugen), en De heimweefabriek (over geheugen, tijd en ouderdom). Lees die boeken, je wordt er niet verdrietig maar juist blij van. In Vergeetboek gaat Draaisma ons uitleggen dat 'vergeten' ergens toe dient. Dat het geen mankement aan ons geheugen is, maar dat het er juist één van de belangrijkste vermogens van is. Het geheugen zou niets onthouden, als het niet ook selectief zou wissen. - Een troostrijk boek, dat zal het dus zeker worden. Want in vergeten begin ik zo langzamerhand een expert, en soms ook wel een beetje verdrietig, te worden. Afgelopen zondag nog stond ik met in wanhoop geheven armen voor de grote boekenkast, ik zocht een titel waarvan de auteursnaam me maar niet te binnen wilde schieten, en ja, als je al je boeken op auteursalfabet hebt staan, is het natuurlijk wel handig als je weet waar je het zoeken moet. Na het lezen van de nieuwe Draaisma verwacht ik zulk handenwringen helemaal niet erg meer te vinden. Dus, dat boek móet ik hebben! Even in de agenda noteren, bij Allerzielen. Over de geheugenblogs van Balthasar Geachte vaste balthasarsbloglezer, eerlijk zeggen, wist u nog dat ik op 10 maart 2008, krap tweeëneenhalf jaar geleden, een stukje schreef over De heimweefabriek, dat 'tweede' geheugenboek van Douwe Draaisma? Of waar mijn allereerste geheugenblogje (31 december 2005, Het geheugen) over ging? Heb ik ooit een stukje geschreven over DD's eerste geheugenboek Waarom het leven sneller gaat als je ouder wordt? - Geef maar toe, u weet er geen klap meer van, net zo min als ikzelf, terwijl u toch ook beter zou kunnen weten, anders zou u immers geen 'vaste bathasarsbloglezer' zijn? (Heb ik eigenlijk wel 'vaste balthasarsbloglezers'?) Mijn eerste geheugenstukje ging over foto's die 'nooit' liegen, en was een toen nog onbedoeld praktijkgevalletje voor Douwe Draaisma, dat ik in de loop van de tijd helaas vergeten ben naar hem op te sturen. Ik citeer er een frappant gedeelte uit, misschien dat het iets bij u wakker roept: "Mijn vader had in de jaren vijftig een timmerwerkplaats met op de buitengevel een wit-emaillen bord met daarop in zwart de tekst: 'Lijkkisten en betimmeringen'. Wij woonden boven de timmerwinkel, dus ik heb alles uit de eerste hand. Begin jaren zeventig - toen ik op de maalstroom van de tijd gedichten dacht te kunnen schrijven - gebruikte ik mijn vaders bordtekst als titel voor mijn eerste bundeltje van 16 gedichten (2 ouders, 13 kinderen, en 1 opa inwonend): Lijkkisten en betimmeringen - Notities aan de binnenkant. Op een zwart-witfotootje uit 1957, dat pas onlangs uit een van de talloze familiealbums van mijn broers en zussen tevoorschijn kwam, wordt de échte werkelijkheid op de huwelijksdag van een van mijn zussen vereeuwigd, pontificaal in het lang wit en zwart, vóór onze huisdeur, en met onze hond Trees languit liggend op de stoep. Het ge-emailleerde beroepsbord van mijn vader is duidelijk leesbaar: 'Betimmeringen en lijkkisten' staat er op. - Betimmeringen en lijkkisten, en dus niet: Lijkkisten en betimmeringen! Mijn geheugen heeft de lijkkisten als een echt psychologisch onderwerp voorop geplaatst, vóór de betimmeringen dus! En daar ging míjn echte werkelijkheid." - Komt er iets bij u bovendrijven? Of is alles selectief gewist, ter betere werking van uw geheugen? Gefeliciteerd dan. Over de film Casablanca Deze filmklassieker was mij uiteraard fragmentarisch bekend van tv, u weet hoe zoiets gaat. Maar afgelopen dinsdag heb ik hem voor het eerst van mijn leven compleet gezien, in de bioscoop, in zwart-wit, mooi groot vierkant beeld, en met authentiek Amerikaans veertigerjaren-filmgeluid: Casablanca (1942), Michael Curtiz' klassiek geworden vertelling over onmogelijke liefde, verraad en zelfopoffering, de 'meest romantische film ooit'. Het verhaal speelt zich af tegen de achtergrond van de Tweede Wereldoorlog en het verzet tegen de nazi's. (Met o.a. Humphrey Bogart, Ingrid Bergman en Paul Henreid.) 'Casablanca' werd genomineerd voor acht Oscars, waarvan er drie werden verzilverd (beste film, beste regisseur, beste scenario). De Oscar voor beste scenario was o.a. te danken aan memorabele oneliners als: 'Play it, Sam', 'Here's looking at you, kid', 'Louis, I think this is the beginning of a beautiful friendship' en 'Round up the usual suspects'. Je hoort ze nogal eens voorbij komen als er ergens weer een 'zomergasten-fragment' vertoond wordt. Het was een prachtige film die op zekere momenten terecht om de zakdoek vroeg. En een van de meest indrukwekkende ervaringen had ik bij de filmmuziek. Natuurlijk, 'As time goes by' (You must remember this / A kiss is just a kiss, a sigh is just a sigh. / The fundamental things apply / As time goes by.) is een hit die ik inmiddels aan mijn begrafenisscript heb toegevoegd, maar het meest frappeerde mij toch de wat ik gemakshalve de 'Singing detective'-nummers noem. Dat moet ik misschien even wat verduidelijken. The singing detective is een beroemde televisieserie van de BBC, die eind jaren 80 door de VPRO werd uitgezonden. In die serie werd op een heel vrolijke en swingende manier gebruik gemaakt van veertiger-jarenmuziek. De platen en cd's van die muziek zijn sinds jaar en dag toppertjes bij de Balthasars. Het was daarom een bijzonder vervreemdende ervaring om die serie-muziek nu in een film van 45 jaar vóór de serie op de piano van Sam gespeeld te horen. Nog gekker is het dat ik nu, met de complete titellijst voor me, niet meer kan bepalen welke nummers precies ik nu in de film gehoord heb! Waren het bij voorbeeld Cruising down the river / Do I worry? / After you've gone? Geen idee, hoewel ze qua thematiek allemaal met gemak in de film gepast zouden hebben. Of waren het soms: The very thought of you / You always hurt the one you love? Die zouden evengoed passen! Ik heb helaas geen idee meer: ik weet zeker dat het 'Singing detective'-nummers waren, maar welke? - Nog maar eens naar de film gaan, en dan beter opletten? Of, mét DD, blij zijn dat de individuele nummers 'gewist' zijn ten gunste van de hele serie? (Ik ga nu even alledrie de cd's draaien!) Over het boek '1933' van Philip Metcalfe Daarover toch maar een andere keer, want dat roept wel zó veel (politieke en maatschappelijke) emoties op dat ik het niet uitsluitend kan benaderen voor het onderwerp 'werking van het geheugen'. Hoewel ik naar aanleiding van dit boek hier en nu op z'n minst even wil constateren dat het collectieve maatschappelijke en politieke geheugen zich wel héél weinig lijkt te herinneren (of aan te trekken) van de onheilspellende gebeurtenissen rond de opkomst van Hitler, het nazisme, 'de WA die marcheert', de bruinhemden en hakkenklappende laarzen, het mislukte inkapselen van het door H. belichaamde fascisme, de louche werking van het ministerie van propaganda, het stem en vuist geven aan ontevredenheid, bruutheid en domheid. Laat ik het daar nu bij laten, deze blog ís al weer veel te lang. Over de liedteksten uit mijn jeugd Iedereen kent het lied 'Weet je nog wel, oudje?' (geschreven door Jacques van Tol, en gezongen door o.a. Louis Davids, Wim Sonneveld en Sylvain Poons). Toch? Maar ik daag de iedereen die ik ken uit om de tekst of de strekking van die liedtekst op te lepelen. Mij lukte dat in elk geval niet. En toen ik de tekst eenmaal had opgezocht, was ik verbijsterd over de inhoud, daar herinnerde ik me totaal niets van, echt een onbeduidende smartlap! Terwijl ik meende het lied zonder meer mee te kunnen zingen, kwam ik niet verder dan de regel 'Weet je nog wel, oudje' - in minimaal drie varianten, dat dan weer wel. Met andere woorden: alle concrete liedtekst is in mijn vergeetboek geraakt, ten gunste ongetwijfeld van die ene regel die ik nog steeds uit volle borst kan meebrullen! Dus leve de vergeetfunctie van het geheugen! WEET JE NOG WEL, OUDJE? 't Was eens in de vakantiedagen Weet je nog wel oudje? Dat wij dat foto-album zagen Weet je nog wel oudje? We kiekten ons kind, toen 't in slaap was gezakt En hebben dat voor in het album geplakt Weet je nog wel oudje? We kiekten hem haast alle weken Weet je nog wel oudje? 't Was of dat album soms kon spreken Weet je nog wel oudje? Er was er ook één in matrozenpak bij En die leek precies op een jeugdkiek van mij Weet je nog wel oudje? We kiekten al zijn leuke dingen Weet je nog wel oudje? Dat boek zat vol herinneringen Weet je nog wel oudje? We zeiden wel eens: als hij zeven zal zijn En wij gaan zo door, wordt het album te klein Weet je nog wel oudje? Toen werd ie van ons weggenomen Weet je nog wel oudje? Er is nog één kiek bijgekomen Weet je nog wel oudje? Die kiek van het grafje die jij van me kreeg De rest van het album bleef hopeloos leeg Weet je nog wel oudje? Jij stond die dagen steeds te dromen Weet je nog wel oudje? Wat in dat album had gekomen Weet je nog wel oudje? Wanneer ons dat ongeluk niet was gebeurd Toen hebben we het blad uit het album gescheurd Weet je nog wel, oudje? naar boven 1 september 2010 Lamento Wat?! Alweer geen krant? - Op de voorpagina, pal onder de kop: Redactie 020-562 9222 Klantenservice 088-056 1561 Bezorging 088-056 1555 - Ik toets: 088-056 1555. - Daar is het computergestuurde antwoord al: Welkom bij de bezorgservice van deVolkskrant. Prrr. Prrr. Voor vragen over de bezorging kunt u ook terecht op onze website www punt devolkskrant punt nl slash service. Om u sneller van dienst te kunnen zijn volgt over enkele seconden een keuzemenu. Is uw krant niet bezorgd, incompleet of heeft u een verkeerde krant ontvangen: toets 1. Is uw krant wel bezorgd maar te laat: toets 2. Is uw krant niet volgens afspraak... - Ik toets 1. - Spreek uw postcode in. / ... / Nu uw huisnummer, zónder het woord huisnummer. / ... / Uw postcode is... / Uw huisnummer is... / Is dit juist? - Ja. - Uw krant wordt tussen 12 en 2 nabezorgd. Wilt u nog een medewerker van deVolkskrant spreken, toets dan 5. - Ik toets 5. - Al onze medewerkers zijn in gesprek. Een ogenblik geduld alstublieft. - Al onze medewerkers zijn in gesprek. Een ogenblik geduld alstublieft. - Met deVolkskrant Bezorgservice, waarmee kan ik u van dienst zijn? - Met een krant, misschien? - Niet bezorgde kranten worden tussen 12 en 2 nabezorgd, meneer. - Ja, mevrouw, dat weet ik inmiddels. Maar ik had hem zo graag gewoon 's morgens om zeven uur in de bus. En dat is vandaag alweer niet gebeurd. Het is nu half tien, en er is nog steeds geen krant. Bovendien is dit nu al de derde dag op rij dat de krant niet komt, of veel te laat is. - Dat is heel vervelend, meneer. Ik zal een klacht voor u aanmaken. Dan zal onze rayonmanager er aandacht aan besteden. - Ja, mevrouw, dat is al eens gebeurd. Maar dat helpt niks. - Dan zal ik een 'ernstige klacht' voor u aanmaken, meneer. U wordt dan binnen zeven werkdagen teruggebeld. Met informatie van de rayonmanager. Meer kan ik op dit moment niet voor u doen. Spijtig genoeg. Dit wordt te gek, Balthasar. Doe er iets aan! - Welkom bij de bezorgservice va... - Goedemorgen mevrouw, het duurt nu al twee weken dat de krant niet komt of veel te laat is. Kunt u... - Ik zie hier dat er een 'ernstige klacht' voor u aangemaakt is, maar dat is nog geen zeven werkdagen geleden. Daarom bent u nog niet teruggebeld. - Ja, maar, kunt u dan niet... - U wordt binnen zeven werkdagen terugggebeld, dat is overmorgen. Het is natuurlijk allemaal heel vervelend, en ik heb gehoord dat er een technisch probleem is. Het heeft de aandacht van onze rayonmanager, weest u daarvan overtuigd. Maar het is heel moeilijk allemaal. - Tot een paar weken geleden ging het allemaal uitstekend, en nu... - Op dit moment kan ik helaas verder niets voor u doen, meneer. Ten aanval! - Met Balthasar, goedemiddag. - Goedemiddag, meneer Balthasar. Met de bezorgservice van deVolkskrant. Ik bel over uw bezorgklachten. U woont in een zogenaamde open wijk: daar kunnen wij momenteel geen bezorgers voor vinden. De rayonmanager doet echt zijn uiterste best, maar wij kunnen u helaas geen garanties geven. - Maar dit duurt nu al een hele maand, mevrouw. Als je de krant later krijgt, lees je hem ook slechter... En, het gooit je hele ochtendritme in de war. Ik begin er schoon genoeg van te krijgen. - Ja, meneer, ik weet het. Maar het lukt ons steeds maar niet om... - Nou ja, gelukkig heb ik goede ervaringen in het verleden, daarom ben ik , vind ik zelf, nogal coulant tegenover u, maar alles heeft zijn grenzen. Als uw krant geen ochtendblad meer kan zijn, want ik wil een ochtendblad!, dus als dit zo doorgaat... dan moet ik uw krant uiteindelijk opzeggen... - O, maar dat kan ik alvast wel voor u doen hoor, de krant opzeggen. Kleine moeite. And the winner is... - Nounounou, mevrouw, dat gaat me op dit moment nog even wat te ver hoor. Ik wil best nog even wachten. Opzeggen doe ik in het algemeen liever op inhoudelijke gronden... dat jullie die Wilders veel te veel podium geven bij voorbeeld... En die jongens die hier tot voor kort bezorgden, dat was werkelijk uitstekend, dus... - Nou, meneer, bedankt voor uw begrip, wij doen er echt alles aan, maar het is allemaal heel moeilijk, begrijpt u wel, om goede bezorgers te vinden, voor een 'open wijk'. Dus voor de korte termijn kan ik u helaas... En uw krant zal ik dus nog maar niet opzeggen? - Nee, ik zie het nog even aan. - Fijndankuwel, meneer Balthasar. En bij nieuwe klachten kunt u ons altijd bellen natuurlijk. Gebed zonder end Ik ben in het bezit van een poëzie-cd met daarop een voordracht van Remco Campert. Hij zingzegt op die cd zijn gedicht 'Lamento' - Klaagzang, Jammerklacht, Dat je altijd maar... Het is een kabbelende klaagzang, met een zeer zangerig ritme, dat stiekem zand in de machine van de toehoorder strooit. Mooi om te lezen, te dirigeren desnoods, maar béter nog om te horen, Altijd maar rimpelend in het water rimpelend... - Vorige week was dit gedicht nog te beluisteren in het radioprogramma 'Kunststof', met de dichter zelf op de bok, Altijd maar in de roerloze middag... LAMENTO Hier nu langs het lange diepe water dat ik dacht ik dacht dat je altijd maar dat je altijd maar hier nu langs het lange diepe water waar achter oeverriet achter oeverriet de zon dat ik dacht dat je altijd maar altijd dat altijd maar je ogen je ogen en de lucht altijd maar je ogen en de lucht altijd maar rimpelend in het water rimpelend dat altijd in levende stilte dat ik altijd zou leven in levende stilte dat je altijd maar dat wuivende oeverriet altijd maar langs het lange diepe water dat altijd maar je huid dat altijd maar in de middag je huid altijd maar in de zomer in de middag je huid dat altijd maar je ogen zouden breken dat altijd van geluk je ogen zouden breken altijd maar in de roerloze middag langs het lange diepe water dat ik dacht dat ik dacht dat je altijd maar dat ik dacht dat geluk altijd maar dat altijd maar het licht roerloos in de middag dat altijd maar het middaglicht je okeren schouder je okeren schouder altijd in het middaglicht dat altijd maar je kreet hangend altijd maar je vogelkreet hangend in de middag in de zomer in de lucht dat altijd maar de levende lucht dat altijd maar altijd maar het rimpelende water de middag je huid ik dacht dat alles altijd maar ik dacht dat nooit hier nu langs het lange diepe water dat nooit ik dacht dat altijd dat nooit dat je nooit dat nooit vorst dat geen ijs ooit het water hier nu langs het lange diepe water dacht ik nooit dat sneeuw ooit de cipres dacht ik nooit dat sneeuw nooit de cipres dat je nooit meer naar boven 24 augustus 2010 Paul Verhoeven, zomergast De vijfde gast in de VPRO-serie 'Zomergasten' was afgelopen zondag Paul Verhoeven, de Nederlandse filmregisseur die geen introductie behoeft. Zijn 'ideale televisieavond' bestond praktisch geheel uit filmfragmenten, nogal uitzonderlijk voor 'Zomergasten', maar natuurlijk niet voor Paul Verhoeven. Hij bleek een gedreven prater, erudiet ook, en met meer 'religieuze trekjes' dan je zo op het eerste gezicht verwacht. Door Paul Verhoeven's fragmentenkeuze en ook door zijn manier van praten, kreeg de avond een tempo en een schwung die dit jaar nog niet vertoond is. Presentator Jelle Brandt Corstius had af en toe moeite om waterval Verhoeven bij te houden, en kwam zo, mirabile dictu, tot beter tegenspel dan in de voorgaande uitzendingen. - Het was kortom een 'spannend' programma waarin veel te genieten viel. - Een paar onderdelen die mij opvielen, geheel in mijn eigen woorden: Dudok de Wit: Father and Doughter (2001) Hebt u dat nooit? - Je pakt je nieuwe roman uit je tas, bladzij 113 middenin, het is een lange en moeilijke zin die niet echt bij je binnendringt, dus je leest 'm nog eens, en ineens breekt de zon door de bomen als Vader en Dochter Dudok de Wit over de dijk richting roeiboot fietsen en daar innig afscheid nemen, en nog eens afscheid nemen. Je schokt wakker en zoekt met troebele blik de pagina af terwijl je lome hoofd en lichaamswarmte liever aan de dijk gebleven waren waar het meisje nu eenzaam huiswaarts rijdt met een lichte bries in de rug onder de meebladerende wolkjes in het grijsgetinte zwerk. Daar doemt het steigertje al op waar Dochter haar Vader verwacht onder het krakende bericht voor de reiziger met de OV-chipkaart om toch vooral uit te checken en zijn eigendommen mede te nemen. Uitsjekken, eigen dommen, stationnetjebeeehstnogantoe... je bent weer bij de les en struikelt gehaast naar de uitgang. Maar je moet er bij de volgende halte pas uit! Gelukkig, boek en tas liggen er nog, bladzij 113, waar was ik ook alweer gebleven. Oja, bij het roeibotensteigertje. Daar komt de jonge vrouw al aangefietst, of nee, ze zit nu achterop de fiets bij haar geliefde en samen staren ze naar de plek waar haar Vader... - Een droomfilm van 8 minuten, volledig vertoond, en opnieuw zijn Oscar waard. PV was herkenbaar ontroerd. Strawinsky conducts Firebird (1961) Gistermiddag zat ik met m'n lichtgrieperige lijf achter de computer aan een wat onwillige balthasarsblog te sleutelen toen ik volkomen onverwacht en plotseling in de concertzaal zat waar de oude Strawinsky met zijn knokige handen zijn vroege Vuurvogel in zwart-wit stond te dirigeren, zonder baton, maar met zijn wandelstok onder handbereik. Zijn dirigeergebaren minimaler dan waarmee je doorgaans een schuinliggende balpen corrigeert. Bij elke paukenslag stootte zijn rechtervuist wel een dikke centimeter naar voren en knikte zijn tanige hoofd het staccato mee, terwijl een vederlichte twinkeling zijn ogen doorstraalde. Ze braken de tent bijkans af, mijn medeconcertgangers én Paul Verhoeven. De oude Strawinsky keerde zich om naar het publiek, greep zijn wandelstok, neeg het hoofd menigmaal, en schuifelde inwendig juichend richting dirigentenuitgang. Die 'afgang' vertederde mij en bracht m'n bewonderding voor Verhoeven's keuze op een hoger plan, terwijl PV zelf de tegendraadse vioolstreken van de meester nog eens met zijn bovenlichaam demonstreerde en accentueerde. Ik erkende de gemoedsbeweging in Paul's keuze en dacht godja, Strawinsky, die heb ik alleen nog op vinyl, nooit op cd gekocht. En ik schaamde me. - Maar gelukkig is daar YouTube (http://www.youtube.com/watch?v=5tGA6bpscj8), de Vuurvogel, door de meester zelf gedirigeerd, Nieuw-Zeeland 1961. En nog maar eens! En nog eens! - Zodoende wil deze balthasarsblog maar niet opschieten... Ben Hur: De wagenrennen (1959) De witte paarden tegen de zwarte, Karel ende Elegast, een potje snelschaak, met gemene trucs, maar ook met het geluk vanuit Den Hoge, het aanzwellende publieksrumoer, en aaah, nét op tijd de juiste keuze gemaakt! Zwart begon, wit won, zoals het hoort. (Bij het fragment uit 'Het zevende zegel' van Ingmar Bergmann was het dus níet zoals het hoort: bij het potje 'Schaak met de Dood' kreeg de Dood de zwarte stukken. De Dood wint altijd, zeker bij Bergmann.) Vijf maanden hadden ze destijds nodig om De wagenrennen, de beroemdste aller filmscènes, op te nemen, camera's op meerennende paarden, camera's op meerijdende auto's, snelheid en beweging, close up, full shot, de zweep erover! Maar... het meest in beweging was: de achtergrond. Fijn dat de filmmeester ons daar vooraf op attendeerde: ik heb nog nooit zo intens naar 'De wagenrennen' uit Ben Hur gekeken. En voor één keer kon ik Charlton Heston's latere politieke standpunten vergeten. (Zie Michael Moore's 'Bowling for Columbine', maar daar houdt Paul Verhoeven waarschijnlijk helemaal niet van.) Pier Paolo Pasolini: Il evangelico secundo Mattei (1964) Een korte scène waarin de Christus-figuur sprekend wordt opgevoerd. Zwart-wit, de tekst heilig op zijn eigen wijze, en zoals alle tekst in de film: letterlijk geciteerd uit Matheus. Oftewel: Pasolini registreert een film lang een volkomen bekende tekst uit Het Nieuwe Testament, van A tot Z. En tóch een spannende film. Maar 'deze Italiaanse communistische intellectueel ging dan ook uit van de theologische betekenis van Jezus als de Christus'. - 'Nee, zo zou ik het zeker niet doen. Zo'n Jezus-figuur heeft niet bestaan. Dat is allemaal achteraf bedacht. Lees mijn boek Jezus van Nazareth. Ik heb twintig jaar gewerkt aan dat boek over Jezus. In het begin dacht ik wel dat het een film kon worden, maar uiteindelijk vond ik het zo interessant dat het me niet kon schelen of dat zou lukken.' - 'Maar maak dan toch die film, Paul!' smeekte Jelle. Paul liet hem bungelen. Eèn citaat uit de boekrecensie van Theo Krabbé over het boek van Paul Verhoeven (Tubantia, 20 september 2008): 'Paul Verhoeven ziet Jezus als een opstandeling, een revolutionair, en misschien ook wel een terrorist. Een man, die als exorcist (duiveluitdrijver) mensen genas en met zijn redevoeringen in vervoering bracht. Voor een Hollywoodverfilming is zo'n Jezusbeeld uitermate geschikt. En het is Paul Verhoeven ook wel toe te vertrouwen om er een spektakelfilm van te maken vol snelheid, actie, seks en geweld.' - Had Jelle deze bespreking maar bij de hand gehad! Ach, en er was nog zoveel meer: historisch historische beelden uit Triumph des Willens van Lenie Riefenstahl, het laweit en het vermeende nazisme van de Duitse metalband Rammstein, Herman van der Horst met zijn Eisenstein-achtige film Houwen zo! over de wederopbouw van het gebombardeerde Rotterdam, voorbeelden van de toepassing van filmcitaten in Floris. - Ik hou erover op. Het was een top-avond, die mijn waardering voor Paul Verhoeven ernstig opgeschroefd heeft. Waar 'Zomergasten' al niet goed voor is... Waar ik ook grote waardering voor heb: het gedicht film van de Weense dichter Ernst Jandl. Het komt uit de bundel 'Sprechblasen' (1968). Eerst laat ik hier de dichter aan het woord om zijn gedicht te verklaren, daarna dus pas het film-gedicht zelf. Het zou zó in Zomergasten kunnen, als je het mij vraagt. - 'This poem is a film. There are two actors, i and l. The action starts in line 4 and ends in the 4th line from the bottom. i is alone, changes position 3 times, disappears, l appears disappears, i appears disappears, both appear together changing position, like dancing; then i disappears for a long time, which, after stunning l, makes l restless, then immobile, like resignation; when at last i reappears, the dancelike jumping about and out of the picture and back again is resumed for a longer stretch then the first time. This state is final. It is the happy ending of the film. (flim, if you like, is the weightier half of the German flimmern, to flicker.) FILM film film film film fi m f im fi m f im f m fl m f im f m flim film flim film f lm f lm fl m f lm fl m f m f lm fl m f m f lm f m fl m f lm fl m fl m fl m fl m fl m fl m flim film flim film flim film flim f m film f m flim film flim film film film film film naar boven 18 augustus 2010 Bij ons in de dorpsstraat De moeder van Joost Prinsen Vanmorgen las ik in een interview met Joost Prinsen dat zijn moeder hem voorgehouden heeft 'dat je je altijd moet bekommeren om mensen in de buurt, niet om de mensen in Afrika'. Op deze instructie valt natuurlijk heel wat af te dingen, toch besloot ik moeder Prinsen maar eens als leidraad te nemen. Toen ik aan deze blog begon was ik namelijk van plan om het eens driftig te hebben over de toestand in de wereld, de verloedering, wie weet teloorgang, van de aarde door menselijk handelen en nalaten, en meer van dat soort grote gedachten. Bij voorbeeld over de (vermeende) bewusteloosheid van de gemiddelde wereldburger ten aanzien van het milieu, ook die uit mijn directe omgeving: 'even' naar Moskou vliegen om een ontbrekend visum-stempel alsnog in het paspoort te krijgen, vier dagen naar Maleisië 'gewoon omdat ik daar nou eenmaal voor uitgenodigd ben', 'natuurlijk eet ik kalfsvlees, want dat is lekker', 'ik kon er niet onderuit om mijn zoontje en zijn elftalgenoten met de auto naar het andere einde van het dorp te brengen omdat ze anders met hun fietsen voor gek zouden staan'. Verbijsteringen van de laatste week. - Kortom, in het kielzog van Ma Prinsen besloot ik terug te keren tot mijn allernaaste omgeving, en dus mijn eigen straatje maar eens onder de loep te nemen. Tenslotte is ook dat een 'heel klein stukje aarde'. Erfdienstbaarheden Eenmaal achter de computer probeerde ik me volledig op deze blog te concentreren, maar dat valt niet mee als in het huis naast ons de makelaar bezig is om potentiële kopers over te halen om nu eindelijk eens een beslissing te nemen. Over kippestront op het terras spreken ze, over de diepte van de tuin en 'de afstanden die je daartoe moet overbruggen', over wel/geen erfdienstbaarheden en over de boemeltrein op het aanpalende spoortalud. Tja, die woning valt met de onze 'onder één kap', dus het gepraat achter het huis valt niet te negeren - een van de nadelen van een halfvrijstaand huis. Buren lijken dan algauw 'luidruchtig' als ze 'normaal' doen. - 'Eén op de vijf Nederlanders klaagt geregeld over de buren,' lees ik in de krant. Zelf heb ik goede én slechte ervaringen, en ja, het is dus glad ijs waar ik me op bevind, in een smalle dorpsstraat nog al liefst, met een bol wegdek van visgraatbestrating. En met een zekere bemossing en begrassing tussen de steentjes waar slechts betrekkelijk weinig doorgaand verkeer overheen rijdt. Maar daar wordt intussen aan gewerkt: steeds meer huizen tellen nu twee of meer auto's aan de straat, vooral in het weekeinde is het 'volle bak'. Sommige mensen noemen dat vooruitgang, anderen verloedering. Onze 'andere' buren en wij doen het zonder auto, dat is te weinig om te voorkomen dat ons straatje een en al parkeerplaats wordt. En wie weet wat de nieuwe kopers doen. Vandaag kwamen de kijkers het huis alvast met drie auto's bezichtigen, één daarvan was van de makelaar. 'Uw buurthoofd' Af en toe steekt er een A4'tje met weinig tekst door onze brievenbus. Het komt van ene Freek op nummer 20A, die de mededeling steevast ondertekent met 'uw buurthoofd'. Wat dat is, buurthoofd, weet ik nog steeds niet, maar het doet me denken aan de tijd van de BB ('Bescherming Bevolking' uit de jaren vijftig, een van overheidswege opgelegde buurtpreventie zeg maar) toen er 'blokhoofden' waren aan wie je formeel moest gehoorzamen in tijden van nood of onlust. BB en blokhoofden waren niet geliefd, bazige amateurs in nep-overalls als het waren. Ons zelfbenoemde 'buurthoofd' kan derhalve rekenen op mijn spontane wrevel, nog vóór ik ook maar één letter van zijn missieve gelezen heb. Meestal gaat het A4'tje van Freek over importante zaken als het vlaggen tijdens de oranjefeesten, de strikte uitvoering van de straatversiering, de buurtspelen-met-praalwagen of de jaarlijkse 'buurtbarbecue'-in-de-augustusregen achterin de tuin van Jolalita ('oja, en wie heeft er nog een grote partytent te leen?'). Allemaal aangelegenheden waar ik licht allergisch voor ben, en waar ik Freek dan tijdig van in kennis moet stellen. Anders komt hij langs voor hom of kuit, en waarom dan wel niet. Freek heeft er maar druk mee, en anders ik wel. - Maar tevreden zijn we geen van tweeën. Een goede buur... Buurman E. van drie deuren verderop is met de stille trom vertrokken. Ineens lopen zijn kinderen zijn huis leeg te sjouwen, en (ook al) te koop te zetten. Viavia horen we dat ie een aanleunappartement betrokken heeft in het plaatselijke 'woonzorgcomplex'. Daar meende hij al sinds de dood van zijn vrouw recht op te hebben, en nu is het dan eindelijk toch gelukt. E. is dik in de tachtig, was zo'n beetje de personificatie van ons deel van de straat, altijd en alom aanwezig - en daarom is het nu zo vreemd dat ie er van het ene op het andere moment en zo totaal niet meer is. Achteraf had ie er liever nooit van z'n leven gewoond, in ons straatje, het kwam allemaal door zijn vrouw, uiteraard. - Maar dat van die stille trom... ik voel me er merkwaardigerwijs toch een beetje door miskend. Viavia is onze enige echt goede bekende in de straat, van haar horen we de nieuwtjes die de rest van het dorp allang schijnt te weten. Met haar delen we een krant en menig etensmaal. Zij woont al tientallen jaren in ons straatje, en brengt ons van lieverlede op de hoogte van zijn volledige ontwikkelingsgang. (Zo heb ik bij gelegenheid bij voorbeeld wel eens de indruk dat zij ons huis beter kent dan wijzelf!) Na de dood van haar man - die ik nog persoonlijk mede ten grave heb mogen dragen - heeft onze vriendschap zich verdiept, terwijl die tóch niets kneuterigs heeft gekregen. Dat geeft me een gevoel van volwassen tevredenheid. Moestuinen De forse achtertuinen in onze straat demonstreren uiteraard ook enigszins de karakters van zijn bewoners. Sommige tuinen bieden geen enkele interne of externe beschutting, alles en iedereen loopt er los in het open en bloot van de eigen natuur. Andere tuinen neigen van voor naar achter en van links naar rechts naar het donkere bos. Wat wij niet allemaal aangeplant hebben in die acht jaar dat wij er wonen! En met achterin ook nog eens een schuur van nagenoeg volle breedte. Over de dieren die ons dat onder andere allemaal oplevert schreef ik onlangs al eens. Maar gisteravond nog trof ik bij het afsluiten van ons erf een salamander voor de deur van het boekhuis aan, en onder het lezen in het wonderlijke boek 'Leve de vrijheid' van Tom Hodgkinson kronkelden er minimaal twee miniregenwormpjes over Tom's hilarische pagina's heen. (Lees vooral toch de interessante recensie van dit boek op de 'recensie'-pagina van deze Zeepkist, zie de linkerkolom bovenin deze pagina. Zéér de moeite waard, net als het boek. Ik kan het niet genoeg benadrukken.) Maar noch in de open, noch in de gesloten tuinen (buiten die van ons dan) neem ik moestuinen waar. Een enkele kan natuurlijk in het 'bos' verscholen liggen, in de open tuinen wordt overduidelijk niets verbouwd. Wat doen mensen eigenlijk met hun tuinen? Gazon maaien met veel elektrisch geweld, voetballen, laten verwilderen, barbecuen, en nog eens barbecuen, en dan ineens weer met de bladblazer elk verkeerd liggend sprietje verwijderen als er 'kijkers' komen voor de aankoop/verkoop: in ons straatje is er geen standaardgebruik van de tuin. Ik geloof dat wíj er misschien wel de meeste tijd en energie in steken, omdat we die hebben! Door toepassing van sijpelend meer ideeën van de permacultuur is het aanzien van onze tuin tevens aan het veranderen, het parklandschap is inmiddels míjlen ver weg. Wie weet volgen er meer tuin-intensiveringen als de crises eens écht beginnen door te werken. 'O, er is zoveel!' (Toon Hermans) Werkelijk, zo'n straatje kan gerust model staan voor een veel groter geheel. Er zijn immers nog zoveel aspecten... Zo woont er bij mijn weten - ondanks het Turkse Döner-busje dat ik vanmorgen bij de te koop staande slagerij zag staan - nog geen enkele 'nieuwe Nederlander met een inburgeringsdiploma' in onze straat, hebben een aantal bomen in voortuinen inmiddels een onverantwoorde hoogte bereikt, viert de Wereldwinkel binnenkort haar 25-jarig fair trade bestaan, en heb ik doorlopende bedenkingen bij de vuurwerkopslag in de schuur achter het Visserijpaleis. In onze straat staan minimaal vier huizen te koop waarvan één al meer dan zes jaar, heb ik hier inmiddels ook een bakfiets met kinderen voorin gesignaleerd, en heeft een overbuurman voor zijn derde auto een aparte stalling laten bouwen. Elke week komen er minstens twee collectanten aan de deur waarvan zeker de helft met geraniums of oliebollen voor een plaatselijke club, bonst Zwarte Piet op 5 december gegarandeerd aan je voorraam, en wordt de krant sinds enkele weken niet voor 8 uur 's morgens bezorgd. In de plaatselijke sufferdjes wordt elk babykreetje tot olifantengeschal opgeblazen, en is de aanhouding van een bestuurster wegens vermeend drankgebruik groot voorpaginanieuws. Soms zie ik ook wel eens een foto van schoolkinderen die hardlopen voor het goede doel, een kindertehuis in een van de jumelage-steden aan de andere kant van de wereld. Toevallig niet Afrika, mevrouw Prinsen, maar ergens in Nicaragua. Elke dorpsstraat is de aardbol in miniformaat. Maar hoelang nog? O, was er alvast maar een 'café op de hoek' om daar eens over door te bomen! Alsmede over de kwetsbare geneugten van de kleinschaligheid, de schonere luchten, het lange-afstands-wandelpad langs je voordeur, het grote water aan de overkant van de snelweg: de vele paradijselijke kanten van de gelukzaligheid kortom. In de woorden van de dichter Dat kan niet missen: bij zo'n tekst over 'je eigen straatje' past natuurlijk en vanzelfsprekend het gedicht 'De Dapperstraat' van J.C. Bloem (1887-1966). Het stamt uit 1947 (uit de bundel: 'Quiet though sad') en ook toen al stelde de dichter zich de vraag: 'Wat is natuur nog in dit land?' Plus het beroemde antwoord natuurlijk. - Het mooiste vind ik nog de laatste alinea: het is net als vandaag een regenachtige dag, ook ik was in een licht filosofische bui, en eindigde bij de conclusie: dik tevreden met m'n eigen straatje! DE DAPPERSTRAAT Natuur is voor tevredenen of legen. En dan: wat is natuur nog in dit land? Een stukje bos, ter grootte van een krant. Een heuvel met wat villaatjes ertegen. Geef mij de grauwe, stedelijke wegen, De in kaden vastgeklonken waterkant, De wolken, nooit zo schoon dan als ze, omrand Door zolderramen, langs de lucht bewegen. Alles is veel voor wie niet veel verwacht. Het leven houdt zijn wonderen verborgen Tot het ze, opeens, toont in hun hoge staat. Dit heb ik bij mijzelve overdacht, Verregend, op een miezerige morgen, Domweg gelukkig, in de Dapperstraat. naar boven 10 augustus 2010 Hallo Bandoeng, hier Radio Kootwijk Hier gaat het allemaal níet over! Vier dagen fietsen over de Veluwe, en onderwerpen bij de vleet om een balthasarsblog over te schrijven. Een paar voorbeelden: - aan een picknicktafel midden in de bossen rond Leuvenheim hadden wij een ontmoeting met de reïncarnatie van acteur en komiek Jan Blaaser (1922-1988, en toch vooral bekend van het lied M'n tante heeft een olifant - tètèterèttètè - dat ding ligt in een ledikant - tètèterèttètè. Het slurrefie hangt buitenboord - tètèterèttètè - zodat je niet zijn snurken hoort - tètèterèttètè. Enzovoort, wie kent het niet?), die tegenwoordig vooral in kilometerslange wandelingen doet, met de paraplu én de electronische stappenteller als enige gezelschap ('hihaheerlijkjes, meneer!'); - op de open heide nabij Nieuw Milligen klampte een fietsend echtpaar uit de Zaanstreek ons aan over de geneugten van de supergrote paraplu als wapen tegen het hemelwater maar vooral toch als liefdesschuilhut ('want daar moet je toch altijd aan blijven werken, nietwaar?, oja, en altijd vakantie in Nederland, met de caravan, jazeker!'); - en in de eetzaal van het Mennorode-complex in Elspeet liepen 's morgens in alle vroegte al ge-badge-te mensen rond met de Jehova-vraag 'of u gezelschap tijdens het ontbijt op prijs stelt. Maar u mag natuurlijk ook nee zeggen, hoor.' - En dan zwijg ik nog maar over de stipt op de openingstijd geloste bus Japanse toeristen die in grote drommen de witte fietsen naar het Kröller-Müller Museum bestegen en aldaar alle doeken van Van Gogh kiekten; - zo zwijg ik ook over de museumsuppoost ('wilt u zachtjes praten, er wordt hier gefilmd!') die zich als rashumorist ontpopte aangaande de heilige pointillist Theo van Rijsselberghe ('toen de kunstenaar klaar was met dit schilderij wist ie alleen nog uit te brengen dat ie er een punthoofd van gekregen had'); - en over de heerlijke vegetarische soep met ster-anijs te Otterlo ('o, die is gemaakt op basis van... 's even navragen, oja, kippebouillon!'). - Inderdaad, hier gaat het allemaal níet over in deze blog. Want het toppunt van onze vierdaagse was toch wel het bezoek aan Radio Kootwijk, Zendgebouw A - die Betonnen Wachter temidden van 450 hectare bos en heide, bijgenaamd 'De Sfinx' of ook wel 'De Kathedraal', en waar wij de imponerende kunstmanifestatie 'De Volgende Toon' bezochten. Radio Kootwijk Uit de taai beschreven geschiedenis op Wikipedia haal ik de volgende gegevens over het ontstaan van Radio Kootwijk. Met deze informatie bij de hand is de tentoonstelling 'De Volgende Toon' (Installaties in voormalig zendgebouw Radio Kootwijk - Project van Odd Enjinears - 14 juli t/m 22 augustus 2010) een stuk beter te volgen. Dus... Begin twintigste eeuw ontstond er grote behoefte aan radiocontact tussen 'Nederlandsch-Indië' en het moederland Nederland. In 1917 verrees er een zend/ontvang-station nabij Bandoeng op het eiland Java. Voor de Nederlandse locatie viel de keuze op een stuk Veluwe. Het terrein werd geëgaliseerd, wat inhield dat alle begroeiing werd verwijderd om zo een ongestoorde 'zendcirkel' te kunnen creëren. Toen het goederenvervoer intensiever werd, werd er een spoorlijn aangelegd naar Station Kootwijk, de latere naamgever van het zend- en ontvang-complex. Er werd een grote antenne gebouwd, bestaande uit koperen kabels die met elkaar verbonden waren en die rustten op 200 meter hoge masten, en koperen kabels onder de grond. In het hart van dit systeem werd een radiostation gebouwd. Dit werd ondergebracht in een gebouw van gewapend beton, ontworpen door de Amsterdamse architect Julius Luthmann (1890-1973). Deze had bij het ontwerp gedacht aan een Egyptische sfinx, die bij goed kijken ook nu nog te ontwaren is. Op 7 januari 1929 werd de radiotelefoondienst officieel geopend voor het publiek door koningin-moeder Emma. Na deze gebeurtenis werden de woorden "Hallo Bandoeng, hier Den Haag" legendarisch. Nu kon het Nederlandse publiek met Nederlands-Indië bellen. Zo'n gesprek was een hele gebeurtenis. Men moest ervoor naar een telegraafkantoor in een van de vier grootste steden van Nederland, en kon dan voor ruim 30 gulden, wat toen een heel vermogen was, een gesprek van drie minuten voeren. Door de ontwikkeling van nieuwe telecommunicatietechnieken zoals satellietverbindingen verloor Radio Kootwijk in de loop van de twintigste eeuw zijn positie als belangrijk radioverbindingspunt. In maart 1980 werd de laatste zendmast neergehaald. In 1999 verloor het park elke zendfunctie. Het gebouw is een wonder van schoonheid en absurdisme in één, met name door de imposante grootte en de solitaire ligging. Daar kun je overigens langzaam aan wennen als je erheen gaat: het is echt een heel eind (om)-fietsen. En je moet ook weer terug om je eigen route te vervolgen. Maar wat een beloning krijg je er! De Volgende Toon In de immense hal, en ook op de twee verdiepingen hoge omgang van Zendgebouw A staan ruim tien 'installaties' opgesteld. Daar mag je aankomen en inkomen, sterker: de meeste installaties worden pas door publieke activiteit tot levende geluiden gewekt. Zo is er een Morse Knikker Baan van twee 15 meter lange rails, waar je stalen ballen op kunt laten rollen. Terwijl de ballen rollen klinken er morseboodschappen: de 'zender' en de 'ontvanger' wisselen gecodeerde begroetingen uit, één in het Nederlands, één in het Indonesisch. Het eerste bericht luidt: Hallo Bandoeng, hier Radio Kootwijk. Het retourbericht luidt natuurlijk: Hallo Radio Kootwijk, hier Bandoeng. D-Fence is een klinkende doolhof van anti-inbraak-hekwerk dat middenin de enorme ruimte staat. Met estafettestokjes kun je tegen de 'tralies' slaan (of rammen!), muziek maken zoals het jou uitkomt. En denk maar niet dat er alleen kinderen tegen het hekwerk staan te timmeren hoor, ik zag voornamelijk 'ouderen' die de lol van hun leven hadden! - In de informatiefolder wordt gesuggereerd dat deze installatie een vrije interpretatie is van de Javaanse gamelan, ik hoorde er voornamelijk jeugdherinneringen in. De Gladiator is de grootste bashoorn van het westelijk halfrond (zegt de folder). Het is een enorme toeter met een open bek van zeker drie meter doorsnee. Op bepaalde plekken in de D-Fence kun je de hoorn in werking stellen. Oef! Elders loop je door een hangend Bamboebos. Het is onmogelijk om erdoorheen te gaan zonder de bamboestokken in beweging te brengen. En de geluiden die je dan veroorzaakt! Enfin, zo kan ik nog wel even doorgaan, Maar veel beter is het om er zelf een keer heen te gaan. Trek er wel voldoende tijd voor uit, want na alle installaties in werking gezet te hebben, moet je zeker nog wat tijd besteden aan het interieur van dit werkelijk magistrale gebouw. Richt je blik zeker ook op de 'hemel' met die ongelooflijk enorme spanten (hoe zouden ze die daar gekregen hebben?). En vergeet ook het trappenhuis niet: een en al Jugendstil-gewaarwordingen! Gaat dat zien! Het is onmogelijk om deze Balthasarsblog níet te besluiten met het lied Hallo! Bandoeng! van Willy Derby (muziek) en E. Paoli (tekst), uit 1929. Zo'n eerste enerverende radio-telefoongesprek, dat móest wel tot de volgende smartlap leiden, en tot de 'dood' van de 'ouwe vrouw'. - Later ook nog eens vertolkt door Wieteke van Dort, maar dan ietsje anders. HALLO! BANDOENG! 't Kleine moedertje stond bevend Op het telegraafkantoor Vriendelijk sprak de ambtenaar: Juffrouw Aanstonds geeft Bandoeng gehoor! Trillend op haar stramme benen Greep zij naar de microfoon En toen hoorde zij, o wonder Zacht de stem van haren zoon: Hallo! Bandoeng! - Ja moeder, hier ben ik! Dag lieve jongen, zegt zij, met een snik Hallo, hallo! - Hoe gaat het ouwe vrouw? Dan zegt ze alleen: Ik verlang zo erg naar jou! Lieve jongen, zegt ze teder Ik heb maanden lang gespaard 't Was me, om jou te kunnen spreken M'n allerlaatste gulden waard! En ontroerd zegt hij dan: Moeder Nog vier jaar, dan is het om Oudjelief, wat zal 'k je pakken Als ik weer in Holland kom! Hallo! Bandoeng! Jongenlief, vraagt ze, hoe gaat het Met je kleine, bruine vrouw? Best hoor, zegt hij, en wij spreken Elke dag hier over jou En m'n kleuters zeggen 's avonds Voor 't gaan slapen 'n schietgebed Voor hun onbekende opoe Met 'n kus op jouw portret Hallo! Bandoeng! Wacht eens, moeder, zegt hij lachend 'k Bracht mijn jongste zoontje mee Even later hoort ze duidelijk: Opoelief, tabé, tabé! Maar dan wordt het haar te machtig Zachtjes fluistert ze: O Heer! Dank, dat 'k dat heb mogen horen! En dan valt ze wenend neer Hallo! Bandoeng! Ja moeder, hier ben ik! Zij antwoordt niet, hij hoort alleen 'n snik Hallo, hallo! klinkt over verre zee... Zij is niet meer En het kindje roept: Tabé! naar boven 26 juli 2010 Zomeropruiming In de aanbieding In de stille tijd van de zomer probeerden winkeliers vroeger van hun zogenaamde winkeldochters af te komen, kennelijke misinkopen waar niemand de vraagprijs voor wilde betalen. Ze zetten een enkele aanbieding voor een appel en een ei in de etalage, en hoopten daarmee vakantie-klanten hun nering binnen te lokken. En als die eenmaal binnen waren, dan vonden ze bijna altijd wel iets van hun gading, al was het maar omdat die extraordinaire schoentjes of dat licht beschadigde regenjek voor bijna niks meegenomen konden worden. Klant blij met het koopje waar ie al maanden z'n zinnen op gezet had, winkelier opgelucht omdat hij nu eindelijk ruimte kreeg voor de nieuwe collectie zonder ál te veel verlies te lijden. Toen ik nog 'op kantoor' werkte, deed ik vlak voor m'n vakantie niet anders: ik ruimde m'n bureau grondig op om na de vrije tijd met een schone lei te kunnen beginnen. Of de collega's altijd blij waren met de cadeautjes die ik ze in die tijd in hun maag splitste, dat betwijfel ik. Ik denk dat er op kantoren heel wat vakantieaanbiedingen ongeopend het ronde archief in gaan. - Hoe dan ook: volgende week geen Balthasarsblog wegens een korte fietsvakantie. En vandaar dus deze week enkele restanten in de zomeropruiming. Levendig buitenleven Onze buren hebben hun huis te koop staan omdat ze ergens anders gaan wonen, ze gaan boeren. De laatste tijd hebben ze daarom (?) hun assortiment huisdieren drastisch uitgebreid en vervangen: ze hebben nu kippen in diverse kakelvarianten, katten, honden, marmotten en een kooi met parkieten, de sierduiven hebben het inmiddels afgelegd tegen enkele afgetrainde buizerds. De honden oefenen hun stembanden dagelijks minimaal vijfmaal met grote uitbundigheid, de kippen klagen elke dag harder en vaker, tevens hebben ze nu ontdekt dat onze groentetuin lekkerder is dan hun eigen grasveld, de marmotten beginnen te piepen en in hun tredmolentjes rond te rennen zodra ik de achterdeur maar opendoe, de witte kat springt nu 's nachts geregeld door de openstaande slaapkamerdeur op ons bed, kabaalhondje Bart heeft na de slaapkamer nu ook onze badkamer ontdekt, de parkieten staan onder hun theedoek onze buiteneettafel te bejubelen of te beschimpen, ik kan het verschil niet horen. - De hele menagerie is driftig op weg om uit zijn eigen krachten te groeien. Vanmorgen nog probeerde ik een van de hooggepote hennen naar haar eigen erf terug te jagen. Nooit geweten trouwens dat dat zulke slimme dieren zijn: bij elke struik of heggetje wist ze me schichtig te ontsnappen, terug onze woonkamer in of op zoek naar de hoogte binnen het boekhuis. Ten einde raad riep ik een grote lege verhuisdoos te hulp, de kip bleef onaanraakbaar. Ik gaf het op, en ging naar m'n Balthasarsblog terug. In de spiegeling van het glas zag ik de bruine kip via de composthoop, de houtwal en de heg schel schaterlachend huiswaarts keren. Ik ging naar de kelder om m'n nederlaag op een verse appel te verhalen. En wie zat daar in de kist met elstars? De grote vette kikker uit onze eigen vijver, timide, bibberend en duidelijk de weg kwijt. Hoe ik 'Kikker' uiteindelijk terug de vijver in kreeg, vertel ik misschien een andere keer. Alsdan wellicht ook de geschiedenis van de vlaamse gaai die vorige week in onze broeikas verzeild geraakt was, en hoe ik die daar ten langen leste uit wist te bevrijden. - Jaja, het buitenleven zit vol onverwachte wendingen! Boekenmarkt Gister nog even naar de Boekenmarkt aan de IJsel geweest. Drommen volks en een levendige handel, aardige ontspannen sfeer ook. Ik ga tegenwoordig nooit meer op de bonnefooi naar zo'n evenement, ik bepaal vooraf welke twee of drie titels of schrijvers ik op het oog heb, en daar houd ik het bij, grandioze uitzonderingen natuurlijk daargelaten. Gister ging ik voor de dichters Pierre Kemp en Joseph Brodsky. Kemp heb ik momenteel 'in studie' na de aanschaf van de biografie 'Pierre Kemp - Een leven' die Wiel Kusters over hem schreef, van Brodsky wil ik al langer 'meer weten', dat is tenslotte een wereldster. Bij de eerste de beste kraam al viel mijn oog op 'Bij nader inzien' van Voskuil, lang gewenst, nooit verkregen. 15 euro, beetje duur, en 'momenteel niet in het oog'. Maar wat zie ik daar in het staande fruitkistje liggen? Merlyn, tweemaandelijks literair tijdschrift, 1e jaargang 1962/3 (zie ook mijn blog 'Close reading' dd. 25 mei jl.). - 'Moet dat kosten, meneer?' / 'Even kijken. 3 euro per aflevering. 1e jaargang compleet, geef maar 15 euro.' / 'Verkocht!' - En daar liep ik al met m'n eerste 'grandioze uitzondering'. 10 kramen verder lacht me daar zomaar 'De herfstkreet van de havik' tegemoet, Joseph Brodsky, een keuze uit de gedichten 1961-1986. Ik pak de ingesealde uitgave en loop er mee naar de verkoper die net een praatje maakt met Martin Ross, notoire boekenmarktbezoeker waar ook in Nederland. - 'Aaah, Joseph Brodsky!' kraait Ross, 'waar hebt u die in godsnaam vandaan? Geweldige schrijver!' / 'Gewoon uit de kraam van meneer hier. Wat moet ie kosten, meneer?' / 'Voor 10 euro bent u de bofkont, meneer!' - Ik ben de bofkont. En Martin Ross begint op zijn bekende van-dik-hout-wijze af te geven op een boekje waar de naam Geert Wilders op voorkomt. Omstanders gaan meteen met hem in discussie, van leve Geert en zo! Ik ontsnap naar de grafische kraam met de keur aan ex libris-boeken, veel interessanter, en je hóeft er niks te kopen! Eén kraam verder hangt 'De geschiedenis van de NSB in Nederland' aan de waslijn. Hoog tijd om naar huis te gaan. Dwangarbeiders Niet van de boekenmarkt, maar geleend van m'n zwager: Marloes van Westrienen, 'Dwangarbeiders - Nederlandse jongens tewerkgesteld in het Derde Rijk'. Of ik dat niet eens wilde bekijken, 'want er staat een verhaal in over de vader van een vriendin van ons'. - Dat wilde ik wel, omdat het een heel bijzondere uitwas van de tweede wereldoorlog betreft, en omdat ik er hoegenaamd niets van wist. En het boek heeft me geraakt, meer dan ik in aanvang gedacht had. Mede omdat het verscheidene parallellen blijkt te hebben met 'De kleine sjoa - Joden in naoorlogs Nederland', dat verpletterende boek van Isaac Lipschits over de meer dan kille ontvangst in Nederland van joden die uit de concentratiekampen terugkeerden (zie ook Balthasarsblog 'Godbewaarne', dd. 24 december 2008). Tijdens de tweede wereldoorlog waren miljoenen Duitse mannen als soldaat in het leger van Hitler. Dus hadden handel en (oorlogs)-industrie een schreeuwend tekort aan mannelijke arbeidskrachten. De oplossing die de nazi's daarvoor bedachten, heette de 'Arbeitseinsatz' en behelsde een grootschalig dwangarbeidproject van mannen uit alle veroverde landen. Een half miljoen Nederlandse jongens (17 jaar en ouder) en mannen werden vanaf 1943 opgepakt en onvrijwillig tewerk gesteld in alle uithoeken van Het Derde Rijk (30.000 van hen overleefden het niet). Toen ze na het einde van de oorlog in Nederland terugkeerden, werden de meesten van hen niet bepaald met open armen ontvangen. Veel mannen werden verguisd als landverraders en collaborateurs, 'ze hadden immers voor de vijand gewerkt'. Marloes van Westrienen heeft voor het eerst de verhalen van veel oud-dwangarbeiders opgetekend en daardoor 'in een breder kader gezet'. Vlak na de oorlog hadden ze immers niets in te brengen of werden hun verhalen domweg niet geloofd: de oorlogservaringen van het thuisfront en die van de teruggekeerde mannen strookten eenvoudigweg niet met elkaar, ieder had zijn eigen oorlog meegemaakt. Nu, na zoveel jaren, is er over en weer meer ruimte en dus ook meer begrip. - Nu de asielzoekers nog, welt in mijn gemoed naar boven. Of moeten die eerst ook maar zo'n jaar of vijftig geduld hebben? Even weg Jan Blokker kan dit niet meer boven zijn juli-stukje zetten, Blokker heeft geen vakantie meer, want van vakantie keer je terug. Zo niet Jan, die heeft nu het eeuwige leven, maar dan elders. - Ik hoop wel degelijk nog terug te keren van een weekje fietsen, en daarom mag ik Jan z'n stukjestitel deze keer lenen, 'Even weg', en daarna weer fluks aan het werk, met nieuwe blogjes en nieuwe gedichten. Niet nieuw, maar wel fluks en fris is het lied 'Op fietse' van Daniël Lohues, de Drentse liedjeszanger en performer die een heel groot publiek verdient. Koop nou 's een cd van die jongen, elke aflevering uit de serie 'Allennig' is raak, van Deel I - Winter (met o.a. 'Pries de dag nie veur 't aobend is') tot en met Deel IV - Herfst (met o.a. 'Elk Mens Die Hef Zich 'N Kruus Te Dragen'). Lohues was de zanger van de groep Skik, een paar jaar geleden ging hij alleen ('Allennig') verder. Het nummer 'Op fietse' stamt uit de Skik-tijd (1997), tekst en muziek: Daniël Lohues, ook toen al. OP FIETSE Ik trap de fietse deur 't buulzand hen Op 'n zandpad tussen Slien en Erm En as ik dalijk even in Diphoorn ben dan fiets ik deur Langs Ermerzand gao'k op Veenoord an Neij Amsterdam en dan langs 't Dommersknaal En as ik dalijk dan de kassen zie dan fiets ik deur Want ik wul aal wieder ik wul alles zien De leste mooie dag van 't jaor misschien Alhoewel 't met de winterdag ok donders mooi kan wezen Ik wul aal wieder deur naor Weiteveen Want achter op 't veld daor mag 'k graag wezen A'k hier zo fietse en 't weijt nie slim dan giet 't haost vanzölf Wie döt mij wat, wie döt mij wat Wie döt mij wat vandage 'k Heb de banden vol met wind, nee ik heb ja niks te klagen Wie döt mij wat, wie döt mij wat Wie döt mij wat vandage Ik zol haost zeggen, jao 't mag wel zo Ik trap de fietse deur 't buulzand hen op 'n zandpad langs de Duutse grens Ik denk da'k dalijk even kieken gao in 't buutenland De gruppe over, op naor Schöningsdorf Ik stao even te kieken bij'n iemenkörf En ik stao hier even te denken wat za'k nou doen links of recht deur Want ik wul aal wieder nog naor Hebelermeer 'n Kaorte he'k nie neudig want ik ken 't hier Want a'k daor dalijk over 'n slootie gao dan ben'k weer terug in Nederland Ik wul aal wieder nog naor Barger-Compas Naor Klazienaveen-Noord en 't Oostersebos A'k hier zo fietse en 't weijt nie slim dan giet 't haost vanzulf Wie döt mij wat, wie döt mij wat En nou gao'k over Barger-Oosterveld Over 't schoelpattie kört daor bij de Honeywell En dan recht deur tot de brugge van Oranjedorp 'n Stukkie Bladderswieke en dan de Herendiek En a'k pastoorse bos en de toren zie dan fiets ik deur want 't weijt nie slim 't giet vandaag vanzölf Wie döt mij wat, wie döt mij wat naar boven 21 juli 2010 Arendsoog van vader op zoon Drie keer toeval is toeval Via drie toevalligheden op één dag zit ik nu even volop in het verleden van mijn redactionele werk in de educatieve uitgeverij, dat ik van 1962 tot 2001 gepraktiseerd heb. Het was waratje mooi werk, en ik heb er in de loop van de jaren heel veel aardige mensen ontmoet. Vanzelfsprekend ook enkele draken, maar die blijken door de inwerking van een doorgaans opgewekt humeur steeds verder te verbleken tot onbeduidende schimmen uit het hiervoormaals. Een van de aardige redacteuren uit de latere periode kwam ik vanmorgen bij de Stads-Bio tegen, hij keek nogal zorglijk en meldde dat het met zijn ZZP-'acquisitie' de laatste tijd niet erg vlotte, maar dat hij zich had voorgenomen om daar na zijn maand vakantie in Maastricht eens flink werk van te gaan maken, en dat hij binnenkort 'langs' zou komen om dat hete hangijzer van de kleine zelfstandige redacteur eens nader met me te bespreken, en ja, dat adres dat onthield ie wel, maar 'nu' moest ie toch wel gezwind terug naar zijn vakantieadres. Ik zou van hem horen. En de lezer van de Balthasarsblog straks dus ook. Een andere 'educatieve' persoonlijkheid ontmoette ik tijdens de lunch postuum in een artikel uit de zaterdagbijlage 'Spectrum' van Dagblad De Stentor, hij oogde wat ouwelijk en onveranderlijk katholiek en vergevingsgezind jegens het taalgebruik van zijn compaan Witte Veder, Arendsoog dus. Dat artikel van zaterdag jl. leidde gelukkigerwijs weer tot een greep in de kast met herdenkingsboeken en libri amicorum, in welke greep zich tot mijn verrassing enige persoonlijke correspondentie met m'n eerste en allerbeste uitgeverijcontact Piet Ruys bleek te bevinden. Toeval bestaat niet, zei de profeet, want alles is toeval. Arendsoog Jubilaris Het bewuste artikel in 'Spectrum' heeft de knallende kop 'Arendsoog wordt 75', en heeft de volgende intro: 'Arendsoog, de enige Nederlandse cowboy, viert dit jaar (2010) zijn 75e verjaardag. Nog altijd lopen er op boekenmarkten fans, vaak de 40 al gepasseerd, die de serie van 63 delen compleet proberen te krijgen. Arendsoog en zijn grote vriend Witte Veder zijn nog springlevend.' - Daaronder het omslag van deel 1 ('Arendsoog') op ware grootte, met op de jaren vijftig-tekening van Hans G. Kresse de J.R. Ewing avant la lettre, en uiteraard de naam van de schrijver: J. Nowee, en die van de uitgeverij: Malmberg. - 'Malmberg' was mijn eerste echte baan, ik begon er meteen na mijn diensttijd, 5 februari 1962, en heb er het redactionele vak geleerd van hoofdredacteur en adjunct-directeur Piet Ruys (ik eer hem hier met zijn nom de plume). 'Arendsoog' was een van de projecten waar ik me bijna meteen na binnenkomst in het bedrijf mee moest bemoeien, nou ja, ik mocht de fouten uit het zetsel halen, en er op toezien dat de tekenaar de omstandigheden uit de tekst getrouw in zijn illustraties realiseerde. Die tekenaar was Hans G. Kresse, kunstenaar van een niveau dat de kwaliteit van de Arendsoog-verhalen naar mijn idee verre overtrof. En die Kresse was niet gek hoor, ook al was hij naar de normen van toen een beetje een grappig-merkwaardige man. Trof hij in de kopij van de Arendsoog-auteur het stadje 'Dessert town' aan, dan kon hij het niet laten om in de marge te noteren: 'Jaja, en maar toetjes eten in de woestijn, jaja!' - Een Arendsoog moest altijd onder hoge spanning geproduceerd worden omdat de auteur altijd te laat was met zijn manuscript. Hans Kresse deed daar meestal nog een schepje bovenop: ook te laat, bovendien moest er altijd nog wel iets veranderd worden aan de tekeningen. Hans kwam deze correcties meestal ter uitgeverij uitvoeren en schrok er niet voor terug om daartoe onder de tafel te verdwijnen. Een serieuze man om mee te lachen, zeker. Vader en zoon Arendsoog In het artikel in de Stentor stipt kleinzoon Jack Nowee o.a. de geschiedenis aan hoe het schrijverschap van J. Nowee na diens dood overging op zoon P. Nowee. Bij de dood van J. in 1958 lag de helft van deel 20 ('Arendsoog en de goudkoorts') in typoscript gereed, ideeën over de tweede helft gingen met J. het graf in. Uitgeverij Malmberg vroeg de familie Nowee toestemming om een andere auteur het boek - anoniem - af te laten maken. Die 'anonieme andere auteur' was mijn baas bij Malmberg, Piet Ruys. Vooruit met de geit, Malmberg kreeg de toestemming en Ruys schreef het boek af. In zijn memoires ('Van aanleiding tot zucht (van verlichting) - Klein uitgeverswoordenboek') beschrijft hij dat als volgt: 'Ik heb het gedáán, d.w.z. ik heb me in wat ik voor de stijl van Jan Nowee aanzag een paar weken in mijn avonduren uit de naad gewerkt, om een voltooiing te produceren met zo'n turbulentie aan verwikkelingen dat het kruit voor nóg vier Arendsogen verschoten leek.' - De familie Nowee wees deze versie af, en kwam schoorvoetend met een eigen resultaat op de proppen: zoon Paul had zich in het diepste geheim teruggetrokken met een doorslag van het onvoltooide meesterwerk, en nou ja, u begrijpt... memoreert Ruys: 'De familie was er ook door overvallen, maar het zou toch wel heel mooi zijn als een zoon van de Schepper van Arendsoog...' Kleinzoon Jack geeft in De Stentor een wat pittiger versie van deze bijeenkomst: 'Het manuscript was volgens de familie niet slecht, maar het was geen Arendsoog. De familie zei: "Dit willen we niet. Als het zo moet, dan maar niet!" Zoon Paul Nowee werd zelfs boos en vond het van de gekke dat een ander met zijn vingers aan het boek van zijn vader zat.' - Ruys schrijft hierover in zijn levensterugblik: 'Ik zag mijn (anonieme) voltooiing al wegsmelten vóór ik dat stuntelige, primitieve geschrift van Paultje gelezen had.' Piet Ruys, bewonderaar En zo geschiedde, en nog eens en nog eens en... Tot de serie uit 63 delen bestond: 19,5 van vader J. en 43,5 van zoon P. Verder ging het niet, P. stierf in 1993, en had bij testament bepaald dat niemand de serie voort mocht zetten, ook niet als er een halfvoltooid manuscript zou liggen. Paul had zelf geen kinderen, vandaar misschien. De anonieme voltooier van deel 20 (Piet Ruys zelve dus) zette niet alleen zijn teleurstelling uiteindelijk van zich af, in zijn memoires gunt hij 'Paultje' zelfs de volledige eer. Op bladzij 16 schrijft hij daarover: '[...] Paul Nowee genoot niet alleen de voorkeur, hij genoot die ook terecht. Een betere opvolger van Jan Nowee viel er niet te bedenken. Hij heeft in [ruim] dertig jaar [43] titels aan de reeks toegevoegd, en kennelijk zó trefzeker voor de betrokken doelgroep dat de hele backlist leverbaar moe[s]t blijven. Dat lukt alleen iemand die echt gelóóft in Arendsoog, en daar een levensvervuling in ziet. Als mijn lezers menen dat ik daarop zou neerkijken, moet ik ze teleurstellen, ik vind zoiets bewonderenswaardig en legitiem.' Enig bewijs voor deze - in dit geval misschien wel bewonderenswaardige - stellingname meen ik bovendien uit Ruys z'n memoires te kunnen destilleren. Ruys schreef zelf ook enkele jeugdboeken voor dezelfde doelgroep als de 'Arendsogen'. Het betreft de tweedelige Steven Berger-serie, met de titels 'Steven Berger en het geheim van de vulpen' en 'Steven Berger en de drie schatgravers'. In de complete memoires van Ruys is Steven Berger in geen velden of wegen te bekennen. Maar wel nog antiquarisch te verkrijgen, kijk maar op Google. O, het zijnde Piet Ruys stierf in 2004, ik heb veel aan hem te danken in die beginjaren van mijn werkzame leven. Hij leerde me écht acribisch te zijn, onderrichtte mij en alle anderen om hem heen dat 'eten' meer is dan 'je voeden' en toonde aan dat het onverstandig is om hele literaire genres (zoals bv. de detective) te negeren. Hij had het werk van Proust weliswaar niet gelezen, maar wist wél hoe je zijn naam moest uitspreken, De 'Ring des Nibelungen' van Wagner kende hij als zijn broekzak, voor neerlandicus en taalkundevorser Piet Paardekooper en de 'antieke' filosoof Cees Verhoeven hadden we allebei een heilig ontzag. Piet Ruys zelf had tenslotte een grote naam in het uitgeversvak, althans onder zijn echte naam. Met Piet - later Pieter - had ik vaak gesprekken over van alles en nog wat, zoals ook over de poëzie. Hij bleef het liefst met twee benen op de grond, en al te experimenteel moest het niet worden. Een Buddingh', ja die kon hij wel hebben, Johnnie van Doorn en Jules Deelder: top! - Herman de Coninck, die kenden wij toen nog niet. Toch wil ik Piet/Pieter bij deze eren met diens gedicht 'Zoals - 1'. Het staat op bladzij 434 van het boek 'Herman de Coninck - De gedichten', het kwam in 1998 uit bij Uitgeverij De Arbeiderspers. Ik zou er nog eens graag met Pieter over gesproken hebben, want zo eenvoudig is dat gedicht nou ook weer niet. Wel mooi dat het met Witte Veder begint, die sprak immers ook in een verwarring zaaiende Indianentaal! ZOALS - 1 Zoals Witte Veder zijn oor op de aarde kon leggen en mededelen dat een bende bandieten in aantocht was, zo luister ik aan taal om te weten welke betekenis het straks weer in mijn gedicht voor het zeggen zal hebben. Taal? Het maal tien, maal toen dat een woord kan geven, ja aan wat. Wat wil de dichter eigenlijk horen? Een eredienst van gemis voor wat er nog is? Het cadeau van o aan werkelijkheid: dat ze bijna zo? O, het zijnde. Zwijgen is goed in hebben. Papier is goed in krijgen. Het wordt ochtend. Praatjes van de merel over alles heen: blokfluit met drie gaatjes. naar boven 15 juli 2010 'Die VOC-mentaliteit, tóch!' Zo nu en dan bespreek ik een vijfsterrenboek in de Balthasarsblog. Het gaat dan altijd om een boek dat ik iedere lezer gun, of je 'iedere lezer' nou als lijdend voorwerp of als meewerkend voorwerp opvat. Dat is natuurlijk mijn particuliere mening die het gevolg is van mijn enthousiasme over zo'n titel. In het recente verleden schreef ik bijvoorbeeld over: De familie Masjber van de Russische meesterschrijver Der Nister, De opwindvogel kronieken van de Japanse duivelskunstenaar Haruki Murakami, De rokken van de ui van Duitslands verguisde Günther Grass, Sprakeloos van de Vlaming Tom Lanoye. Allemaal vijf sterren, allemaal dikke pillen, en allemaal van buitenlandse auteurs valt me nu ineens op. (Er kruisen tegenwoordig blijkbaar weinig Nederlandse vijfsterrenpillen mijn pad.) En ook deze keer is het weer raak: De niet verhoorde gebeden van Jacob de Zoet***** (Amsterdam, 2010) is van de Britse schrijver David Mitchell, het is 622 pagina's dik, en zo briljant gecomponeerd en geschreven dat de vijf sterren beslist in de vette versie uitgeleverd dienen te worden. De vertalers Harm Damsma en Niek Miedema zullen voor hun meer dan adequate 'overzetting in het Nederlands' binnen zeer afzienbare termijn gelauwerd worden met de Martinus Nijhoff-prijs, dat is míjn stellige voorspelling. Van Uitgeverij Ailantus in Amsterdam had ik nog niet eerder gehoord. Toch bestaan ze al sinds september 2007. De naam Ailantus betekent volgens eigen zeggen: hemelboom. Met de uitgave van 'Jacob de Zoet' groeien ze inderdaad een heel eind in de juiste richting. Voor de hiernavolgende bespreking ben ik o.a. te rade gegaan bij de recensie van Hans Bouman in deVolkskrant van 22 mei 2010. Die recensie was voor mij de aanleiding om het boek onmiddellijk aan te schaffen. Deshima Om te beginnen brengt David Mitchell een stukje Nederlandse geschiedenis in beeld waar ik nooit een helder idee van gehad heb: de rol van de Hollandse VOC op het eilandje Deshima voor de Japanse kust. Mitchell doet dat zo 'van binnenuit' dat je niet kunt geloven dat deze Brit (Ier, eigenlijk) geen Nederlander en geen Japanner is. Ter verklaring hiervan is het handig om te weten dat Mitchell met een Japanse vrouw getrouwd is, en voor deze roman acht jaar research deed in Hiroshima. Deshima is de belichaming van de Japans-Hollandse handelsbetrekkingen tussen pakweg 1650 en 1850. Gedurende die 200 jaar was Deshima een kunstmatig eilandje vlak voor de kust van Nagasaki. Het was zegge en schrijve 'tweehonderd passen lang en zo'n tachtig passen breed'. Op dit piepkleine Deshima mocht zich van Japan een handjevol Hollanders vestigen, inclusief een wachttoren, Het Hoge Huis en een stel pakhuizen. De VOC-schepen legden er aan, de goederen werden via een landbrug van en naar het Japanse vasteland vervoerd. De Hollanders mochten het eiland niet af, en zaten in feite dus min of meer 'gevangen' op Deshima. Tot ze via een VOC-schip afgelost werden natuurlijk. Boekhouder Jacob de Zoet ging in 1799 voor één jaar naar Deshima met de bedoeling om daarna 'als een vermogend man terug te keren naar Zeeland om zijn geliefde Anna te kunnen trouwen'. Dat ene jaar werden er zeventien. Jacob de Zoet en Orito Aibigawa 'Klerk De Zoet' moet de boekhouding van de handelspost op orde brengen, want die is na jaren van corrupt beleid in een puinhoop verkeerd. Het Opperhoofd, zoals de gouverneur van Deshima genoemd wordt, is van zijn taak ontheven en zal berecht worden. Al snel ontdekt De Zoet dat er dan wel een regime change plaatsgevonden heeft op Deshima, maar dat de oude gewoonten van zelfverrijking en corruptie gebleven zijn. Jacob wordt als een 'doetje' beschouwd door de bestuurderen en dienaren die 'het spel weten te spelen', de mannen van 'die VOC-mentaliteit, toch!', een uitspraak waar Jan Peter Balkenende eeuwen later nog goede sier mee dacht te maken. - En dan wordt Jacob ook nog eens verliefd op de Japanse vroedvrouw Orito Aibigawa, een praktisch onbegaanbaar pad, dat een wel heel ingewikkelde Japanse uithoudingskunst blijkt te vergen. Is Jacob de Zoet de hoofdpersoon van het eerste deel, halverwege de roman vindt een onverwachte perspectiefwisseling plaats. Wanneer Orito's vader overlijdt en er grote financiële problemen opdoemen, belandt zij via de machinaties van 'Abt Enomoto' in een merkwaardig klooster, waar zij als 'de nieuwe zuster' aan seksuele slavernij en gedwongen opiumgebruik ten prooi valt. Vanaf dat moment wordt het verhaal voor een groot deel vanuit Orito verteld. Europa en de koloniën Auteur Mitchell heeft zijn roman op een wankelmoedig moment in de geschiedenis geplaatst. In Europa is Napoleon aan de macht, de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden is de door Frankrijk bezette Bataafse Republiek geworden, en Groot-Brittannië maakt van deze machtswisseling gebruik om alle overzeese koloniën in te pikken. Het kleine eilandje voor de kust van Nagasaki is de enige plek op aarde waar het rood-wit-blauw nog wappert. De Britten zijn serieus van plan om de bevoorrechte Hollandse handelspost met geweld aan te pakken. In de roman zijn het de tijden van de bescheiden heldenrol voor respectievelijk Klerk / Waarnemend Opperhoofd / President Jacob de Zoet. Maar ook in Japan begint men door te krijgen dat de Hollanders misschien niet langer 'het venster op de buitenwereld' vormen. Andere landen zijn intussen belangrijker en machtiger geworden. Het failliet van de VOC is onafwendbaar gebleken. Tijd voor 'waarnemend Opperhoofd' De Zoet om eindelijk naar Zeeland, meer in het bijzonder naar Domburg terug te keren. Het is dan inmiddels 1817 geworden. Tolken van rang en stand In de roman is een aparte rol weggelegd voor de communicatie tussen de 'Japannezen' en de Hollanders. Een belangrijke rol dus voor de tolken, meer in het bijzonder voor het rangensysteem van de Japanse vertalers. Belangrijke documenten, transacties en besprekingen worden aanvankelijk begeleid door de tolken van de derde rang, vervolgens door die van de tweede rang, en tenslotte door de Tolk van de Eerste rang: een toppositie in de Japanse magistratuur van Nagasaki. De taal- en cultuurverschillen tussen de Japanners en de Hollanders maken goede communicatie moeilijk, maar bieden ook bescherming: 'In duisternis gehuld blijven is de buitenste verdedigingslinie van de Japannezen,' constateert Jacob de Zoet. 'Het land wil niet begrepen worden.' Op de slotpagina van de Nederlandse boekuitgave noemen de vertalers Damsma en Miedema zich 'Tolken van de Derde Rang'. Die hier gecelebreerde bescheidenheid vertoont alle kenmerken van het Japanse Formalisme. Dat krijg je ervan, als je je hele ziel en zaligheid in een vertaling legt. David Mitchell mag ze dankbaar zijn, die Tolken van de Eerste Rang. En anders de Nederlandse lezer wel! Ware ik een Jacob de Zoet geweest, en had ik een geschenk voor Orito Aibigawa moeten bedenken, dan was ik beslist uitgekomen bij het gedicht Visser van Ma Yuan van de Nederlandse dichter Lucebert (1924-1994): stof voor eindeloze gesprekken en tekstinterpretaties. Dat zou de hoofdpersonen hebben kunnen bekoren, dunkt me. VISSER VAN MA YUAN onder wolken vogels varen onder golven vliegen vissen maar daartussen rust de visser golven worden hoge wolken wolken worden hoge golven maar intussen rust de visser naar boven 7 juli 2010 Jan - even weg - Blokker Ook mensen die het eeuwige leven hebben, of van wie je vermoedt dat ze daarmee begiftigd zijn, gaan uiteindelijk dood. Zo iemand vond ik bij voorbeeld politiek tekenaar Opland, CHU-politicus prof. dr. ir. I.A. Diepenhorst, de schrijver Hugo Claus, en ook wel mijn bestebroer Krelis aan wie ik bij deze het epitheton 'multatuli' wens te verlenen. - En gister dus Jan Blokker. De eeuwige columnist, journalist, filmcriticus, televisiemaker, beterweter en tweevingertypist is geveld, gesneuveld, en zwaar tegen zijn zin van zijn taken ontheven. De dood van zulke iconen vervult je met ongeloof: hoe kon dit gebeuren? Maar daar geeft geen enkele necrologie antwoord op. Scribent Jan Blokker 'ken' ik - als talloos veel anderen - al jaaaren, van zijn columns en zijn historische artikelen (voornamelijk boekbesprekingen) in deVolkskrant. Daar liep ie vier jaar geleden boos weg omdat ie viavia gehoord had dat zijn geschiedenisrubriek 'Als de dag van gisteren' dreigde te sneuvelen in het bezuinigingsgeweld en de verjongingswoede waar de krant zichzelf mee opgezadeld had. Hij liep over naar concurrent NRC Handelsblad, met de pest in z'n lijf, en in dat van z'n trouwe deVolkskrantlezers (die er sindsdien dus drie keer per week een krant bij moesten kopen). Dinsdag nog had ie een column in nrc.next, zijn laatste, dus wat je noemt 'in het harnas'. Die column was getiteld 'Joseph Goebbels en Walter Ulbricht', en ging over de (in)-formatie-ideeën van Felix Rottenberg. Niet eens zo heel erg tussen de regels door (dat was zijn stijl niet) las Blokker hem de les, gaf hem er unverfroren van langs. O,o,o, wat heb ik dit soort krantestukjes de laatste jaren gemist, en nu helpt zelfs het bijkopen van een andere krant dus niet meer. Om u en mijzelf te plezieren - en ook om u op de hoogte te brengen van wat ook míjn gevoelens zijn bij dat onderwerp - citeer ik daarom hieronder een deel van die laatste column. Jan Blokker dus, op maandag 5 juli 2010 in nrc.next: 'Maar ik vrees dat Rottenberg - alleslezer - een beetje heeft zitten snuffelen in de tientallen boeken en geschriften die ooit zijn verschenen over de laatste jaren, de laatste maanden, de laatste dagen en de laatste uren van de Weimarrepubliek, toen politieke dromers als Papen, Streicher, Strasser en Hitler op hun kans loerden en allemaal de aanstaande dictator wilden ‘inkaderen’ - waar Felix in zijn allegorie dus de weergaloze Wiegel voor dacht te gebruiken. Felix moet een mooi citaat van Sebastian Haffner (Von Bismarck zu Hitler) gemist hebben. "De nationaal-socialisten," schreef die, "slingerden voortdurend tussen links en rechts. In 1932 lieten zij zich vooral van hun ‘linkse’, populistische kant zien. Dat ging zo ver dat zij bij een staking bij het openbaar vervoer in Berlijn in november 1932 met de communisten samengingen. Er bestaat een foto uit die tijd met Joseph Goebbels en Walter Ulbricht samen op hetzelfde spreekgestoelte." Ik heb nog twee vragen. Waarom lijkt Felix vooral bewondering te hebben voor oudere politici als Jaap Burger, Hans Wiegel, Hans Hillen, Alexander Rinnooy Kan en Dries van Agt - en denkt hij zo aan 1933? En houdt zijn jonge vriend Maurice de Hond nog steeds gretig bij hoe groot de PVV zou zijn als er vandaag was gekozen?' Natuurlijk, een klein stukje column uit een gigantisch krantenoeuvre doet geen recht aan de statuur van het geweten van de Nederlandse journalistiek (en van wie weet wel van heel weldenkend Nederland). Een hele column trouwens ook niet, noch een enkele aflevering van de tv-series Diogenes, Macchiavelli, Het gat van Nederland of 'Zo is het toevallig ook nog eens een keer'. Maar als u deze titels kent of herkent, dan komen - zo verging het mij tenminste - vanzelf allerlei kwalitatieve flarden tijdsbeeld uw geheugen binnengedenderd. Zat daar in de jaren zeventig, tachtig, negentig allemaal de hand van Blokker achter? Ja, daar zat al die tijd de hand van Blokker achter. Gisteravond deed NOVA een poging om dat allemaal nog eens tot ons te laten doordringen. Het was een wat ongelukkige poging. Allereerst natuurlijk omdat het de avond van 'de halve finale' was, en er dus praktisch geen hond naar Nederland 2 keek. Maar ook omdat er bij NOVA kennelijk niemand van de vaste crew thuis was: de regie was volledig van slag, de presentator deelde (ongetwijfeld mede daardoor) volledig mee in de malaise, en de eeuwige kornuiten Hans Keller en Hans Fels waren als gast te zeer onder de indruk van Blokker's dood om de uitzending te redden. Het is maar de vraag of Jan Blokker zelf dat erg had gevonden. Al die aandacht... dat leidt maar af van waar het in de wereld, en in het bijzonder Nederland, in wezen om gaat: serieus lessen trekken uit het verleden. Bijzonder was wel dat NOVA een klein deel mocht uitzenden van het ruwe filmmateriaal voor een driedelig televisieportret van Jan Blokker, dat de filmmakers Kris Kijne, Thomas Doebele en Maarten Schmidt de laatste twee jaar bij elkaar geschoten hebben. Het is de bedoeling dat Blokker daarin zelf 'het hele verhaal' vertelt. - Ik kan bijna niet wachten tot 'de beste geschiedenisleraar van Nederland' zijn eigen verhaal bij ons aan huis komt brengen. 'Blokker al gelezen?' Jarenlang was dat niet alleen een gevleugelde uitdrukking, hij verwoordde toch vooral hoe belangrijk we het vonden om de mening van Jan Blokker geconsumeerd te hebben alvorens zelf tot een definitiever oordeel over de onderhavige kwestie te komen. Kom daar nog eens om! Helaas, zo'n columnist bestaat niet meer. 'Even weg': onder die even simpele als doeltreffende kop boven zijn column kondigde Jan Blokker altijd aan dat ie een paar weken met vakantie ging. In die periode waren we allemaal een beetje verweesd en bang dat er iets belangrijks zou gebeuren. Want wat zou Blokker daar wel niet van gevonden hebben? - Bij testament is de kop inmiddels vervangen door de nog simpeler, nog doeltreffender, en vooral definitiever mededeling: 'Weg'. Daaronder geen column. We zijn op onszelf aangewezen. Gister en vandaag is in alle serieuze media de dood van Jan Blokker gememoreerd en bezongen. Daar wil ik niet bij achterblijven, hij was een belangrijk man. Hier in de Balthasarsblog wil ik hem daarom een saluut brengen met het historiserende gedicht De eerste foto van Hitler, van Wislawa Szymborska (ja, die alweer!). Het is een gedicht in de geest van Blokker: wat kan het verleden ons leren? Maar oordeelt u vooral zelf. - Het gedicht komt uit de bundel 'De mensen op de brug' (1986), de vertaling is van Gerard Rasch. DE EERSTE FOTO VAN HITLER Wie is dat snoesje in dat babyjurkje toch? Dat is nu de kleine Adolf, 't zoontje van de Hitlers. Zou hij misschien doctor in de rechten worden? Of als tenor in de Weense opera gaan zingen? Van wie is dat handje, van wie dat oortje, oogje, neusje? Van wie dat volle melkbuikje is, weten we nog niet: van een drukker, chirurgijn, koopman, pastoor? Waarheen zullen die grappige beentjes hem brengen? Naar de speeltuin, school, kantoor, een huwelijk met de burgemeestersdochter misschien? Ons dreumesje, engeltje, kruimeltje, zonnetje, toen het een jaar geleden ter wereld kwam, ontbrak het niet aan tekens te land en in de lucht: de voorjaarszon, geraniums voor de ramen, de muziek van een draaiorgel buiten op straat, een voorspelling van voorspoed in roze zijdepapier, vlak voor de bevalling de profetische droom van de moeder: een duifje zien betekent een blijde boodschap, deze duif vangen; er komt een langverbeide gast. Klop, klop, wie is daar, dat is kleine Adolfs hartje. Een speentje, luiertje, slabbetje, rammelaar, wat een joch, God zij geloofd en afkloppen, gezond, hij lijkt op zijn ouders, op de kat in haar mandje, op de kindertjes in andere familiealbums. Nee, we gaan nu toch niet huilen, meneer de fotograaf doet dadelijk klik onder zijn zwarte doek. Atelier Klinger, Grabenstrasse Braunau, en Braunau is een kleine, maar keurige plaats, degelijke winkels, nette buren, de geur van verse bolletjes en huishoudzeep. Geen jankende honden of onheilspellende voetstappen. De geschiedenisleraar doet zijn boordje los en gaapt onder het nakijken. naar boven 27 juni 2010 Brandende bielzen Deze week voor het eerst van m'n leven in Wolfheze geweest, dorp aan de spoorlijn naar Ede/Wageningen, zo'n 16 km wandelen vanaf station Arnhem, uitgang Sonsbeekzijde - ook bekend van het Protestants Psychiatrisch Gesticht Wolfheze. Het was maandag, 'n graad of 18, nauwelijks wind, veel bos en 'n aangenaam zonnetje. 'Ideaal wandelweer,' zeggen liefhebbers dan. En dat was het. - Sterker: het was zonder meer een prachtige wandeldag, met dank aan de NS, het geringe aantal medewandelaars en het schitterende landschap wijd en zijd. Gevieren hebben wij ervan genoten, van de Warnsborn-wandeling, zegt het voort (al heb ik daar persoonlijk dan al meteen weer bedenkingen bij, er zijn inmiddels toch wel ruim voldoende wandelaars die allemaal hun weg wel weten te vinden?). - Want bewegen móet. Punt van voorbereiding bij álle NS-wandelingen: is er ergens een mooie pauzeplaats, om comfortabel wat uit te rusten en een kopje soep te eten (die ideale oppepper voor het ouder wordende lijf)? De routebeschrijving gaf legio mogelijkheden aan, uitzonderlijk! Maar toch weer helaas: buiten de waard, de crisis en de maandag gerekend. De startkoffie in het Arnhemse Informatiecentrum viel uit omdat de zaak verhuurd was aan een 'cursusgezelschap'. Het eerstvolgende hotel kon niets serveren omdat ze 'in rust waren' aangezien ze 'op dit moment' geen hotelgasten hadden. Bij het andere hotel vielen we buiten de streng bewaakte blokuren: 'Nee, meneer, de keuken is om drie uur dicht, tot vijf uur, dan gaan we open voor het diner.' - Het was zegge en schrijve tien over drie, en de dagsoep zou maar liefst 8 euro gekost hebben! Tel je zegeningen als je geweigerd wordt! Enfin, honger en dorst zijn eigenlijk nooit issues, omdat een beetje wandelaar nou eenmaal altijd een fles water, een appel en een krentenbol in zijn rugzakje heeft zitten. Dáár zat de teleurstelling deze keer dus zeker niet in. Het is - zoals zo vaak - de onberekenbaarheid van de horeca, de onbegrijpelijke seizoenssluitingen en het verregaande gebrek aan service om de klant is het niet vandaag dan wel over enige tijd aan je te verplichten. Maar ho, stop: zeker even vaak worden we positief verrast door het biologische theehuis met citroencake van de buurman of de eetcafé-eigenaar die persoonlijk de pan op het vuur zet al is het tien uur in de avond! - De horeca had afgelopen maandag gewoon een wat mindere dag, daar heb ik zelf ook wel eens last van, laten we het daar maar op houden. De snackbar aan station Wolfheze deelde gratis oranje vuvuzela's uit, maar wij gaven de voorkeur aan het halen van een 'vroegere' trein. Wij checkten in, posteerden ons langs het juiste perron, en vergaapten ons aan de laatste houten spoorbielzen, waarvan er een lustig op los rookte, de sigarettenpeuk binnen handbereik. Ik sprenkelde er m'n overgebleven water over uit, en dacht zo'n beetje de held van de dag te zijn. Behaaglijk leunde ik achterover op het stationsmeubilair en kreeg meteen 'als straffe gods' een zieke zeloot over me heen die in één lange litanie alle zegeningen en straffen van de HereHere over me uitstortte. Ik vermeed het haar aan te kijken en hoopte dat ze een toegankelijker slachtoffer in het vizier zou krijgen. Ik was geneigd om de HereHere daar vriendelijk doch dringend om te verzoeken. Maar ik kreeg geen belet. Ten einde raad ging ik nog maar eens op de vertrekstaat kijken: de halfuursdienst bleek helaas nog niet ingegaan, en zo hadden we nog een halfuur extra waarin de ene na de andere sneltrein ons met grof geweld op het smalle perron voorbijdenderde. Ik ontweek met gebogen hoofd de boetepredikster en ging het brandende bielsbraambos nog maar eens inspecteren. Dat rookte er weer vrolijk op los, ondanks de leeggegoten waterflessen van m'n medewandelaars. Was dit een ernstige zaak? Dat konden we niet echt geloven, ook al niet omdat drie van ons vieren nauwelijks tot geloven geëquipeerd zijn. - Daar was eindelijk de trein, ons boemeltje naar Arnhem. De oranje vuvuzela hadden we nog met gemak af kunnen halen, maar helaas, voetbalfanaten zijn we ook al niet, vergeten dus. Achter ons stapte nog een gezelschap wandelaars in, waarvan de mannelijkste onmiddellijk de conducteur overrompelde: dat er een biels lag te roken, en dat hij bij dezen gewaarschuwd had. De trein vertrok zonder vertraging. En bij het regionale nieuws was er 's avonds geen melding van rokende bielzen in Wolfheze. Ik kon een licht gevoel van teleurstelling niet onderdrukken, en meldde dat opgelucht aan mevrouw B. Die las onverstoorbaar voort in de bestseller Stoppen met roken van Allen Carr, het boek dat ze geregeld in de arm neemt om haar eigen bielzen-demonen in het gareel en rookvrij te houden. Als dát geen goddelijke voorzienigheid is! Om m'n wat ongemakkelijke gedrag tegenover de Zeloot van Wolfheze en anders wel de HereHere Zelve vandaag enigszins te rechtvaardigen, zocht ik hulp en toevlucht in de bundel De goddelijke gekte (Amsterdam, 1986) van de getroebleerde dichter Hans Vlek. Op bladzij 47 trof mij opnieuw het gedicht 'De Heiligen der Laatste Dagen', niet zozeer als ideale afsluiting van deze Balthasarsblog, veeleer als hommage en compassie met alle gekken en zeloten onder ons. DE HEILIGEN DER LAATSTE DAGEN De Heiligen der Laatste Dagen hadden een kerk naast mijn kamer. Ik, net terug uit het gekkenhuis, hoorde elke zondag een hemels zingen zuiver en ijl en zag de heiligen, goedgeknipt in keurig-grijze en blauwe pakken gezeten onder het portret van Christus, bruingebronsde technicolorheld met baard, terwijl ik van eenzaamheid verteerde en mijn eigen schaamteloos kruis met geen ander delen kon. Op straat meed ik ze als de pest, de zwarte dood der inkten. Of ik wel wist wat. Bedronk me aan 'n droom van woorden maar huilde bij hun zuiver zingen bijna om mijn eigen stem. naar boven 22 juni 2010 Gezichtsscherpte Dit stukje hoort eigenlijk in de subserie 'Verval 1, 2, 3, ...' (waarvan de tel inmiddels zoek geraakt is in de krochten van mijn geheugenrest), en betreft de neergang van het gezichtsvermogen. Op een manier die niet eerder aan de orde was, sterker, waar ik nooit van gehoord had. Okee, natuurijk niet goed opgelet al die jaren, want dat het specifiek in mijn geval over een nieuw fenomeen zou gaan, nou nee. Zolang er niets mee aan de hand is, meldt niemand je er iets over. Zoals dat met zoveel dingen gebeurt, dat weet een kind. Ik hoef bij voorbeeld maar het begrip 'PSA-waarde' (23.000 vindplaatsen op Google) te roepen, en de helft van de manneljke bevolking (onder de veertig) weet niet waar ik het over heb; de andere helft (boven de veertig) is er zowat dagelijks mee bezig, of is er in elk geval wel eens van geschrokken (want praktisch geen enkele man ontkomt eraan). - Enfin, nu over gezichtsscherpte dus. Afgelopen zaterdagmiddag hadden wij een afspraak bij de opticien - Nederland moest tegen Japan voetballen, het zou dus wel heel rustig in de winkel zijn meenden wij. Alle tijd kortom voor een uitvoerige check van onze opgespaarde en al dan niet vermeende visuele klachten. De zaak had Neela (niet haar echte naam) het veld ingestuurd, de mannelijke collega's zaten 'boven' aan het televisietoestel. Het grote testen kon beginnen, en daar ging de winkelbel al. MC 1 (Mannelijke Collega 1) kwam de trap afgestormd, en hielp een kennis aan een nieuw brillenkoordje en een uitvoerig praatje over een deel van hun gezamenlijke verleden. De onwil droop uit zijn mondhoeken, maar kon hij anders? - En Neela, zij checkte voort. Dingdong, daar waren de klantnummers twee en drie, en daalde ook MC 2 in de winkel af naar het bejaarde echtpaar met de knellende brillenbenen en een gehavend neuskussentje. Mister 2 had daartoe tevens het advies nodig van MC 3, die zich met tegenzin van de vuvuzela losrukte en tegendraadse aanwijzingen begon te ventileren. - En van boven en uit alle belendende ruimtes binnen en buiten brak toen een eenmalig maar oorverdovend orkaangeweld zich baan, één nul, en niemand van het brillenvolk die het gewaarwerd! En Neela, zij checkte voort, met letters en cijfers, in groen en in rood, met 'zo beter of slechter', 'probeert u het nog eens', '1 scherper of 2, 1 was dit, 2 is dit'. - En concludeerde met mevrouw B. tot een lichte teruggang in alle functies en een nieuwe bril met vele mogelijkheden en ijdele aspecten. - En wat is uw geboortedatum, meneer B.? / Ja... huisnummer? / Laat u de kin hier maar op rusten. / De laatste keer was... o, u hebt al twee keer een glas laten vervangen in deze bril? / Veel vaagheid, letters lopen in elkaar over, te krap panoramabeeld - we zullen eens zien. / Kunt u de tweede rij lezen? / En wat was uw beroep, meneer B.? / Zo beter? Of zo? / Focust u alstublieft op de 5 in het groen. / Probeert u de onderste rij nu nog eens. / Wat is uw geboortedatum? / En als u zich eens extra inspant? / Zo beter? Of zo? / Kunt u het oog wat verder opendoen? / En als u nu met beide ogen tegelijk... / Kunt u de tweede rij lezen? / Zo beter? Of zo? / Heel goed. Gaat u maar wat achteruit met het hoofd. Het is klaar. - Goed dat u gekomen bent. Ik meet rechts een achteruitgang van 0,75 en links van 1,00. De cilinder is ook veranderd. En ja, dat is minder leuk, de gezichtsscherpte was de vorige keer nog 100, en nu 80. / Wat dat betekent? / Dat het vermogen tot waarnemen, ook na maximale correctie, 80% is. Met andere woorden: die laatste 20% kan ik niet meer met een hogere sterkte compenseren. En dat zal ook in de toekomst niet meer verbeteren. U zou wel uw waarnemingsbeleving enigszins kunnen verhogen met een wat groter glas, en met de maximale variluxvariant. Want kijk... Enfin, tot de aanbevelingen naast een andere bril behoren nu ook nog: een plasmatisch computerscherm in de plaats van onze oude monitor (liefst een laptop omdat je daarmee ook de ideale kijk- en leesafstand zelf kunt bepalen en toepassen), en op termijn een platte televisie. Verzoeken om een grotere letter op verpakkingsetiketten en gebruiksaanwijzingen zullen weinig uithalen, maar het moet nou ook allemaal weer niet ál te gemakkelijk worden voor de ouder wordende mens. En ja, het kost weer een paar duiten, maar waar zou je die beter aan kunnen besteden? - Het hele voetbal was ik tijdens de check volkomen kwijtgeraakt, dus toen de straat zich ineens begon te vullen met oranje toeters, dito hoofddeksels en bierglazen van een Brabants Babe-merk wist ik hoe laat het was. Tijd om uit te checken en een pittig flesje 'ogentroost' in te slaan. Dat woord brengt mij auf Flügeln des Gesanges op Guido Gezelle (1830-1899), Vlaams dichter zonder weega die God en mens en natuur tegelijk was. En dat nog op papier kon krijgen ook. En hoe! Het gedicht 'Oogentroost' nu voor de doorzetter en de liefhebber. Het stond oorspronkelijk in de bundel 'Rijmsnoer om en om het jaar' (1897). - Hardop lezen, het werkt, echt! En anders nog maar een keer. Je kijkt je ogen uit, op de natuur, de natuur, de natuur. Dat is míjn samenvatting van de naam Gezelle. Over gezichtsscherpte gesproken! OOGENTROOST Mijne oogen troost het boomgewaai, dat groene is, te allen stonde; maar liever zie ‘k, als alle groen, het groen, te platten gronde. Den moederschoot nabij, en nog maar eerst eruit gekropen, den borsteling gelijkt het, die zijn hert heeft zatgezopen. Het spant, van louter levenslust, het blijkt, in al zijn' leden, één maagdelijk vertoog van versche en vaste groeizaamheden. o Raaploof, dat, te winterwaard, zoo mooi, zoo malsch van blâren, den dooden stoppel groene dekt de milde koorenaren! o Bontgepinte klaverdriesch, o moestuin, o de stalen van ‘t duistergroene silderloof, wie weet u af te malen? Wie al de wisselverwigheid, wie ‘t donkerende dalen, wie ‘t scherp- en scherper groene zijn van ‘t mos, mij af te malen! o Koorenveld, dat ruwt alreê, vol duizendduizend naalden, die rood, en nu ten groene gaande, uit uwen rugge straalden! Hoe schoone is uwe uitwendigheid, van langsten nagekeken, als al die duizend naaldekens vol diamanten steken! o Gers, dat al zoo verre strekt als ooit mijne oogen droegen, ik weide in uwe oneindigheid, met eindeloos genoegen! De boomen staan, half uitgeleefd, in kakelbonte reken, te midden al dien bodempracht, vol stervend goud gesteken. De zonne zaait daar zoet geweld van najaarslicht op neder, en lachen doet ze, lieflijk, al die landsche groenheid weder. Die oogen hebt ge, en God aanziet in ‘t schoone, komt aanschouwen hoe schoon de vloer, te najare, is van Vlanderens landouwen! naar boven 12 juni 2010 Komkommerkruid Vandaag geen balthasarsblog, geen tijd, geen prioriteit, want. Dringend vier onderhanden boekwerken uit te lezen: Wieslaw Mysliwski, Over het doppen van bonen Henning Mankell, De gekwelde man David Mitchell, De niet verhoorde gebeden van Jacob de Zoete en Tom Hodgkinson, Leve de vrijheid - Hoe ontkom ik aan de cultuur van het moeten Stuk voor stuk pillen, ongemeen boeiend, haastvragend. Vooral Hodgkinson lijdt onder zijn eigen ondertitel. In de tuin schreeuwen vier heggen en hagen om snoeischaar en mulch. Ja juni, dan weet je het wel, we groeien dicht. De zilvergrijze kamers zijn nog steeds niet helemaal af. Deur nog, kozijn nog, lamp nog, ik moet er vanaf. We lopen flink achter op ons eigen wandelprogramma. Dat schuurt en scharniert niet lekker hoor. Zeef en afvoer moeten dringend ontstopt en verschoond. De wasmachine geurt er iedere dag om. Ik moet, ik moet. Nou ja, niks. Nou ja, minder. Nou ja, wat ik wil. Nou ja, waar ik zin in heb. Of wat moet. Zo, nu eerst maar eens even niks, de cd afzetten, een aardbei eten, het komkommerkruid stutten. Nou ja, één gedicht dan, van Gerrit Kouwenaar, voor de tijd me ontvalt. men moet, dus: MEN MOET Men moet zijn zomers nog tellen, zijn vonnis nog vellen, men moet zijn winter nog sneeuwen men moet nog boodschappen doen voor het donker de weg vraagt, zwarte kaarsen voor in de kelder men moet de zonen nog moed inspreken, de dochters een harnas aanmeten, ijswater koken leren men moet de fotograaf nog de bloedplas wijzen zijn huis ontwennen, zijn inktlint vernieuwen men moet nog een kuil graven voor een vlinder het ogenblik ruilen voor zijn vaders horloge - naar boven 5 juni 2010 Paard-met-ruiter In oktober 1963 kocht ik voor mijn meisje en haar verjaardag een reproductie van Marino Marini, voor op haar kamer in H. Zij werkte er in de gemeentelijke ambtenarij, en huurde een kamer bij mevrouw J. Heel af en toe ging ik naar H., en dan bezochten we natuurlijk ook mevrouw J., en M.'s kamer aldaar. Die kamer kon wel iets leuks aan de muur gebruiken. Vandaar die reproductie van Marini. Gekocht bij een echte kunsthandel, en daar ook op houtpaneel geplakt, gevernist en voorzien van een witte lijst. Er staat uiteraard een paard-met-ruiter op, in roden en zwarten, is gesigneerd met 'Marini' en gedateerd op 1955. Het geheel kostte me 42 gulden 50, ook dat staat in mijn geheugen gegrift. Mijn moeder vond het één grote geldverspilling, mijn meisje vond het gelukkig prachtig. Van Marini (1901-1980) had ik geloof ik nog nooit gehoord, hoewel ik daar nu meteen aan twijfel. Want al in mijn middelbare-schooltijd kocht ik enkele kunstboekjes, 'Phoenix Pockets' van Uitgeversmaatschappij W. De Haan. Ze staan bij ons nog steeds in de kast, onder 'kunst', en hebben titels als 'De moderne beeldhouwkunst in Europa' en 'De schilderkunst van onze tijd', eerste druk september 1958. Wacht, ik pak ze er even bij om te zien of Marini daar al in voorkomt. - En jawel hoor, tweemaal prijs bij de beeldhouwkunst, afb. 45 en 46 in zwart-wit. En ze heten allebei 'Paard met ruiter'! Heeft die man nog wel eens iets anders gemaakt dan 'paard-met-ruiter's? In het boekje over de 'schilderkunst van onze tijd' kan ik Marini niet vinden, niet bij de zwart-wit-reproducties en ook niet in de tekstenbrij. Aan registers deden ze in die tijd bij De Haan kennelijk nog niet. Enige tijd nadat M. en ik meneer en mevrouw B. geworden waren, bezochten wij voor het eerst van ons leven een groot museum met beeldentuin, het Kröller-Müller Museum in Nationaal Park De Hoge Veluwe nabij Otterloo. Bij de ingang van het museum stond een prachtig paard-met-ruiter-beeld, schitterend geverfd hout in onder andere de tinten rood en zwart. Wij waren er meteen weg van, waar nog een flinke schep bovenop kwam toen we ontdekten dat het van de Italiaanse meesterschilder/beeldhouwer Marino Marini was! - Sindsdien heeft het Kröller-Müller ons als vaste klant, en steevast gaan we eerst op zoek waar de Marini gebleven is, want bij de ingang staat ie allang niet meer. Pas na deze begroeting staan wij open voor de rest van de collectie, inclusief actuele tentoonstellingen, installaties en natuurlijk de beeldentuin. Een feest in hoofdletters, elke keer weer. De reproductie van onze eigen paard-met-ruiter-variant - in zwart en rood, paard met drie poten, ruiter met één been - hoort nog steeds tot onze vaste collectie. Marini is in al die jaren niet verdreven door verworven originelen en andere unieke werken van mindere goden en godinnen. Tot mijn genoegen hangt Marino Marini's 'Paard-met-ruiter' al sinds onze laatste verhuizing, nu alweer zo'n achteneenhalf jaar geleden, boven de computertafel. Vreemd dat ik daar niet eerder over begonnen ben... Om op een recente reclamecampagne te variëren: er zal toch niets mis zijn in mijn bovenkamer? Bladerend in de kunstboekjes van mijn jeugd herken ik veel waar ik later écht van ben gaan houden, de 'echt groten der aarde'. Sommige foto's zijn uit de boekjes geknipt (de potjes van Morandi!), een omslag moet het doen zonder het beeld van Maillol dat ook in Kröller-Müller te vinden is, de helft van de beeldenfoto's heb ik dubbel 'wegens een bindfout'. Het blíjft heerlijk om in je oude boeken te snuffelen, een reden te meer om er nooit een weg te doen. Een beetje blogger plaatst natuurlijk een afbeelding van het besproken kunstwerk bij zijn tekst. Maar ónze Marini heb ik nergens kunnen vinden, wel vergelijkbare paard-met-ruiter's, alleen niet de enige echte! Beter is het natuurlijk om zelf naar het Kröller-Müller te gaan, en daar in meervoud te genieten van 'de Marini' en al dat andere moois. - Intussen - en dat tot troost en verbreding van het onderwerp - hieronder het gedicht 'De twee apen van Bruegel' van de Poolse dichteres Wislawa Szymborska. Daar staat ook geen reproductie bij, en toch zie je het schilderij zó voor je. Maar ja, Szymborska, over 'echte groten' gesproken... DE TWEE APEN VAN BRUEGEL Zo ziet mijn grote eindexamendroom eruit: twee apen zitten aan de ketting voor het raam, buiten waait de hemel voorbij en baadt de zee. Ik leg examen af in de geschiedenis van de mensen. Ik stotter en modder. De ene aap, die me aanstaart, luistert ironisch, de andere doet alsof hij dut - maar wanneer op een vraag een stilte volgt, zegt hij me voor met een zacht gerammel van zijn ketting. naar boven 30 mei 2010 Tafel Wat is er eenvoudiger dan een tafel? Vier poten en een blad, stoel erbij en schrijven maar, eten maar, krantje lezen maar, was opvouwen maar, fietsroutekaart bekijken maar, nieuwe aanwinsten opstapelen maar, kaartje leggen maar. Niets zo handig en multifunctioneel als een tafel, de tafel kun je niet missen, geen minuut - maar wiebelen mag ie niet! De aankoop Over het waarom en hoe van een nieuwe tafel schreef ik begin deze maand al (5 mei, Zilvergrijze toekomst). Dat gaan we dus niet overdoen. Maar intussen zaten wij er wel op te wachten, op onze nieuwe tafel, die besteld moest worden omdat de juiste maat niet in de zaak aanwezig was, maar nog wel bij de makers die aflevering binnen een week toezegden. Hergebruikte brede delen teakhout, loeizwaar en getekend door een intens en krijgshaftig verleden. Tot de telefoon ging: vrijdagochtend 11 uur, of dat schikte. Het schikte, en meteen maakten wij de eetkamer gereed voor de ontvangst. Oude tafel eruit, oude stoelen eruit, oud kleedje eruit, vloertje gedweild, vloertje geboend. Oja, en te zijner tijd misschien toch ook eens een ander lampje aan het plafond? Een juweeltje misschien deze keer? Jaja, dat zien we nog wel, dat kan wachten, B. Eerst die nieuwe tafel nou maar eens. De bezorging De jonge en de oudere sterke man droegen een omgekeerd tafelblad van stoffige allure door de openstaande tuindeuren naar de gereedstaande stoelen. De stoelen stonden in twee rijen van drie en waren inmiddels voorzien van grijze verhuisdekens. Handig deponeerden de twee mannetjesputters het zware omgekeerde blad op de zes aldus toegeruste stoelen. Waarom dat zo moest, het was me een raadsel. Vooralsnog. Even later brachten de mannen vier zware poten binnen, elk in de kop voorzien van twee fors uitstekende pennen, koperen bouten bij nader inzien. In een mum van tijd waren de poten in het blad geschroefd, sleuteltje veertien geloof ik, en toen kwam de truc. Ik werd vriendelijk gesommeerd om één rij van drie stoelen terzijde te schuiven terwijl de twee mannen het blad lichtten, en met een handige zwaai brachten zij de tafel vervolgens tot staan. Hun knieën hadden nog geen knikje gegeven! De verhuisdekens werden opgevouwen, 'reukloze' teakolie royaal over de tafel uitgegoten en met een soort van theedoek ingewreven, de rekening voldaan en 'als er iets is, dan hebt u hier ons kaartje'. Nog veel plezier ermee en wie weet tot een volgende keer. - Wij schoven meteen aan. Ingebruikneming En zwegen stille. Want wat zullen we nou krijgen?! Die tafel is ons te hoog, veel hoger dan het exemplaar in de winkel, die van dat andere formaat dat ons niet paste. - 'Ach, dat valt toch wel mee. Even wennen, en misschien moeten we van die glijspijkers onder de stoelpoten slaan, en de viltjes onder de tafelpoten vandaan halen, dan zal het misschien toch wel gaan, zou het niet?' Het zou niet. We voelden ons als aapjes voor het hoge venster, de handjes in de strekstand voor het gezicht. Maar over de rand naar buiten kijken konden we niet. Moeilijk vol te houden dus dat wij er lekker bij zaten. We maten de hoogte van onze oude tafel nog eens na, en ook de tuintafel, en de computertafel. Duizend bommen en granaten! - Hoe laat is die zaak morgen open? 10 uur? Dan ga ik de kwestie meteen bespreken: deze tafel moet 4,5 cm lager worden. 'En wat denkt u daaraan te doen?' 'O, maar dan gaan we die tafelpoten toch zeker even voor u inkorten. Brengt u de poten maandag even langs? Dinsdag is de timmerman hier, die zaagt er dan wel een stukje af. Let u er wel even op dat elke poot uniek is, en een eigen codering heeft, sleuteltje veertien ja, en dan zijn ze 's avonds weer klaar, zodat u ze weer elk op hun eigen plaats kunt monteren. De afgezaagde stukken krijgt u van mij retour, want veel mensen komen later toch weer terug van hun hoogte, en willen er dan weer een stukje bij. Zit u altijd goed!' En retour Mevrouw B. en ik probeerden de tafel om te keren en op de zes stoelen neer te vlijen. Vergeet het maar: wij waren duidelijk niet de sterke mannen met de juiste trucs. Ten langen leste kregen we het blad wel op de grond, met een kritiek moment van twee poten in kwetsbaar schuine stand vlak voor de definitieve omkering. Het zweet stond ons op de bovenlippen en de onderste ruggenwervels krijsten alarm! - En toen moest het lossleutelen van de poten op de knieën nog beginnen. Wat een zondagavond! Op maandagochtend bleken de poten te groot en te zwaar om ze per fiets te vervoeren. Dus dat werd nog een heel geregel voordat de timmerman op dinsdag aan de slag kon. Evengoed kregen wij de bewerkte poten wel degelijk dinsdagavonds te tien uren wederom thuisbezorgd. Inclusief de vier bij elkaar getapete overblijfselen, en een handdruk met sterkte van de bode. Tegen middernacht had ik de poten gemonteerd (inderdaad met sleuteltje veertien dat zich tot mijn verrassing in mijn oude gereedschapskist bleek te bevinden), met behulp van de buurvrouw keerden wij de tafel, en constateerden dat die stond als een huis! En paste als een handschoen. - Het werd een late borrel, een genot aan de eettafel! Krijg nou wat! Opruimerig als ik ben, wilde ik de volgende ochtend, woensdagochtend, de pootrestanten, nog steeds als één pakketje bij elkaar getapet, in de schuur opbergen. Ik keek die vier stukken zo eens aan, en vond er iets vreemds aan. Ik pakte de duimstok en mat ze allevier, stuk voor stuk, na. Vier keer een andere uitslag, met een bandbreedte van vier mm! Hoe kan een tafel waterpas staan, als er per poot 'zo'n beetje ongeveer 4,5 cm' van afgezaagd is?! Ik belde meteen 'de zaak' om van dit raadsel af te komen. - 'De timmerman? Nee, die is hier alleen op dinsdag, Dus dan moet u volgende week nog eens bellen. Een bijzondere man? Ja, dat is ie zeker, een beetje een kunstenaar zeg maar.' - Enfin, over een week hoop ik u nader te berichten aangaande de tafelpoten. Superieur eenvoudig gedicht Al bij al genomen blijkt een gemiddeld mens als ik toch nog heel wat woorden nodig te hebben om een reeksje eenvoudige gebeurtenisjes een beetje logisch achter elkaar te vertellen. Dat moet toch beter kunnen, denk ik in zulke gevallen altijd. En jawel hoor, het kan beter. Neem bij voorbeeld het gedicht Pluk de dag van C. Buddingh'. Superieure eenvoud voor een superieur eenvoudig onderwerpje van niks. Maar wel briljant helder en beknopt verteld. Doe dat maar eens na! Het mooiste is het natuurlijk als je de dichter zelf dit vers hoort voorlezen: superieure monotonie in een superieur karakteristiek timbre. Maar helaas, Buddingh' is reeds in 1985 overleden. Dat was een dichtertje, hoor! En een superieure performer! Hoort: PLUK DE DAG vanochtend na het ontbijt ontdekte ik, door mijn verstrooidheid, dat het deksel van een middelgroot potje marmite (het 4 oz net formaat) precies past op een klein potje heinz sandwich spread natuurlijk heb ik toen meteen geprobeerd of het sandwich spread-dekseltje ook op het marmite-potje paste en jawel hoor: het paste eveneens naar boven 25 mei 2010 Close reading Mijn oude vriend Bé schreef me enige tijd geleden: 'Hoe verhelderend kan een biografie zijn? In die van Wislawa Szymborska las ik dat ze het gedicht 'Een kat in een lege woning' schreef vlak na de dood van haar geliefde, Kornel Filipowicz. Deze wetenschap plaatst het gedicht, waar ik eerder om had gelachen, in een heel ander daglicht.' - Dat gedicht staat onderin deze Balthasarsblog, dus oordeelt u zelf. Maar eerst nog even wat ander oefenwerk. Er staat wat er staat Zelf ben ik nogal van de school die close reading heet. Uitgangspunt van deze methode van lezen is: alles staat in de tekst zelf, biografische of andere literaire informatie doet in feite niet terzake. Het tijdschrift dat deze methode van literatuurbeschouwing met verve uitdroeg heette Merlijn; het verscheen gedurende vier jaargangen, van 1962 tot 1966 (de tijd dat ik zelf M.O. Nederlands studeerde aan de Leergangen in Tilburg). Kees Fens was een van de oprichters van dit literaire tijdschrift. Literatuur moest op een meer wetenschappelijke manier worden benaderd, dat was het idee erachter. Het ging om de tekstanalyse. In een interview met het Rotterdams Dagblad zei Kees Fens in oktober 1999: 'Ik denk dat Merlijn het belangrijkste tijdschrift is geweest. De methode van Merlijn heeft zich op de universiteiten, naast de mode van de dag, ontwikkeld tot de klassieke vorm van tekstanalyse. Het idee dat je niet zomaar alles kunt beweren over een roman of een gedicht, maar dat je ook moet aantonen dat het er echt in de tekst staat.' Merlijn was een geweldig blad, prachtig vormgegeven ook, een aanwinst voor mijn toenmalige bescheiden boekenkastje, een statussymbool misschien wel. Bij een onbeholpen binnenbrandje op de studeerkamer is dat complete bezit van vier unieke jaargangen rücksichtslos door de brandweer het raam uitgesmeten, een verlies waar ik vaak om treur. Want er zijn nog steeds momenten dat ik wel eens zou willen checken hoe gestreng de auteurs hun methode van tekstanalyse in de praktijk en over het voetlicht brachten. En daar moet je het mee doen Wikipedia draait de zaak een klein beetje om, en ventileert zijn mening over close reading als volgt: 'Close reading gaat ervan uit dat geen enkel element in een literaire tekst er 'zomaar' staat: alles heeft zijn functie en de tekst vertoont een hechte samenhang in al zijn lagen. De zuivere close reading wordt tegenwoordig overigens bijna niet meer beoefend. Onder invloed van de 'cultural studies' wordt literatuur weer bestudeerd als onderdeel van een historisch, maatschappelijk en cultureel netwerk.' - En dát wil ik hier nou wel eens uitproberen. Ik neem een voorbeeld uit mijn eigen schrijverij, het gedicht zondagmiddag toen. Ik schreef het in 1973, en zonder nou zelf te beweren dat het een goed gedicht is, kun je er wel degelijk close in readen. Eerst het gedicht nu maar eens geciteerd: ZONDAGMIDDAG TOEN The quick brown fox jumps over the lazy dog. The quick brown fox The quick b ik hoor wel vogels geen vogels fluiten mussen, merels, mannetjes nou ja gebrek aan creativiteit of zin erin leeslustwalging vette soep en stoofperen slenteren langs lege gezichten achter open gesloten gor dijnen/tjes stof op mijn nieuwe schoenen dat is knellend zondagsleer/knellende zondagsleer de anderen komen van het stadion en denken met zin in tegenzin aan de dag maandag/wasdag de zon of de wolken dat maakt niet uit sombere gedachten met geen film te verdrijven zelfs het kaartspel mijn god praat er niet over die schoonfamilie heeft wel schone schoenen en afgrijslijk goede zin in alles... waar ik ziek van naar bed ga (-) pen en dan vergat ik nog de toestand in de wereld en even afrekenen met de dag des heren Of toch niet? * Meteen die titel al: daar wou ik onmiddellijk 'zondagmiddag 1955' van maken. Want hoe kan de lezer nou uit het gedicht te weten komen wanneer dat 'toen' plaatsgreep? Bij even verder denken verwierp ik het idee weer: er zijn wel degelijk genoeg elementen in de tekst die zowel het 'toen' als het 'nu' (moment van schrijven) een nadere invulling geven. Bv. de ik-figuur zit kennelijk op typeles ('The quick brown...' is de wereldberoemde oefenzin om alle letters van de qwerty-toetsen in één zin onder te brengen.) Er spreekt een zekere landerigheid uit de herhaling: zondagmiddag, niks beters te doen, dan maar wat typen, en zonder er denkwerk in te investeren. Een gedicht schrijven misschien? Maar... hoe dat nieuwe gedicht te beginnen... even uitstel van executie organiseren dus: 'The quick...' * Door het woord 'toen' in de titel suggereert de schrijver duidelijk afstand in tijd tussen het moment van schrijven en de beschreven gebeurtenis zelf. Al te positief over de tijd van 'toen' is de ik-figuur kennelijk niet, tel maar eens mee: 'gebrek aan creativiteit', 'leeslustwalging', 'vette soep', 'knellend zondagsleer/knellende zondagsleer', 'tegenzin', 'sombere gedachten' - moet ik nog doorgaan? De afkeer van de zondagmiddagbeleving van toen is tot brakenstoe aanwezig. * Blijft de vraag: slaat die afkeer op 'toen' of op 'het nu'? Zeker is dat de schrijver nergens een poging doet om afstand te nemen van het gevoelen van 'toen'. - Dat zou ik nu (2010) wel anders doen. Want over mijn jaren vijftig ben ik persoonlijk en geheel en al tegen de trend in tegenwoordig nogal positief. Het waren mijn middelbare-schooljaren, er gingen werelden voor mij open, en andere werelden werden gesloten, afscheid nemen en uitzien naar een nieuwe tijd. - Maar dit staat toch nergens in het gedicht? Nee, voor de dichter vallen het 'toen' en het 'nu' kennelijk nog volkomen samen. * Ander gevalletje, neem de vijf slotregels van het gedicht: 'en dan vergat ik nog / de toestand in de wereld en / even afrekenen / met de dag des / heren'. Twee duidelijke mededelingen in het licht van het hiervoor besproken 'afscheid nemen en uitzien naar een nieuwe tijd'. Doet het er iets toe dat er in die tijd twee zondagse radioprogramma's van de Avro waren die hier impliciet genoemd worden? (T.w. 'De toestand in de wereld' van de toen legendarische mr. G.B.J. Hilterman, en 'Even afrekenen, heren' over binnenlandse politieke kwesties.) Nee, voor het begrijpen van het gedicht doet het er inderdaad niets toe, maar leuk is het wél en bovendien hebben die mededelingen dus kennelijk hun wortels in de concrete zondagmiddagbeleving van 'toen', tóch een extraatje dus! * En natuurlijk valt er over dit gedicht nog zoveel meer te close readen, bijvoorbeeld dat het wel erg typisch jaren zeventig is. Neem alleen al de vormkenmerken van die afgeknepen zinnetjes/regeltjes/woord-/delen... Duidelijk 'toen'! En dan tot slot dus het gedicht 'Een kat in een lege woning' van de Poolse Nobelprijswinnares (1996) Wislawa Szymborska. Het staat in de Nederlandse verzamelbundel Uitzicht met zandkorrel, en is vertaald door Gerard Rasch. Meulenhoff is de uitgever. - Doet het er inderdaad toe dat ze het schreef na de dood van haar geliefde? EEN KAT IN EEN LEGE WONING Doodgaan - dat doe je een kat niet aan. Want wat moet een kat in een lege woning beginnen. Tegen de muren op lopen. Langs de meubels wrijven. Zogenaamd niets veranderd, maar alles toch anders. Zogenaamd niets verplaatst, maar toch alles opzij geschoven. En 's avonds schijnt de lamp niet meer. Stappen op de trap, maar niet die stappen. De hand die de vis op het bordje legt is ook niet de hand die dat deed. Iets begint hier niet om zijn gewone tijd. Iets gaat hier niet zo als het moet. Iemand was hier steeds, verdween toen plotseling en blijft koppig weg. In alle kasten gekeken. Alle planken afgerend. Onder het kleed gekropen en gecontroleerd. Zelfs het verbod getrotseerd en de papieren rondgestrooid. Wat is er meer te doen. Slapen en wachten. Als hij nou toch terugkomt, zich nou vertoont, dan zal hij het weten: zo ga je niet met een kat om. Naar hem toe lopen als met de grootste tegenzin, op het dooie gemak, op diep beledigde poten. En om te beginnen niks geen gespring en gepiep. naar boven 11 mei 2010 Zomaar een dinsdag Herfstige hoffelijkheid Dinsdag 11 mei 2010, buiten is het 9 graden, de regen tikt in hoog tempo op de lichtkoepels, ik zit met de verwarming aan achter de computer, over mijn trui draag ik een extra fleece bodywarmer, snot loopt uit mijn neus en de keel is ook niet helemaal wat het moet zijn - kortom en om met Erwin Krol te spreken: 'Het is herfst. Houdt u daar rekening mee als u naar buiten gaat.' En naar buiten ging ik, moest ik. Even wat boodschappen doen, en meteen wat lege doosjes meenemen voor overtollige kranten en tijdschriften, mevrouw B. is aan het opruimen, vandaar. En Krol zat er niet ver naast: Boreas woei me koud en nat in het gezicht, maar gelukkig was ik er goed op gekleed, en wist ik m'n regenbroek en m'n winterwanten in m'n linkerfietstas. Een tegemoetkomende vrachtwagen blies m'n regenhoedje de weg op, een volgende werkbus stopte om mij de gelegenheid te geven om dat hoedje te redden, we deden de duimen omhoog, er klonk groetgetoeter. - Ja, mensen, hier is alles wel, ook al is het niet alle dagen zondag. Wijn als boosdoener In de supermarkt begon meneer WA. tegen me te spreken alsof we al jaren de beste vrienden zijn, en niet alleen maar buren met groetcontact. - Ik zie dat je lekker spul in je karretje hebt, B. - Mag ik niet. - Ja, deze huiswijn is heel goed getest en ik vind 'm nog lekker ook, WA. - Nee, ik krijg daar last van, aan m'n maag. Ik loop bij de huisarts. Die zegt dat het van de sulfiet komt. Conserveermiddelen zijn slecht voor m'n maag. Hebben meer mensen problemen mee. Hoe hoger het alcoholpercentage hoe beter het is voor m'n maag, zegt de dokter. Dus nou drink ik port. - Tja, als je nou weet dat je d'r last van krijgt, van dit soort wijn, dan maar iets anders he. En bij de wijnen kom je dan algauw bij de duurdere soorten uit. Of bij port natuurlijk, dat begrijp ik. - Zeg B., weet jij waar de oranjebitter hier staat, ik kan weer eens niet vinden wat ik moet halen. - De oranjebitter? Bij de port, WA. - Oja, natuurlijk. Stom. Alcohol! - Leuk je gesproken te hebben, B. Ben je weer met de fiets, en de rugzak? Goed hoor, heel goed! Zou ik ook kunnen doen. - Ja, WA. Zeker, WA. Dag, WA. De klant is Koning Voetbal - Morgen, slijter. Wat ziet uw winkel er tegenwoordig toch prachtig uit, met dat mooie zitje, en die solide uitstalkasten. Een heel verschil met hoe het hier vroeger was. - Mag ik deze fles ouzo van u? - Ja, meneer, we doen ons best. Voor een rommelige zaak ben ik niet in dit vak gegaan. Maar nou moet ik de balbekjoe gaan verkopen. Ik dacht dat ik me bij een serieuze bracheorganisatie aangesloten had! - Dat is dan 11 euro 95. Hebt u niet kleiner? - Hoe bedoelt u, een balbekjoe? - Nee, helaas niet. - Nou, kijk hier, deze folder. Ik moet proberen wijn en bier te verkopen voor bij de 'balbekjoe', ziet u wel, een soortement van ronde barbeque met een voetbal als deksel, voor de gekte van het WK en zo. Maar ik zet dat ene exemplaar dat ze me toesturen hierachter in een hoekje. Wil ik wel eens zien wat mijn klanten daarvan vinden. En als ze het allemaal willen hebben, ja, wie ben ik dan... - O, nou, het gaat zo ook wel hoor, 8 euro 5, ziet u wel? - Een 'balbekjoe', nee, die zult u aan mij niet slijten. - Graag een papiertje erom, tasje hoeft niet. - Van mij hoeft het ook niet, maar als m'n klanten, tja... - Het is je vak, he! Bij de Hollandse Marokkaanse Turk Bij 'De Turk', die eigenlijk uit Marokko komt, doe ik 's zomers altijd m'n speciale inkopen: olijven, fèta, olie, vleestomaten, pepertjes, soms een Turks brood. In de winkel hangen overal gifblauwe tasjes uit het plafond: kun je zelf je spullen pakken en inpakken. Bedienen doen ze uitsluitend aan de kassa, eerst halen ze alles uit de blauwe tasjes, wegen het, toetsen de kassa in, doen de spullen weer in de blauwe tasjes en knopen die bij de hengseltjes dicht met een dubbele knoop. Als je ze de kans geeft doen ze op het laatst alle geknoopte blauwe tasjes bij elkaar in een grote blauwe plastic tas, even dun en kwetsbaar als de kleine blauwe tasjes. - Zo niet vandaag. Want vandaag word ik verrast met het aanbod van een grote oranje plastic tas. - Zo, gaan jullie over op oranje? - Ja, de voetbal. - De voetbal? Dat is toch pas over een paar maanden? - Is volgende maand, voetbal. - Of is het nog van koninginnedag? - Nee. Voetbal, WK. Wilt u oranje tas? - Nee, dank u. Geen voetbal, geen WK, geen oranje tas. - Is mooie kleur, oranje. Volgende week ook kleine tas oranje. - O? Nou, tot volgende week dan maar. En bedankt. - Tot volgende week, meneer. Oranje boven! Van 'geuzenlied' tot 'inburgerings-item' Onderweg naar huis krijg ik het 'Oranje boven, Oranje boven' niet meer uit m'n kop. Zo min als het: 'Leve de Koningin', gevolgd door: 'En haar vriendin!', zoals 'ze' dat in de jaren zeventig en tachtig nogal eens wilden zingen op roze zaterdagen en alternatieve demonstraties en feestjes van allesbehalve koningsgezinde fietsers, homo/lesbo's en antikernwapendemonstranten. Toch zijn dit soort vileine geintjes me heel wat liever dan de brave aubades en oranjefestiviteiten die 'ons' deel van het land eind april/begin mei teisteren - en dan zwijg ik nog maar van Het Officiële Nederlandsche Volkslied, Het Wilhelmus. Die tekst (Ben ick, van Duytschen bloet) kan een weldenkend mens zo langzamerhand toch niet meer uit zijn bek krijgen (Den Vaderlant ghetrouwe blijf ick tot inden doet). Daarvoor zijn die teksten (Een Prince van Oraengien ben ick, vrij, onverveert) in de loop der tijden toch te zeer belast geraakt met gruwelijke oorlogervaringen en de strapatsen van bepaalde leden van Ons Koninklijk Huis. Bij de laatste dodenherdenking werd overal om me heen, door vriend en vijand, door autochtoon en allochtoon, die tekst weer uit volle borst meegezongen. Het was mij zwaar te moede, zij het dan dat ik ook wel begrijp dat de meeste mensen totaal geen benul meer hebben van wat ze eigenlijk zingen (Dat ick doch vroom mach blijven U dienaer taller stondt). - En dan te bedenken dat het 'Wilhelmus' oorspronkelijk een geuzenlied was, uit de tijd van 'den opstand' (tachtigjarige oorlog), en historisch en letterkundig van grote waarde. Kunnen we niet afspreken dat alle Nationalistische Volksliederen als zodanig afgeschaft worden? Over 'de wyse van' (de melodie, zeg maar) hebben we het een andere keer nog wel. Want ook muziek kan, historisch gezien, van vorm en inhoud ontredderd raken. naar boven 5 mei 2010 Zilvergrijze toekomst Brocante per bushalte Het begon allemaal een paar weken geleden in Eerbeek, laat in de middag, toen we na een lange wandeling langs Apeldoorns Kanaal en Hallse dreven op de bus stonden te wachten. Die bus bleek aan een uursdienst begonnen te zijn, en was volgens de vertrekstaat nog maar goed en wel gepasseerd. Tijd genoeg dus om het aanpalende winkelcentrum eens even door te neuzen. Ons oog viel op een bloemen-en-plantenzaak met nevenartikelen. Waar mevrouw B. meteen de witgeweestzijnde en rankgepote eettafel zag staan. Hij had iets romantisch, iets verlopens, iets oudchicks, en zeker ook iets oprecht aaibaars. - Dat zou nog eens een leuk alternatief voor onze krak-en-miktafel zijn, B.! - Aardig, zei ik, heel aardig. Maar niet een tikje te wild, amigo - of is het 'amiga'? - Nouja, tis maar om de gedachten te bepalen... zie je die poten, die sierranden - en stévig dat ie is! - Stevig is ie zeker. En bij nader inzien hééft ie ook wel iets, zeg, iets gimmicks, iets eens héél anders. Dat heeft niemand. Mmmpja, misschien nog niet zo gek nee. Zou die kosten? Enfin, de tafel bleek niet te koop, dat hadden al meer mensen gevraagd, maar ja, zelf zo aan gehecht ziet u, dus... En meteen beknaagde ons al een beetje de spijt, het was leuk fantaseren geweest. En een andere tafel zou er hoe dan ook eens moeten komen, dat wisten we nu wel zeker. En stoelen ook, die zijn na ruim dertig jaar écht wel een beetje shabby, en ze zakken door, en... Enfin, ineens leek het hoog tijd voor nader onderzoek. En te Winterswijk En niet eens per se in dat kader, hadden we afgelopen zaterdag zomaar ineens zin om naar Winterswijk te gaan - Winterswijk, Komrij!, Mondriaan! - zou daar misschien de actie zijn? Het weer was koud en miezerig, de treinreis druk en guur, en Winterswijk navenant: beetje kil, beetje miezerig ook, beetje erg rommelig, beetje half uitgewoond, druk met Duits sprekende winkelaars evenwel, en met een pedant nieuw stadskantoor alsof een grote geboortegolf én een immigratie-invasie aanstaande zijn en de afdeling 'Burgerzaken Winterswijk' alleen al minimaal twee grote verdiepingen opeist. Dat die nu nog even leegstaan, soit, maar binnenkort, écht wel! Winterswijk heeft het, Winterswijk krijgt het, Winterswijk gaat het helemaal maken! - Zou 't? - Laten we even bij die woonwinkel gaan kijken, B. Zomaar, voor de leuk, en ik heb het koud. - Best, maar als je naar tafels of stoelen wilt kijken, kunnen we dan niet beter bij ons in Zet naar die tweedehandszaken in de Es-straat gaan? Volgens mij heb ik daar wel eens aardige dingen gezien. Gaan we daarna even naar die Nieuwe Turk, als we tevreden met onszelf en de uitkomst zijn. Want hier in Winterswijk is de actie zeker niet! - Opschieten dan B., want de trein gaat over tien minuten. En hollen dat we deden... Maar hoe dichter bij huis... Tussen de verregende restanten van koninginnedag door fietsten we de hele Es-straat uit. 'Ik wíst het wel,' riep ik op het eind naar mevrouw B., 'het moest hier ergens zijn. Kijk: Het Snuffelpaleis. Gaan we mooi 's rustig rondkijken.' - Maar ik communiceerde in het luchtledige, want mevrouw B. was het Paleis Hoog en Droog al binnen gevlucht. Het Snuffelpaleis is een snoepje, een toverbal, een dubbele pijp kaneel. In een doolhof aan luxe kamers, werkvertrekken, opkamers, halve zalen, entresols, zolderijen en tussendoorsels trekt een stoet aan begerenswaardigs aan je voorbij, nee niet zij, maar wij trekken voorbij, en ook nog eens weer. Vier aaneengesloten huizen en achterhuizen vol tafels, stoelen, fauteuils, kasten, spiegels en lampen waar je wat in kunt zien. Na een duizelend uurtje namen we een optie op één stoel, tot maandag. - En tevreden met onszelf en de uitkomst reden we richting Top Kapi, de Nieuwe Turk. Maar ojee, niet gereserveerd natuurlijk! Na het eten - écht heerlijke vegetarische hapjes! zegt het voort - slopen we op kousevoeten naar buiten. Nog steeds nul andere gasten! - U hebt een prachtige zaak, mevrouw, schitterend ingericht, prachtig geverfd, en heerlijk eten. Jammer dat er niet meer mensen gekomen zijn. - Er is geen peil op te trekken, meneer, gisteren zat het hier nog vol. En we zijn nog niet al te bekend natuurlijk. Dat zal even duren. - Wij komen terug. En we zullen het doorgeven, vooral van die vegetarische heerlijkheden. - Fijn, meneer, mevrouw. Hier hebt u ons kaartje. ...hoe schoner Snuffelpaleis Gister zijn we terug geweest, in Het Snuffelpaleis. Tafel gekocht, twee lopertjes, stoelen en een sisalkleedje. Na zo'n honderd jaar wonen lijkt alles 'n beetje versleten en uitgewoond. Moet je dat dan maar zo laten? Alleen omdat je zelf ook 'n beetje richting de honderd neigt? - Tjee, wat was je losjes met geld, vandaag, B. Gaat het wel goed met je? - Tja, kweenie. Ik lijd geloof ik een beetje aan de toekomst. Daar is bij voorbeeld over twee jaar alweer twee jaar van af, en over drie jaar drie jaar. Maar dan hebben wij al die tijd toch al mooi aan die nieuwe tafel en op die leuke nieuwe stoelen gezeten. En zal ik je nog eens wat zeggen? Als we de muren nou eens grijs verven, net als bij die Nieuwe Turk en bij Meubel Lies, zilvergrijs? Maken we er helemaal een nieuwe kamer van! - Rustig nou, B., rustig. Zullen we eerst niet eens met één muurtje beginnen? - Strak plan. Kunnen we altijd nog zien. - Mmm, lichtgrijs, niet lelijk. Denk ik. - Zeker niet achter de zwarte boekenkast. - Of achter het rode schilderij. - Dan gaan we nou nog vlug even een potje verf kopen. - Grijs, zilvergrijs! Eerst grijs, dan wit, dan... Over de begrippen 'grijs' en 'honderd' schreef Judith Herzberg een 'gevoelig' gedicht, Grijs-trap heet het, en het gaat niet over geverfde muren, zwarte boekenkasten of rode schilderijen - maar over haren, witte koppies en de filosofie van de verkeerde beslissing. Nieuwsgierig geworden? Lezen dan. Hieronder. Oorspronkelijk stond het gedicht in de bundel 'Uit Botshol', maar het staat ook in de verzamelbundel 'Doen en laten', Rainbow Pocket, nr. 172, telkens en telkens herdrukt. Uitgeverij Maarten Muntinga. GRIJS-TRAP Het eerste vond ik raar. Ik stuurde het naar Londen waar mijn geliefde het in de brief, waarin het opgevouwen was niet zag, zodat het even later op de grond lag waar niemand het meer kon vinden. Have one of mine bood een oudere dame daar aan, maar mijn haar was toen voor hem nog onvervangbaar. Het tweede werd door de kapper ontdekt. Wilt U dat ik het laat zitten of wilt U dat ik het uit-trek. Dat hij U zei vond ik al gek, trek maar zei ik maar wist meteen dat dit, filosofisch, verkeerd was, en besloot me bij het derde, als het ooit zou komen, wijzer te tonen. Het derde kwam, dat had ik niet verwacht. Ik heb het nog een rode schijn gegeven maar J. vond dat niet mooi en hij kon het weten want hij was zelf juist bijna dood geweest, zodat ik, ja bij het vierde en vijfde toen geloofde ik er aan. Nu heb ik er honderd en dat verschaft toegang. Tot hoofden die precies even wit en niet wit zijn als het mijne, tot lijnen die nu nog bijna geheel kunnen verdwijnen. Verwant vind ik die tussen-in-gezichten die af en toe geheel verdord, alles al weten, maar soms ook nog, illusionisten rimpelloos oplichten. Les absents ont tort, geverfden hebben iets gemist. naar boven 26 april 2010 Reizen met de OV-chipkaart Fifty-fifty De Volkskrant hield op eigen gezag een mini-enquête onder de eerste lichting OV-chipkaartgebruikers. Vanochtend kwam de krant met de uitslag. De helft van de respondenten is tevreden, de andere helft zeer ontevreden. Let op het woordje 'zeer'. Mensen die (nog) geen problemen tegengekomen zijn, scoren 'positief zonder meer'. Reizigers die wél ergens 'tegenaan' gelopen zijn, zijn geneigd om de kaart tot de grond toe af te breken. - Het wachten is op het moment dat ook de positivo's tegen een probleempje aanlopen, en dat kan écht niet lang meer duren: dus voorspel ik dat binnen no time de OV-chipkaart praktisch zijn volledige aanhang kwijt zal zijn. Sterker: als er niet snel een heleboel verbeteringen doorgevoerd worden, is het dit jaar nog gedaan met die plastic chip. Ik geef u een paar van mijn eigen ervaringen van afgelopen vrijdag, toen ik heen en weer reisde tussen Zutphen en Hardinxveld-Giessendam. Hoe, zegt u? Hardinxveld-Giessendam! Pak er de NS-treinenplattegrond even bij, en u kunt me volgen. Van Zutphen naar Arnhem ... Op papier een halve wereldreis van 2.44 uur, met drie overstappen op in totaal vier verschillende treinen, en via drie verschillende vervoersmaatschappijen. Op de helft van het traject is geen 1e klas mogelijk, maar dat acht ik vandaag geen probleem omdat ik na wel heel veel gedoe eindelijk over een 2e klas OV-chipkaart beschik, mét automatisch opladen, dat dan weer wel. Dus welgemoed check ik op het uitgeprinte tijdstip in op station Zutphen, waar ik de incheckpaaltjes inmiddels wel weet te vinden. Op station Arnhem - o, dat vermaledijde station Arnhem met zijn onmenselijke overstaptrappen en onvindbare vertrekstaten op de perrons - moet ik van spoor 8 naar spoor 3b om m'n vervolgtrein naar Tiel te halen. Op m'n uitdraai staat dat ik nu met Syntus ga reizen, dat wordt dus uitchecken en weer inchecken, met een minimale tussentijd van drie minuten. Waar zijn die verdomde in- en uitcheckpaaltjes? De NS-medewerker: 'O, maar met Syntus kunt u helemaal niet met de OV-chipkaart reizen, meneer! U moet gewoon een papieren kaartje kopen in de automaat. Die vindt u bovenaan op de overloop naar de andere perrons.' - Lekker zeg, die reclame voor de OV-chipkaart dat 'het afgelopen is met al die losse kaartjes in uw portemonnee' (het enige reclame-argument waarmee de overstap naar het chip-systeem gerechtvaardigd wordt). ... naar Tiel ... Op het laatste nippertje spring ik in het aansluitende boemeltje naar station Tiel Centraal (ja, zo heet dat, echt!), de riante overstaptijd van 12 minuten is er volledig mee heengegaan. Veertig minuten later en met gesloten toiletten arriveer ik met Syntus op Tiel Centraal. Aan de overkant van het enige perron staat de trein naar Geldermalsen al gereed. Hoewel... dat is toch een NS-trein? Inchecken dus, met de OV-chipkaart, en papieren retourtje Arnhem-Tiel goed bewaren, hup in de portemonnee ermee! Waar is in godsnaam het uit- en incheckpaaltje? Hele perron af, tot bij de spoorwegovergang, alwaar inderdaad een paaltje, en weer terug, naar de gelukkig nog steeds gereed staande NS-trein. Had ik hier naar een automaat gemoeten voor een papieren kaartje: was de trein gevlogen en ik gedupeerd geweest. Maar komaan zeg, niet zeuren, op naar Geldermalsen, daar is de conducteur al, onee, het zijn er twee. Geroutineerd wordt m'n OV-chipkaart in een controle-apparaatje gestoken. 'Vertrokken in Tiel, prima, zie je wel?' zegt de ervaren conducteur tegen de nieuwelinge. - Ik haal opgelucht adem, en duik in m'n boek. Ik heb 20 minuten, dat zijn zeker twee stukjes in de 'Kronieken van S. Montag', lees dat boek! ... naar Geldermalsen ... Ruim op tijd raadpleeg ik nog even m'n 9292-uitdraai: in Geldermalsen overstappen op de trein richting Dordrecht, een Arriva-trein! Ik spoor de conducteur op en vraag of Arriva met OV-chip reist. Maar niks ervan, ook bij Arriva doen ze niet aan de OV-chipkaart. Kaartje kopen dus. De overstaptijd bedraagt 5 minuten, en ik heb geen idee waar de uitcheck-paal en de kaartjesautomaat staan. En, u raadt het al, ik kan de aansluitende trein naar Hardinxveld-Giessendam niet halen. Halfuursdienst, da's nog een geluk. Ik posteer me met een beker koffie - ik ben tenslotte al ruim tweeëneenhalf uur van huis - op een bankje in de zon, berg mijn nieuwe kaartje bij de andere in de portemonnee, en prijs me gelukkig dat ik niet over Utrecht ben gaan reizen. Daar blijkt namelijk het hele treinverkeer inmiddels plat te liggen wegens een 'stroomstoring'. In Geldermalsen ziet het dan ook zwart van de gestrande reizigers met weekendspullen. Daarbij vergeleken valt mijn gemiste aansluiting slechts in de categorie 'klein leed', die afspraak kan een halfuur uitstel gelukkig wel hebben. Daar komt via de omroepinstallatie nog een kwartier bij, it's all in the game, Utrecht ligt nog steeds plat. ... naar Hardinxveld-Giessendam ... De trein richting Dordrecht stroomt vol Utrecht- en Amsterdam-gangers, op avontuur naar hun eindbestemming. Gelaten wachten ze op de conducteur, die van niks weet, maar wel boetes wil uitdelen 'wegens rijden zonder geldig vervoersbewijs'. Nooit eerder meegemaakt: protesten die helpen! - Even raken we achterop, en sukkelen we haast in slaap, 'wegens een rood sein'. Uiteindelijk arriveer ik met een uur vertraging in Hardinxveld-Giessendam. Ik wil uitchecken, maar bedenk me nét op tijd dat ik het laatste stuk weer met een papieren kaartje gereisd heb. Ik bloos welhaast van voldoening dat ikzelf op deze combinatiereis uiteindelijk geen enkele fout gemaakt heb! De afspraak in Hardinxveld-Giessendam gaat door: met een uur vertraging, en met het voornemen om een uur eerder weg te gaan. Ik vertrouw het spoor op dit samengestelde traject, en in de avond, maar voor de helft. ...en terug... Om goed half acht - de afspraak was plezierig, ja, dankuwel - zoek ik het station H-G voor de trein van 19.51 uur naar Zutphen via Geldermalsen, Tiel en Arnhem. Want ja, die gekochte retourtjes voor twee van de vier treinen ga ik natuurlijk wel gebruiken. Er zijn vertragingen 'wegens de problemen rond Utrecht', dus arriveer ik te laat in Geldermalsen. Alla, dat had ik ingecalculeerd. Op naar Tiel, waar we nog eens tien minuten te laat aankomen, trein naar Arnhem is weg, de halfuursdienst blijkt inmiddels in een uursdienst verkeerd te zijn, Tiel Centraal is niet meer dan 'een abri in the middle of nowhere', en dan is drie kwartier nutteloos wachten in het donker aan de deprimerende kant. Gelukkig sleept S. Montag me er met zijn hilarische stukjes kronieken doorheen, en om half twaalf reeds kan ik m'n fiets thuis in de berging zetten, vier uur na m'n vertrek uit Hardinxveld-Giessendam. 'En, hoe was het?' is de logische vraag van mevrouw B. En ik begin over het avontuurlijke reizen met de trein en de OV-chipkaart op vrijdag 23 april 2010, maar het ging mevrouw B. over de afspraak natuurlijk. 'O, die afspraak, nou, die was aardig en heel gezellig hoor. Een beetje kort misschien, twee uur minder dan gepland, en je moet de hartelijke groeten hebben van ...' Fijn met de trein Ik ben een groot voorstander van het reizen per trein versus het reizen per auto, ook al zou u uit bovenstaand relaas wellicht anders kunnen concluderen. Doorgaans loopt het allemaal heel aardig, en het is nog beter voor het milieu en de ruimtelijke ordening en je leesgedrag ook. En ach, soms zit het een beetje tegen, zoals afgelopen vrijdag, een ervaren reiziger weet daar mee om te gaan. Maar als ze bij het spoor nou eens wat beter hun best deden op de software en de sneeuwsmelters, als ze die onzinnige privatisering nou eens terugdraaiden, en dat hele circus van de OV-chipkaart subiet opdoekten, en ons gewoon met één eenvoudig papieren kaartje en strippenkaart verder lieten reizen, dan was het allemaal wat aangenamer, effectiever, sneller en beslist ook goedkoper - en vooral: beter te begrijpen en te behappen voor nieuwkomers en ex-automobilisten. Gewoon even afschaffen dus, die privatisering én die OV-chipkaart. Er is niet één voordeel te concluderen uit de praktijk van alledag, voor de reiziger bedoel ik. Hoe het precies zit met de bankrekeningen van de aandeelhouders en hun vrienden, dáár heb ik geen zuivere kijk op. En die OV-chipkaart? Broddelwerk, meneer, en dat is het! Puin. Het is kortom de hoogste tijd om het openbaar vervoer geheel en al gratis te maken. Graag zou ik het Centraal Planbureau uitnodigen om dat eens goed uit te rekenen. Is er al een politieke partij die dat in zijn programma heeft staan? Waarom eigenlijk niet? Dáár zou iemand nou eens een mooi gedicht over moeten schrijven! Iets voor Nico Dijkshoorn misschien? naar boven 20 april 2010 'De verwondering is de belangrijkste missie van de dichter' De keuze van een leeskring Eens per jaar bespreekt de leeskring in het dromerige stadje Y. een dichter, juister gezegd: een poëziebundel. Dat kan het recente werkje 'Varkensroze ansichten' zijn van een betrekkelijk onbekende poeet als Moustafa Stitou, een evergreen als 'Parken en woestijnen' van M. Vasalis, een bloemlezing van Gerrit Komrij over Afrikaanse poëzie, of een extreem gelauwerde dichter uit binnen- of buitenland zoals een Gerrit Kouwenaar of een Joseph Brodsky. Voor 2010 viel de keuze op de bloemlezing 'Uitzicht met zandkorrel' van de Poolse Nobelprijswinnares Wislawa Szymborska. Wie zegt u? Wislawa Szymborska, onthoud die naam, ze komt uit Krakaw en is inmiddels 87 jaar. Oja, en die Nobelprijs won ze in 1996, haar laatste bundel heet 'Hier' en die verscheen bij ons in 2009. 4080 Nederlandse internetpagina's onder de zoeknaam 'wislawa szymborska - gedichten' en 932 onder 'wislawa szymborska - biografie'. Ga er maar aanstaan! - Maar je kunt natuurlijk ook de rest van dit stukje even lezen. De eye-opener van Michael Zeeman Kort na haar Nobelprijs schreef Michael Zeeman een prachtrecensie in de Volkskrant (4 april 2007) naar aanleiding van het verschijnen van de Nederlandse vertaling van 'Uitzicht met zandkorrel' (Meulenhoff, 1997). Zeeman besprak daarin maar liefst 11 gedichten, en wist intussen ook nog even de Szymborska-begrippen 'uitzicht' en 'zandkorrel' tot de hoekstenen, beter: het oculair, van haar poëzie te verklaren. De bloemlezing van meer dan 100 gedichten betekende de doorbraak van Wislawa Szymborska in het Nederlands (tien drukken in één jaar!). Met dank, gróte dank, aan haar vertaler Gerard Rasch, die voor deze vertaling de prestigieuze Martinus Nijhoff-prijs ontving. In de Balthasarsblog heb ik al menig keer uit deze bloemlezing geciteerd. Ik noem bij voorbeeld: 'Uitzicht met zandkorrel' (18/7/2007), 'Gesprek met een steen' (22/5/09), 'Gelukkige liefde' (2/8/2009), 'Het korte leven van onze voorouders' (24/8/2009). - In deze aflevering van de Balthasarsblog eer ik én WS én GR met het nu volgende: AUTOTOMIE - Ter nagedachtenis aan Halina Poswiatowska Bij gevaar deelt de zeekomkommer zich in tweeën: zijn ene helft staat hij de wereld af om op te eten, terwijl hij met zijn andere vlucht. Hij valt heftig uiteen in ondergang en overleven, in boete en beloning, in wat was en wat zal zijn. Halverwege de zeekomkommer splijt de afgrond open en beide randen zijn elkaar onmiddellijk vreemd. Op de ene rand de dood, op de andere het leven. Hier is wanhoop, ginds een nieuw begin. Als de weegschaal bestaat, wankelt geen van beide helften. Als er rechtvaardigheid is - voilà. Sterven zoveel als nodig, binnen de proporties. Aangroeien zoveel als nodig, uit de behouden rest. Wij kunnen onszelf ook delen, o zeker, wij ook. Maar alleen in lichaam en afgebroken fluisteringen. In lichaam en poëzie. Aan de ene kant de keel, aan de andere de lach, licht en snel verstommend. Hier het zware hart, daar het *non omnis moriar, [ *niet geheel zal ik sterven ] drie woordjes slechts, drie veertjes om mee weg te vliegen. Ons snijdt de afgrond niet doormidden. Ons omringt de afgrond. Het email-gesprek van Arjan Peters Zes jaar na de Nobelprijs voor WS slaagde literair criticus Arjan Peters er eindelijk in een interview met WS te krijgen, per email, dat wel. Het verscheen in de Volkskrant van 25 april 2003, en werd bijgewerkt op 20 januari 2009. De mailwisseling vond plaats kort na het verschijnen van de nieuwe dichtbundel 'Het moment'. Peters sluit daar natuurlijk voortvarend op aan met o.a. de volgende vraag: - In het gedicht 'Een van zeer vele' uit uw nieuwe bundel prijst u het lot te zijn wie u bent: 'Ik kon ook niet kiezen, / maar ik klaag niet. / Ik had iemand kunnen zijn / die lang niet zo afzonderlijk was.' Maakt dat gevoel van terzijde staan u bij uitstek geschikt voor het dichterschap? - Szymborska: 'Vermoedelijk heeft iedereen wel het idee dat hij of zij een afzonderlijk wezen is, hoewel ondergedompeld in de wereld. En vermoedelijk kent iedereen de momenten wel daarover verbaasd te zijn. Dichters bezitten niet het monopolie op die verbazing. Alleen slagen sommigen van hen erin die verbazing uit te drukken in geschikte bewoordingen.' Ik citeer hierna het slot van genoemd gedicht, uit de bundel 'Het moment': EEN VAN ZEER VELE - fragment Tegenover mij heeft het lot zich tot dusver genadig betoond. De herinnering aan goede ogenblikken had me niet gegeven kunnen zijn. Mijn geneigdheid tot vergelijken had me afgenomen kunnen worden. Ik had mij kunnen zijn - maar zonder verbazing, en dat had betekend heel iemand anders. NRC-interview van Margot Dijkgraaf De intro van dit paginalange interview (NRC, 17 augustus 2007) luidt: 'Volgende week verschijnt een nieuwe bundel van Wislawa Szymborska [Dubbele punt, vertaling Karol Lesman - B.]. Van niets is ze zo moe geworden als van haar Nobelprijs, zegt ze. Ík leg mijn gevoel in de vrieskist. Na een tijdje maak ik die open.' - Hieronder nog twee citaten uit dit interview, dat uiteraard in zijn geheel op internet te vinden is: - MD: Kun je dan alleen dichter zijn in een wereld vol absurdisme? - Szymborska: O ja, absoluut. die absurde wereld is zijn materiaal, die moet hij verbeelden, al kan hij dat natuurlijk nooit helemaal. Bij mij komt een gedicht soms voort uit irritatie of uit boosheid, maar hoofdzakelijk toch uit verbazing over het feit dat we leven op deze aarde, dat is het allerbelangrijkste. - MD: Een van de ontroerendste gedichten in de bundel is 'De oude professor', een gedicht over ouder worden en vergankelijkheid. Een oude man wordt gevraagd naar de tijd van vroeger, zijn vrienden, zijn gezondheid. ‘Zij verbieden mij koffie, wodka, sigaretten, / het meedragen van zware herinneringen of voorwerpen. / Ik moet doen of ik het niet hoor,' / antwoordde hij. [...] 'Als het ’s avonds mooi weer is, kijk ik naar de hemel. / Ik blijf me verbazen.' - Szymborska: 'Ja, dat gedicht gaat over mijzelf. De verbazing, de verwondering mag je niet verliezen. Bij alle desillusie moeten die overeind blijven. De verwondering is de belangrijkste missie van de dichter. Ik ben nu ook bezig met een gedicht over verbazing, het is het hoofdthema van de poëzie. Natuurlijk zijn er ook nog andere. Welke dat zijn? Het zoeken naar innerlijke waarheid. Ook al weet je nooit precies wat dat is. Wat ook in je gedichten tot uitdrukking moet komen, zijn de gevoelens die je hebt voor anderen.' Meer, meer?! Tot besluit van deze Balthasarsblog over Wislawa Szymborska citeer ik hieronder het hele gedicht over die 'oude professor' die zij dus eigenlijk zelf is... Het staat in de bundel 'Dubbele punt', op p. 16/17/18 (Uitgeverij De Geus, 2007). Geïnteresseerd geraakt in WS? Op internet zijn spotgoedkope edities te verkrijgen van o.a. 'Uitzicht met zandkorrel'. Er bestaat ook een prachtig uitgevoerde biografie van WS. Die heet 'Prullaria, dromen en vrienden', is van de hand van Anna Bikont en Joanna Szczesna, vertaald door Karol Lesman, en is uitgegeven bij De Geus (2007). U zult er geen spijt van hebben, menselijkerwijs. DE OUDE PROFESSOR Ik vroeg hem naar de tijd van vroeger, toen we nog jong waren, naïef, gedreven, dom, onvoorbereid. 'Van dat alles rest nog iets, alleen geen jeugd,' antwoordde hij. Ik vroeg hem of hij nog steeds zeker wist wat goed was voor de mensheid en wat slecht. 'De dodelijkste aller illusies,' antwoordde hij. Ik vroeg hem naar de toekomst, of hij die nog altijd helder zag. 'Te veel geschiedenisboeken gelezen,' antwoordde hij. Ik vroeg hem naar de foto, die in het lijstje, op het bureau. 'Verleden tijd, ze zijn niet meer. Broer, neef, schoonzus, mijn vrouw, dochtertje op de knieën van mijn vrouw, de poes in de armen van mijn dochtertje en de bloeiende kersenboom, en boven die kersenboom een niet-geïdentificeerd vliegend vogeltje,' antwoordde hij. Ik vroeg hem of hij nog weleens gelukkig was. 'Ik werk,' antwoordde hij. Ik vroeg hem naar zijn vrienden, of hij die nog had. 'Een paar van mijn voormalige assistenten, die ook alweer voormalige assistenten hebben, juffrouw Ludmila, die in huis de baas is, iemand heel nabij, maar dan wel in het buitenland, twee dames uit de bibliotheek, beide met een glimlach, kleine Gres van de overkant en Marcus Aurelius,' antwoordde hij. Ik vroeg hem naar zijn gezondheid en zijn gemoed. 'Ze verbieden me koffie, wodka, sigaretten, het meedragen van zware herinneringen of voorwerpen. Ik moet doen of ik het niet hoor,' antwoordde hij. Ik vroeg hem naar het tuintje en de bank in het tuintje. 'Als het 's avonds mooi weer is, kijk ik naar de hemel. Ik blijf me verbazen over het aantal gezichtspunten daar,' antwoordde hij. naar boven 12 april 2010 Buitenlamparmatuuronderdeel Hebt u dat ook wel eens... ...dat de buitenlamp het 'ineens' niet meer doet, al druk je de schakelaar wel tíen keer heen en weer? Dat had ik gisteravond dus. Nog een geluk dat het pas laat donker wordt, en ik na half tien geen bezoek meer aan de voordeur verwacht. 'Morgen even een nieuwe lamp indraaien,' zei ik half tegen mezelf en half tegen mevrouw B. Niet dat het haar aangaat of een klap interesseert, ik heb nou eenmaal de gewoonte om dit soort dingen hardop te communiceren, net zo goed als dat ik altijd laat weten waar ik naartoe ga of anderszins te vinden ben. Gewoon een overblijfsel uit m'n kantoorverleden, toen het altijd handig was als m'n kamergenoten me wisten te vinden als er telefoon voor me was. - Ja, dat zal met al dat gemobiel tegenwoordig wel anders zijn, maar dat doet hier nou niet terzake. Net zo min als dat ik heel vaak niet weet waar mevrouw B. uithangt, omdat ze er niet aan denkt om me dat te vertellen, kwaad steekt er niet achter, ze heeft gewoon niet zo'n kantoorverleden. Enfin, zo zijn er massa's dingen die er voor de een wél en voor de ander níet toe doen. Het zij zo. Even een nieuwe lamp indraaien Ja, dat dacht ik. Maar wederom buiten de waard gerekend. Ook de nieuwe lamp gaf geen sjoege, óók niet na tien keer heen en weer schakelen. Daar moet dus wat anders aan de hand zijn, Wattson. Dus ik haal de nieuwe lamp weer uit het buitenarmatuur, en probeer de fitting los te draaien. Nou, dat hoefde helemaal niet: de fitting zat van zichzelf al volkomen los, en eronder staken twee draadjes slapjes omhoog uit de armatuurbuis. Aha, losse draadjes, die moeten dus even vastgezet worden, ik hoor het u zeggen. Maar... de fitting was niet los te krijgen uit het omgevende armatuurdeel, aangegoten?, de draadjes kon ik zodoende niet in de voorgeprogrammeerde buisjes duwen, én... de aandraaischroefjes zelf ontbraken, snapt u wel?! Schaak. En mat. Hoe heeft dit kunnen gebeuren? Vandalisme? Een ongelukje van de een of ander? De glazenwasser? De firma muurisolatie van afgelopen vrijdag? Autonome implosie? Wat te doen, Tom Poes? Verzin een list. Dus snel naar de vakman - Dingdong, dingdong. Goedemiddag, mevrouw P. - Goedemiddag, meneer B. - Wat kan ik voor u doen, meneer B.? - Nou, mevrouw P., - en ineens voel ik me net de overspannen werknemer Snip uit de Snip-en-Snap-act van honderd jaar geleden, die over de moertjes en de schroefjes en de nippeltjes en de niet-begrijpende bedrijfsarts Snap, maar het is niet erg als u dit niks zegt, even goede vrienden hoor - ik heb hier het bovenste deel van m'n voortuinverlichting die stuk is, maar ik kan de fitting niet uit het armatuurhuis krijgen, want ziet u, de twee elektriciteitsdraadjes die hier inmoeten, die krijg ik er zo niet in, en bovendien ontbreken de noodzakelijke schroefjes, en nou vraag ik me dus af... - Ho, meneer B., daar snap ik geen jota van, daar kan ik u niet mee helpen. En er is hier momenteel niemand van de monteurs aanwezig die u misschien... en Maarten, ja, die is er nog wel, maar die moet nu onmiddellijk weg ziet u, en... - Ja, dat begrijp ik allemaal, mevrouw P. Maar misschien... - Kan ik u straks even bellen als er iemand binnen is, die er verstand van heeft? - Zeker, mevrouw P. Dan kom ik gezwind weer even hierheen gefietst. Ja, dat is een strak plan, mevrouw P. - Mag ik uw telefoonnummer dan nog even noteren? Hoe zei u? 51negentien90? O, negentien99! Is genoteerd, meneer B. Do'nt call us, we call you! - Tot straks, mevrouw P. Hoop ik. En nog een goedendag. - Goedemiddag, meneer B. Nadere actie is geboden En daar ging ik weer op m'n fietsje, met m'n buitenlamparmatuurdeel, en vooralsnog zonder oplossing. Nu allereerst mevrouw B. even volledig op de hoogte stellen. En daar gaat het verhaal dan weer, van m'n buitenlamparmatuuronderdelen, de schroefjes en een niet begrijpende bedrijfsarts alias mevrouw B. die het verhaal liever ook niet wil horen, maar begrijpend genoeg is om uit te brengen dat het ronduit een schande is, maar toch geen ramp? Toch? Inmiddels is de middag al ver gevorderd, wat zie ik, het is al zes uur geweest!, de telefoon is niet gegaan, en het ziet er dus naar uit dat de buitenlamp ook hedenavond niet zal branden. Dat wordt weer wachtlopen, Willem, of misschien toch beter een kaars voor het raam? En maar blijven hopen dat mevrouw P. morgen zal bellen. Intussen zin ik op nadere actie, want wachten... dat is geen echte actie! Actie! Actie! Met dank aan de heer Valkenier Ja, want ik had beter meteen naar hen kunnen gaan, naar de gebroeders Ed en Willem Bever. Want die weten niet van dralen, van aanhouden en morgen misschien. Niks d'rvan, meteen actie, als je maar kikt, als je maar kikt, 't Is Willem die het flikt! Kortom, hieronder niet Snip en Snap, maar Ed en Willem Bever, uit de Fabeltjeskrant van 1971. Tekst: Leen Valkenier, muziek: Ruud Bos, in de coulissen: Bor de Wolf en Balthasar. HUP DAAR IS WILLEM! - O, alles is nat! - Huhh, flictatie, overstroming, Willem!!! Refrein: Hup, daar is Willem met de waterpomptang De nijptang of de combinatietang Hup, daar is Willem met de waterpomptang Want Willem is niet bang Je hoeft het maar te vragen - (Ja hoor) Dan staat ie al te zagen - (Bijvoorbeeld) Te kotteren en te boren De gaatjes in je oren - (Nou...) Als je maar kikt Als je maar kikt 't Is Willem die het flikt, hoi! Refrein: Hup, daar is Willem met de waterpomptang Zit er iemand in de dalles - (Dat gebeurt) Roep Willem, hij ken alles - (Nou alles) Want Willem weet van wanten Ja vraag het an m'n klanten: Als je maar kikt Als je maar kikt 't Is Willem die het flikt, hoi! Refrein: Hup, daar is Willem met de waterpomptang - Willem, Willem, waar hejje dat nou geleerd? - Op de Technische Beverschool, man! Me broer dat is een prima vent - (Dank u) Die van de zweep het klappen kent - (Och) Een goeie vakman tot en met En plichtsgetrouw tot in zijn bed - (Hh hh) Daar ligt-ie starend naar 't behang - (Met bloemetjes) Met naast z'n hoofd z'n waterpomptang En 's morgens dan begint het weer En dan klinkt het keer op keer - (Hoi): Refrein: Hup, daar is Willem met de waterpomptang (Allemaal:) Als je maar kikt Als je maar kikt 't Is Willem die het flikt, hoi! Hup, daar is Willem met de waterpomptang De nijptang of de combinatietang Hup, daar is Willem met de waterpomptang Want Willem is niet bang, hoi! naar boven 6 april 2010 Flarden 6 - HIER ZIT VIER De fraters van Tilburg Mijn Aloysius-lagereschool aan De Kempenlandstraat bestaat niet meer. Samen met de Leonardus aan de andere kant van de muur en het aangrenzende patronaatsgebouw werd de Aloysius weggesaneerd en vervangen door een donker appartementengebouw. De bomen aan de spoorlijnkant zijn gespaard gebleven, en staan er nu een stuk hoger en grimmiger bij - zo lang als het duurt natuurlijk. Elke keer dat ik met de trein langs De Kempenland kom, ben ik weer even tien, 1950, zomer in klas 4, eerste verdieping, bij meneer Van Mier die wel érg graag met krijt gooit als iets of iemand hem in de weg zit. Elke dag dus wel. Ik noem nou wel meneer Van Mier, misschien omdat ie een beetje een sfinx was, maar in klas vier hebben we wel vier of vijf leerkrachten versleten. Het was gewoon zo'n jaar... eerst werd frater Hubertus naar Tilburg teruggeroepen en tijdelijk vervangen door frater Bellarmino uit klas 2, toen kwam meneer Gerritsen tot ie als luchtmachtofficier 'voor herhaling' werd opgeroepen, dus frater Bellarmino weer even terug, en tenslotte dan meneer Van Mier tot het einde van het jaar. Een stijve man in een dito grijs pak, zwartgerande bril, begrafenisstropdas, dunne bruine aktentas. Maar de fraters waren altijd de baas, in heel klas vier, en in alle andere jaren. Dat we 'voor even' een 'meneer' hadden, was overmacht, en zeker niet de bedoeling. Meneer Van Mier bleef de enige meneer, de man van klas vier. Je bent tenslotte een fratersschool of je bent géén fratersschool. De weg naar school Net als de Kanaalschool en de Leonardus en de Joseph was de Aloysius een jongensschool. Meisjes hadden nonnenscholen, dat was een andere wereld. Niks mee te maken, en niks bijzonders in die tijd. Tja, aan een old boys network kun je niet jong genoeg beginnen. Ik liep dus ook altijd met een of meer klasgenootjes naar school, en weer naar huis, ook als dat een kleine omweg vergde. Haasten was niet de bedoeling, de bedoeling was juist om onderweg zo veel mogelijk te beleven - en tóch op tijd te komen, want op de speelplaats was natuurlijk ook nog van alles te doen voordat de schoolbel ging en je met de armen over elkaar netjes op de juiste plaats in je eigen rij moest gaan staan. Drillen en kneden en knoeten maar! En dus... monden dicht, tikje hier en daar, knietje in de knieholte, bloesje uit je broek, afgezakte kousen, snot aan je neus en zakdoek kwijtgeraakt - het moet er erg zwart-wit uitgezien hebben in die tijd, comedy capers op punt van uitrukken. Van de vier gangen per dag - twee keer heen, twee keer terug - was de middagloop naar school de belangrijkste. Dit kwartier wilde nog wel eens vroeg beginnen omdat je 'afgesproken had' om de knikkers mee te nemen en alle goten en gootjes tot aan school aan te doen. 'Loden knikkers' waren daarbij favoriet, en ja, dat gat in je broekzak kwam natuurlijk ook érgens vandaan. Handen wassen was er in mijn herinnering niet bij, kranen waren op de Aoysius onbekend en de urinoirs onder het afdak waren niet meer dan in de lengte doorgezaagde gresbuizen, echte pisbakken, heerlijk in de open lucht. - En meneer Van Mier, ach meneer Van Mier, die surveilleerde in zijn jasje-dasje op de zonovergoten speelplaats, was de strenge scheidsrechter, en moet zich van de weeromstuit af en toe toch ook wel eens jong gevoeld hebben? Een meneer is tenslotte geen frater, is het wel? De Aloysius-didactiek Het onderwijs dat we van de fraters en ook van meneer Van Mier kregen was exclusief gericht op kennis, kennis en nog eens kennis: alle katechismusvragen van klas drie én vier plus de bijbehorende antwoorden in de juiste volgorde van buiten leren en om beurten opdreunen, alle jaartallen uit het 'Rood-wit-blauw'-geschiedenisboekje van het zelfde laken een pak en idem dito, duizend keer eenzelfde staartdelingssom, dictees met het lastige woord 'bisschop' eindeloos vaak herhaald, de blinde kaart van Nederland net zo lang voor het bord tot iedereen alle provinciesteden volledig geautomatuiseerd had, en wee degene die het presteerde om alsnog een onvoldoende voor het proefwerk te halen! Hel en verdoemenis en paarse strafpunten aan de linkerkant van het bord, en een slecht weekrapport met onvoldoendes voor gedrag, vlijt en ijver! - 'Dat zal uw Jantje leren!', nee, dat stond er nog net niet bij, maar dat was dan ook niet nodig. Elk gezin had hiervoor zijn eigen aanvullende straffen. Ach, die heerlijke Jugendzeit, die kommt nicht mehr! Maar fratersscholen, desnoods mét een meneer Van Mier, wisten ook te belonen: voor elk schriftelijk rekenwerkje, meerdere keren per week, moest je natuurlijk een tien zien te halen. en wie het eerst tien tienen had, ja, die mocht een prijs uitkiezen van de 'prijzentafel'. Onnozele prijzen lagen erop: een afgepakte bal, heiligenprentjes waar het wijwater van afdroop, een zompige inktlap, een klein kladblokje waar de houtsnippers prominent in aanwezig waren. Toen ik voor tien tienen rekenen een keer mocht kiezen, was de beste prijs... een lekke gummibal! Uit uitgestelde verontwaardiging, maar vanzelfsprekend ook uit ijver, haalde ik daarna ook als eerste tien tienen voor taal. Ik mocht kiezen: voor twee weken het heiligenleven van Peerke Donders lenen, of gedurende één week oefenen op een muf ruikende kleppenfluit. Ik koos voor 'Peerke Donders tussen de melaatsen van Molokai'... En na twee weken had ik het uit, van kaft tot kaft! En elke dag naar de kerk Natuurlijk hingen op de Aloysius de befaamde wandschoolplaten aan de muren: 'In een Middeleeuwse stad', 'Noormannen in Dorestad', 'Frederik Hendrik voor 's-Hertogenbosch', en ook wel de natuurplaten met 'Weidevogels', 'In sloot en plas', en natuurlijk de beroepenplaten: 'Bij de smid', 'De glasblazerij'. Het beroep van mijn vader, 'De lijkkistenmaker', was er helaas niet bij. Een misser als je het mij vraagt. - Maar één wand van klas vier had meneer Van Mier gereserveerd voor een uitgebreid vilt-paneel waarop alle onderdelen van 'Het Heilig Misoffer' in eigen vorm en kleur uitgebeeld werden. Van het Introitus via Het Evangelie en De Offerande naar De Consecratie, De Communie en De Heenzending. En elke dag, aan het begin van de lessen, was er aandacht voor, zodat je vanzelf een beetje heilig werd, en thuis ging zeuren om een eigen altaartje of op z'n minst toch een kinder-kazuifel. Geen wonder dat er aan het einde van de vijfde/begin zesde klas prominente aandacht was voor het seminarie als vervolgonderwijs, en dat 'priester worden' toch wel het allerhoogste was dat een kind van God kon bereiken! Elke morgen ook telde meneer Van Mier hoeveel kinderen er die dag naar de mis geweest waren. Waren het er soms maar 18 van de 40, dan was zijn dag vergald - en anders die van ons wel! Bij zes keer kerkbezoek in één week ontving je een heiligenprentje, na drie keer zes mocht je je drie heiligenprentjes inwisselen voor een heiligenPRENT: groter en veel mooier nog dan de kleine exemplaren. Het was natuurlijk de bedoeling om zo veel mogelijk grote prenten te verzamelen en die thuis een aandacht vragende plaats te geven. Achteraf gezien was het allemaal natuurlijk van een welhaast misdadige kwezelachtigheid en indoctrinatie, en het is misschien wel een wonder (o,o wat een omen is dit nomen!) dat de meesten van ons zich nog tot vrij normale mensen hebben weten te ontwikkelen. Maar bij fenomenen als een Ratzinger, een Gijssen, een Bodar heb ik dan ook al sinds de jaren des onderscheids zo m'n twijfels. 'L'enfer? Ce sont les autres.' Sartre zei het al. - En meneer Van Mier? Ach, meneer Van Mier, die was natuurlijk ook maar slachtoffer van zijn tijd. Ik hoop dat ie nog bijtijds De Ontnuchtering Zelve tegen het lijf gelopen is. Uit volle borst graag! Zangles kregen we ook van meneer Van Mier. Zo nu en dan. Het Wilhelmus natuurlijk, en Maria te minnen, wat zalig genot, maar ook Ozewiezewooze en Advocaatjeleefjenog? Eén keer zelfs een Frans lied met als refrein de onbegrijpelijk intrigerende tekst: Tomtarinete tomtapi, tappi tappi rouge. Tomtarinete tomtapi, tappi tappi cri!' - Nooit zal ik het vergeten, wat zeg ik, ik zing het nog geregeld (zachtjes in mezelf dan, want ik weet nog steeds niet wat het betekent, en om daar nou mee te koop te lopen...) Ook de Trots Op Brabant (TOB) is ons op de Aloysius met de paplepel ingegoten: Edele Brabant Were Di en Toen Hertog Jan kwam varen, te peerd parmant, al triomfant. Maar het hardst zongen wij toch van Brabant, ik zing van je groene gouwen, drie coupletten lang, drie keer het refrein. (Het heeft overigens lang geduurd voor ik die 'gouwen' in de knip had!) - Ik geef hieronder het eerste coulet plus refrein, dat volstaat lijkt me, zó Brabants ben ik inmiddels nou ook weer niet (meer)! Het lied heet eigenlijk Mijn Brabant, en het is ooit gecomponeerd door Rob Gevers. 'En uit volle borst graag, ja!' MIJN BRABANT Brabant, ik zing van je groene gouwen. Goudgeel kleurt zich de hei met de brem. Heerlijk bloeien uw landouwen, rijen zich langs bos en ven. D'herder stouwt z'n blatende schaapkens langs de dreven ongerept. Vlug naar kooi als 't klokje in de avondstilte klept. Refrein: Dan moet ik zingen van mijn Brabant, waar toch eens m'n wiegske stond. Van ons volk gehecht aan zeden, dat bij strijd z'n menneke stond. Dan wil ik zingen van 't liefste wat ik ooit bezat op aard: van m'n goeie Brabants moeke, trouwe ziel van huis en haard. naar boven 28 maart 2010 Onderhoudswandelingen Okee, door omstandigheden en druktes lukt het tegenwoordig vrijwel nooit, maar het streven is en blijft 25 kilometer per week. Eén langere wandeling van zo'n 15 km, en twee kortere van elk 5. De lange wandelingen vereisen doorgaans enige voorbereiding en reistijd, en nemen zodoende meestal een hele dag in beslag. Want godja, een beetje rustigaan natuurlijk, en de nodige pauzes omdat het voor iedereen leuk moet blijven. En ja hoor, door de bank of de boomstam of het grasveld genomen zijn het heerlijke dagen. Zeker de helft van Nederland hebben we op deze manier al doorkruist en gespot. Nu en dan heb ik daar al verslag van gedaan in de Balthasarsblog (zie bijvoorbeeld 3 juni 2009: En zij lagen langs 's-Heeren Wegen, wat ik onbescheiden gezegd zelf wel een aardig stukje vond en vind, of lees anders: Therapeutisch wandelen bij 13 oktober 2008, ook leuk), binnenkort treft u nog meer over deze 'dagwandelingen' in dit theater aan. De korte wandelingen zijn onze 'onderhoudswandelingen', we doen ze altijd in de buurt vanuit huis, en op onze tuinschoenen. Het zijn ook meer een soort 'inspectiewandelingen' om alle ontwikkelingen in de natuur en van de omgeving te observeren en te genieten. Op dit moment wordt er misschien hier en daar door deze of gene wat al te enthousiast gekapt en gesnoeid. Maar dat vind ik elk jaar weer. En het komt bijna altijd 'wel goed'. Ook met ons, want dit soort bewegingstherapie in de ochtend ervaren wij als een weldaad voor de knoken, de knieën en de knuisten, en de korstmossen en spinnewebben in onze hersenen. - Hieronder drie van onze favorieten. Het landgoed en de aanpalende uitlopers Eén flinke straat verder, op een ruimbemeten hoek, ligt ons eigen dorpse landgoed 'Het Haveke'. Groot kasteelachtig huis met aanbouwen tussen onafzienbare grasvelden en een vloed aan bospercelen en rustieke doorkijkjes. Dorpsbeek en spoorlijn begrenzen de tegenoverliggende hoek, zo'n kilometer verderop. Het landgoed is wat je noemt grotendeels opengesteld, en je hebt er toch wel een stief uurtje voor nodig om alle begaanbare paden te overlopen. Bij de hoofdingang staan altijd wel een paar fietsen gestald, maar van de fietsers nooit een spoor. Huize en landgoed zijn doorlopend 'in onderhoud' en elke wandeling is een beetje feest, weer of geen weer, dat maakt niet uit. En voor aangewaaid bezoek (dat 'even' meeloopt) is het een belevenis om aldoende achter de extra-betekenis van onze uitnodiging 'In de Hof van Eefde' te komen. Het landgoed is een particuliere bedoening, de eigenaresse verhuurt ook voor bruiloften en partijen mét overnachting, en je zou hopen dat dat nog lang zo mag blijven. Soms vinden op het grasveld bij de moestuinen godsdienstige of culinaire 'bijeenkomsten' plaats. Daar is naderhand nooit meer een spoor van terug te vinden. Heerlijk, om in zo'n braaf dorp te wonen! Momenteel zijn er vooral verse houtwallen, blauwe sterhyacinten en openknappende kastanjetakken in de aanbieding. De nieuwe aanplant van jonge beuken op opengevallen plaatsen is één en al vooruitziende blik. Binnen een maandje zweeft hier het jonge groen eindeloos teder door de invallende zonnebundels heen. Yes! Langs de rivier langs Op andere ochtenden voelen we meer iets voor een pittig stapje 'langs de IJssel'. Grote stukken open rivierlandschap, uiterwaarden vol ganzen, opvliegende meeuwen achter landbouwtrekkers. Altijd weer een openbaring van weidsheid en groot water, opwellende gedichten (Nijhoff, Marsman, Slauerhoff) en liederen ('Vive la peperbusse, vive la spa, tralalala, giezegazegoeze, ronflonfloeze, tralalalala'). En altijd weer die tranende ogen, die tuitende oren... De rivier en het landschap wijd en zijd zijn elke dag anders, de knotwilgen staan met hun poten in het water of steken hun wilde kruinen koninklijk de lucht in, de ganzen zijn er wel of de ganzen zijn er niet, de koeien loeien in de open weides of in de open stallen, het water is breed of het water is smal, het pontje vaart wel of het pontje vaart niet: lopen langs een grote rivier eist altijd weer aandacht voor de juiste kleding, windsterkte, zonnebrand, en een altijd nutteloze paraplu. Na zo'n wandelingetje van een dik uur ben je echt wel uitgewaaid en doorgedold, nu nog een heerlijke bruine boterham met kaas. En een sterke kop koffie. - En aaahhh, wie zijn wij dat we dit doen mogen... Tóch!? Langs moestuinman, kwekerij en ooievaarsstation Als we iets meer tijd hebben of nemen, voert onze ochtendoefening door beemd en veld, en wordt ons tuinschoeisel vervangen door wandelschoenen. Buskaarten niet vergeten!, want we lopen tot aan Halte Kerkhof Gorssel om met de bus weerom te keren na een vol uur sappige korenvelden, bedrijvige kwekerijen, velden vol nesten jonge ooievaars, groen bedekt water in de ronde wielen, eindeloos veel honden en hun uitgelaten baasjes en bazinnekes. En dan vergeet ik nog het oponthoud bij de moestuinman - dat kan vandaag wel anderhalf uur worden, dat wandelingetje van ons! De moestuinman is op de een of andere manier het grote voorbeeld. Alles staat er altijd even prachtig bij, blozend in de rij, en voor minimaal vier gezinnen. Want ja, die kinderen he, die komen hier elke dag hun groenten halen. Nee, daar hoeven ze niks voor te doen, hoeft echt niet, ik doe dit al veertig jaar, nou dan weet je het wel, he! En altijd hier op dezelfde grond, en hetzelfde assortiment hoor! - Soms krijgen we plantjes mee, of zaden, en altijd wel adviezen en praktische tips. Heel soms hopen we dat ie niet in zijn tuin aan het werk is, als we door willen lopen, of als we gewoon zelf ons oordeel over zijn tuin willen vellen, kijk, bij hem is de boerenkool ook bevroren, hoe kan dát nou?! Afgelopen winter was er geen doorkomen aan, aan deze onderhoudswandeling. Overal één en al grote gladde ijsvlakte en dreigend gevaar voor gebroken enkels en polsen. Toch hebben we hem nog twee keer gelopen (geslibberd zeg maar), de tocht naar Halte Kerkhof Gorssel. Ruim anderhalve keer de normale tijd, ijzige wachttijden in het bushokje, geen ooievaar gezien, het kerkhof ook al in mineur. Maar thuis deden we een extra houtje op de kachel, één van de drie truien uit, en anijsmelk op het vuur. Tot we lichamelijk en geestelijk weer volledig 'op peil' waren. Met deze korte onderhoudswandeling waren we telkens de hele ochtend zoet. Tja, soms moet je er wat extra's voor over hebben, als je aan je 25 km per week wilt komen. Onderhoudswandelingenliedjes Onder het lopen van de korte ochtendwandelingen heeft zich al menig lied in mijn kop geplant. Er zijn liederen - of fragmenten - van de blijmoedige stap (Allen die willen ter kaperen varen, moeten mannen met baarden zijn), onzinliederen (En mevrouw van Roozendaal, die had vier jujujuutjes), liederen van de ochtendradio die maar niet weg willen gaan (Heb je even voor mij?), liedjes van stilte (Snachts rusten meest de dieren, oock menschen goet en quaat) en liedjes van niks (Lieke van 1 minuut). - En altijd alleen maar 'in mijn kop', nooit hardop tenzij het heel hard waait en niemand je hoort al gil je nog zo giga je nonsensteksten uit ('Daar was een juf die spon... daar zat geen toorteltje aan'). Vooral op zomerse dagen schieten mij de liedjes van Gerard van Maasakkers te binnen, dat wil zeggen de liedjes van z’n eerste LP ‘Komt er mer in’ (1977). En dan vooral ‘Van m’n bengske’, en daaruit dan eindeloos het couplet ‘De koei van De Vries’, dat gaat zo: De koei van De Vries / zwaaie sloom mee hun sterte / de mugge, die dansen er bove de sloot / en weit, weit genoeg / schiet ‘nen trein naor de stad, / de kraaie worre stil, d’n dag die gao dood. (2x) Ach, er zijn zoveel liedjes en liedekens die je onverhoeds te binnen kunnen schieten. Hoe te kiezen? Nou, net als in de praktijk! In dit geval betekent dat: ik pak het boek 'Straatliederen van Nederland', ik sla het open op een volkomen willekeurige plaats, pagina 173, en lees (ojee, het lied is meer dan twee pagina's lang, daarom volsta ik met het eerste couplet en het refrein): HET FIERE SCHOOIERSHART (Tekst: Otto Zeegers (1919) - Melodie 49 Oorspronkelijk gezongen door Willy Derby) Ik loop als een schooier door weer en door wind Bij dag en tot diep in de nacht Er is haast geen mens me wat vriend'lijk gezind Ik word door eenieder veracht De dames en heren die gaan me voorbij Er zijn er die 'k goed heb gekend Ze houden vol afschuw hun kleren opzij Uit angst voor zo'n schunnige vent Refrein: Maar onder m'n lompen, daar draag ik nog iets Waarmee ik de wereld tart Daar klopt en daar leeft Daar lijdt en daar beeft M'n fiere schooiershart naar boven 21 maart 2010 Flarden 5 - TONNIE Gisteren maakten wij met onze vriendin J. een loomwarme wandeling in de buurt van De Wildenborch, het landgoed tussen Lochem en Vorden dat nog steeds bekendheid geniet namens de negentiende-eeuwse dichter en bosbouwer A.C.W. Staring. De imposante voortuin van het kasteel stond de sneeuwklokjes en paarse krokussen massaal uit te venten, en ook overigens was het landschap een en al allure op weg naar de lente. Omdat de luchtvochtigheid op deze zaterdag bijzonder hoog was, braken wij de moeizame wandeling voortijdig af, en lieten ons vervolgens door J. en haar automobiel welwillend door het landschap van Het Grote Veld voeren. Tot we plotseling 'in the middle of nowhere' voor een aantrekkelijke boerenbedoening stonden. 'Kijk,' sprak vriendin J., 'dit was nou het ouderlijk huis van G. Mooi, he.' - G. is de onlangs overleden echtgenoot van J. De 'stop' leidde dan ook tot een korte maar roerende stilte bij ons alledrie. En voelde als een weemoedige hommage aan de verleden tijd van onze jeugd. Madenkwekerij Zo had Tonnie W. ook deel aan mijn jeugd. Zijn naam en fysionomie en huiselijke setting komen vlot uit mijn geheugenlaatjes tevoorschijn als ik aan klas vier, meneer Van Mier, en oktober 1949 denk. Tonnie liep zomer en winter in korte broek en op gummilaarzen, zijn vader dreef een rommelige fietsenwinkel naast bakkerij Jordens, en op de achterplaats hield hij er een madenkwekerij in betonnen bakken op na. Ja, ze hielden daar nogal van vis en troep en Jan Steen, geloof ik, bij Tonnie thuis. Je werd er ook niet echt opgemerkt of gemist, je was er gewoon of je was er niet, altijd goed. Eén keer ben ik met Tonnie op de vuist gegaan, op het terrein van het Mariaklooster aan de Dommel dat nog steeds in puin lag 'wegens oorlogshandelingen' - en geen spoor meer in mijn geheugen van de 'kwestie' waar die knokpartij dan wel over ging. Noch over de gevolgen van ons partijtje 'benzen'. De volgende dag was alles weer 'gewoon', en liepen we evenwichtsbalkje over de ijzeren grasafzetting van het Emmaplein, of verbaasden we ons erover dat je eigenlijk poep eet als je verse groenten op je bord hebt, want mest leerden we is poep met stro van de mesthopen op de boerderijen. - Later is Tonnie nog eens in de motorracerij gegaan, heb ik viavia gehoord, maar ik heb daar zelf geen waarnemingen of herinneringen bij, dus dan telt het niet. Dit is alles wat ik van Tonnie weet, zo ongeveer. Hofmeester Later kwam Tonnie W. nog een keer sterk opzetten, indirect dan. Dat was toen ik in 1960 soldaat was in Apeldoorn, dienstplichtig sergeant B., toegevoegd aan de Administratieve Staf van het Eerste Legerkorps van Generaal Gips. Onze maaltijden genoten wij in de onderofficiersmess van de marechausseekazerne waar onze eenheid bij ingekwartierd was. Daar ontmoette ik Jan W., de iets jongere broer van Tonnie W. Jan was daar 'hofmeester', wat wil zeggen dat hij 'in de bediening' was. Met hem kon je dingen 'ritselen', nou ja, alles in het onschuldige natuurlijk, het was 1960, en nog ruim 8 jaar voor '1968' toen de verhouding tussen autoriteit en klootjesvolk langzaam maar gestaag begon te veranderen, en Bill Haley en Elvis Presley alweer op hun retour leken te zijn. Jan was de rustige en aardige variant van Tonnie. Hij speelde zijn rol als hofmeester met verve, en zeker in de 'parate' weekends, als de stijve en kale marechaussees met verlof waren en alleen het ongeregeld zootje van de staf van het eerste legerkorps in de 'mess' kwam eten. Extra krentenbrood voor tafel 3? Nog een meeneemtoetje voor sergeant G.? Thermoskannetje koffie bijvullen? Met Jan kon je zaken doen, vooral bij de zondagavondmaaltijd. Gebakken ei bij de boterham? Dat is dan 10 cent (in plaats van 15). Een 'dubbele' was 5 cent extra. Dat waren niet 2 eieren zoals ik aanvankelijk dacht, maar een aan twee kanten gebakken ei, waar Jan een ster in was. Ja, met Jan W., de broer van Tonnie W., was het goed kersen eten, toen, in 1960, in de 'mess' in Apeldoorn, op zondag. - Het moet ook toen geweest zijn dat Jan me van de raceactiviteiten van Tonnie verteld heeft. En van het ongeluk, maar daar weet ik het fijne niet van. Verdwenen bewijs In tegenstelling tot de ouderlijke boerenwoning van vriend G. - godhebbezijnziel - bestaat de fietsenmakerij van Tonnie's en Jan's vader allang niet meer. Gesneuveld in de stratenopknapwoede van de jaren zeventig. Die betonnen bakken van de madenkwekerij vallen dus niet meer te bewijzen, zomin als het gebouw met de speelplaats en de buiten-wc's waar wij schoolgingen, of de kerk waarin wij maandelijks onze pekelzonden moesten opbiechten en elke morgen vroeg onze knorrende magen met één enkele hostie moesten zien te voeden. Het politiebureau is afgebroken, de cinema verkoopt vrijetijdskleding, waar ik vroeger tolde en straatvoetbalde puilen nu de terrassen, en waar ik zangkoorrepetitie had kun je alleen nog warm en duur eten, mijn eerste werkplek is inmiddels een modern museum, een goeie deal. En ja, ik ben mezelf natuurlijk ook allang niet meer, in elk geval anders en wie weet wel onherkenbaar verbouwd voor wie er met me speelde en schoolging rond 1950. Dat is 60 jaar geleden, onherhaalbaar, maar zoet van herinnering en uiterst persoonlijk. Al met al niet gek, dus. Volgens Douwe Draaisma en andere geheugendeskundigen gaat het leven sneller als je ouder wordt. Dat zit intussen nog: als je veel plannen maakt, veel onderneemt, gezond eet en veel beweegt, dan valt er op veel terug te zien, waardoor het leven weer wat langzamer lijkt te gaan terwijl je voortijlt - en dat ontkracht en passant ook nog even het gevoel dat het leven je als zand door de vingers glijdt. Dat lijkt me wel wat, alles in het mogelijke natuurlijk. En af en toe een dagje rust is ook zéér gezond. Ja, aan die Douwe Draaisma, daar heb je wat aan, lees zijn boeken! A.C.W. Staring, dichter en landman In de Achterhoek is A.C.W. Staring (1767-1840) een heel bekende figuur. Zo is er, ik noem maar wat, een regionale trein naar hem vernoemd. Hij was (Wikipedia) 'dichter en landman met oog voor de natuur en voor de noden van de mensheid. Hij blonk uit in de dichterlijke vertelkunst.' Mocht je ooit te Almen geraken, verpoos dan even in Herberg De Hoofdige Boer. Die herberg is genoemd naar een van de beroemdste gedichten van Staring, dat uiteraard in die herberg te lezen valt. Oja, en je kunt er ook heel lekker eten. Ik kies hieronder voor een ander gedicht van Staring, het heet Lentezang. Als je het tot het einde toe leest, herken je wat wij gister op onze wandeling over landgoed De Wildenborch ervoeren. - En die taal? Dat valt allemaal best mee. En anders: hardop lezen, dat wil nog wel eens helpen. LENTEZANG Geen nevelig duister Bedekt meer het veld; Geen blinkende kluister, Die 't beekje meer knelt; Het stormen is over; De buijen zijn heen; Wat ritselt in 't loover, Is zefir alleen. - [zachte westenwind] Vol bloeisel van boven, Vol bloemen omlaag, Staan velden, en hoven, En telgen en haag! De Vrolijkheid dartelt, In klaverrijk Gras; Zij wemelt, zij spartelt, In vlieten en plas. De wouden herhalen - [laten opnieuw horen] Hun feestelijk lied; Ook zwijgt, in de dalen, De Leeuwerik niet. Van echo vervangen, - [door de echo afgewisseld] Bij 't rijzen der maan, Heft GIJ nog uw zangen, O Nachtegaal, aan! Geen nevelig duister Bedekt meer het veld; Geen blinkende kluister, Die 't beekje meer knelt! Ontvlugt nu de steden, Wie vreugde begeert! Ontvlugt ze nog heden - De Lente regeert! naar boven 14 maart 2010 Boekenweek 2010 Dit stukje gaat over de boekenweek en over boeken die ik deze week al wel gekocht maar nog niet gelezen heb. Kan dat wel, schrijven over iets dat je nog niet kunt kennen? Ja, dat gaat best. Leest u maar even mee - ook al is het niet gezegd dat u daar iets wijzer van wordt. Terwijl dat toch wel de bedoeling is, dat je van lezen iets wijzer wordt, of iets vrolijker, ontroerd desnoods of boos en opstandig, of slaperig misschien, ontspannen of anderszins emotioneel geraakt. Het boek is immers als 'een bijl voor de bevroren zee in ons' (Kafka). Nou dan, lezen dus! Boekenweekmotto Nog tot en met zaterdag 20 maart 2010 is het boekenweek, een merkwaardige week omdat hij in totaal tien dagen duurt. Dit jaar is een jubileumjaar omdat de boekenweek 75 wordt. Elke boekenweek kent een eigen motto. In 2010 is dat: 'Titaantjes - Opgroeien in de letteren'. Het motto komt ongetwijfeld het beste tot zijn recht in de speciale uitgave van de CPNB (Stichting Collectieve Propaganda van het Nederlandse Boek) met de titel Titaantjes waren we - Schrijvers schrijven zichzelf ter gelegenheid van de 75ste boekenweek. Een kloek en luchtig boek van ruim 300 pagina's, waarin 75 bekende Nederlandse schrijvers een brief 'aan hun jonge ik' schrijven, en dat alles voor de weggeefprijs van 10 euro. Misschien moet je alleen daarom al even naar de boekhandel, deze week. - Oja, de bekende schrijvers komen in dit boek alfabetisch aan bod, op hun voornaam! Dus van A.F.Th. van der Heijden tot en met Willem van Toorn. - Waarom? Geen idee. - En nog een keer oja: wat zijn titaantjes? Daarvoor moet u het boek Titaantjes van de schrijver Nescio (1882-1961) kennen. Dat boek begint zo: 'Jongens waren we - maar aardige jongens. Al zeg ik 't zelf. We zijn nu veel wijzer, stakkerig wijs zijn we, behalve Bavink, die mal geworden is.' Jong zijn in de literatuur, daar gaat het dus om, dit jaar. - En waarom? Ook hier: geen idee. Boekenweekgeschenk Sinds 1930 krijg je van de boekhandelaar een 'geschenk' cadeau als je voor een bepaald bedrag aan boeken bij hem/haar koopt. Dat geschenk is sinds jaar en dag een literair boek van 96 pagina's, met nogal kleine letters omdat de meeste literaire auteurs moeite hebben om hun verhaal in zo weinig pagina's te doen. Het onderwerp van het geschenk heeft meestal niets met het motto van de boekenweek te maken, de auteur is volledig vrij in zijn onderwerpskeuze. Daar zit een verhaal aan vast dat te maken heeft met 1981 en de schrijver Gerard Reve. Zijn ingezonden manuscript (De vierde man) werd door de desbetreffende werkgroep van het CPNB geweigerd, en vervangen door het volkomen zouteloze en slaapverwekkende De ronde van '43 van Henri Knap. Dat kon zo natuurlijk niet langer! De nieuwe CPNB-directeur was de schoonvegende bezem, en dus... [ Wie over dit voorval en alle andere ins en outs van het boekenweekgeschenk wil lezen, raadplege het boek Zolang de voorraad strekt - De literaire boekenweekgeschenken 1984-2000 van Onno Blom. Tevens een heerlijk boek voor verzamelaars van boekenweekgeschenken. Dáár zouden ze bij de CPNB nog eens een bijgewerkte herdruk van moeten maken! ] Dit jaar is het boekenweekgeschenk geschreven door Joost Zwagerman, en het heet Duel. Ik heb het nog niet gelezen, en er nog bijna niets over gelezen. Dat kan ook haast niet omdat er een gentlemen's agreement bestaat om dat pas een maand na de boekenweek te doen. Slechte kritieken kunnen ze natuurlijk niet hebben in de boekenweek! Dit jaar moeten er - let op! - zo'n 960.000 van die geschenkboeken uitgedeeld worden! Omzet dit jaar dus minimaal 960.000 x € 11,50. Minimaal, want de meeste boeken kosten immers beduidend meer dan 11,50. - De boekhandelaar ontvangt meestal 40% van de verkoopprijs van het boek. Nou, dan kun je één keer per jaar ook best eens een 'boekenweekgeschenk' weggeven, tóch!? En... er zit nóg een leuk voordeel aan de boekenweek van tegenwoordig. De NS sponsort en stimuleert het lezen (en dus de boekenverkoop). Op zondag 14 maart (elk jaar de eerste zondag in de boekenweek) kun je de hele dag gratis met de trein reizen als je het boekenweekgeschenk aan de conducteur kunt laten zien! Niet van gehoord? Niet aan gedacht? Volgend jaar dan maar. Andere boekenweekaankopen - Tirade is een belangwekkend literair tijdschrift in Nederland. Het wordt uitgegeven door Uitgeverij Van Oorschot, 5 nummers per jaar voor € 40,-, losse nummers € 12,50. Deze keer kocht ik weer eens een los nummer (Tirade 432 / 2010 / Nr 1) omdat de begintekst van de achterflap me meteen intrigeerde. Leest u even mee: 'Carel Peeters [ literair criticus van o.a. Vrij Nederland. B. ] verbaast zich er in zijn eerste 'Kroniek van de roman' over dat Godenslaap van Erwin Mortier de AKO Literatuurprijs heeft gekregen: Er zijn zinnen en vergelijkingen, waarvan het mij niet duidelijk is of het schitterend dan wel al te mooi gezegd is.' - Nou, dat wil ik dan wel eens bewezen zien! - Brieven uit Veere is een uitgave van - alweer - Van Oorschot. Het bevat twee brieven van de hierboven al genoemde schrijver Nescio aan zijn geliefde vrouw Agathe Tiket. Twee brieven, hoor ik u al monkelen. Maar wát voor brieven, schrijft de achterflap die ik hier nog verder zal citeren, want gelezen heb ik ook dit boekje nog niet. Wél bekeken, want mooi! Een boekje om te hebben. Leest u even mee (alweer): 'De 26-jarige Frits Grönloh, de latere schrijver Nescio, is in juli 1908 veertien dagen in Middelburg en Veere, in z'n eentje; zijn hoogzwangere vrouw is thuisgebleven. Aanvankelijk kan hij er zijn draai niet goed vinden, maar dan wordt hij gegrepen door Veere en het dagelijkse leven daar. Hij geeft zich geheel over aan het ritme van de getijden en het uitvaren en binnenkomen van de boten, gaat mee met de vissers, zit uren op de toren van de Grote kerk en verliest ieder besef van tijd en plaats: "Ik doe aldoor 't zelfde net als 't water en de Arnemuiders. De eene golf rolt over de andere en daarna zie je ze nooit weer om, zoo leef ik hier, de uren beteekenen hoogstens eten, overigens is 't water hoog of 't is laag en als 't een tijdje donker is ga je naar bed." Het is alsof Japie-de-uitvreter hier aan het woord is. Drie jaar later verschijnt het verhaal De uitvreter in het tijdschrift 'De Gids'; in 1918 zal het met Titaantjes en Dichtertje worden gebundeld.' - Nou, en dan ben je weer thuis, als je net het boek Titaantjes waren we (zie hierboven) gekocht hebt! Schitterend! - Tot slot kocht ik in een opwelling De kronieken van S. Montag - Nederland 1975-2010 van H.J.A. Hofland (Bezige Bij). Het boek is samengesteld door Bas Blokker, Sjoerd de Jong, Geert Mak en Hubert Smeets. Met een inleiding van Geert Mak onder de titel 'De smaak van de tijd'. S. Montag is het pseudoniem van H.J.A. Hofland, journalist en columnist, en uitgeroepen tot dé Nederlandse journalist van de twintigste eeuw. S. Montag schrijft 'overpeinzingen' in NRC Handelsblad. Over het aangezicht van straten en pleinen bij voorbeeld, over de voor- en nadelen van de technologische vooruitgang, over het gedrag van mensen in het openbaar vervoer, over... De overpeinzingen worden gevoed door actuele gebeurtenissen of verse waarnemingen. Kortom: 'S. Montag schetst een continu bewegend beeld van het veranderende Nederland.' - Aangezien ik NRC Handelsblad maar incidenteel lees, Henk Hofland vooral ken van radio- en televisie-columns, leek me dit boek een mooie gelegenheid voor een bredere kennismaking met het afgesplitste fenomeen S. Montag. Bovendien ontroerde me de aanbeveling van Geert Mak: 'Dit boek gaat over het plankton van de geschiedenis. Het gaat over de minigebeurtenissen die de grote verhalen voeden, de kleinigheden die alles zeggen.' - Bied daar maar eens weerstand aan. In de boekenweek. Ontbrekende reus Gerrit Kouwenaar komt niet voor in het schrijversboek Titaantjes waren wij, maar daar zou bij een herdruk verandering in gebracht kunnen worden. En mocht de oude bard dan intussen overleden zijn, dan kan 'in het kader van "jong zijn" in de letteren' met een gerust en goed hart zijn gedicht 'a happy childhood' opgenomen worden. Bij deze van harte en gratis aanbevolen. Het gedicht stamt uit de bundel 'een glas om te breken', tevens opgenomen in 'totaal witte kamer' (2002). A HAPPY CHILDHOOD vergeet je wel eens je vaders klok op te winden? ja, ik vergeet wel eens mijn vaders tijd te vergeten draag je wel eens een strohoed een ooglap een vadermoorder? nee, ik draag een gedicht op, een zomer van bladgoud schrijf je wel eens de laatste lippen om te verwoorden? ja, ik ontcijfer een kus van bemodderde rozen loop je wel eens door gras dat nodig gemaaid moet? nee, ik sta stil in gras dat niemand gezaaid heeft - naar boven 8 maart 2010 Flarden 4 - SJAKIE Zoals ik eerder al eens meldde stam ik uit een groot gezin, 13 kinderen, opa inwonend. Ik was nummer 10, 1940, van voor de oorlog. Ik scheelde 13 jaar met mijn oudste broer, ik ben nu 3 jaar ouder dan hij ooit geworden is, en toch is hij nog steeds diezelfde broer van 13 jaar ouder, een prettig verschil. Mijn jongste zus is 7 jaar jonger. Zij weet praktisch niets van mijn jeugd, maar is daar wel altijd heel nieuwsgierig naar. Dat maakt haar een gewillige en gretige consument van deze serie 'Flarden' in de Balthasarsblog. Sterker, zij begint mij steeds vaker dingen te vertellen, over míj, die ik zelf nergens op mijn netvlies heb staan. Een prettige bijkomstigheid, én een extra reden om nog maar even met deze mini-serie door te gaan. Vandaag mijn zondagsvriendje Sjakie en zijn broer Joop. Eigenlijk gaat het niet over Sjakie of over Joop, maar over de familie S., waarvan de ouders belangrijker waren (en bleven) dan hun twee kinderen die mijn lagere-schoolgenoten en speelvriendjes waren. Paardemoppen en overzeese verhuiskisten Sjakie was dun en had hele smalle enkels die gemakkelijk omzwikten. Daarom droeg hij hoge schoenen, iets zeer opmerkelijks in de dagen rond 1950. Hoewel, zijn buurjongen Ferry droeg ook hoge schoenen. Maar die had dan ook astma, woonde de helft van het schooljaar op een berg in Zwitserland, dus dan begrijp je dat wel, van die hoge schoenen. Nee, de hoge schoenen van Sjakie waren bijzonderder dan die van Ferry. Zó bijzonder dat ik dat een tijdje ook wel wilde, hóge schoenen! Maar het heeft jaren en jaren geduurd voor ik die had, zelf gekocht, van zelf verdiend geld. Maar toen was ik helaas geen kind meer. Sjakies vader was 'voerman' zoals ie zichzelf trots noemde, en samen met twee broers had hij een verhuis- en transportbedrijf in de kentering der tijden, met paarden, vrachtauto's en opslagloodsen. Het bedrijf evolueerde zelfs naar 'internationaal', wat betekende dat ze ook verschepingen naar Canada en Australië verzorgden. Niet dat ik dat toentertijd allemaal begreep, maar het was zo leuk spelen in die enorme overzeese verhuiskisten van timmerman Jan, en op en rond de mesthoop van de trekpaarden - enorme knollen die haast even enorme bergen paardemoppen produceerden. Van de hooizolder kon je zó in de mesthoop springen, zachte landing verzekerd, spelletje verboden, slecht voor Sjakies enkels, en dan die vieze kleren ('Wat moet moeder B. daar wel niet van denken?!'). - Maar leuk! Andere kringen Sjakies thuis was boven het transportbedrijf, rook naar dure mottenballen, en had een deftig ingerichte goeie kamer met dikke tapijten, boeken achter glasdeurtjes en een onmiskenbaar echt geschilderd bloemstilleven aan de muur. Ook stonden er twee luxe leren fauteuils waar ik mevrouw S. nooit maar dan ook nooit in heb zien zitten. Meneer S. des te vaker. En anders de drie heerooms wel die bij elk feestje van de partij waren, en gespecialiseerd waren in onnozele grapjes en een grote eetlust. Sjakie noemde zijn vader 'vader' of 'patje', zijn moeder 'moeder' en zijn ome Leo 'oom Leeuwe'. Ik heb dat altijd heel apart gevonden, maar niet navolgenswaardig. Het was kennelijk iets voor andere kringen, waar ik gelukkigerwijs af en toe in mocht verkeren. Ik kon beter leren dan Sjakie, mooier schrijven dan Sjakie, betere opstellen maken dan Sjakie én ik zong in een kerkkoor - dat heeft denk ik erg geholpen bij papa en mama S. Meneer S. had de verzamelde gedichten van Guido Gezelle achter die glasdeurtjes staan, alsmede enige religieuze werken rond de Maagd Maria, Moeder Gods, Sterre der Zee, en daarnaast natuurlijk de onbedaarlijke kopstukken Bomans en Kortooms. Meneer S. gebruikte bovendien woorden die ik niet kende ('plutocratenmanieren' bijvoorbeeld) en zette een interessante zwarte bril op als ie ging lezen. Jazeker, meneer S. was mijn eerste intellectueel, en een verdomd aardige volwassene voor het kind dat ik was. Sjakie leek in niets op hem, toen. Voor een kwartje huzarensalade Sjakie was een teer kind dat bruine pilletjes slikte en extra sinaasappels kreeg, zijn broertje Joop daarentegen een reus in de dop met wie het algauw moeizaam stoeien was (want zelf was ik ook nogal schriel en weinig succesvol in de strijd, ondanks het 'klein maar fijn' dat mij thuis met de paplepel ingegoten werd). Mevrouw S. verzorgde haar twee zoons met grote toewijding en kookkunst, waar ikzelf ook menig keer een heerlijk gevuld buikje aan overgehouden heb. 'Wil jij ook voor een kwartje huzarensalade, B.? Of liever een gebakken eitje met de dooier heel en toch gaar?' Daar kon ik niet tussen kiezen, hoe zou ik dat kunnen?, dat werd dus tweemaal schranzen, als was ik haar eigen zoon, of anders wel een langdurig zieke uit de parochie die haar niet aflatende zonnebloemzorg ondervond. Het predicaat 'Moeder Theresa' komt haar met terugwerkende kracht toe. En ook om andere redenen (die ik nu onvermeld laat) neem ik mijn virtuele hoed diep en postuum voor haar af. Dankzij mijn vriendschap met Sjakie (en ook wel Joop), heb ik (en ook wel mijn broer J.) menig zomers uitje gemaakt, achterop de fiets bij meneer of mevrouw, en met de goedkeurende instemming van moeder B. Met hen ook heb ik voor het eerst van mijn leven 'iets buiten de deur' gegeten, grote kroketten bijvoorbeeld bij Restaurant Mulders, of een 'sandwich' bij Hotel De IJzeren Man - in een tijd dat mijn zakgeld 50 cent bedroeg, waarvan ik 35 cent spaarde voor de zilveren bruiloft van mijn ouders die namens ons hele gezin een nieuwe traploper alsmede een doublégouden horloge in ontvangst mochten nemen. Wij hebben er twee jaar voor gespaard. Pasfoto met ingemonteerde ogen Dit stukje 'Flarden' rond de familie S. dreigt uit de hand te lopen, er is te veel, het is te mooi, het is niet samen te vatten of af te raffelen. Een tweede stukje dan wellicht, over een paar weken? Dat zou de serie doorbreken, alsook de magie, het moet nu rond. Maar hoe kun je extreem kort zijn over het genot van álle Kuifje-albums die Sjakie had, over je eerste witlofsalade aan een kloosterlijk gedekte paterstafel, over het kaartspel met witte-bonengeld dat aan het eind van de zondagmiddag in klinkende munt werd uitbetaald, over het busreisje-op-voorspraak dat ik met de misdienaars mocht maken naar de watervallen van Coo, het bijbehorende 'identiteitsbewijs' inclusief pasfoto met door fotograaf Mulders ingezette ogen wegens fotomislukking en gebrek aan tijd om de zaak te herstellen, over... ja, over nog zo veel meer dat mijn dankbaarheid en dierbare herinnering vergt aan ten eerste de moeder van Sjakie, ten tweede de vader van Sjakie, ten derde het broertje van Sjakie, en ten vierde aan Sjakie zelf die ik al eeuwen uit het oog verloren ben zonder dat ik er om treur - maar misschien ook wel omdat in die paar jongensjaren alles al gedaan en gezegd en ondervonden is wat gedaan en gezegd en ondervonden moest worden. - Peace man, peace! En gelukkig vind ik finale hulp en begrip bij Gerrit Kouwenaar. Die schreef in 1998 het gedicht 'Toen wij nog jong waren', in de bundel een glas om te breken, later ook opgenomen in de nu al klassieke bundel totaal witte kamer (2002). Kouwenaar schreef het gedicht bij de dood van Bert Schierbeek. - Sjakie (en ook Joop) gun ik dat ie nog járen leeft, en dat ie aan die jaren rond 1950 net zulke aangename herinneringen heeft als Balthasar. Maar ja, een 'reisgids' ben ik niet, want ook geen Schierbeek. TOEN WIJ NOG JONG WAREN Toen wij nog jong waren en de wereld nog oud was en wij in een ver land op hoge bergen stonden en in het dal diep beneden een lange roerloze roestige trein zagen, onbestaanbaar alleen in het oog van een hevige leegte, riep jij terwijl je de hemel een kushand toewierp ik ben een reisgids kinderen leer mij lezen en 's avonds op het plein onder kwijnende palmen waren er wijn en olijven en een ritselend zwijgen uit klagende kelen en het donker was week op het scherp van de snede, en jij jij kocht het ondraaglijke lot van een blinde en riep het oor drinkt nu is het dus later, een avond na jaren, de dood stille trein is vertrokken, de tijd van het lot is verstreken, je reisgids ligt open onder eendere oudere bomen drink ik de hese stem van je woorden, hoor ik je stilte - naar boven 28 februari 2010 Ontwinteren Het daghet inden oosten Gelukkig lengen de dagen nu al merkbaar, morgen immers alweer 1 maart. En de temperatuur is navenant hoger, nu en dan al wel een graad of tien. Kortom, we zijn in de overgang, van de winter naar de lente, van de sneeuw naar de klokjes, van binnen naar buiten, het voorjaar is nakend. En vanmorgen hadden we er dus zin in, om de winter uit de tuin te verdrijven en de lente de ruimte te geven. Maar ja, die regengoden he, die hadden ook hun zinnen gezet op deze zondag. Dus verder dan een inspectieronde kwamen we nog niet. - Geen spetterende dageraad allicht, máár... een dageraad! Het lichtet overal En is het niet vandaag, dan gaat het wel vanaf morgen gebeuren: kruiwagens blad ruimen uit de borders, composthopen verzetten, erfafscheidingsbomen en struiken terugsnoeien naar tweeëneenhalve meter, houtwallen grondig vernieuwen, grasmatten herstellen en inzaaien, de moestuinvelden keren, omkeren en toerusten, de aangeschafte 'tunnel' in gebruik nemen, de kas broeiklaar maken. En dan vergeet ik nog al het hark- en schoffelwerk, het verticuteren, het mesten, het kalken, het zagen, het padvoegen schonen en borstelen, en het voorzaaien en stekken in de resterende uren. Een heerlijke massa werk, die ook nog eens verlicht wordt door de eerste waasjes groen en openklokkend krokuspaars. - Soep met brood dan maar 's avonds, als het licht verdaagt? Hoe luttel weet ons liefken Gelukkig krijgen we hulp. Want nicht M komt hier logeren, om hoofd en hart te verlichten, en wie weet de bakens te verzetten als overvolle kruiwagens tuinafval. Dat zal haar nog niet glad zitten, want we gooien niks weg en hergebruiken alles, oud blad, oud hout, het wordt vanzelf iets nieuws. Iets om naar uit te zien, om rekening mee te houden, en dankbaar voor te zijn, zoals een uitbottende avocado in de dagcompost. Als tegenprestatie lenen wij haar zo nu en dan het oor, een fiets en wandelschoenen, boeken en muziek, hier en daar een film, de rust van de omgeving, een leeg hoofd, de tijd aan d'r eigen, kortom we zetten de wereld 's even stil. - Maar opgepast, één zwaluw maakt nog geen lente. Die vraagt om geduld, om teder beginnen, om een draadje per dag voor een hemdsmouw in het jaar. Dat ons liefken het weet! Och waer si henen sal Elk jaar weer is onze tuin op z'n mooist als het voorjaar is, maart, april, mei, als hosta's en jodenverdriet gelijk speren omhoogschieten, ribes en forsitia tegen elkaar opkleuren, hortensia's zichzelf kronen en kerrieplanten hun gouden plakken showen. De blauwe regen verkwikt ons als de ochtenddauw, terwijl de gouden regen concurreert met de zon. En alles kondigt zichzelf reeds mondjesmaat aan, per maandag 1 maart, als de ochtendkoffie gedaan is en nicht M zich meldt, de eerste aarzelende zon in de rug. Met haar mantel en haar sores, haar hoofd vol proleptische droefte, haar vragen, haar toekomst, alles bijeengebonden in haar valies met verloren dromen. - Het zoeken begint morgen, een nieuwe maart, en een nieuw geluid. Al totter linde groene / Daer si den dooden vant De middeleeuwse letterkunde kent een aantal prachtige liefdesliederen, zoals 'Het waren twee coninckskinderen' en 'Het Egidiuslied'. Maar het beroemdste is toch wel 'Het daghet inden oosten', over een meisje dat haar minnaar onder een groene linde vermoord vindt, hem zelf begraaft, en daarna in het klooster treedt. Groot verdriet én de bijbehorende middeleeuwse oplossing! Maar niks voor nicht M hoor! HET DAGHET INDEN OOSTEN - fragment 'Och ligdi hier verslaghen, Die mi te troosten plach? Wat hebdy mi ghelaten So menigen droeven dach.' Tmeysken nam haren mantel Ende si ghinck enen ganck, Al voor haers vaders poorte, Die si ontsloten vant. 'Och, is hier enich here Oft enich edel man, Die mi minen dooden Begraven helpen can?' Die heren sweghen stille, Si en maecten gheen gheluyt; Dat meisken keerde haer omme, Si ghinc al weenende uit. [ ... ] 'Nu wil ic mi gaen begheven In een cleyn cloosterkijn, Ende draghen zwarte wilen Ende worden een nonnekijn.' Met haere claerder stemme, Die misse dat si sanck, Met haer snee witten handen Dat si dat belleken clanck. naar boven 22 februari 2010 Flarden 3 - TEJO Een geval apart In mijn tijd en mijn buurt waren de gezinnen groot, de vaders aan de (handen)-arbeid, de moeders altijd aanwezig. Tussen de middag gingen we thuis eten, en na school speelden we buiten op straat. De bakker en de groentenboer kwamen aan huis, de kruidenier zat op de hoek, en bij de hoefsmid was altijd wat te beleven. Je had je taken in de huishouding en de werkplaats, en het was de bedoeling dat je van je zakgeld nog wat spaarde ook. Iedereen haalde leesboeken in stapels bij de bibliotheek, en je was óf koorlid óf misdienaar óf je ging 'later' misschien bij een club. De 'grote wereld' was iets uit de plaatselijke courant, de Tour-de-France stond gelijk aan het radiocommentaar van Jan Cottaar. - En elke dag naar de kerk natuurlijk! Alleen bij Tejo thuis was dat allemaal anders. Tejo was enig kind, zijn vader deed in auto's en had later een Frans café. Van Tejo's moeder kreeg je altijd een onbestaanbaar duur ijsje met slagroom bij de IJsvogel, want bij Tejo waren ze rijk. Ook trakteerde ze vaak bij Jamin op soldatencaramels, van tandartsen hadden wij geen weet. - In de vierde klas, februari 1950, was ik een korte tijd hevig bevriend met Tejo. Tot ongenoegen van mijn moeder, die Tejo's ouders niet kon 'zetten' omdat die het nou eenmaal breed hadden. Uit logeren Tejo woonde één straat bij mij vandaan, op een bovenwoning, en met een fel gekoperpoetste naamplaat op de deur. Tejo's moeder stond met naam én meisjesnaam in het koper gegraveerd, wat wel héél bijzonder was. Volgens Tejo was zijn moeder nou eenmaal een beetje 'apart'. Zo was zij er bijvoorbeeld voortdurend op uit om speelgenoten voor haar Tejo te organiseren. Want ja, alleen is natuurlijk maar alleen, denk ik daar nu van. Enfin, zodoende was ik dus een tijdje de beste vriend van Tejo. Daar kwam zelfs een nachtje logeren van, etwas bis dahin noch nicht dagewesenes! Dat mijn moeder mij dat heeft toegestaan, is me tot op de dag van vandaag een raadsel. Om te beginnen had ik in die tijd nog geen piama's, wist ik nauwelijks wat lakens waren, en deed ik een weeklang met m'n bloes, sokken en ondergoed. - Ik begin de afhoudende reactie van mijn moeder steeds beter te begrijpen. Maar tóch ging het logeerpartijtje van één nacht door, nogmaals: een raadsel. De dag voor en de dag na het logeren, hebben Tejo en ik geen stap buiten de deur gezet. Tejo beschikte over een immense hoeveelheid 'bouwmateriaal', het equivalent van zo'n honderd blokkendozen schat ik achteraf. En niet van lego, want dat was toen bij ons nog onbekend, dat maakt Tejo's verzameling er voor mij alleen maar indrukwekkender op. Twee dagen lang hebben wij van 's morgens tot 's avonds forten en kastelen gebouwd, oorlogen gevoerd, de vredespijp gerookt en nieuwe nederzettingen gesticht. Voor het overvloedige eten hadden wij nauwelijks belangstelling, en ook alle andere 'algemene dagelijkse levensverrichtingen' voelden wij als verstoringen van ons werk. - Na twee dagen was 'alles' voorbij, om ook nooit meer terug te keren. Mijn moeder kwam mij persoonlijk ophalen, iets zéér uitzonderlijks en van een definitief karakter. Paling en poffertjes Ook Tejo's vader was van de grote gebaren, had altijd pakken geld op zak, en liep in een kostuum met vest en colbert. Op een mooie zomerse dag mocht ik mee naar Marken en Volendam. Voorin hun auto zaten natuurlijk meneer en mevrouw zelf, Tejo en ik achterin, samen met de proviand voor onderweg en hond Blackie, een bijtgrage foxterriër met plannen. Van de dag zelf herinner ik me nauwelijks iets, alleen en voornamelijk dat het een onvergetelijke dag was die ik me nog lang zou heugen, zoals iedereen in mijn omgeving wist te melden. Foto's zijn er niet gemaakt, souvenirs heb ik nergens terug kunnen vinden. Er moet iets met klederdrachten geweest zijn, en met paling en poffertjes in een onmetelijke kermistent. Enfin, toen we tegen het einde van de middag zowat terug waren in onze straat, bracht Blackie zijn plannen eindelijk ten uitvoer, en beet mij in mijn blote linkerbeen. Onvervaard zette Tejo's vader koers naar de apotheek aan de markt, en liet mij daar bejodiummen en verbinden. Ja, ik wist ook niet dat apotheken daarvoor waren, maar ze hielpen mij onverbiddelijk, en wel meteen. Maar wat een doortastende man, die vader van Tejo! Met mijn linkeronderbeen in het verband kwam ik naar huis gehinkt. Tejo bracht me thuis en verklaarde het verband en het hinken. Zijn vader en moeder vonden het ook heel erg, zei hij nog. En dat het verder een hele leuke dag geweest was. Tejo was waarlijk welopgevoed. - Bij mijn vader bleef Tejo nog lang in de gratie. Hij heeft hem later nog eens vijf gulden (vijf gulden!) betaald voor een paar tweedehands voetbalschoenen, voor míj. Van zijn vader mocht Tejo die vijf gulden houden. Wat een vaders! En ík, ik voetbalde ineens een stuk professioneler. Nou ja, voor een tienjarige dan... Ons soort mensen Tejo woonde weliswaar maar één straat bij mij vandaan, toch ben ik niet vaak met hem naar school en naar huis gelopen. Je was geen 'vaste' vriend van Tejo, Tejo kon iedereen krijgen, en mocht bovendien zijn mooie kleren nooit vuil maken. Toch hebben wij tot en met het tweede jaar van de middelbare school bij elkaar in de klas gezeten, oppervlakkige vrienden, geen ruzies. Toen scheidden zich onze wegen, hij de hbs-kant op, ik de gymnasium-kant, welhaast een ideologisch schisma. Hoedanook, sindsdien heb ik nooit meer iets van hem vernomen, en omgekeerd ook niet naar ik aanneem. Sterker, ik herinner me beter zijn leefomgeving dan m'n klasgenoot Tejo zelf. Die leefomgeving stond voor een ander milieu, geld, grote gebaren, mensen van de wereld, gebrek aan gebrek, drukte en delen met anderen. Mensen die mijn moeder afwees, omdat ze niet 'van ons soort' waren. Tot een zekere leeftijd krijg je daar natuurlijk een tik van mee. Maar later kan dat gelukkig alsnog verkeren. Niet tot ieders genoegen overigens... Vroeger, ja, vroeger Veel dichters schreven verzen over vroeger, hun jeugd, hun moeder, spelen op straat. Maar... hoe waarheidsgetrouw zijn die herinneringen, en ook wel: hoe belangrijk is het of alles eigenlijk wel klopt? Op 31 januari jl. schreef ik hierover al: '... opduikende herinneringen of vermeende herinneringen aan mijn lagere-schooltijd. Ik pas namen een beetje aan om mogelijke kritiek uit directe of indirecte omgeving voor te zijn. Het gaat mij er namelijk niet om of iets werkelijk precies en voor 100% zó plaatsgevonden heeft; ik geef gewoon mijn 'flarden herinnering' waarvan de kern volgens mij klopt, maar de bewoordingen ernstig aanleunen tegen de vaardigheden en omstandigheden (het geheugen bijvoorbeeld) van het heden.' Bij de dichter Rien Vroegindeweij vond ik het gedicht 'Laat ons zingen', en het gaat over... de betrekkelijkheid van herinneringen, het bijbehorende 'gevoel', en wat je er het beste mee kunt doen. Kortom, een ideaal gedicht bij deze aflevering van de rubriek 'Flarden'. En ook wel een beetje om Tejo voldoende recht te doen. - Het gedicht komt uit de verzamelbundel met de voorspellende titel Later wordt alles echter, en werd in 2009 uitgegeven door Nieuw Amsterdam Uitgevers. LAAT ONS ZINGEN Neem een herinnering, snijd haar in stukken van een zomer lengte, zet ze op met water waaraan wat onwaarheid is toegevoegd. Roer met een garde het ongeduld tot een gladde substantie; laten inkoken. Tik ondertussen met een houten lepel op een deksel, draai een lege roerzeef om en om. Hoor de paarden in de straat, het slepen van de wagens, het ronken van de eerste motoren. Neem de pan van het vuur, laat het gerecht opstijven in de koelkast. Vergeet wat gebeurd is. Nodig je vrienden uit. Vertel ze wat je weet. naar boven 16 februari 2010 Het witte lint, en erger Ogen dichtdoen in het donker Mijn stemming vandaag is nogal ongewis. Het was mijn plan om een wervend stukje te schrijven over de indrukwekkende film 'Das Weisse Band', die wij onlangs in Filmhuis De Keizer gezien hebben. Ik had er ook al een soort van begin mee gemaakt, maar de juiste invalshoek had ik nog niet gevonden. In de diverse filmkritieken die je op het internet kunt vinden, komt van alles voorbij waarvan ik dacht: hee, daar was ik nog niet op gekomen, leuk! Overigens naast meer obligate noties en invuloefeningen op het niveau van het gemiddelde straatinterview, zoals dat bij actualiteitenprogramma's tegenwoordig als quasi-feitelijke onderbouwing ingezet wordt. Kortom: ik was er nog niet uit. Tussen het surfen door wilde ik ook nog even kaartjes reserveren voor de avond die gewijd wordt aan de uitreiking van de Ida Gerhardt poëzieprijs 2010. Ik belde het 06-nummer. Maar mevrouw de secretaris was niet thuis, en vroeg me voorgeprogrammeerd om allerlei gegevens, waarna zij me 'zo spoedig mogelijk' terug zou bellen. Maar óf ze nog kaartjes heeft, is me niet duidelijk geworden, dat zit me niet lekker. Ondertussen - want ja, hoe gaat dat als je achter de computer of voor het filmdoek zit - keek ik nog even naar de inkomende post, en trof daar een onprettig aandoend mailtje aangaande een door mij geretourneerd 'humor'-bericht. Nou was ik zelf natuurlijk mede debet aan de verongelijkte toon van dat mailtje, maar tóch bracht de reactie me enigszins van m'n reeds verstoorde à propos. En zo zit ik nu dus met een enigszins getroubleerd gemoed te dubben over die prachtfilm, die overigens van zichzelf nogal aan de sombere kant is. Ik stel u voor om deze intro gewoon maar te negeren, en als een onbeduidend voorprogramma te beschouwen: lekker de ogen dichtdoen in het donker, doorgaan met ademhalen, en op het juiste ogenblik weer aanhaken bij het echte werk. U kunt ook nog even gaan plassen, want de hoofdfilm duurt zo'n tweeëneenhalf uur. Noord-Duitsland, 1914, een boerendorp, zwart-wit, stilte, dreiging alom Alle geplande voorstellingen van 'Das Weisse Band' zijn ruim van tevoren volgeboekt. Komt vaker voor, maar is in de middagen toch vrij uitzonderlijk. Onze zaal zit vol grijs matinee-publiek, als vanouds op fluistersterkte, maar gretig, glazen thee in de aanslag en onder de stoelen. Toch nog volkomen onverwacht start de geluidloze intro van onleesbaar kleine letters, diapositief in zwarte ondergrond. En over die duisternis heen meldt de van weemoed en betrokkenheid vervulde vertellersstem: 'Ik weet niet zeker of het verhaal dat ik jullie vertellen wil in alle details overeenstemt met de waarheid, maar toch geloof ik dat ik het relaas van de eigenaardige gebeurtenissen in ons dorp vertellen moet, omdat deze mogelijk een licht kunnen werpen op de ontwikkelingen van ons land.' - De toon is gezet, we schrijven 1914, en vallen hard terug in de tijd van onder- en bovenmensen. We zijn in het kleine Duitse boerendorp, waar de macht tussen grootgrondbezitter en dominee verdeeld is en waar de grond nog met paard en ploeg en eeltige handen bewerkt wordt. De filmladder van 'De Keizer' meldt: 'Net voor het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog wordt een rustig protestants Duits boerendorpje opgeschrikt door een aantal onverklaarbare gebeurtenissen. Een kabel wordt gespannen om de dokter met zijn paard ten val te brengen, een schuur vliegt in brand en twee kinderen worden ontvoerd en gemarteld. De schoolleraar observeert en onderzoekt de gebeurtenissen, die steeds meer neigen naar rituele straffen, en komt steeds dichter bij de verschrikkelijke waarheid.' - Het is pas gedurende de film zelf dat deze sobere en sombere tekst in zijn volle omvang tot me doordringt. Maar dan zitten we al met de brokken, die we tijdens de 'nazit' enigszins van ons proberen af te schudden. We hebben echter buiten de waard gerekend: ook de uitgebreide aftiteling vindt in volkomen stilte plaats, keihard wit op zwart, raadsels van levensbelang blijven onopgelost, vlokjes tekst dwarrelen als sneeuw op ons neer. Een collectieve rilling dwingt ons naar buiten. Wat wij zagen Wat wij zagen was - volgens alle reclame - een superieure film die overladen werd met prijzen uit de hele wereld, onder andere de Gouden Palm op het filmfestival van Cannes en de European Film Award voor beste regisseur (Michael Haneke), beste film en beste scenarioschrijver. Dat is 'buitenkant'. Wat wij vooral zagen was een film waarin de have nots onvermijdelijk de daders én slachtoffers van gruwelijke gebeurtenissen zijn, geprovoceerd, arm en dom gehouden als ze zijn door de haves. En opgezadeld met een dominee als allerkwalijkste diender van god en gebod. Het is zo'n vader die - als ultieme autoriteit namens god - het witte lint ('Das Weisse Band') om de linkerarm van zijn kinderen strikt als ze hem ongehoorzaam en onwillig zijn. Dat iedereen het maar goed beseffe: deze vaders wil is wet, en méér dan dat. Met zo'n vader (én geestelijk leidsman!) ligt de hel praktisch in het verschiet. - Maar natuurlijk vertelt de film ook het verhaal van de liefde die ondanks alle onderdrukking zijn plaats vindt, en over het verliezen van onschuld, het verdrinken in woede, en over het gewaarworden van de dood. Ondergrond en achtergrond Onderwerp, sfeer, uitwerking van de film: in m'n hoofd strijden allerlei herinneringen aan boeken en films om de voorrang. Godenslaap van Erwin Mortier, Dood van een soldaat van Johanna Spaey, de prachtfilms Fanny en Alexander van Ingmar Bergman en de 'Heimat'-trilogie van Edgar Reitz. Ja zelfs 'historische' romans als de Boerenpsalm van Felix Timmermans of De loteling van Hendrik Conscience. Maar het meest van al toch komen in mijn gedachten de gedichten uit de cyclus Requiem van Ed. Hoornik: 'Te Middelharnis is een kind verdronken. / Sober bericht in het avondblad: / onder een hooiberg die had vlam gevat / en naast een zolderschuit, die was gezonken.' De cyclus 'Requiem' staat onder andere in Hoorniks bloemlezing 'Vijf gedichten - Mattheus, Geboorte, Requiem, De vis, De overweg', en werd in 1966 uitgegeven door Meulenhoff, Amsterdam. Hieronder een gedeelte uit het 'Requiem'. TE MIDDELHARNIS IS EEN KIND VERDRONKEN Te Middelharnis is een kind verdronken. Men vond zijn mutsje aan de waterkant. Zwaar en aanhoudend heeft de klok geklonken. Boerinnen kwamen haastig over 't land. Dit is het beeld. Het wijkt. Het is verzonken. Ik ben weer bij mijn uitgangspunt beland. Te Middelharnis is een kind verdronken. Het houdt met alles en met niets verband. naar boven 6 februari 2010 Flarden 2 - JAAK ** Ik ging dus achter de computer zitten, bracht routineus de Balthasarsblog in stelling, leunde intensief achterover, de armen gevouwen voor de borst, sloot de ogen dichter en dichter, en dacht diep en dromerig tegelijk waar ik het ook alweer over ging hebben. Ik zette alle schakelaars nog een tandje sharper, veerde eens door de rug van de bureaustoel, en nog eens, en dacht aan de boodschappen van morgen, zaterdag, marktdag, stokbrood, wilde spinazie van Jan van Arragon, vegetarische spekreepjes, en oja, cashewnootjes. Is er nog voldoende lintmacaroni in huis? Parmezzaan? Links hoor ik de verwarming tikken, en waarlijk: ook rechts, en onduldbaar gestaag glijd ik in een soes alsof ik planmatig aan het werk ben. De gangdeur onder aan de trap klapt met het overbekende klikje dicht en daar is de trefzekere stem van Jaak die op sterkte roept: 'Zjos!' - Maar Zjos is er niet. Ik doe de kamerdeur open en roep naar beneden: 'Zjos is er niet! Maar ík wel. Kom maar boven, Jaak.' * Juni 1950 - In het huis van Jaak hangt het koperen vliegtuig links aan de muur naast de trap. Het vliegtuig daalt in dezelfde hoek als de trap stijgt. Als je naar boven loopt kun je in de cockpit kijken, en door de roodgetinte passagiersraampjes van mica. Piloten of passagiers zijn er niet, die zijn op. Het vliegtuig is het 'meesterstuk' van Vader Piet, erkend loodgieter en gasfitter tegenover de doodskistenmakerij van de Balthasars. Het vliegtuig van Vader Piet is een wonder dat maar niet over gaat, het is een zondagsvliegtuig. Want bij Jaak mag je alleen maar 's zondags boven komen, als Vader Piet zijn rekeningen schrijft aan het houten cilinderbureau met de geheime laatjes en vakjes en uittrekplankjes. Doordeweeks spelen wij in de grote werkplaats, de kleine werkplaats, de binnenplaats of de stal. Soms is Jaak mijn beste vriend, want we wonen tegenover elkaar en zitten in dezelfde vierde klas bij meneer Van Mier, maar ik ben wel mooi een halfjaar ouder dan hij. - 'Nietes,' zegt Jaak, 'vijf maanden! Van 6 januari tot 7 juni is vijf maanden en één dag en geen half jaar!' Ik vind dat muggezifterij. Bovendien ben ík van vóór de oorlog, en Jaak van ín de oorlog. Een verschil van levensbelang. * Jaak ruilt met Zjos de bibliotheekboeken van J. Nowee: Arendsoog, Witte Veder, Het Raadsel van De Mosquito-vallei, Om de Juwelen van Zambezia. Zjos is jonger, en ligt steeds een titel achter op Jaak. Ik verdenk Jaak ervan dat ie elk boek twee keer leest, voor de zekerheid, en om het goed te begrijpen. Vandaag komt Jaak vragen of hij 'Het geheimzinnige vliegtuig' nog even langer mag houden. Van mij mag het. Zjos is er toch niet. En zelf ben ik meer van de Bob Evers-serie, van Willy van der Heide: Een overval in de lucht, Kabaal om een varkensleren koffer, De jacht op het koperen kanon, en nog een deel over 'een Duitser met bloemkooloren' waarvan ik de titel vergeten ben, maar dat op school door Frater Francois op het einde van de dinsdagmiddag bloedstollend realistisch voorgelezen én afgebroken wordt, want tijd is nou eenmaal tijd. En zo wordt ons het fenomeen cliffhanger met de paplepel en de schoolbel ingegoten, wat zeg ik: genadeloos ingehamerd. Was het maar weer dinsdagmiddag... * Maar dan niet die van vorige week! Toen was de dinsdag een ramp voor Jaak en mij. Tussen de middag lopen we via een korte omweg van school naar huis. Even langs de bouwplaats aan de Vischstraat, waar de nieuwe Rotterdamsche Bank uit zijn oorlogsas herrijst. Er wordt beton gestort, en overal liggen resten zand en kiezelstenen op de aanpalende straten. Lekker om tegenaan te trappen, en de mooiste mee naar huis te nemen. Bij de bouwplaats is natuurlijk veel bekijks en rumoer van de betere stuurlui, en ineens klinkt er een scherp knalletje, alsof er een steen tegen een ruit gaat. Net op dat moment zweven wij met brede armgebaren als oorlogsvliegers langs de etalage van klokkenmaker en juwelier Jonkergouw die met een verhitte kop naar buiten gerend komt. Meteen gooien Jaak en ik de hoogste versnelling erin, want meneer Jonkergouw is echt een bullebak hoor! We splitsen ons als volleerde jachtvliegers, en drie minuten later zit ik thuis met bonkend hart en een hoogrood gezicht vol onschuld aan tafel. - Enfin, om een lang verhaal kort te maken: Jaak wordt gepakt, 's middags verschijnt 'de recherche' op school, en onze vaders moeten op het bureau verschijnen. Ik vind het stom dat Jaak zich heeft overgegeven, wij hebben toch zeker niks gedaan?! Toch? En toen moesten Jaak en ik een opstel schrijven over de weg van school naar huis. Onder het voorlezen! * Maart 1962 - Jaak is KVV'er geworden, kort-verband-vrijwilliger, bij de luchtmacht. Jaak wil geld verdienen, een mooi uniform aan, en ondertussen Engels studeren, werken aan de toekomst. Jaak gaat vliegenier worden. Maar nee, KVV'ers zijn grondtroepers, en zo mag Jaak als vaandrig de compagniescommandant administratief gaan schaduwen. Die commandant blijkt een afgekeurde jachtvlieger met bloemkooloren, een jonkergouw van de gestampte pot en ons kent ons die Jaak maar niet wil verstaan. De twee vliegen uit elkaar, en Jaak verkiest de vrijheid van het burgerbestaan. Intussen heeft hij wél dat vliegtuig van Vader Piet geërfd, het daalt opnieuw links naast de trap in een onvoltooide zweefduik naar het verleden van grote werkplaats, kleine werkplaats, binnenplaats en stal. ** Kan ik even een spelletje doen? haalt mevrouw B. me uit mijn concentratie. Ik kom net uit de kleine werkplaats waar ik mee heb mogen helpen om soldeerstaven te gieten, de geur van brandend gas en smeltend lood nog in mijn neus. Ik moet naar huis om te eten. Dag Jaak, tot straks, kwart voor twee? En nemen we de knikkers mee? Kunnen we 'goten'. - Een spelletje, een spelletje... natuurlijk, schat, alleen nog even het gedicht plaatsen, dan is de computer vrij. Vijf minuten, okee? Het gedicht over een vliegtuig dat bij deze balthasarsblog moet komen zit al van het begin af aan in mijn hoofd. Het komt uit de bundel 'Later wordt alles echter', en is van de hand van Rien Vroegindeweij; het is min of meer zijn credo. Oftewel, om een stukje uit het 'Vooraf' bij de bundel te citeren: 'Wat mij betreft is poëzie geschiedschrijving van gebeurtenissen zonder datum of jaartal. Een draai geven aan het bedrieglijk alledaagse. Mededelingen doen op een muur van onverschilligheid. Een fluistering in het oor van de goede verstaander.' - Het gedicht heeft eigenlijk geen titel, maar is niettemin erg bekend. Zegt iemand: 'Rien Vroegindeweij', dan zegt een ander: 'Een vliegtuig van beton'. Wat mij betreft kan het gedicht vanaf nu ook heten: 'Het geheimzinnige vliegtuig', of misschien nog beter: 'Het zondagsvliegtuig' - vrij naar Jaak en Nowee en Balthasar. POËZIE IS VOOR MIJ Poëzie is voor mij het verhaal Dat men vroeger vertelde Van een man die op zolder Een vliegtuig van beton gebouwd had En trots tegen iedereen zei Dat het wel kon vliegen Maar niet door het dakraam kon naar boven 31 januari 2010 Aanvulling Een enkele lezer van de Balthasarsblog vond mijn laatste stukje (dd. 26 januari 2010, Flarden 1 - ADJE) 'anders dan anders' en wat ik daar nou mee bedoelde... Daarop schreef ik mijn correspondentievriend N. het volgende mailtje: 'Het enige dat ik [ ... ] gedaan heb is een nieuwe rubriek openen in de Balthasarsblog, 'Flarden' geheten. Deel 1 is [ ... ] verschenen onder de noemer 'Adje', en heeft als uitgangspunt: opduikende herinneringen of vermeende herinneringen aan mijn lagere-schooltijd (en wellicht verder). Ik pas namen een beetje aan om mogelijke kritiek uit directe of indirecte omgeving voor te zijn. Het gaat mij er namelijk niet om of iets werkelijk precies en voor 100% zó plaatsgevonden heeft; ik geef gewoon mijn 'flarden herinnering' waarvan de kern [ volgens mij ] klopt, maar de bewoordingen ernstig aanleunen tegen de vaardigheden en omstandigheden (het geheugen bijvoorbeeld) van het heden. Zo heb ik me er bij het eerstgenoemde stukje over verbaasd hoe verbaal en hoe 'dwingend' mijn eigen rol eruit komt. Was dat toen wel zo, vraag ik me nu (en wellicht in een volgende aflevering) af. Ik vind het spannend en ben zelf tamelijk nieuwsgierig hoe dit gaat verlopen. De meeste stukjes zullen - zoals ik het nu zie - verschijnen onder de naam van een toentertijd-vriendje of schoolgenootje. Ik moet nog een klassefoto hebben van genoemde vierde klas (1949/50), met wel vier verschillende onderwijzers en één weggelopen frater. Misschien moet ik maar eens op zoek gaan naar die foto - of misschien juist wel niet, en zet ik alles op het geheugen!' Ik zou er nog aan kunnen toevoegen dat het opschrijven van zo'n 'flard' uit het verleden, dat verleden in veel meer facetten opent dan ik vooraf had gedacht. Het kan dan misschien wel zo zijn dat je 'herinnering' niet voor de volle 100% strookt met die van een ander die erbij betrokken was, het opschrijven (of er anderszins mee bezig zijn) levert veel meer aan verleden op. Een heel aardige geheugenoefening dus! Althans, dat zou ik best wel eens willen voorleggen aan Douwe Draaisma, die immers als geen ander in Nederland over de werking van het geheugen nagedacht heeft. (Zie bijvoorbeeld zijn geweldige boeken 'Waarom het leven sneller gaat als je ouder wordt' en 'De heimweefabriek'). - Het geheugen, ach ja, dat geheugen, daar is gelukkig geen einde aan. Blijft natuurlijk de vraag in hoeverre dit voor 'de lezer' interessant is... Daar heb ik helaas geen antwoord op. En ik geloof ook niet dat het maar enig belang heeft om me daar het hoofd over te breken. Met de hele Balthasarsblog heb ik geen andere bedoeling dan een onbevangen inkijkje te geven in de faits divers uit het leven van een gepensioneerde. Niet meer, niet minder. Ik doe het zolang ik het zelf leuk vind, ik jaag er totaal niets mee na. Als je me in het begin gevraagd had of ik dit jaren ging volhouden, dan had ik daar absoluut geen antwoord op gehad. Maar inmiddels is dit wel het vijfde jaar, en het is nog steeds leuk. En zeker is het intrigerend om weer eens een andere kijk op de dingen te geven, bijvoorbeeld in een nieuw rubriekje 'Flarden', waar ik eens in de zoveel tijd dus... enfin, zie hierboven. Zo, dat moest ik even kwijt, deze week, in dit blogje. Hoewel ik eerder overwoog om een stukje te schrijven over onze lappenmand: twee weken diepe verkoudheden met harde hoest en eindeloze snotternijen. Of een stukje over de geneugten van het samenstellen van een dossier over de Poolse dichteres Wislawa Szymborska (nobelprijs 1996). Of over de nieuwe boeken waar we ons momenteel in Huize Balthasar over buigen, t.w. 'Ademschommel' van Herta Müller en 'Over het doppen van bonen' van Wieslaw Mysliwski - [op dit moment verdween de hele tekst van het laatste uur van het scherm, inclusief alle onderstaande gecodeerde blogs van het laatste jaar. Pas via de knop escape bereikte mij tenslotte de vraag of ik mijn laatste wijzigingen in de tekst wilde opslaan of juist niet. Ik koos met het zweet in mijn handen voor 'niet opslaan' omdat ik vreesde het werk van meer dan een heel jaar weg te gooien. Wat herverscheen was de tekst van het laatste uur minus het laatste kwartier maar inclusief dat hele laatste jaar. Ik hield op met beven, en zette me meteen aan het herscheppen van het laatste kwartier. Oef! ] - maar dat krijgt u deze week dus allemaal NIET in de Balthasarsblog. U moet het met het bovenstaande doen. En met onderstaand gedicht natuurlijk, een herinnering aan mijn tijd in de vierde klas, toen ik een hekel had aan de vrijdag, als ik dan thuiskwam uit school, en de boenwas rook, en de worteltjes en... Nou ja, het is uit de tijd van veel regels en weinig poëtische woorden, maar zo kreeg je wél veel 'gedicht'! VRIJDAG en ik zag 2 x 2 benen op de vloer het zeil een kale trap de mat als roede in de hoek mijn voetbal wat verdwaasd ernaast het stonk naar worteltjes en naar botersaus met mosterd 1 half ei ik denk goeie vrij dag nog aan toe n naar boven 26 januari 2010 Flarden 1 - ADJE * Via Via had de receptionist van het verzorgingshuis laten weten dat ie me dolgraag eens wilde spreken. Van Bezeiden heette hij, Arnold van Bezeiden. En hij was eigenlijk geen receptionist, maar instellingskok. In het weekend dat hij vrij had, viel hij zo nu en dan in, als receptionist. Zodoende. En oja, dat ie me nog van vroeger dacht te kennen, meende Via Via. Volgende week zondag, drie uur, of me dat schikte. Hij zou aan de balie zitten. April 1950 - De cafédeur had zo'n grote glimmende schuinlopende koperen stang om mee naar binnen te komen. En een afgetrapte metalen onderkant. Dan een duister portaaltje van zwaarbruine gordijnen met een leren split in het midden, en dan stond je pardoes middenin de zaak: houten vloer, hoge krukken, bruine toog, koperen bierkranen. Zure lucht. Tabaksrook. - Is Adje d'r, meneer Van Bezeiden? - Ga maar naar boven, Balthasar, hij wacht op je. Heb je je postzegels bij je? - Ja, meneer, hele mooie. Uit Costa Rica, van mijn ome Theo en Tante Sis. - Dan kom ik straks even kijken. Adje zat al in de dubbele schoolbank die hij voor z'n voorvorige verjaardag gekregen had, met zo'n zinken inktpotje-zonder-inkt en gekraste namen aan de binnenkant van de klep. Misschien wat sloom voor een tienjarige van de Fratersschool, maar daar had Adje geen boodschap aan, en ik ook niet. - Zullen we eerst handtekeningen oefenen? Ik heb hier kladblaadjes. - Goed, ik heb m'n nieuwe vulpen bij me. - Heb jij een nieuwe vulpen? Zomaar? - Heeft m'n moeder gevonden, in het Eerste Torenstraatje. Een hele dure, zeggen ze. Het ging heel goed met de vulpen, en na een dik kwartier en wel honderd probeersels meende ik de handtekening van mijn vader wel onder de knie te hebben. Bij Adje ging het wat minder snel, die had nou eenmaal een halfstijf been en zo, maar ik had er genoeg van. - Ik heb de opstelling voor zondag bij me. Tegen die van Dennendaal. Van Kris en Bertie Jansen. Wil je 'm zien? - Sta ik erin? - Ja, links-half, dan hoef je niet zo hard te lopen. Maar je moet misschien afwisselen met Theo. - Met Theo? Maar die is toch slechter? - Ja, maar hij heeft een nieuwe bal. Echt leer. Maat 3. En Jan doet ook mee, die is knoertgoed, ook al zit ie pas in de derde. We zetten hem midvoor. En Freeke rechtsbuiten. Jac neemt de fietspomp mee, voor als de bal zacht wordt. - Ik krijg misschien voetbalschoenen, m'n vader kan ze overkopen van De Zeeuw hierachter, als Lieuwe nieuwe krijgt. Zullen we nou postzegels gaan doen? We haalden onze DAVO-albums Nederland en De Overzeese Gebiedsdelen en Europa In Al Zijn Delen tevoorschijn. En net op dat moment kwam Adje's vader naar boven. - Ah, ik kom net op tijd zie ik. En wat zei je nou, had jij nieuwe postzegels uit Costa Rica? Waar ligt dat land in godsnaam? - Tussen Noord- en Zuid-Amerika, meneer. Daar wonen mijn Tante Sis en Ome Theo. Kijk, dit zijn ze, mooie kleuren he? En groot he? - Dus jij hebt een oom en tante in Costa Rica wonen? - Ja, meneer, die zijn daar na de oorlog gaan wonen, zegt m'n moeder, met al hun geld en sieraden. Die zijn rijk hoor. Tante Sis heeft het hoog in haar bol, zegt mijn moeder altijd. Maar ze stuurt wel mooie postzegels hoor. En eerst woonden ze in Amsterdam, daar ben ik wel eens geweest. Die praten echt deftig, En toen waren ze ook al rijk, hoor. En ze hebben een wc die je door kunt spoelen. En toen gingen ze emigreren, naar Costa Rica. En ze komen nooit meer terug. Dat kan niet, zegt mijn moeder, want ze zijn owee. Wat dat is weet ik niet. - Costa Rica... Midden-Amerika... Owee... tja, ik weet ook niet wat dat is. Maar ik heb wel klanten aan wie ik dat kan vragen... - En ik heb ook nog een tante in Duitsland, tante Sientje en Onkel Peter. Daar heb ik ook postzegels van, kijk, Bochum. Maar die zijn niet zo mooi als die van Costa Rica. En ze zijn arm, mijn moeder stuurt ze wel eens koffie. - Heb je ook dubbele zegels uit Costa... eh... Rieka, Balthasar? - Ja, Adje, ik heb er een die ik met je wil ruilen. Tegen die twee van Helvetia die jij hebt. - Twee?! Waarom twee? - Omdat Costa Rica een heel stuk verder weg ligt, Adje! * Het schikte, had ik Via Via laten weten. Maar aan de balie herkende ik Arnold, die vroeger dus Adje heette, niet meteen. Of eigenlijk: helemaal niet. Ik zag z'n vader: een vriendelijke, ouwelijke, naar het dikke neigende man, stram in de benen, jasjedasje, scheiding links in het kalende hoofd, de joviale kroegbaas uit het tijdperk Maigret. 'Hallo Balthasar, ken je me nog?' / 'Tuurlijk Adje, je bent geen spat veranderd. En hoe is het met je been?' Uit deze tijd stammen m'n eerste gedichten, notities noemde ik ze toen. Simpele observaties van een lagere-schoolkind, beperkt in tijd en in ruimte. - Het gedicht Feest heb ik al 's eerder geciteerd in de Balthasarsblog. Maar nog nooit in een context als hier. Hoe onbevangen kun je zijn... FEEST ik weet nog hoe mijn vader mijn eerste paar voetbalschoenen in centen en dubbeltjes op zijn werkbank uittelde vijf gulden het waren tweedehandse naar boven 18 januari 2010 Pleisterplaats De Zwarte Boer Het chique adreskaartje bleef bewaard na een vorige wandeling. We hadden er een heuglijk kopje koffie gedronken, en waren enthousiast geweest over de verbouwde entourage en de ontvangst in de eeuwenoude boerderij middenin het Leuvenumse Woud. Het chic-zwarte kaartje stak in de agenda bij de memorabelste datum van het jaar, daar wist mevrouw B. wel raad mee. Op dus naar Leuvenum (gem. Ermelo), voor ontspanning op niveau! Eerst spoorden wij naar Apeldoorn, en vandaaruit negen strippen met de bus naar Elsspeet. Daar 'genoten' wij in Pannekoekenhuis 'De Veluwe' een ouwetaaie-uitsmijter, en liepen tenslotte de laatste 7 kilometers naar Leuvenum. Het besneeuwde heideland was ronduit sprookjesachtig, de wandelstok voluit noodzakelijk, en de rugzak aan de zware kant, vooral op de rechterschouder. Wij arriveerden rond vieren, de gelagkamer was rijkelijk gevuld, de open haard geurde ons tegemoet. Ontvangst met instructie... Van de zeven beschikbare kamers was ons de 'Zomerkamer' toegedacht, en bediende 1 zou ons die graag laten zien. Zij pakte resoluut de rugzak van mevrouw B., en ging ons voor een breedbeloperde trap op. De kamer was modern en luxe, met geavanceerde apparatuur ook, maar vooral het 'natte gedeelte' was de show en de instructie ten volle waard. De uitleg bij de stoomcabine annex douche annex massagegestraalte vergde het uiterste van onze concentratie. Wij dachten het zo ongeveer wel begrepen te hebben, zeiden we. En daarna liet ze ons alleen. Het was mevrouw B. natuurlijk meteen om de stoomcabine te doen, dus repeteerde ze verwoed de achtereenvolgens te bedienen knopjes. En binnen twee knopjes al sloeg de twijfel toe: hoe kwam je nou ook alweer aan die eucalyptusdampen? En die dwarse stralentuitjes, hoe gingen we die te lijf? Inmiddels had ik zelf het zware zwartbelederde hotel-boek in de vensterbank gevonden en doorgekeken, en trof daar de mededeling dat een 'Instructie der stoomcabine' zich in de badkamer bevond. Geen Instructie te bekennen natuurlijk. Mevrouw B. naar beneden dus. ...door het voltallige personeel En kwam terug met bediende 2, een beetje een 'boven'-bediende. Die begon opnieuw en van voren af aan met de instructie van de stoomcabine annex douche annex massagegestraalte. Sommige knopjes moesten anders begrepen worden dan bij bediende 1, maar zij had ze zelf ook nog nooit volledig uitgeprobeerd. Ja, één keer, maar toen had een straal 'verkeerd gericht' gestaan, was ze nat geworden en was het uitproberen voortijdig gestaakt. Daar wist ze nu raad op: we gingen bediende 3 raadplegen, want die ging daar eigenlijk over. Deze vlotte jongeman kwam gezwind aangedenderd met een dikke ordner papieren onder de arm. Hij straalde zelfverzekerd uit dat ie dit mineure klusje wel 's even in een mimi-mumpje zou klaren, en dat het al met al en eigenlijk beneden zijn stand was. En zo begon Instructie III, met ons vieren in de deuropening van de stoomcabine annex douche annex massagegestraalte. - 'Nee, deze knop is voor de watertemperatuurregeling, en met déze hendel, kijk, zó, bedien je de waterstra...' Zodat we alle vier door alle gestraalten van onder tot boven natgespoten werden en er twee grote nieuwe badlakens aan te pas moesten komen om de vloer en onszelf weer enigszins op het droge te krijgen. Dat was lachen, dat was kicken, en tot overmaat van hilariteit bleek die hele genoemde Stoom-Cabine-Instructie nog ontworpen en op papier gezet te moeten worden! Inderdaad, de taak van bediende 3. In de Heerenkamer Zonder nadere instructie hebben wij vervolgens zelf by trial and error het hele arsenaal aan mogelijkheden uit de stoomcabine annex douche annex massagegestraalte weten te halen. En daarna meldden wij ons geheel en al opgefrist en redelijk hoog gerood rond zes uur in de Heerenkamer, voor aperitief en kennismaking met de andere gasten. Dat bleken twee wandelaars te zijn, oude vrienden die nu als gepensioneerden maandelijks een wandeling met overnachting genieten, en daarbij vooral prat gaan op hun onderlinge verschillen. Het werd een aangenaam en halfintiem gesprek tussen gelijkgestemden, waar ik in een andere balthasarsblog nog eens nader op terug zal komen. Net als op de 'wastafel', die ik hier in het stoomcabinegeweld wel onderbelicht heb moeten laten. Het komt er kort gezegd op neer dat het schitterende design van Belgisch graniet verhindert dat je je er aan kunt wassen of scheren. Het water gutst je rechtstreeks uit de platte kom tegen de buik en over de voeten. En hup!, daar moet alweer een badlaken naar de vloer. - Maar mooi! Ongekend! En dan zwijg ik nog over de designkraan, dat is geen kraan, en bovendien wil hij niet wat jij doet. Leg alvast maar een nieuw badlaken klaar! Een chefkok zonder weerga Nee, maar dan het eten bij De Zwarte Boer, dat kan hier niet langer onbesproken blijven. Wij hadden ons bij de reservering gemeld als vegetariërs, en dat had de receptie 'een leuke uitdaging geleken'. Bij nader inzien bleek De Zwarte Boer te beschikken over een onalledaagse chef-kok. Of eigenlijk: over een chef-kok zoals je die overal zou moeten hebben, iemand die net zo goed voor vegetariërs, veganisten als voor vleeseters kookt. En die niet schrikt van bietencarpaccio of krokant gebakken rooktofu. Warm eten bij De Zwarte Boer was een feestje, niet het alternatief van de vleesloze maaltijd, maar een vegetarisch totaalmenu waar de carnivoren het water bij in de mond liep. En dat begon al bij de voorgerechtsoep van knolselderij met schorsenerenstukjes, waar mevrouw B. de chef-kok het recept van wist te ontfutselen. De man nam er de tijd voor, en kwam het ons allemaal eens netjes uitleggen en toelichten. Op papier! In de belendende diner-zaal zat een gezelschap van vijfentwintig man. Twaalf ervan aten vegetarisch, en nog drie hadden een uitgekiend specialiteitendieet. De chef-kok maakte er zingend werk van! Nu alleen nog alternatieve boter en beleg bij het ontbijt, want daar heeft De Zwarte Boer kennelijk nog geen eigen chef-kok voor. Even afrekenen en een flinke wandeling toe Bushalte 'De Zwarte Boer' (lijn 104) bevindt zich pal voor de deur, en bevestigt een dienstregeling die nogal mager is. Maar je kunt er komen en gaan, ook in winterse omstandigheden. Maar sportief als wij zijn, gingen wij natuurlijk lopen. Naar Harderwijk, zo'n kilometer of vijftien, en met een verouderde wandelbeschrijving. Veel genoemde paddestoelen bleken verdwenen, en vervangen door fietsknooppunten. Het sneeuwlandschap had veel paden 'weggemaakt', speelpleintjes en hoogspanningskabels bleken verdwenen. Maar we zijn er gekomen, in Harderwijk. En daar wilde ik mijn OV-chipkaart nu eindelijk wel eens uitproberen. Maar ik werd geweigerd bij het incheckpoortje, net als in Deventer en Zutphen ook al gebeurd was. Enfin, met die OV-chipkaart van mij is het me wat. Daarover een andere keer, want deze blog loopt toch al de spuigaten van de lengte uit! En oja, dat afrekenen. Dat was niet mals hoor, dat badkamerdesign ook... Bovendien las ik het te betalen bedrag verkeerd, en gaf daardoor een veel te ruime fooi. Maar ja, als ze ook drie bedienden inzetten om je 'badbeleving' te verhogen... wat zou je dan simmen over een paar euro's meer of minder! - Nee, dan schrijf ik liever een kort gedicht over een winterwandeling, van Leuvenum naar Harderwijk, op een bankje van sneeuw en ijs. KORTE WINTERWANDELING Kijk, hier waren wilde zwijnen, zie je al dat opgewoelde blad onder de bomen waar de sneeuw zwart is? En dit bandenspoor, zou dat van die jongen zijn die hier een wandeling aan het uitzetten was? Dat hij hier kon fietsen over die ijzige wortels en diepgevroren kuilen! Snap je dat? Een wonder is het, is het niet, zo'n tocht, of anders toch een sprookje, als heg en steg en wandelweg zo onder pakken sneeuw zijn gaan zitten? O, kijk, daar heb je dat witte stenen huis met dat gele bijgebouw, en al die rododendrons. Vandaaraf is het nog geen uur meer, ziejewel? Ik kan de erwtensoep al ruiken. En jij? naar boven 11 januari 2010 Je kunt toch nieuwe bakken! Mooie gesprekken Heb zojuist een volledig afgeronde balthasarsblog weggegooid. 'Want tevreden was hij niet.' Dat overkomt iedereen natuurlijk wel eens, dus daar moet je niet al te dramatisch over doen. Gewoon uithuilen en opnieuw beginnen, want 'je kunt toch nieuwe bakken' om wijlen Wim Kan er nog maar eens bij te halen. Toen ging het over oliebollen, nu over een balthasarsblogje - wat maakt het uit? Geïnspireerd door een serie van vier 'Mooie gesprekken' van Rutger Kopland (in de dichtbundel 'Een man in de tuin') had ik een stukje geschreven met verjaardagsgesprekservaringen. Dat je je daar soms zo wezenloos en displaced bij kunt voelen, bijvoorbeeld omdat de onderwerpen je niet liggen of omdat de invalshoeken de jouwe niet zijn of ook wel omdat een of twee dominante types de enige sprekers blijken te zijn. - Bij nader inzien vond ik het stukje (onbedoeld) wat te klagerig en te onheus van toon tegenover lotgenoten die er ook niet veel aan kunnen doen dat ze zijn zoals ze zijn, net als ik zelf overigens. Toen ging ik er aan prutsen en prutsen tot het helemaal verprutst was. Alleen het gekozen gedicht van Kopland (I - Over de ziel) stond nog recht overeind. Dat is wat magertjes, voor een balthasarsblog... Toch zal ik het hieronder alvast citeren, daar heeft het gedicht immers recht op. I - OVER DE ZIEL Dat de ziel het lichaam verlaat bij het sterven daarover bestaat geen twijfel - waarom immers zou de ziel willen blijven maar waar hij heen gaat is onzeker iemand van ons meende dat hij nergens heen gaat want hoe zou hij zonder lichaam kunnen bestaan iemand dacht dat hij naar een ander lichaam zou kunnen verhuizen, hij moest toch ergens heen iemand veronderstelde dat hij teruggaat naar waar hij vandaan kwam voordat hij een lichaam nodig had en natuurlijk was er ook iemand in het gezelschap die zei dat er volgens hem meer aan de hand was dat er zijns inziens nog iets was blijven liggen dat achter iedere vraag een andere vraag schuilt en ik - ik begon hevig te verlangen naar de troost van een sigaret Retourpost Om mezelf wat af te leiden dook ik even in de Outlook Express. In de Inbox stonden nog wat felicitatiemailtjes op beantwoording te wachten. Nou niks geen gedraal meer, je bent al bijna een week 70, dus vort met de geit, laat die mensen wat weten! Gemotiveerd ging ik aan de slag. Het eerste mailtje liep gesmeerd ('Jullie cd van Nigel Kennedy is werkelijk wonderschoon. Veel bekende prachtstukken, gespeeld in een warme stijl. Die ga ik nog vaak draaien hoor!), het tweede ging ook vlot ('En dan ook nog zo'n hele 'kleutersite' erbij, met historie en al, Brabantse liederen en hoe je Driekoningenkoek maakt: werkelijk een 'totaalbeleving' die je niet vaak voorgeschoteld krijgt!'), en bij het derde pakte ik ook nog fors uit met een overzicht van onze kunstactiviteiten van het complete laatste jaar. Maar toen, toen was ik aan het laatste retourmailtje toe, en dat ging gewoon niet, het leek wel een mislukte balthasarsblog, een goederentrein van zinnen zonder inhoud of logica waar N. beslist geen touw aan vast zou kunnen knopen. Kappen dus, en morgen maar verder. Over De Zwarte Boer later meer Maar er is geen 'morgen', want... dan ben ik m'n verjaarscadeau aan het concretiseren, twee overnachtingen bij De Zwarte Boer, met dagelijkse omzwervingen door de aanpalende dreven van Het Leuvenumse Woud. Dan doe ik niet aan blogs of mails, dan zijn wij 'eropuit' met rugzak en wandelschoenen, per trein en bus, én... ga ik voor het eerst mijn OV-chipkaart uitproberen. Eindelijk, want het had nog heel wat voeten in de aarde voordat die chipkaart op de juiste manier (en op de juiste plaats!) 'geactiveerd' was. Daar kan ik een heel verhaal over vertellen. Maar dat bewaar ik voor een volgende keer, als 'papa weer eens geen plotje heeft' (om met de kinderen van de tekenaar van Jan, Jans en de kinderen, de kinderen van Jan Kruis over hun vader dus, te spreken). Oja, en over onze logeerpartij bij De Zwarte Boer dus later meer. Want ik ga nu opnieuw proberen om N. te antwoorden, daar heeft N. recht op. Maar het moet ook van soliede kwaliteit zijn, want dat zijn de briefjes van N. zelf ook altijd, alsmede een beetje archaïsch en toch hoogst origineel. Vandaar. Oja, en het gedicht, dat hebt u hierboven al gehad. Maar het loont en het troost om het nóg eens te lezen. Vandaar, again. I - OVER DE ZIEL Dat de ziel het lichaam verlaat bij het sterven daarover bestaat geen twijfel - waarom immers zou de ziel willen blijven maar waar hij heen gaat is onzeker iemand van ons meende dat hij nergens heen gaat want hoe zou hij zonder lichaam kunnen bestaan iemand dacht dat hij naar een ander lichaam zou kunnen verhuizen, hij moest toch ergens heen iemand veronderstelde dat hij teruggaat naar waar hij vandaan kwam voordat hij een lichaam nodig had en natuurlijk was er ook iemand in het gezelschap die zei dat er volgens hem meer aan de hand was dat er zijns inziens nog iets was blijven liggen dat achter iedere vraag een andere vraag schuilt en ik - ik begon hevig te verlangen naar de troost van een sigaret naar boven 4 januari 2010 In het vijfde Balthasarsjaar Laps Landschap Zondagavond 3 januari ontvingen wij onze jongste Nieuwjaarskaart, een buurwens, per eigen onderstel naar onze brievenbus gebracht. Het betreft een in ijzige blauwtinten afgedrukte eigen foto van paardjes in het Lapse Landschap. Extra aandacht krijgt het natuurlijk wel, zo'n verlate wens, een eigen foto, geen postzegel, en een handschrift vol bravoure. Zo zie je maar weer: het is nooit te laat om iets te laten weten, het gaat om de intentie, en om de presentatie natuurlijk. Dus wens ik alle lezers van de Balthasarsblog - oprecht gemeend - het allerbeste in het vijfde Balthasarsjaar. - Dat kan tenslotte ook niet iedereen zeggen! IJzigwitte uiterwaarden en altijd weer die autodrop 's Ochtends op de dijk langs de IJssel was zo te zien nog weinig gelopen, drie onderling sterk verschillende paren schoenen, een flinke hond. De sneeuw was rul, als Spul van de Rul, er kraakte muziek onder onze zolen. Een diffuse zon deed schijnpogingen om door de zwangere wolken heen te breken, stukjes blauw bleven evenwel op afstand. Over de ijzigwitte uiterwaarden gakte een gigantische vlucht ganzen, en in de verte schoof een boer zijn erf zwart. Daarmee was het shot wel zo'n beetje totaal, een sfeervolle prent van Opland (God hebbe zijn ziel) - ook al ontbreekt dan het wak en een onfortuinlijke minister-president. Jaja, 2010 is best begonnen, echt winter. En het is goed om dat vast te leggen, voor als ik nog eens wil weten hoe 2010 ook alweer begonnen was. Want dat ben ik over een poosje geheid weer kwijt. Het is nu 'ruim' vier jaar geleden dat ik met de balthasarsblog begon, om precies te zijn op 31 december 2005. Ik schreef toen een stukje over het geheugen, hoe bedrieglijk dat kan zijn, en over foto's die (niet) kunnen liegen. Inmiddels ben ik zo'n 235 (!) stukjes verder, en raadpleeg ik de balthasarsblog geregeld als ik me iets niet goed kan herinneren. In acht van de tien gevallen vind ik het desbetreffende 'stukje' terug, en minstens een op de twee keer verbaas ik me over mijn eigen tekst. Het blijkt telkens toch weer nét iets anders te zitten dan ik had gedacht, én ik vind het vaak nog best aardig opgeschreven ook. Jezelf kietelen is natuurlijk uit den boze, het is als de befaamde autodrop: 'Het zou verboden moeten worden.' - Maar alla, al met al is er reden genoeg om nog een tijdje door te gaan met de balthasarsblog. Dat is alvast één goed voornemen. En oja, die allerbeste wensen Voort dus maar met die goede voornemens voor een nieuw Balthasarsjaar. En die betreffen toch vooral het lot van de aarde en wat een particulier mens daaraan kan doen. Want een andere ingang heb je niet, een andere verantwoordelijkheid ook niet. Dat komt goed uit, want dat is al pittig genoeg. * Zo heb ik een tijdje geleden een offerte laten maken voor het verder isoleren van onze woning. Om de stookkosten te verlagen, en de CO2-uitstoot te verminderen. Nou hebben wij niet echt een grote woning, maar toch vergen de kosten voor spouwmuurisolatie en het impregneren van de gevel het lieve bedrag van wel 5000 euro. Okee, je krijgt er ook een portie comfort voor terug, maar hoofdzaak is toch het milieu. Dat wordt dus nog hard sparen de komende jaren. Het is maar net waar je je geld aan uit wilt geven, om mevrouw B. nog maar eens te citeren. * Dat geldt ook voor het eten van biologische producten. Merkwaardigerwijs kosten die een klauw meer dan bespoten en bewerkte spullen, maar dat is natuurlijk een kwestie van politiek. Terwijl ze beter zijn voor mens, aarde en milieu, worden ze door overheid en bedrijfsleven kunstmatig duur gehouden ten gunste van de niet-biologisch boerende bedrijven. Eigenlijk is het natuurlijk omgekeerd: aan niet-biologische producten worden ten onrechte subsidies gegeven, en worden veel werkelijke kosten voor aarde, mens en milieu uit de prijs gemanipuleerd. Net zo krom is het als het niet heffen van belasting op kerosine (vliegtuigbenzine). De wereld zit in menig opzicht raar in elkaar, en het zou de aarde grote rampen besparen als er wat logischer en eerlijker geredeneerd werd door de mensen aan de knoppen. Dan zou een hamburger bij McDonalds of De Burgerking geen negentig cent, maar negentig dollar kosten, écht waar. - Enfin, wij gaan er dit jaar nog een stuk beter op letten, op het biologische. * Vlees is nu wel echt uit. Lees alle kook- en receptenstukjes (op één na, Sylvia Witteman!) uit deVolkskrant er maar op na. En lees beslist ook het boek 'Dieren eten' van Jonathan Safran Foer: zie de uitgebreide recensie op voedselencyclopedie.nl. Een site om trouwens eens lekker een uurtje in rond te darren! * En blijven wandelen, dat doen we zeker ook. Goed voor lichaam en geest, kost haast niks, bevordert het milieu en de samenspraak in ons wandelclubje. Het is in een woord geweldig, en als het niet al bestond, dan zou ik het dit jaar met genoegen uitvinden. En aan die vijfentwintig kilometer per week... komen we lang niet altijd. En dat is niet erg. Je kunt ook te hoog grijpen! Dat moest ik ook maar eens wat minder gaan doen... * Tenslotte wens ik u werkelijk het allerbeste in het vijfde Balthasarsjaar. O, pardon, dat heb ik al gezegd. Maar ik wist het niet zeker meer. Dat geheugen ook! Maar ik meen het hoor: het allerbeste! De winterwegen van Bernlef Ik pakte de bloemlezing 'Dingen die niet overgaan' om een mooi wintergedicht te zoeken als afsluiting van dit eerste stukje in het vijfde Balthasarsblogjaar. Die bloemlezing kreeg ik een jaar of twee geleden van mijn dochter Mi, zij heeft het zelf niet zo op gedichten, en zij moest wat boeken kwijt om ruimte te maken in haar kast, vandaar. Op pagina 23 troffen mij de 'Winterwegen' van J. Bernlef, een mooie keus. Ineens herinnerde ik me parbleu nog an toe dat ik zelf een bundel 'Winterwegen' in de poëziekast heb staan. En ja hoor, pagina 32 in die bundel, hetzelfde gedicht met dezelfde titel. Hoe kom ik ook alweer (jaja, het geheugen!) aan die bundel van Bernlef (met dezelfde titel als het gedicht)? Op 6 januari 1984 gekregen van zoon Ma! Verbluffend, niet?! En - ik zeg het nog maar eens - geen woord gelogen! Uit: J. Bernlef, Winterwegen, het gedicht 'Winterwegen', p. 32. Querido, Amsterdam 1983. Tevens uit: Hubert van Herreweghen en Willy Spillebeen, Dingen die niet overgaan - Een bloemlezing poëzie uit Vlaanderen en Nederland 1945 - 1985, p. 23. Davidsfonds, Leuven z.j. WINTERWEGEN Niet alleen vossesporen, de achterwaarts wijzende patrijzeprenten in de sneeuw, maar ook de winterwegen, smalle looppaden tussen schuur en erf op geen kaart te vinden. Ieder huis rust als een spin in 't midden van zijn eigen wegennet Een tijdelijke taal zoals het blaffen van een hond stemmen achter een bosrand Taal die niet begrepen hoeft te worden zoals een kinderkrabbel: teken van iets dat achter de rug is Wanneer de winterwegen smelten blijft het vermoeden van een landkaart onder onze voeten De eerste zwaluwen hoog in de lege lucht, zij kunnen hem lezen wellicht zij volgen andere wegen. naar boven 31 december 2009 / 1 januari 2010 Nieuwjaarswens - Op de wijze van 'De marsch van den braven Kapitein' Maria van Heyst (1741-1821) was ooit een veelgezongen volksliedjesschrijfster. Haar bekendste werk heette Volks-liedjens, en werd tussen 1789 en 1807 in maar liefst vijf delen uitgegeven door de toentertijd bekende 'Maatschappij tot Nut van 't Algemeen'. Brave liedekens en smartlappen allemaal hoor, met sprekende titels als: 'De dankbare zoon', 'Verdraagzaamheid', 'Buur-praatjen', 'De wollennaaister' of 'De beste vooruitzicht'. En soms, heel soms, overtrof ze zichzelf met een 'echt mooi gedicht', zoals onderstaande Nieuwjaarswens - Op de wijze van 'De marsch van den braven Kapitein'. - En braaf was het, en is het! Net als de meeste nieuwjaarswensen en bijbehorende voornemens, ook die van nu nog: met wenst elkaar 'het allerbeste', 'veel heil en zegen' en besluit nu eindelijk eens te stoppen met roken. Welgemeend of niet, zo zijn de mores. En daarin passen alle Hallmark- en HEMA-kaarten, de e-cards, de nieuwjaarsrecepties, de eindejaarsborrels, de buurtbegroetingen in de koude nieuwjaarsnacht. Verzet je er niet tegen, geniet er gewoon van, want 'alles komt goed'. Wat wil je nog meer? Nou dan! - Oja, en om met mijn ouders zaliger te spreken: Zalig Nieuwjaor! Gij ok, wor! - Zalig toch?! NIEUWJAARSWENS Op de wijze van 'De marsch van den braven Kapitein' Het was zo lang mij heugen mag, Een vast gebruik op dezen dag, Zich op te schikken naar zijn' staat, En druk te loopen langs de straat; Om aan de menschen, geluk te wenschen; Schoon het niet altijd van harten gaat. Maar was 'er ooit een dag van 't jaar, Waar op het liegen geen zonde waar'? 't Is dikwijls veiligst, dat ik zwijg'; En dat ik slegts wat buig' en nijg'. 'k Zal 't overleggen, om niets te zeggen, Daar 'k mij om schaam, of een kleur bij krijg'. Hoor dan nu ook eens, wat ik wensch', Aan ieder braaf en eerlijk mensch! Lang leven, rijkdom, eer en staat En dat hem nooit iets tegen gaat, Maar zagt... de weelde, zo 'k mij verbeelde, Maakt somtijds dat men de deugd verlaat. Ik wensch hem liever een vrolijk hart, Een vast gemoed in vreugd of smart, Gezondheid en zijn daag'lijksch brood, Een vriend, die trouw blijft in den nood, Des Hemels zegen, op al zijn wegen, En eind'lijk eens een zaaligen dood. Nu heb ik gedaan; ik gaa weer heên, 'k Heb niets gezegd dan dat ik meen. Ik weet wel meer, maar 't staat niet vrij, Veel spreeken brengt ons maar in lij. Zo dit niet gaan kan, of niet bestaan kan Zing 'er dan nog wat versjens bij. naar boven 20 december 2009 IJs en weder dienende Vroeger, en toch dichtbij Als je oude blogjes (her)-leest is het leuk als je daarin ook iets van de actuele omstandigheden meekrijgt. Bij voorbeeld dat het een bloedhete zomerherfst is met veel vallend blad (24/07/06), of dat de natuur van het begin van de lente af aan wel twee weken op alle eerdere jaren voorloopt (vanaf 25/02/08). Niet dat ik u ervan verdenk dat u me daar een beetje oude balthasarblogjes gaat zitten lezen, verre van dat, maar zelf doe ik het met enige regelmaat. Ook om te zien of ik een gedicht niet al eens eerder geciteerd heb. Of om moed te putten uit stukjes die ik zelf wel aan de aardige kant vind. En vandaag gewoon ook omdat het een beetje zo'n dag is: om half negen pas wakker geworden met de radio die ons afraadt om naar buiten te gaan, met de auto niet en zéker met de trein niet. Want gans het raderwerk van wegen en sporen ligt zo'n beetje stil, omdat Het Weer En De Sneeuw - en dus Gerrit Hiemstra en in zijn kielzog Erwin Krol en dus ook God zelve en zalve - dat nou eenmaal wil. Per telefoon meldt onze dochter vanzelfsprekend dat ze heerlijk naar buiten is geweest, met twee dassen, twee jassen, twee truien en uiteindelijk met stijve broekspijpen van de aangevroren sneeuw 'en alles' - om taalonderzoekster Paulien Cornelisse maar eens te citeren. Zeker, het wintert in het staartje van 2009. Deze week bij voorbeeld, en dan die terugreis De afgelopen nachten vroor het hier zo'n 16 graden, overdag is het iets van min 8; guur en koud is het, en er hangt zelfs een versgespannen gordijntje voor het tochtige wc-raampje, voor het eerst, ooit. En sneeuw natuurlijk, sneeuw! Om 11 uur vanochtend mat ik met de duimstok 12 cm op de tuintafel. Nou, dan moet je wél de toegang tot je voordeur sneeuwvrij maken natuurlijk, en nog eens, en nog eens, en nog eens, want het stuift maar door. En zo heeft buurman J. genietenderwijs een nieuwe toepassing voor z'n bladblazer gevonden. Maar dan wij, wij zijn tijdens de zondagochtendkoffie nog steeds aan het bekomen van ons reisje van afgelopen donderdag, naar de Vughtse dreven rond de Lunetten en het Drongelens Kanaal. Heen ging de treinreis nog vrij gemoedelijk: vanaf Arnhem sneeuwde het weliswaar fors, en het was duidelijk drukker op de stations dan anders, maar alles bij elkaar en ondanks het lichte gemopper om ons heen, liepen we toch niet meer dan een uur op ons reisschema uit. In de Vughtse besneeuwde bossen hadden we het moeilijker: geen pad te bekennen of te herkennen, alle rood-witte wegwijs-streepjes op de bomen weggesneeuwd, hellinkjes absoluut verraderlijk glad, een beetje een avontuurlijk tochtje zeg maar. En hup, daar gingen de beentjes de lucht in, het achterwerk tegen de vlakte, en de banaantjes in de rugzak richting pap. De stemming zat er goed in! Tot en met het afsluitende cafébezoek, want dat was noodzakelijk, dat begrijpt u. Maar dan de terugreis! Ruim zes uur deden we over honderd avondlijke kilometers. Een stukje met een uitgesteld boemeltje, anderhalf uur met z'n vijfhonderden op een bevroren stationspleintje, een hortje mee met een overvolle touringcar, met een dot geluk en een particuliere station wagon dóór maar weer naar een afgelegen bij-stationnetje, hollend naar een sneltrein achter een halfkapotte stoptrein, een half baantje met wisselstoringen in doorlopend overvolle treintjes - nou, de stemming ging op en neer met het totale gebrek aan informatie en het verbroederende gegrap 'en alles', want het was vinnig koud ziet u. En toen was de laatste bus naar huis natuurlijk al lang en breed vertrokken. Enfin, nog een stevig voettochtje van zo'n drie kwartier en toen waren wij er dan toch maar mooi, thuis! Alreeds om elf uur des avonds. En halleluja, in driewerf! Daarna eindelijk weer eens naar Pauw en Witteman gekeken. Over het klimaat ging het, over 'Kopenhagen', en over global warming natuurlijk. Ik viel vanzelf in slaap. Wat voor weer zal het zijn op 7 januari 2010? Dat weet geen mens. Behalve de weersvoorspellers natuurlijk. Met toenemende onzekerheid, en per dag, dat wel. Dus daar heb je niet echt veel aan. Terwijl ik toch met 'matig' weer al tevreden zal zijn. Liever geen striemende stortregens of weids waaiende sneeuwstormen. Want dat wandelt niet echt lekker. Dat schrikt potentiële deelnemers af. En dat zou zonde zijn van onze Winter-Jubel-Nieuwjaars-Wandeling door Vughtse Bossen en Dreven, langs Lunetten en Drongelens Kanaal, met afsluitende borrel nog aan toe. - Kijk, vroeger kon je in zo'n geval nog bidden tot de Heilige Clara, want die ging toen over het weer. Je hoefde er alleen maar een grote worst voor te offeren en een eerbiedig prevelementje te doen, en dan zou alles beslist in orde komen. Ja, er zijn toentertijd heel wat goedgelovige worsten op de eettafels van de heren pastoors en kapelaans terecht gekomen. En achteraf wisten ze zich altijd wel te verschuilen onder het onweerlegbare adagium dat Gods Wegen Nou Eenmaal Ondoorgrondelijk zijn, en dus... - Niettemin zou ik er vandaag de dag graag een vegetarische worst of twee op inzetten om te mogen geloven dat het op 7 januari aanstaande heerlijk wandelweer zal zijn. 'Deus lo vult' - 'Zo God en dus Erwin Krol en in zijn kielzog Gerrit Hiemstra het wil'. Amen. Onze eerste Nieuwjaars-Wandeling (toen nog niet 'Jubel' of 'Winter' geheten) liepen wij op 2 januari 2002. De regen kwam met bakken uit de hemel, de paraplu's lekten door, de reservebroeken in de rugzak bleken tot op de draad doorweekt, maar de stemming van het gezelschap doorzetters was geweldig! Dankzij de eindeloze mantra van kinderliedekens en regenversjes als: HEERTJE Onze lieve Heertje, Geef mooi Weertje, Geef mooi Dag, Dat het Zonnetje weer schijnen mag. RAS Dans maar ras, ras, ras, dans maar vrolijk door de plas, dans maar voort, voort, voort, dans maar vrolijk door de poort; dans maar ras, ras, ras, dans maar vrolijk door de plas, van je één, twee; drie! GAT Het regent, het regent. De pannen worden nat. En alle boerderinnekes, Die vallen op hun gat. En dat was dan dat. naar boven 14 december 2009 Klimaat van bewusteloosheid 'De wereld zal nooit meer hetzelfde zijn' (Den Uyl, oliecrisis 1973) Toen zo'n kleine veertig jaar geleden, het was 1972 en een actieve tijd, de Club van Rome het rapport 'De grenzen aan de groei' uitbracht, sloeg dat bij ons in als de spreekwoordelijke bom. En wij verbonden er bewust en beslist onze eigen conclusies aan. Zo liet ik in versneld tempo mijn net behaalde rijbewijs verlopen, en praktiseerde mevrouw B. van meet af aan de milieuvriendelijke huishouding. Dat we altijd, onmiddellijk en bij iedereen begrip ondervonden, kan ik niet zeggen. Zelf waren we van mening dat we de goede afslag genomen hadden, en heus zonder tot radicalisme te vervallen. Het lastigste was nog dat de kinderen er somtijds negatief op aangekeken werden. Nu, nu de wetenschap inmiddels algemeen en verpletterend eensgezind de scenario's uit 1972 onderbouwd, verbreed en in samenhang aangescherpt heeft, erkent zo'n beetje de halve wereld dat we in een rampzalige klimaatcrisis / voedselcrisis / economische crisis verzeild geraakt zijn. Onorthodox ingrijpende maatregelen zijn nodig, de westerse mens zal zijn spilzieke gedrag moeten veranderen, maar de desinteresse van de gemiddelde consument, radio-praatjesmaker, overheid en het visserke-vis langs de waterkant is vooral toch ontmoedigend - 'na ons de zondvloed' steekt het vroegere 'geen gezeik, iedereen rijk' in bewusteloosheid naar de kroon. Toch... staan er ook sterren aan de hemel: de ledlamp bijvoorbeeld, een voedselencyclopedie, een oudminister Winsemius, een Jonathan Safran Foer, een kroost dat haar ouders in consequenties radicaal voorbijstreeft, de moestuin van Michelle Obama, de glorieuze overwinning op de zure regen. Dat moet je ook willen zien. De wasdroger van Thijs van den Brink (EO-programma 'Dit is de dag') Citaat van de (vorige) week: 'Maar moet ik dan met van die knijpers en lijnen op zolder onze was gaan ophangen, in plaats van in de wasdroger te doen? Dat gaat niet werken, hoor.' - Zoals zoveel omroepen besteedt ook de EO aandacht aan Kopenhagen, het klimaat en het milieu. Met grote woorden over smeltende poolkappen en stijgende zeespiegels. Daar zal 'DV de DV nog aan toe' de regering wat aan moeten doen, en rap een beetje, niet dan, en liefst nog met harde hand. Maar als de studiogast dan begint te refereren aan ieders persoonlijke gedrag en verantwoordelijkheid, haakt de presentator resoluut en dreinerig af. Thijs van den Brink, ideale representant van het bewusteloze deel der natie. Net als de aanhang van de PVV, want die 'liggen echt niet wakker van het klimaat' lees ik vanmorgen in de Metro. Dácht ik het niet! Een week 'klimaatneutraal' leven (Marie-Claire in Volkskrantmagazine) De journaliste Marie-Claire van den Berg kwam naar eigen zeggen van heel ver (zeg maar gerust uit de totale bewusteloosheid van gemakzucht en een overvloed aan geld), ging door de hel ('Na vier dagen aan de waslijn zijn de dikke katoenen luiers nog niet droog. Bovendien is Donne ziek geworden en ligt ze rillend van de kou in bed. Mijn moedergevoel wint het van mijn no-impact-voornemens. Ik zet even de verwarming aan.'), en hield er nog iets van over ook ('Eén keer per week naar de boer fietsen is een verademing vergeleken bij de kwelling van boodschappen doen rond het spitsuur in de supermarkt.'). Wat Marie-Claire een week deed, hield de Amerikaan Colin Beavan een jaar lang vol: 'een leven zonder wc-papier' zeg maar. Hij liet een documentaire over zijn project maken, en schreef het boek No impact Man: over een jaar lang geen afval produceren, elektriciteit verbruiken, televisie kijken en autorijden, en alleen maar ecologische producten uit de omgeving kopen. Om Marie-Claire van den Berg nog maar eens te citeren: 'Met twee kleine kinderen en twee fulltime banen is het een mission impossible om zo te leven.' - Maar zó ingrijpend zullen de noodzakelijke maatregelen ook niet hoeven te zijn, Marie-Claire. Het is meer dat we met z'n allen van bewusteloze weer wel-denkende mensen moeten zien te worden. Bovendien ken ik verscheidene personen die de beoogde levensstijl van Beavan en Van den Berg aardig weten te benaderen, en toch heel gelukkig en gezond zijn. 'Klimaattrein naar Kopenhagen' (Opening deVolkskrant, 14 december 2009) Een citaat 'van onze verslaggever Michael Persson': 'Vanaf spoor 9 van Utrecht CS stappen tweehonderd Kopenhagengangers op de klimaattrein. In de NS-trein alle min of meer bekende klimaat-Nederlanders, van Jacqueline Cramer en Diederik Samson tot poolreizigers Marc Cornelissen en Bernice Nooteboom. En vertegenwoordigers van bedrijven als Philips, Rabo-bank en Eneco. De trein is zuiniger dan het vliegtuig, is het idee. Maar dit is ook een plek om te netwerken. Sommige treinreizigers vliegen zondag al terug naar Nederland. Anderen zijn speciaal uit Kopenhagen gevlogen om met de trein naar Kopenhagen te gaan.' - Kijk, daar zakt mijn broek nou van af: uit Kopenhagen komen vliegen om goede sier te maken met een klimaattrein, en na afloop van de conferentie natuurlijk meteen weer met het vliegtuig naar Nederland om daar verder net te werken. - 'Ach wat? Kleinigheidje. Incidentje. Moet toch kunnen voor het goede doel? Dat ene vliegreisje van mij? Je moet niet zo klein denken. Denk je dat de wereld vergaat door één extra vliegtuig?', en massa's meer van dit soort kutsmoezen (excusez le mot, 'grote kots' was misschien beter geweest). 'Maar m'n moeder woont in Spanje. Dan mag ik toch wel vier keer per jaar met het vliegtuig gaan kijken hoe ze het maakt?' - 'Voor m'n zwembad houd ik standaard achtentwintig graden aan, vind ik lekker, ja. Zou eventueel een graadje lager kunnen. Lever ik tenminste ook een bijdrage aan het klimaatprobleem...' - Een olifantenhuid moet je hebben om te blijven geloven! Te bekomen in de feestartikelenwinkel NEP. KLIMAATPAP Bovenstaande krenten zaten in de pap, de klimaatpap der laatste dagen. Het klimaat is immers hot. Dat komt door Kopenhagen, en omdat Obama naar de slotbijeenkomst gaat. Daar 'duikt' iedereen en alles op. De wereld is vol bezorgde mensen, zegt de een. Vol zorgeloze mensen, zegt de ander. Ziet u, het glas is halfvol, onee, het glas is halfleeg. Maar ach, ze vinden er wel wat op, daar in Kopenhagen, en op de hellingen van de Himalaja. Volgende week gelukkig weer vakantie. Wat zit er in jouw kerstpakket? Een schone lei, zozo. Maar zonder griffel? Lastig, wat u zegt. Lastig. naar boven 7 december 2009 Afscheid van buurman J. Kleine kroniek van een aangekondigde dood Vorige zondag was het zover: buurman J. gaf de geest. En het was goed, zo, het was volbracht. - De kanker had zijn slopende werk gedaan, de familie zat erdoorheen, ten langen leste was de vlag gestreken. Good Heavens, indeed Good Lord, alle menselijks is eindig. En elk einde dwingt een nieuw begin af, een leven zonder J., het leven zonder J. Twee keer eerder al schreef ik over buurman J. en zijn aangezegde dood: op 18 maart 2007, toen de eerste jobstijding de familie met mokers getroffen had, en op 12 november 2008, toen de berichten over de voortschrijdende kanker finale vormen hadden aangenomen. 2009 was het rampjaar, tevens het jaar van de hoogste intensiteit en intimiteit - het zijn de woorden van J. en zijn geliefden. Good Heavens indeed, zij hebben het samen volbracht. Van zijn naaste, zijn absolute zekerheid, zijn weduwe ontving ik de uitnodiging om één van de zes 'dragers' te zijn. Een kist ten grave dragen, dat had ik nog niet eerder gedaan. Ik was er stil van, ontroerd, vereerd. - Drie kwartier voor de funerale dienst werd ik besteld, in de aula van het kerkhof, voor nadere instructies ('de kleinsten voor, de langsten achter') en enige oefening ('houd drie meter afstand tot de uitvaartleider'). Terstond hing ik mijn beste goed gereed, zocht voor het eerst in jaren een passende stropdas, en borstelde mijn netste schoenen. J. en zijn nagelatene konden op me rekenen. Ten grave gedragen en ter aarde besteld Het weer was donker, het weer was guur, en toen de dienst gedaan was deden zes senioren jas en das over hun goeie goed, maar hielden het hoofd ontbloot. Onze opdracht, onze vererende opdracht was begonnen. De kist ging op een karretje, en werd gezekerd. Dat bleek geen overbodige luxe. Om bij het graf te komen, manoeuvreerden wij gezessen de kar met de breekbare lading over zandpaden en hoekige afslagen. Ik liep links voor, en moest me op elke kruising naar links teweer stellen tegen een ontluisterende afgang richting struiken. En elke keer ging het nét, net goed. Mijn handen trilden, maar mijn rug was recht. Zonder ongelukken hielden wij uiteindelijk, en vijfentwintig meter voor het graf, eerbiedig halt. Op commando tilden wij de ontzekerde kist van het karretje. En begon het échte werk. Links en rechts van de grafdiepte lag een metalen gaatjesrooster, drie metalen draden waren tussen de roosters gespannen. De kist moesten wij precies op de drie draden zetten, terwijl wij zelf op de metalen roosters stonden. Om daar te komen schuifelden wij haast struikelend over elkaars nabije voeten over gras en modderpad, en veerden wij de metalen roosters over. Een heel precies werkje, dat beslist geen minimale misstap richting grafdiepte kon hebben. Dat je dat zonder gedegen oefening redt, het is een mirakel. Toen de kist stond, rechtten wij zessen de rug, richtten ons naar de kist, en negen het hoofd naar buurman J. - Ultiemer vaarwel heb ik nooit ervaren. Het leven gaat door, maar dan anders In Herberg De R. was op ons gerekend. Stijlvolle zaal, uitnodigende tafels, dienbladen vol verse en fonkelende drankjes. Op uitdrukkelijk verzoek van hemzelf, hieven wij het glas op buurman J. om zijn afscheid te onderstrepen, en het volgende hoofdstuk onder ogen te zien. De familie maakte een aangrijpende ronde met knuffels en hernieuwde afspraken - maar bleef uiteindelijk en vanzelfsprekend met de brokken zitten. Het leven gaat door, jaja, maar hoe dan? Niets is meer hetzelfde, de weg is onbekend. Buurvrouw J. gaat het zwaar krijgen, zo zonder anker, in dat huis met de zwijgende muren. Nog een geluk dat ze 'overal' bij is, en een kordate aard heeft - van een kapotte gloeilamp of een doorgeschoten beukenhaag zal ze niet ontredderd raken. En dan zijn wíj er natuurlijk nog! En al die anderen die haar naasten zijn, haar vrienden, stukjes reddingboei. - Maar J., haar J., zal er niet meer zijn, gemis blijft, al zoekt ze natuurlijk een nieuwe balans, háár balans. Daarom tot slot het gedicht 'Balans' van Gerrit Achterberg (1905-1962) - altijd en eeuwig op zoek naar de verloren geliefde, zijn Thebe, zijn Openbaring, zijn Pasen en Pinksteren. Maar er helpt geen Sneeuw, geen Slaapwandeling, geen Reïncarnatie, geen Sterre aan. Maar toch, altijd en eeuwig op zoek... - Het gedicht 'Balans' komt uit de bundel Thebe (1941), en is opgenomen in 'Verzamelde Gedichten' (Querido, 1980). BALANS Liefste, zover ik u verlies begint het nu te sneeuwen; zover ik u bezit staan achter mij de eeuwen wit. Zodicht ik bij u lag ontstonden de poëmen, van slaap en liefde naakt. Sinds ik u niet meer zag schrijf ik het vers dat wacht en waakt. naar boven 1 december 2009 Hermitage Amsterdam Toen we thuiskwamen van ons bezoek aan Museum Hermitage Amsterdam lag 'Spoor Nummer 4' in de brievenbus, 'Editie winter 2009' - jaja, maar wel dááágen later dan bij andere NS-abonnementshouders. Ik sla het NS-promotieblad open nog voor ik m'n jas uit heb, pagina 26/27, en wat lees ik: 'Pracht en praal aan het Russische Hof - Tentoonstelling Hermitage - Speciaal arrangement voor Spoor-lezers'. Tja, dat was voor ons misschien ook wel leuk geweest, een arrangementje... 'Aan het Russsche Hof - Paleis en protocol in de 19e eeuw' is de openingstentoonstelling van het brandnieuwe museum De Hermitage in Amsterdam, aan de Amstel. Wij gingen eerlijk gezegd meer voor het nieuwe museumgebouw dan voor de tentoonstelling over het Russische Hof. Maar bovenal gingen we natuurlijk een dagje uit met ons kunstclubje, inclusief toeristische rondvaart met de museumboot 'Golden Age Line' van Lovers, en een test-maaltijd bij 'Pamukkale' in Utrecht. Eerst maar even iets over de lokatie, want dat is een geval apart. Het historische carré-gebouw 'De Amstelhof' was eeuwenlang een zorginstelling voor oude mensen. Maar vanaf zo rond 2000 werd er een nieuwe bestemming voor gezocht. En na een ingrijpende verbouwing (er waren maar liefst drie architectenbureaus bij betrokken!) zit er dan nu het nieuwe Museum Hermitage in: kijkt u op www.hermitage.nl vooral even naar het animatiefilmpje over het gebouw, inderdaad allemachtig interessant en informatief. (Tot zover de folder.) Overigens en slechts terzijde: van mij hadden ze aan de binnenkant van het gebouw gerust wat meer kleur mogen gebruiken in plaats van al dat grijs en wit, al was het maar om noodzakelijke overgangen (hoogteverschillen, doorgangen) wat duidelijker te markeren, en een iets intiemere sfeer te creëren. Tegelijkertijd mag het af en toe ook wel wat rustiger, vooral die lintlange lichtkranten op onverwachte plaatsen vond ik nogal storend en vermoeiend. De glazen lift in de centrale hal moet ik apart noemen, het is een kunstwerk, geheel opengewerkt en doorzichtig, maar er is totaal niets te zien van de 'onderliggende' machinerie. Zo aaibaar kan techniek dus zijn. Om binnen te komen moesten we eerst in een lange rij. En iedereen komt er voor het eerst, dus het is vooral gehannes bij de digitale toegangspoortjes en de doe-het-zelfkassa's. Aha, dus daar komen die lange rijen vandaan! Geen wonder dan ook dat ze bij de garderobe geen jassen meer aannemen. Bij het interne restaurant 'Neva' is het al niet anders: overmatig druk, dus in de rij tot er een plaatsje vrijkomt en je 'bediend' wordt. Dat laatste gaat trouwens sneller dan je vreest, en het eten is er ook best snel, en goed. Tis alleen dat je er door de drukte zo krap bij zit dat je mes en vork beter in hun papieren zakje kunt laten. Bovendien kijkt de rij wachtenden je zo voortdurend zo smekend aan dat je vanzelf plaats maakt nog voordat je je laatste kruimel genoten hebt. Allez, je komt hier ook voor een tentoonstelling nietwaar! In twee grote zalen met talloze terzijdes (een soort nis-kamertjes) in etages is alle pracht en praal uit de tsarentijd in eindeloze variatie uitgestald. Wil je iets van de hof-waaiers zien? Dan krijg je meteen ook een hele wand vol, alle stijlen, alle stoffen, alle afbeeldingen. Nieuwsgierig naar de prinsessenparasolletjes? Dan ook een complete filmscène à la 'Les parapluies de Cherbourg' (1964) of dat filmbeeld uit de documentaire film 'Kandahar' (2001) waarin al die kunstledematen aan parachutes uit de hemelen nedergedaald komen. Robes, manchetknopen, zadeldekjes, tunieken, laarzen? Telkens van hetzelfde laken een pak. - Kortom, beslist iets voor de liefhebber, mij kon het maar matig bekoren: telkens en overal te veel van hetzelfde. En eerlijk gezegd heb ik het niet zo op die praalhansjes en dito grietjes. Bovendien was het overal zo overstelpend druk, dat ook die ene vitrine die je beslist wilde bekijken, onbereikbaar was. Opvallend veel rolstoelen en rollators ook, en bijna altijd in duo's. Ga d'r maar aanstaan - want zitten kon je nergens. Van 1 februari t/m 5 maart 2010 is de Hermitage Amsterdam gesloten voor de opbouw van de volgende tentoonstelling: 'Van Matisse tot Malevich - Pioniers van de moderne kunst' - ik denk dat die expositie mij meer zal bekoren (6 maart - 17 september 2010). Maar eerst moeten we nog even naar Cézanne / Picasso / Mondriaan in het Haags Gemeentemuseum. Kunnen we straks misschien mooi vergelijken... Tenminste: als die tentoonstelling in de Hermitage niet zo'n erg groot succes wordt. Want anders kun je door de bomen van het bezoek het bos van de kunstwerken waarschijnlijk weer niet zien. (Tis ook nooit goed, of het deugt niet. Tja.) Oja, het eten bij Pamukkale is een aanrader (ook voor vegetariërs!), vooral de 'mezè' (www.pamukkale.nl). En de expliquerende rondvaartbootjongen van Lovers verdient een veer voor zijn individuele aanpak ('mijn opa van moederszijde die uit Zwolle kwam, heeft nog persoonlijk meegewerkt aan [...], dit lelijke gebouw aan uw linkerhand, zeg maar gerust kunstgebit...'). Zijn fooienschoteltje was dan ook rijkelijk gevuld. Net als onze dag, van schoonheid en van kunst, en van 'gezelschap goed ende fijn'. In één 'woord' gezegd: het was A thing of beauty en a joy forever (John Keats, 1795-1821). ENDYMION (fragment) A thing of beauty is a joy forever: Its lovelyness increases; it will never Pass into nothingness; but still will keep A bower quiet for us, and a sleep Full of sweet dreams, and health, and quiet breathing Wat schoon is blijft ons eeuwig bij; Steeds liever wordt het ons, gaat nooit voorbij; Weet tot ons diepste wezen door te dringen Rustig, met zoete mijmeringen; In krachtige, kalme cadans. naar boven 23 november 2009 Klaaszaterdag Op de fiets naar de stad zingt Gé Reinders voortdurend door mijn kop met z'n lied Tisveurjoar-tisveurjoar-tisveurjoar! - Jaja, zaterdag 21 november 2009, een stralende ochtendzon en vijftien graden! En ik kraai nog maar eens hardop met Erwin Krol mee: 'Vrienden! 21 november 2009! En voluit lente! Dus gaat u naar buiten! Zeven à acht graden te warm! Datuhetweet!' - Da's nog 's wat anders dan een jaar geleden. Toen schreef ik in de Balthasarsblog (25 november 2008): 'Vorige week was het heftig herfstweer - maar intussen heeft de winter hier met kracht toegeslagen, het is koud, een ijzige wind, en een flink pak sneeuw in het afgelopen weekend.' Precies een jaar geleden, een verschil van dag en nacht met nu, lente of winter, er zijn geen zekerheden meer... Behalve op de kalender dan, want die schrijft onverbiddelijk voor: Zaterdag 21 november 2009, 10.00 uur, aankomst van de Sint in Zutphen, aan de IJsselkade, grootse intocht door de binnenstad. - Maar op die kalender heb ik natuurlijk nog niet gekeken als ik op de fiets naar de stad zit. Om 11 uur ben ik er, in die binnenstad, voor m'n brood en m'n boodschapjes. En dat zal ik weten! Het is er kennelijk nét gedaan met de aankomst van de Sint, en dus is de stad tot m'n verrassing vól met jonge vaders en moeders en hun Sinterklaaskinderen. Die kinderen zijn bijna allemaal verkleed als Pietjes, met bontgekleurde baretten en grijszwart gemaakte gezichten, roodgestifte lippen. En veel muziek natuurlijk, twee hoempa-orkesten, een losse trompettist, en een aangepast draaiorgelprogramma. Ik zie een eindeloze stoet stoomboten uit Spanje weer aankomen, en ik hoor telkens en telkens de wind krachtig door de bomen waaien. Bij de bakker staan ze tot midden op de stoep, de grote en de kleine klanten, manmoedig sluit ik me aan - want, tja, voor dat brood kom ik toch eigenlijk vooral naar de stad. Als ik na een kwartiertje de toonbank, de rekken met lekkers en de batterij broodsnijders in het vizier krijg, valt me op hoe ver de mensen allemaal van elkaar af staan. Dat krijg je ervan als je een extra peloton kleine Pietjes over de vloer hebt. Ze strooien hun pepernoten tot achter in de bakkerij, en kruipen iedereen vrolijk voor de voeten. De vadertjes en moedertjes kan het uiteraard geen bal schelen, alles is best vandaag met dit weer en de Sint, er valt geen opvoedkundig verwijt of halfmislukte tik, en het draaiorgel reikt met gemak tot achter de toonbank met z'n Hier in huis zelfs waait de wind. Op weg naar de markt kom ik in slow motion vanwege de drukte langs de viskraam van Hoekstra, jarenlang 'De gezelligste winkel van Zutphen'. Het is er vol van grote en kleine Pieten met hun aanhang, de Hoekstraatjes kunnen het allemaal nauwelijks bijbenen. En nooit heb ik geweten dat Zwarte Pieten en Kleine Pietjes zo'n zwak voor haring hebben, broodjes haring, haring bij het staartje, in-stukjes-gesneden haring, mét uitjes, zónder, doe mij er nog maar twee, meenemen meneer? - Het is werkelijk een apart gezicht, al die zwarte koppen met kersenrode monden aan de Hollandse Nieuwe. - Zegt de ene grote Piet tegen een belendend klein Pietje tussen het haringhappen door: 'En is jouw kamer wel netjes opgeruimd, vriend? Want ik kom vanmiddag kijken hoor.' - Verslikt het kleine Pietje zich in z'n haringstukjes en huilt dan tegen z'n vader: 'Naar huis, pap. Naar huis. Want ik moet m'n kamer nog opruimen. En anders krijg ik niks.' - Koopt Grote Piet de situatie af met twee haringhanden pepernoten in de zakken van z'n kleine collega, en een schuldbewuste glimlach in de richting van vader-pap. En dan pas ben ik de kraam van de Hoekstra's voorbij. En knoester ik mezelf in de marktzon als een echte knezidon (met dank aan 'De Blauwbilgorgel' van Cees Buddingh', ook al zo'n zonnetje in huis). Eenmaal weer op de fiets buiten het stadsgewoel passeer ik het ideale Sinterklaasgezin, ook op de fiets. Vader Piet rijdt voorop met naast zich De Ene Kleine Piet. Daarachter Moeder Sint, met een superklein rood mijtertje van de HEMA in het haar, en naast haar De Andere Kleine Piet. Onder leiding van die ene losse trompettist in de zijstraat zingt vader luide en met overtuiging, en met De Ene Kleine Piet in z'n kielzog: 'Gooi wat in mijn laarsje! Dank u Sinterklaasje.' - En de zang straalt af op het hele gezin. Even kijk ik om me heen om te zien of er camera's van Het Sinterklaasjournaal of het Lentecarnaval op de stoep staan. Maar nee hoor, ik zie enkel Paul de Leeuw, schattig verkleed als Dieuwertje Blok In Pietendracht. Onee, dat was 's avonds, tijdens de reclame, op het andere net. - Die laagstaande lentezon ook! Tot besluit van Klaaszaterdag 2009 duik ik in 'Het prentenboek van Tante Pauw' voor een degelijke en opvoedkundige afsluiting. Ik vind er alleen een paginalang gedicht over een arme schoenlapper die door de wondere Sint-Nicolaas uit de brand geholpen wordt. Te lang, te flauw, te verleden. Dus: op naar de 'Nederlandsche Baker- en Kinderrijmen' (1894) van Dr. J. van Vloten, afd. Sint-Nikolaas, p. 74-77, waar een serie bijterige tekstjes staat die niet altijd 'van de brave' zijn. Wat dunkt u bijvoorbeeld van volgend Leeuwardens liedje? SINT-NIKOLAAS (Leeuwarden) Sinte Niklaas, Die speult den baas Al op 't papieren *souderke; * [zoldertje] Hij miende, dat ik 'r bang foor waar, En 'k beet 'm een stuk uut 't skouderke. naar boven 15 november 2009 Zondagavondkeuze Of er ook alternatieven zijn voor 'Boer zoekt vrouw' (viereneenhalf miljoen kijkers op de zondagavond, Nederland 1)? Wat dacht u bijvoorbeeld van de documentaire series 'De oorlog' en 'De reis van de Beagle' op Nederland 2? - Ik ken mensen die nog nooit iets op Nederland 2 gezien hebben. Voor hen is de huidige zondagavond een mooie gelegenheid om daar verandering in te brengen. 'De oorlog' bij voorbeeld is echt een serie van déze tijd: ongelooflijk veel nieuw en authentiek beeldmateriaal, onbegrijpelijk vaak in kleur, en onthutsend direct uit de omgeving van 'de gewone man'. Dus zó zag de oorlog er voor de gemiddelde Nederlander uit? O, en zó verliep die oorlog dus? In een breed uitwaaierend palet aan grijstonen, en niet langer uitsluitend in de achteraf gewilde wereld van wit en zwart, goed en fout, wij en zij, de wereld van 'De bezetting', de serie uit de jaren zestig, van Doctor Lou de Jong. - Presentator Rob Trip ziet het in verwondering aan, alsof het ook voor hem allemaal nieuw is, hij is nieuwsgierig en geïnteresseerd als de kijker zelf, de ideale man namens mij. - Gaat dat zien! Met 'De reis van de Beagle' wordt de vijf jaar durende reis van Charles Darwin uit de jaren dertig van de negentiende eeuw herhaald. (De reis van wie? Charles Darwin, de man van de evolutietheorie, de onderzoeker en bioloog die het denken over het ontstaan van de mens en al het leven op aarde in een allesomvattende studie op z'n kop zette. Geheel en al, en volkomen verantwoord, verbeeld en genoteerd in zijn boek 'On the origin of species', 1859.) De huidige clipper (voor scheepsliefhebbers een snoepje om je vingers bij af te likken) doet de reis van Darwin over in een bestek van enkele maanden, met meer manschappen, en moderne hulpmiddelen, maar nauwgezet en secuur, en onder veel interessant discours. Alleen al de verfilming van de wederwaardigheden van de mensen aan boord is de moeite van m'n tijd volkomen waard. En dan daarnaast nog al die veranderingen ten opzichte van Darwins tijd te land, ter zee en in de lucht. Een machtige verkenning van de 'huidige stand van zaken' met betrekking tot de aarde en haar toekomst(on)mogelijkheden. Kunnen viereneenhalf miljoen Nederlandse tv-kijkers naar 'Boer zoekt vrouw' van de zondagavond op Nederland 1 ongelijk hebben, om deze Telegraafvraag ook hier maar eens te stellen? - Nou, reken maar! Zelfs afgezien van hoe je het begrip 'ongelijk' definieert. Vervang bijvoorbeeld 'Boer zoekt vrouw' door 'Boer zoekt man' en hopla, daar stuiteren de kijkcijfers al in het ravijn. - 'Gaan we moeilijk doen? Dan míj niet meer gezien hoor.' Tegenover al dat onnozele, kinderlijke, voyeuristische KRO-geweld op Nederland 1 scoren de NPS-geschiedenisserie 'De oorlog' en de VPRO-serie 'De reis van de Beagle' op 2 nog verrassend hoog met elk zo'n 1 miljoen kijkers. En ik ben blij dat ik daar bij hoor. Voor deze ene keer denk ik daar graag in zwart/wit-tint over. Maar u moet het zelf weten, hoor! De dichter J.C. Bloem (1887-1966) schreef in 1946 het vers 'Na de bevrijding I', misschien wel speciaal 'voor de ongeborenen' (de meesten van ons, dus). Hoe het is en was om je vrijheid te be |