home
agenda en tips
redactie
uitgeverij
links
(over) literatuur:
literatuur
recensies
tweedehands boeken
(over) veganisme:
veganisme FAQ
recepten
uit het nieuws
achtergronden bij uit het nieuws
schoenen
weblogs:
balthasarsblog
haasblog
mirjamsblog
mopperblog
nielsblog
mirjamsschrijfsels:
artikelen
columns
recensies
boek
andermensschrijfsels:
joop boer
andere projecten van (medewerkers van) De Zeepkist :
www.nielsdebeer.nl
www.voedselencyclopedie.nl
www.leefbarewereld.nl
onderwerpen balthasarsblog 4de kwart 2007:
Grensgeval
Ontmoeting
Koempel Keup
Energielabel
Ja, dahaag
Het Jongens Boek
De onderste tree
Onze Camiel
Verfwerk
Grensgebied
Open deur
Kelder
Ah, de poëzie
Kleine man, grote wereld
Gebroken wit
1ste kwart 2008
4de kwart 2007
jul/aug/sep 2007
apr/mei/jun 2007
ja/fe/ma 2007
okt/nov/dec 2006
aug/sep 2006
juli 2006
juni 2006
mei 2006
april 2006
maart 2006
februari 2006
januari 2006
2005
|
balthasarsblog vierde kwartaal 2007
31 december 2007
Grensgeval
Ik wilde deze jaargang balthasarsblog eindigen met een brisant stukje over boekbespreker Martin Ros en zijn ontslag bij het zaterdagochtendradioprogramma Tros Nieuws Show. Tenslotte heb ik iets met boeken, vandaar. Maar toen ik even op Google keek, was de lol er meteen van af: in de rubriek ‘Reacties’ van de Tros-site bleek heel Nederland zijn mening al gegeven te hebben over deze kwestie. Daar hoeft die van mij niet meer bij, denk ik dan. Ik bel ook nooit naar standpuntennel van de NCRV of naar het ‘EénVandaag-panel’ – dat ze hun eigen mening geven zeg, en liefst met echte redenen omkleed!
Vervolgens de belastingdienst nog maar eens even gebeld om te horen waarom het toch zo moeilijk is om mij mijn te veel betaalde geld terug te geven. Maar bij die dienst blijkt het woord ‘even’ geschrapt te zijn. Ik heb ze telefonisch niet kunnen bereiken omdat telkens, en dat dagenlang, ‘al onze medewerkers in gesprek’ bleken - en dat bleven ondanks al hun ‘keuzemenu’s om u beter van dienst te kunnen zijn’. Terwijl de kwestie toch zo eenvoudig is: zij schrijven dat ze mij niks terug kunnen geven zolang ze geen bank/gironummer van mij hebben, terwijl ze dat al jáááren hebben – daar heb ik tientallen bewijzen van. En die bewijzen hebben zij zelf ook! Maar in een maand tijd hebben ze mij zegge en schrijve afgescheept met een ‘Verzendbon’ waarin staat dat het formulier ‘CD23/4012 - Opgaaf rekeningnummer particulieren’ niet op voorraad is en besteld is. En ‘nageleverd’ zal worden, met sintjuttemis. Hallo, dit is het elektronische tijdperk hoor!
En tussen de bedrijven door ben ik dan ook nog telkens in de weer om de P-stand van mijn cv-installatie te controleren. De waterdruk valt namelijk elke week met een volledige atmosfeer terug (populair gezegd: ik moet dan steeds zoveel extra water in de installatie brengen dat de druk van 1.1 naar 2.1 gaat, voldoende om de machine warmte te laten leveren). Normaal is dat je één keer per jaar wellicht wat water bij moet vullen. Onze installatie (Atag - Blauwe Engel) is het afgelopen jaar dan ook - ten koste van veel gelds - binnenstebuiten gekeerd, in onderdelen afgeperst, ondergronds blootgegraven en door de fabriek van een nieuwe warmtewisselaar en tweemaal van een nieuw expansievat voorzien. Met als resultaat: constante onderdruk en een display dat om de haverklap FILL! FILL! schreeuwt. Volgend jaar dus een andere machine van een ander installatiebedrijf, dat zal ze (maar wie dan?) leren!
Maar we zijn hier ook echt heel blij en dankbaar hoor. Dat u niet denkt dat we hier maar bij voortduring zitten te chagrijnen, niks ervan, wij beleven hier zonder meer de gouden jaren en hebben daar ook alweer voor bijgetekend. Zo lijkt het probleem met de steenmarters (afkloppen!) onder controle, is de onderste traptree zonder meerkosten bekleed geraakt, en ziet het toilet er dankzij dat ene plankje extra wel bijzonder fraai aangekleed uit. De ‘gezondheid van de keizer’ was dit jaar beter dan ooit en het streefgetal van 25 wandelkilometers per week is vaak gehaald en anders wel dicht genaderd. Het zomerse tuinfeest was geslaagd en de blauwe regen heeft tweemaal uitbundig gebloeid. En volgend jaar gaan we de artisjokken eens proberen in de moestuin. Het was een goed boekenjaar (met ‘De rokken van de ui’ van Günther Grass als controversieel hoogtepunt) en een mooi filmjaar (helaas weer te weinig gezien, maar zeker wel: ‘Das Leben der Anderen’). - Maar ja, goed nieuws is geen nieuws nietwaar. Of toch, een beetje dan: Remco Campert heeft een mooie nieuwe dichtbundel (‘Nieuwe herinneringen’) waar ik het komende jaar ongetwijfeld uit ga citeren, en de pracht zeefdruk ‘Ochtendschemer in acht drukgangen’ van Joost Swarte zal een geheel nieuwe omlijsting krijgen (met volgens kenner HH ‘momenteel een waarde van zeker zo’n duizend euro’, ook geen kattepis). Bovendien heb ik de dichter J. Eijkelboom weer een beetje ontdekt, ook een buitenman. Daarom krijgt hij nu de drempeleer tussen dagdag en hallo, met het gedicht ‘Wat blijft komt nooit terug’ uit de gelijknamige bundel (Amsterdam, 1979).
WAT BLIJFT KOMT NOOIT TERUG
Nevelverscheurend
kraait een haan
vanuit onzichtbare tuin
achter vage huizen,
het rozerood van de dageraad
al in top.
In een andere tuin
voerde ik grootmoeders kippen
nadat een andere haan
mij had gewekt
op de donkere vliering
die geurde naar appels.
Ik hoor dit nu,
ik zie dat nog.
Het blijft bij me en
ik kan het niet vasthouden
al zou ik zelf
een kippenhok gaan bouwen
(ik zou dan trouwens
ter vervolmaking
die gedempte stinksloot
achter de tuin ook
opnieuw moeten graven).
naar boven
24 december 2007
Ontmoeting
Hij moet zeker 80 jaar geweest zijn, de man die ons vrijdag de weg wees in Epe. Niet dat ie die indruk wekte, integendeel, tenslotte was ie per racefiets en kon ie al fietsend met gemak achterom kijken, ons iets toeroepen en onderwijl nog vast in het rechte spoor blijven. Kranig type dat eens te meer duidelijk maakte dat niet alle tachtigers zitten te verpieteren in een verzorgingshuis. Een cliché dat aan betrouwbaarheid inboet naarmate je zelf dichter naar de 80 toekruipt. – 80 jaar, even hoofdrekenen, dan zal de man in 1947 dus 20 geweest zijn, 13 jaar ouder dan ik, toen, en nu.
Komend van bushalte Kranendonk (ja, ik weet het, die halte heet anders, maar de juiste naam schiet me nu even niet te binnen, een uiting van de ergerlijke leeftijdskwaal die vergeetachtigheid heet, zo heb ik vannacht bijvoorbeeld de haard aangelaten, vergeten uit te doen, het moet niet veel gekker worden) hadden wij wat moeite om de Tongerense Weg te vinden. Op een kruispunt raadpleegden wij de plattegrond in ons wandelboekje, maar ja, te petieterige kaartjes natuurlijk, en met weinig straatnamen. Bovendien was het mistig en ijzig koud, je kon nauwelijks je wanten uitdoen en je ogen droog houden. Daar liep een man op de stoep, fiets aan de hand, karweitas achterop, klemmen aan de broekspijpen, een en al bereidwilligheid.
‘Dat is eenvoudig genoeg mevrouw, meneer. Verderop even met de straat meebuigen, en dan hebt u de Tongerense Weg aan uw rechterhand. Lekker pittig weer, niet?’ / ‘Meneer, het is ijzig koud, maar de natuur ziet er wel betoverend uit, dus we dachten…’ / ‘Nou daar krijg je het anders lekker warm van hoor, wat jullie doen, wandelen, toch?’ / ‘Ja, dat denken wij ook. We zijn nu op weg naar Heerde, en we proberen aansluiting te vinden op de route van het Maarten van Rossumpad.’ / ‘O, zo ja. Nou, lopen, dat heb ik vroeger ook gedaan, 60 kilometer!’ / ’60 kilometer! Op één dag?’ / ‘Dag en nacht. In Indië. En met een zware mitrailleur op m’n schouders, 60 kilometer! Een Vickars was het geloof ik, maar het kan ook een Bren geweest zijn.’ / ‘En de affuit?’ / ‘Die droeg natuurlijk iemand anders. Ja, dat was wel zwaar. 60 kilometer. Maar vooruit, ik moet er weer eens vandoor.’ / ‘Nou, bedankt meneer, en tot ziens.’
En zo gingen wij ieder ons weegs, dachten wij. Wij in ieder geval richting Tongerense Weg, met de straat mee dus. En daar zagen we de goede weg al, altijd goed voor een ondersteunend optimistisch gevoel. - Een bellende fietser vraagt nadrukkelijk onze aandacht, het is onze wegwijzer zelf die ons achterop gereden komt. ‘Sajaslamatanadanoe,’ of zoiets roept ie ons toe, ‘dat betekent: fijne wandeling vandaag!’ / ‘Dankuwel!’ roepen wij de man opgetogen achterna. Hij draait zich nog eens om in het zadel en lacht de linkerhand omhoog.
‘Dat is Indonesisch, Maleis, denk ik,’ zegt mevrouw B. ‘Jammer dat ik het niet heel goed heb kunnen verstaan. Was het niet ‘sajaslamatanadanoe of zoiets? Fijne wandeling vandaag, maar dan in het Maleis. Heeft ie mooi op staan oefenen, op de stoep, toen wij alvast aanliepen.’ / ‘Zoiets ja, en die 60 kilometer heeft ie natuurlijk tijdens een van die Politionele Acties moeten lopen, in Indië, Nederlands-Indië, Indonesië. Als soldaat. Aardige man trouwens, hele aardige man. Jammer dat m’n Maleis van vier woorden verder zo slecht is.’ – En daar gingen wij, de sprookjesachtig berijpte bossen in, terwijl we onderweg de ‘fijne wandeling vandaag, in het Maleis’ probeerden vast te houden en waar te maken.
Wat een aardige man, inderdaad. Maar ook met een verleden van mitrailleur-op-de-schouders. Bewondering thuis, aanvankelijk. Later twijfel. Koloniale oorlog, vrijheidsstrijd, vaderlandsliefde. Vaderlandsliefde? Tegenstrijdige gevoelens. Hoe los je dat op? Je weet het niet. De geschiedenis holt voort. Maar wij ontmoetten een aardige man, een heel aardige man. – In 1968 schreef Remco Campert een dichtbundel, Mijn leven’s liederen. Daarin staat onder andere het volgende ‘Gemompel V’. Meer kan ik er deze keer niet van maken.
Gemompel V
Gevoelens
ik heb er wel duizend
even duidelijk zijn ze aanwezig
als de voorwerpen in mijn kamer
en de snel wegfietsende jongen
buiten op straat.
naar boven
20 december 2007
Koempel Keup
Naar V. ging de reis, dik onder Roermond in de beginnende Limburgse heuvels. Een lange reis, per fiets, per trein en ten slotte de bus. En koud was het, ijskoud, pikkedonker nog, maar straks… zou de zon doorkomen, staalblauwe luchten, witbevroren velden, kortom: pittig winterweer. ‘Weer voor de lol’ zeiden wij vroeger. Maar nu even niet. Want wij gingen ter begrafenismis, met crematieviering toe. Niks geen lol dus, dood en verdriet, requiem aeternam. Maar gelukkig is er daarna ‘koffietafel’, voor herstel en herzinning, en het familiale reüniegevoel. Want ‘het leven gaat door’ zeggen ze. We ‘houden elkaar vast’. En uiteindelijk ‘is het goed zo’. - Is het heus? In elk geval wel op dat moment, na de koffietafel, bij het afscheid, als de portieren dichtslaan en ieder zijns weegs gaat.
In de auto terug worden de verwaterende familierelaties ontward en herinneringen opgehaald aan fietstochten van toen, met logeerpartijen bij de gastvrije familie in het verre Limburg toe. - ‘God, wat is die man later toch…’ / ‘En tante M. dan, die wilde altijd zo…’ / ‘En ons pap maar zeggen…’ / ‘Bij ons kwamen ze nooit omdat…’ - Zelfs na al die jaren hoor je als koude kant nog nieuws, typisch begrafenisnieuws want kindernieuws, vanweetjenog, vantoenwenog, vandatwenog, endatonspap… En al die tijd hebben we tijd zat, de dag is heen, en bovendien staan we voortdurend in de file, in de omleidingen, in alweer een wegenbouwproject, in ons Limburg, maar ver van het bronsgroen eikenhout. De tomtom raakt er flink van in de war, en niemand die het wat kan schelen. De senioren zijn weer een beetje thuis, thuisthuis dan, ‘truuk noa vrueger’.
Weer terug in S. gaan de bidprentjes rond, en willen de thuisblijvers alles horen. ‘Koempel, wat is een koempel?’ / ‘Dat is een mijnwerker. Ome Keup was vroeger mijnwerker.’ / ‘Ome Keup? Wie is dat? Is zijn naam veranderd? Die heet toch ome Cup?’ / ’Ja, dat heb ik ook altijd gedacht. Maar daar zeggen ze allemaal Keup. En dat schrijven ze dan ook op he.’ / ‘En hebben die kinderen nog wat gedaan, in de kerk?’ / ‘Nee, in de kerk niet, maar wel in het crematorium. Daar hebben een paar kleinkinderen iets gezegd, en wat moest J. toch huilen he. Maar die toespraak van N., die was sterk hoor. Die durfde gewoon te zeggen dat zijn opa eigenwijs was, en bekrompen maar dan met andere woorden he. En het kon best, want het klonk wel hard maar het was niet hard, hij had echt wel respect voor die man hoor. En trots dat z’n vader op hem was!’
Guido Gezelle, ach Guido Gezelle mijn dichter en held, heeft veel geschreven en gedicht, waaronder veel gelegenheidspoëzie. Vooral bij de dood van familie en vrienden was hij present met afscheidsverzen, of zoals hij ze noemde: ‘zielsgedichtjes’. Zo schreef hij op '7 Junij 1880' bij de dood van ‘Theodoor Sabbe, Uurwerkmaker’ het onderstaande zielsgedichtje. Zou Theodoor Sabbe een koempel geweest zijn, dan zou Gezelle vast iets gedaan hebben met kolen en vlammetjes die niet voor eeuwig branden, en dat daarom de godslamp voortdurend bijgevuld moet worden. Denk je ook niet?
GOD GEEFT DEN TIJD
God geeft den tijd bij dag en jaar,
ach neen, bij kleene tikskes maar,
en ’t laatste tikske komt aleer
men ’t peist of weet, eilaas, te zeer.* [*te snel]
De wijzer wijst elke uur en tijd,
maar de uur niet dat gij schuldig zijt
te sterven! Zijt dus voorbereid,
de wijzer wijst naar de eeuwigheid.
naar boven
15 december 2007
Energielabel
De wethouder zelf van die grote stad L. kwam de avond openen, toelichten, begeleiden, derailleren en afsluiten. De dignitaris met dove microfoon had de dorpszaal van knutselaars, beterweters en gedetailleerd onnozelen volstrekt niet in de hand. Een Poolse Landdag was het, zonder Polen. - En met het ontzielde Rabo-praatje ging de avond tenslotte als een nachtkaars uit. Maar omdat de organisatie wegens over-belangstelling uitgeweken was naar de plaatselijke protestantse kerk te G. waren er dus geen kaarsen, was het ineens donker, half tien, bedankt voor uw belangstelling, en wij hebben er weer veel van geleerd. - Nu de bezoekers nog, dacht ik, de huizenbezitters van vóór 1980 (die huizen bedoel ik, want daar moet nog veel aan geïsoleerd worden begrijp ik de wethouder).
Twee weken later staat er bij thuiskomst van boodschappen doen een zilvergrijze middenklasser op onze autovrije oprit. Meneer Van N. Namens Organisatie Ecostream BV (‘onze missie: een duurzame energievoorziening voor iedereen’). Daar hebben wij een advies van tachtig euro besteld, om te zien hoe ons huis energiezuiniger kan, ‘comfortabeler dus maar niet duurder’, want zo hebben ze ons dat aangerikkommendeerd. Meneer Van N. blijkt niet van Ecostream zelf, maar is door hen ingehuurd om bij ons de temperatuur op te nemen. Een kleine twee uur later hebben wij gezamenlijk de wereld fors verbeterd, staat het sympathieke gezin Van N. ons helder voor ogen, en trekt meneer Van N. zijn schoenen weer aan (‘Ja, het zag er boven allemaal zo schoon uit dat ik m’n vuile schoenen niet aan wilde houden toen ik op het platje geweest was.’ - En nog een nette man ook!).
En wat gaan we eraan doen? Spouwmuurisolatie natuurlijk, ‘dat is bij u aangewezen’. En isolatiematten op de onverwarmde, ongebruikte zolderverdieping (‘gemakkelijk zelf aan te brengen vlieringisolatie, wellicht zelfs van gerecycled materiaal, kijkt u eens op www.warmteplan.nl, die zitten hier dicht in de buurt meen ik.’). / ‘En mag ik dan nu de kelder nog even zien?’ / ‘Dat ziet er goed uit. Verwarmingspijpen mooi opgehangen, en netjes geïsoleerd. En dat raam, staat dat altijd open? Goedzo, blijven doen hoor!’ / ‘Dat dichtgeplakte rooster moet u veranderen. Zo wordt de kruipruimte onder uw kamer te vochtig, zodat u er op termijn doorheen kunt zakken. Die muizen kunt u beter buitensluiten met horrengaas.’ / ‘Mooi, dat was het dan weer. En mocht u er met de firma Ecostream niet uitkomen, dan hebt u hier mijn kaartje. Ik ken heel veel bedrijven, ook hier in de omgeving.’
En om nog even op dat praatje van die Rabo-vertegenwoordiger terug te komen: als waar is wat die ons vertelde, dan is het onvervalste kletspraat. Het gaat om de zogenaamde klimaathypotheek, bedoeld om energieverbeteringen aan je huis ‘goedkoop’ mee te financieren. Als je aan alle voorwaarden voldoet (zo moet je met de verbeteringen minimaal twee lettersprongen op de energielabeltabel maken, snapt u wel?), dan kun je een hypotheek krijgen waarvoor een lager rentetarief geldt, en dat is de klimaathypotheek. ‘En,’ zegt die mevrouw van de Rabo, ‘als je bijvoorbeeld 10.000 euro nodig hebt voor energievoorzieningen, dan kun je bijvoorbeeld 50.000 euro bij ons lenen, en dan blijft het toch een klimaathypotheek. Kun je met de rest van dat geld leuke dingen doen zoals bijvoorbeeld een bootje kopen.’ - Ik hoop dat de wethouder van die grote stad L. uit de eerste alinea ook goed geluisterd heeft, en voor het vervolg van zijn bemoeienissen met het milieu alle banden met de Rabo verbreekt. Doet ie tenminste nog íets goed in het kader van de klimaatverbetering.
Ten slotte natuurlijk nog het gedicht. Ik heb zo snel niks gevonden (een nieuwe ervaring!) over een geïsoleerd huis of een energielabel – maar ja, wat wil je, dat woord is koud een paar maanden oud. Dan maar hét gedicht van T. van Deel over het schrijven van een opstel (of een blogje, voeg ik daar aan toe). En dat dat ‘nog best moeilijk’ is. Een gedicht kortom waar ik me wel bij thuis voel. Het gedicht komt uit de bundel ‘Strafwerk’, Amsterdam 1969. Maar ik citeer het uit ‘Gerrit Komrij, De Nederlandse poëzie van de 19e en 20ste eeuw in 1000 en enige gedichten’. Die bloemlezing bevat een ‘door de auteur gewijzigde versie’. Jammer dat er niet bij staat wát de auteur dan wel veranderd heeft.
OPSTELLEN
Ik laat een opstel schrijven
over Een boswandeling,
terwijl het buiten regent.
Dertig kinderen beginnen
met vroeg opstaan want
de zon schijnt en de vogels
zingen hun hoogste lied.
Zo vrolijk blijven kan het niet.
En ziet, de eerste druppel valt
op hun papier. Een enkeling
die niet uit het raam kijkt
houdt het met moeite droog.
De helft is vanzelfsprekend
weer vreselijk verdwaald
en weet geen uitweg meer
dan in een hut te kruipen
waar - hé - een schat verborgen ligt.
Dat is nog nooit vertoond,
wordt met een 6 beloond.
naar boven
7 december 2007
Ja, dahaag
Niets veroudert zo snel als een ‘feest’ waar winkeliers en reclamewereld heftig naartoe gewerkt hebben. Was het gister carnaval? Niks mee te maken, morgen is het Pasen. Zo was ik op de pakjesavond van 5 december begonnen aan een balthasarsblogaflevering onder de titel ‘Dag Sinterklaasje’ - over de genadeloze en abrupte transformatie van de supermarkt hier ter stede van ‘O, kom er eens kijken’-artikelen into ‘The Holy Child’-sferen van jinglebells en arresleden. Want dat had me gestoord, die dag in de winkel. ‘Weg met Sinterklaas, leve Santa Claus.’ Ja, die Amerikanen hebben heel wat op hun geweten.
Maar, door ‘omstandigheden’ gedwongen (er werd ongeduldig driemaal gebeld en hartschrikkens luid op het raam gebonkt: er stonden drie straat-pieten voor de deur met een ouderwetse jutezak waaruit een handje pepernoten, een chocoladeletter en een rijm tevoorschijn getoverd werden; ze keken me onder de schmink enigszins schaapachtig aan maar wisten niet precies over te brengen wat ze misschien wel goed bedoelden, en ík wist me ook nauwelijks een houding te geven maar probeerde toch nog een praatje dat in proberen bleef steken), kon ik dat blogje die avond niet afmaken. Toen ik het de dag erna hernam, wat denk je? Sinterklaas was mordicus passé en sloeg als een tang op het marsepeinen varken. Dat was pas echt ‘Dag Sinterklaasje, dahaagdahaag’.
Hoogtijdagen, daar kun je dus wel naartoe werken, maar niet op terugblikken. ‘Gewone’ gebeurtenissen hebben daar weinig last van. Daar kun je rustig verslag van doen zonder dat iedere lezer meteen denkt: ja doehoei, dat was gísteren hoor! Misschien vinden ze je verslag slaapverwekkend, maar níet omdat het over gister ging. Zo weet ik dat er mensen zitten te spankeren (kent u die uitdrukking?) op een verslagje van die versoepregende wandeldag gister, of van onze belevenissen met de cineast Jos Stelling in het Louis Hardlooper Complex te Utrecht. Maar niks hoor, de crux van deze blog ligt alweer in een rekenfout, vergelijkbaar met ‘De onderste tree’ (zie balthasarsblog dd. 22 november jl.).
Deze keer betreft het de firma N. te Z. die onze gangvloer met kurk aan het beleggen is. Want wat blijkt halverwege de ochtend vanochtend? Drie voorgekleurde Corcloc Lisbon-stroken te kort! - ‘Ik dacht dat ik nog een pak in de wagen had liggen. Maar nee, ik kom drie hele stroken te kort.’ / ‘Erg vervelend, niet?’ / ‘Erg vervelend ja, want die hebben we niet op voorraad, en die moeten nu dus ook nog apart gekleurd en driemaal gelakt worden.’ / ‘En nu?’ / ‘Tja, ik ga nu de vloer voor de eerste keer lakken, dan mag u er na zes uur met kousen op lopen. En dan kom ik morgenochtend voor de tweede keer lakken, en dan mag u er vierentwintig uur niet op lopen. Spullen erop zetten pas na achtenveertig uur. Ja, en dan kom ik die drie al gelakte ontbrekende stroken leggen zodra ze binnen zijn. Ik weet nog niet precies wanneer dat zal zijn.’ / ‘Erg vervelend, niet?’ / ‘Tja…’ / ‘Voor ons misschien?’
Zodat wij nu dus uit ballorigheid - maar ook omdat we dagenlang niet naar de wc en naar bed kunnen, en omdat we toch nog iets te vieren hebben - de wijk nemen naar een hotelletje heel ver weg (waar we jarenlang al eens naartoe gewild hebben maar wat er gewoonweg nog nooit van gekomen is), en pas na tweemaal vierentwintig uur weerom komen. Maar mooi dat het wordt, geloof het gerust! Even geduld graag. U hoort nog van ons. (En dán in allemaal korte zinnetjes, beloofd, is me dát een dichtgebreide blog zeg, dit blogje!) - Dahaag!
KLEIN AFSCHEIDSLIED
Dag …* [naam zelf in te vullen]
Dahaag
Dahaag
Dahaag, dahaag …*
Dag …*
Dahaag
Dahaag
Luister naar mijn afscheidslied
Bis, bis
naar boven
30 november 2007
Het Jongens Boek
Echte prachtboeken hebben schutbladen met een meerkleurige marmering die ook wel bekend is van veel vroegere schoolschriften met dikke kaft waarin je uitsluitend met kroontjespen of in latere jaren met vulpen en in schoonschrift je geschiedenisaantekeningen of opstellen mocht kalligraferen. Echt iets voor het begin van een schooljaar of de dag na sinterklaas als je nog aangeraakt was door de schittering van het pas ontvangen geschenk.
Eenzelfde sensatie onderging ik bij het kopen van ‘Het Jongens Boek’, oorspronkelijk geschreven door de Engelse gebroeders Conn en Hal Iggulden, en voor Nederland vertaald en bewerkt door Pieter van Oudheusden en Hans Hoekstra (onthoud die naam!). En niet te vergeten door Uitgeverij de Harmonie te Amsterdam nu net uitgebracht als prachteditie met - dus - van die schitterende roodzwart gemarmerde schutbladen als overweldigende entree en oorverdovend slotakkoord, en daartussenin 288 bladzijden wonderlijke avonturen of in elk geval fantasieën over wonderlijke avonturen.
Het Jongens Boek is zo’n boek waarin je - als jongen naar wordt aangenomen, hou dit even vast - kunt leren hoe je papier marmert (blz. 106), hoe de vijf knopen gaan ‘die iedere jongen moet kennen’, hoe je een boomhut bouwt, hoe al die verschillende wolkenformaties heten, wie Multatuli was, wat de regels van het kaatsen zijn, hoe je textiel vuurbestendig kunt maken, hoe je het heelal in kaart brengt, welke strips ‘elke jongen zou moeten lezen’ (Dick Bos, de jiu-jitsuende privé-detective!!!), hoe je een fietsband plakt, en wat gemunte woorden zijn. Iedereen begrijpt dat ik hier slechts een kleine greep uit de inhoudsopgave doe, een lekkermakertje voor oudere en jongere jongeren want dit heet ‘Hét Boek voor Iedere Jongen Van Acht tot Tachtig’ te zijn.
Dit nu is volslagen overdreven, gejat van Kuifje, volkomen ouderwets en discriminerend, maar hébben wil je het - als je ook maar énige leuke herinnering aan je kinderjaren hebt of als je wilt proeven wat je vroeger allemaal gemist hebt. Ook voor snotneuzen van nu is dit het boek, snotneuzen immers die nou wel eens écht willen zien wat de overeenkomsten en verschillen tussen vroeger en nu zijn, tussen vader en zoon - op het gebied van... nou ja, op élk gebied, roept u maar: meisjes (blz. 105), de ontdekking van Paaseiland (blz. 168), alles over bomen (blz. 207), de zeven hedendaagse wereldwonderen (blz. 280), de slag bij Cannae (blz. 68) en nog zo’n dikke honderd onderwerpen die je in elke willekeurige volgorde door elkaar wilt eten. Kortom, echt een boek voor neef Jordan.
Op bladzijde 216 tot en met 219 staan de ‘Gedichten die iedere jongen moet kennen’. Vraag me niet waarom, en ook niet waarom nou juist déze acht gedichten. Ik zou wel honderd gedichten kunnen noemen ‘die iedere jongen (en ieder meisje, zou ik daar dan meteen aan toevoegen, kijk maar hieronder bij de Leeuwin) moet kennen’. Maar déze acht zouden stuk voor stuk bij die honderd horen, dat dan weer wel. Uit die acht zal ik hieronder het stoerste gedicht citeren, het gaat tenslotte om Het Jongens Boek (!), en het heet dan ook De leeuw. Het werd geschreven door De Schoolmeester (pseudoniem van Gerrit van de Linde, 1808-1858) en stamt uit de ‘afdeling’ Natuurlijke historie voor de jeugd. In afwijking van Het Jongens Boek hanteer ik de spelling uit de Prisma-boeken-editie van 1977, die is authentieker.
DE LEEUW
Een leeuw is eigentlijk iemand,
Die bang is voor niemand.
Zijne oogen en zijn neus
Zijn grooter dan die van een reus,
En zijn muil
Is een ware moordkuil;
Met zijn klauw
Is een leeuw geweldig gaauw;
Met zijn staart
Gooit hy een schutter van zijn paard;
En met zijn tanden
Durft hy de heele schuttery wel aanranden.
Enfin, hy is altijd het verscheurendste beest
Onder de dieren geweest.
Onlangs heeft hy immers in Londen
Nog een juffrouw verslonden;
Doch, nu ik my bezin,
Was hy het niet: het was de leeuwin.
De leeuw wordt viervoetig geboren:
Twee van achteren en twee van voren;
Of, volgens anderen, twee aan zijn rechterhand,
En de twee anderen aan deze kant.
De leeuw zijn gemalin
Is mevrouw de leeuwin,
En de jongelui, zoolang zy zich met de borst behelpen,
Noemt men gewoonlijk: welpen.
Gouden leeuwen en leeuwen van hout,
Mitsgaders de Hollandsche, worden heel oud;
Men ziet ze nog wel op uithangborden en schilden, doch zeldzaam in ’t woud.
Komt ooit een ware leeuw rechtstreeks op u aan,
Dan is ‘t beste om maar regelrecht uit den weg te gaan;
Doch niet als hy opgezet of dood is;
Daar er in dat geval volstrekt geen nood is.
naar boven
22 november 2007
De onderste tree
Bij fans van de balthasarsblog (nou ja, ik ken er één, en ik voel me niks te groot om klein te beginnen hoor) is een sterke voorkeur voor blogjes over ongelukjes en stommiteiten mijnerzijds resp. hilarische fouten van anderman. (Zo geeft mijn spellingchecker nu aan dat ‘anderman’ fout is, en vervangen moet worden door ‘andermans’ of ‘andermaal’. Maar zeg nou zelf: ’hilarische fouten van andermans’ of ‘hilarische fouten van andermaal’, dat is toch pas écht krankjorum! Ik durf bij deze gerust te beweren dat ik in 999 van de 1000 gevallen het zelf beter weet dan die nuffige spellingchecker. In tijden van Het Groot Dictee der Nederlandse taal is dit waarachtig toch geen minne mededeling, niet? Maar om deze fouten van spellingchecker Andermans nou hilarisch te noemen… kom op zeg, dan moeten ze toch een heel stuk grappiger uit de hoek komen.)
De recentste blunder mijnerzijds was te lezen in de blog ‘Verfwerk’ van 14 november jl. Over het van de trap laten vallen van een geopend verfblik. (Heb ik trouwens goede reacties op gehad, maar dit terzijde.) Vandaag heb ik om 15.00 uur na drie weken mijn ‘verfwerk’ afgerond, maar… niet dan nadat ik om 14.00 uur precies een ander blik verf… inderdaad, over het gangtapijt heb laten keilen. Met een lepel heb ik mijn laatste resten verf van de vloer geschraapt en terug gedaan in het blik, omdat ik nog een deurstijl te gaan had en het mijn eer te na zou zijn om het werk voortijdig en onaf te besluiten. Het bezoedelde tapijt heb ik met een oude mat aan het gezicht onttrokken - en dat blijft zo tot de Naturo-man komt om er een nieuwe kurken vloer overheen te leggen. (Dat hadden we natuurlijk al eerder besloten, dus de uitglijer van 14.00 uur was incasseerbaar, hoewel absoluut ezelachtig - als ik u even vóór mag zijn.)
Tot mijn verdediging kan ik aanvoeren dat ik om 14.00 uur bij mijn werk gestoord werd door een telefoontje van mevrouw J. van de firma B. te Z. Ik schrok op en reikte te schielijk naar de looptelefoon op de keukenstoel (ja, de looptelefoon, reuzehandig als je voortdurend ergens anders verblijft en niet van het ‘mobiele’ bent, maar van de vaste telefonie, en zeg nou zelf, 200 meter bereik is toch ruim bemeten?). - ‘Schikt het u als we volgende week vrijdag, in de namiddag, dus zeg zo ongeveer om 15.30 uur bij u langs komen om de onderste traptree te bekleden?‘ - Ik vloekte luid, niet om die traptree natuurlijk maar om die omgevallen verf, maar had evengoed heel wat uit te leggen aan mevrouw J. van de firma B. te Z. Maar goed, de afspraak stónd, de verf lag en ik was het liefst van de wereld geweest. Maar niks hoor, aan de slag, en handlen die handel.
En om op de titel van dit stukje en het telefoontje van mevrouw J. van de firma B. te Z. terug te komen: Nederland kan inderdaad niet meer rekenen hoor, zoals ik in meergenoemd blogje al schreef. Meneer B. zelf van de firma B. te Z. was alles komen opmeten, met elektronische meetapparatuur, een geavanceerde zakjapanner en een buitengewoon goed humeur. De vloerplaatjes voor onder het tapijt op de overloop kregen we zelfs cadeau van hem. Alles berekend en becijferd, en wilt u hier dan even tekenen. Tot dinsdag dan maar, want dan komen we alles hier even pico bello in orde maken. En stipt op tijd die dinsdag verscheen de oude heer B. (vader van) met spullen en kniebeschermers en een assistent. Die keek heel zuinig toen hij hoorde dat niet alleen de trap, maar ook de overloop belegd moest worden. ‘Ik doe m’n best meneer, maar of we het redden met deze 3 meter 25 tapijt… ik blijf het met u hopen.’ - De laatste hoop vervloog, en bij de onderste tree op twee na wist meneer het zeker: zoonlief heeft te krap berekend en besteld. Op de onderste tree ligt nu dus best fraai ondertapijt, en volgende week vrijdag komt als gezegd de rest. Maar mooi!!! – Hilarisch genoeg, zo?
HEDEN GEEN GEDICHT
Omdat ik morgen vrij ben
ga ik
denk ik
vanavond maar eens vroeg naar bed.
Geen tijd
dus
voor dichten of zoeken
in Komrij de Dikke.
Een borrel,
een boekje,
een bedje,
en dat was dan dat.
naar boven
20 november 2007
Onze Camiel
Strijdvaardig en daadkrachtig klinkt ie altijd, kloek en moedig, het beste jongetje van de klas dat vandaag voor mag lezen. Onze minister van Verkeer en Waterstaat Camiel Eurlings. Limburger en KVP’er, pardon CDA’er, in hart en nieren, nét een klas overgeslagen en nu al mee mogen spelen met de grote jongens - maar om dat iemand nou kwálijk te nemen… Tuurlijk, het zal wel jaloezie zijn. Maar hoe gaat het eigenlijk met die jongen? Gister was ie weer eens ettelijke keren op de radio, op het NOS-journaal, en ’s avonds laat bij Pauw en Witteman. Deze keer probeerde hij een nieuw masterplan te slijten, voor het openbaar vervoer, maar wel pas voor over vijf jaar! - Denkt ie dat ie zolang meegaat, als minister?
Bij Camiel denk ik altijd meteen dat hij de bedenker is van de reclameslogan ‘Want Nederland moet dóór!’. En wel snel! Want we hebben haast! Want hier is een probleem wat (sic!) opgelost moet worden! - Camiel is sowieso iemand van slogans, oneliners, statements, forse uitspraken. En niet dat ie dan ook maar kort aan het woord is als hem iets in het openbaar gevraagd wordt. Verslaggevers en interviewers moeten altijd bij hem inbreken, hem terugbrengen naar de vraag - waar hij dan steeds weer verbaasd over is, want het ís toch zo, tóch, níet dan, een beetje meer enthousiasme in de pers zou wel prettig zijn, tóch?! Een echte leerling van Jan Peter zelf, ook van het CDA, ook van de VOC, ook altijd ‘retedruk’ (naar eigen zeggen), en geen tijd voor precisie of reflexie. Vergezichten, groots, meeslepend, dát zijn de kwalificaties waar het om gaat! - Kortom, iemand van uitroeptekens.
Omdat aan de oplossing van de files geen eer te behalen is, heeft Camiel zich nu op het openbaar vervoer gestort, meer speciaal op de trein. Die moet om de tien minuten gaan rijden, spoorboekjes kunnen de prullenmand in, mensen laten vanzelf de auto staan en zullen nog massaler (en liefst vrolijk zingend van verplaatsingsgenot) in de trein stappen. Want in Camiel’s visie staat die trein dus altijd klaar, is er volop plaats, en brengt die je punctueel naar werk, begrafenis of afspraak. Ideaal en nergens ter wereld vertoond. - Of dat haalbaar is, wat dat kost, of de mensen wel uit de auto te krijgen zijn, dubbele sporen (wat zeg ik vierdubbele sporen), langere perrons (want de treinen moeten vooral ook langer he!), comfort is wat telt in de toekomst. Ziet u het al voor u? - He, doet u nou niet zo sikkeneurig, over vijf jaar beginnen we ermee, echt waar, en meneer Veenman van de NS ís al enthousiast, écht, daar kunt u mij op afrekenen.
Voor de rest van deze kabinetsperiode (‘Dus tot 2011, dat stáát!’) heeft Camiel zegge en schrijve 200 miljoen euro beschikbaar voor de verbetering van het openbaar vervoer. Daar moet ie de prachtige vergezichten van de toekomst levend mee zien te houden. En vanaf 2011 heeft ie dus vier en een half MILJARD euro nodig voor zijn plannen - die in de berekeningen van de NS op acht miljard uitkomen. Waar dat geld vandaan moet komen? Overschrijdingen? Hoezo Betuwelijn? Duurdere kaartjes? Steun in de ministerraad? - U bent een zwartkijker meneer. Jammer dat het geen carnaval is, dan hoefde u zich tenminste niet meer te verkleden. Aan het werk nu. De toekomst wacht niet!
Maarre… wie zal dat betalen? Daarover ging het al in een bekend lied uit 1875. Tekst: anoniem. De melodie is van Pierre Gaveaux (Contre les chagrins de la vie, uit de opera La pipe de tabac, 1786). Ik citeer deze versie uit het prachtboek ‘De kist van Pierlala, straatliederen uit het geheugen van Nederland’, Amsterdam 2006. En Camiel? Die heeft beloofd met u mee te zingen.
WIE ZAL DAT BETALEN?
Dat gaat naar Den Bosch toe
Zoete, lieve Gerritje
Dat gaat naar Den Bosch toe
Zoete, lieve meid
Zeg, wat zal je drinken?
Zoete, lieve Gerritje
Zeg, wat zal je drinken?
Zoete, lieve meid
Brandewijn met suiker
Zoete, lieve Gerritje
Brandewijn met suiker
Zoete, lieve meid
Wie zal dat betalen?
Zoete, lieve Gerritje
Wie zal dat betalen?
Zoete, lieve meid
d’Eerste boer de beste
Zoete, lieve Gerritje
d’Eerste boer de beste
Zoete, lieve meid
naar boven
14 november 2007
Verfwerk
Je hikt ertegenaan. Het is veel werk, en het jaargetijde is donker. En je bent nou net zo lekker met andere dingen bezig. Tot het ineens dan maar moet. En dan ook goed. De gang, de trap, de overloop zijn dringend aan een opknapbeurt toe. Nou ja, dat denk je dan. En dat vind je vervolgens steeds heviger. Op dus naar de verfboer, de vloerbedekkingswinkel, de klussenier en misschien ook nog wel de schilderijenreparateur, de lampenwinkel-op-punt-van-stoppen, het warenhuis en de blokker. ‘Anders nog iets vergeten?’ Dat zien we dán wel weer. Voorlopig ben ik nogal bezig.
‘Kunt u deze kleur verf voor me maken, de 0403-Y24R ivoor (HZA2M)?’ / ‘Dat kan, alleen niet op waterbasis. Dat kan alleen als u minimaal een literblik van 27 euro 50 bestelt.’ / ‘En welke opbrengst heeft zo’n literblik dan?’ / ’14 m2, staat hier.’ / ‘Wel, ik moet 6 m2 in die kleur verven, meestal gooi ik het blik wel een keer om, dus doet u mij dan maar een liter.’ / ‘Voor een goed resultaat moet u het natuurlijk wel twee keer doen, één keer voorlakken en één keer aflakken. Dan hebt u dus eigenlijk tóch minimaal een liter nodig. Maar dan moet u natuurlijk niks verknoeien. Zal ik dan maar twee blikken noteren?’ / ‘Nounee, dan bestel ik liever bij als het nodig is. Plus dat ik natuurlijk extra goed ga opletten.’ / ‘Goed. Morgen staat ie voor u klaar. Dat is dan 27 euro 50.’ / ‘Morgen pas?’ / ‘Ja, we moeten de verf in onze andere winkel mengen ziet u, want hier is de machine kapot.’
‘Goedemorgen. Ik kom m’n bestelde blik verf ophalen.’ / ‘Hoe was de naam ook alweer?’ / ‘B.’ / ‘Juist, meneer B., kijkt u eens aan: twee blikken 0403-Y24R ivoor (HZA2M). Dat is dan 55 euro. Roerhoutjes erbij?’ / ‘Nou…, eigenlijk heb ik maar één blik besteld. En geen twee. En ik heb al betaald, gister, bij uw collega.’ / ‘Eén blik? ‘s Even op de bestelbon kijken. Inderdaad, u hebt gelijk, het staat hier wat onduidelijk in het handschrift van m’n collega. Nou ja, één blik dus voor u. Stom van ons. Het andere blik zal ik dan maar apart zetten, dat kan ik niet verkopen – of iemand moet wel heel toevallig…’ / ‘Tja, sneu, maar ik heb heus maar één blik nodig. En ik heb al betaald, gister, bij diezelfde collega. Ik heb het bonnetje nog, thuis.’ / ‘Ik geloof u op uw woord, meneer B. Toch maar tot ziens.’
‘Goedemorgen. Ik kom, ik wou… is uw collega er niet? De kwestie is namelijk…’ / ‘Ik roep m’n collega even. Joost, Joohoost!’ / ‘Tja, meneer Joost, staat hier nog dat blik 0403-Y24R ivoor (HZA2m) dat u per ongeluk te veel hebt laten maken?’ / ‘Dat heeft m’n collega gedaan. Maar daar gaat het nou niet over.’ / ‘En heeft niemand anders dat intussen gekocht? Ik heb namelijk per ongeluk bij het verven m’n blik van de trap laten vallen, grote knoeiboel natuurlijk, en nou kom ik verf te kort…’ / ‘Regeren is vooruitzien, meneer. Kijk ’s aan, u kunt meteen weer aan de slag. Plus tien procent pechkorting.’ / ‘U bedoelt natuurlijk gelukskorting, want u kon dat blik toch eigenlijk niet meer verkopen?’ / ‘Zoals u wilt, meneer B. Dat is dan… even de rekenmachine pakken… op de kop af… 21,50. U wou pinnen?’
Het verfwerk is verder zonder ongelukken verlopen, behalve dan dat het twee keer zoveel tijd nam dan ik berekend had. Rekenen schijnt in Nederland niet meer te zijn wat het geweest is. Nou die verpleegkundigen weer… Als je Richard Minne moet geloven hadden we vroeger alleen maar domme boeren, maar ik betrek zijn ‘Hoveniersgedicht’ wel degelijk op mezelf hoor! Dat ‘Hoveniersgedicht’ komt uit de bundel ‘In den zoeten inval en andere gedichten’ (Amsterdam 1955) – en is bedoeld om te lachen.
HOVENIERSGEDICHT
De boer heeft stro
- God zij geloofd -
in zijn klompen
en in zijn hoofd.
naar boven
10 november 2007
Grensgebied
Onze tuin - een lap van zo’n 65 meter diep en 10 meter breed - loopt uit op een spoorwegtalud. In de winter kun je daar een paar keer per uur een geel boemeltje richting stationnetje Z. dan wel stadje H. zien schommelen. ’s Zomers zie je door de bomen die Märklins niet; als je wilt kun je ze wel horen – in elk geval de belendende spoorwegbomenbellen. Het grensgebied tussen tuin en spoor is pertinent onduidelijk. Daarom zijn wij nu alweer enkele jaren geleden begonnen om ons grove tuinafval om te zetten in een houtwal die de grens een aardig eindje oprekt.
Het komende voorjaar zijn wij van plan om de hinderlijke scheidingselementen tussen tuin en houtwalgebied (overleefde composthopen, vuistdikke braambosstekels, alsmede enkele dakpannen- en bouwafvalkerkhoven) te slechten, zodat onze tuin – naar natuurlijke maten gemeten – logischer op het spoor aansluit. Landjepik op kleine schaal, dat is het, en het voelt als de uitvoering van het masterplan om Nederland te verruimen met een eiland voor de kust, al dan niet in de vorm van een tulp. Onze uitbreiding lijkt meer op een hondekop – geliefd treintype uit de jaren zestig, bestaat er een mooier verbindingselement tussen spoor en ov-reiziger?
De houtwal begint langzamerhand steeds meer trekjes van vroegere cowboy- en indianenspelletjes te vertonen. Elke afgesneden en in de wal geplante wilgentak kán een uitdaging zijn, met zo’n vlag bovenin die de tegenpartij dus moest veroveren. Wat dit met cowboys en indianen van doen heeft is me ook achteraf een raadsel. Maar dat de houtwal een onneembaar tentenkamp suggereert is buiten kijf. Behalve dan natuurlijk voor egels en nestelende vogels – en daar is het toch óók om begonnen. ‘Witte Veder was here’, in minimaal twee betekenissen.
Wat me straks nog het meest aan het hart zal gaan, is de verwijdering en ‘opheffing’ van het doorgangshekje van tuin naar talud. Dat ‘hekje’ is een deel van een aftandse houten pallet, en heeft voor mij de uitstraling van een Armando-schilderij: een grof geverfd stil weiland in de sneeuw met prikkeldraad eromheen, en dát in zwart-wit. Het hekje staat los tussen een boom en een paaltje, en is in al z’n flexibiliteit meer toegang dan uitgang. Wegdoen zal ik dat hekje dus niet, misschien maak ik er een zijdeur van of een nooduitgang, wie weet komt het ooit nog aan de muur.
De status en de kwaliteit van het hekwerkje sluiten naadloos aan bij het houten schuurtje ter plekke. Ook dat staat meer los dan vast en dreigt aan zwakte en progressieve slijtage te bezwijken. Vooral bij regen is het er heerlijk toeven, de beschutting is die van een oude familietent in zijn nadagen: reuzegezellig maar op slag van doorlekken, stilzitten dus. En dat hekje, dat komt voorlopig hier te staan – ik heb het beste plekje er al voor uitgezocht: links achterin tegen de wand waar de wind toch al doorheen lispelt of briest, al naargelang het jaargetijde. Kunnen ze gedrieën mooi nostalgisch doen over verloren tijden – en over hun zorglijke toekomst.
Ja, de herfst doet wat met een mens hoor, sprak hij oudachtig maar desondanks niet somber. En sloeg de drie Herfst-gedichten van Vasalis uit de bundel ‘Parken en woestijnen’ (Amsterdam 1940/1961) er nog eens op na. Het volstaat hier om er één te citeren: Herfst, bladzijde 26. Een gedicht om je aan te ontworstelen, tegen de herfststormen in.
HERFST
Nooit ben ik meer in mijn gedachten groot,
steeds zeldner denk ik dat mijn werkelijk wezen
zich tonen zal en durven te genezen
van de steeds naderende duidelijker dood.
Vandaag zag ik de hemel door het weemlend lover
verbleken tot een doodlijk zuivre helderheid.
Ik heb mezelf nog van geen ding bevrijd
en er is haast geen tijd meer voor mij over.
Er ruist een hoge ruime wind
door de recht opgerezen bomen;
aan het zwarte water is een hert gekomen,
en door het oevergras schijnt laag de zon…
Dit is het enig antwoord, dat ik vind,
Dat mij bevrijden zou, zo ik ‘t vertalen kon.
naar boven
3 november 2007
Open deur
Eergister had ik – pffft, wie heeft die ervaring níet? – zomaar of bijna dood kunnen zijn, of in elk geval minimaal met twee gebroken benen in het ziekenhuis kunnen belanden. Tenzij ik dus met m’n kop omlaag gevallen was, dan was het patsboem einde verhaal geweest, of op z’n minst een schedelbasisfractuur. ‘Nounounou B., is dat niet wat overdreven?’ Tja, het zijn de woorden van mijn bloedeigen kinderen hoor, nadat ik mijn verhaal gedaan had en zij de plaats delict onderzocht hadden. Ik mankeerde uiteindelijk niks, ja, de schrik he, natte kleren en een onrustige nacht – een mooi laag prijsje, dacht ik zo, uiteindelijk.
Stel je voor: aan het eind van een mooie maar vermoeiende wandeling strijkt het gezelschap neer in Lith, dorp aan de rivier. We hebben behoefte aan een plek om te rusten, een toilet, een hapje, een drankje. Nou, de Markt aldaar voorziet in ruime mate in al deze behoeften. De eerste de beste gelegenheid blijkt een donkere bar waar ze óók friet bakken en pompoensoep serveren – je houdt het niet voor mogelijk, maar het wás zo. Iedereen ploft neer, behalve ik. Want zoals de hele dag al het geval is moet ik gruwelijk nodig plassen. Waar is de wc? Dáár is de wc, een countrybord-in-stijl wijst de weg. Een duister (uiteraard) halletje (met het kleinst verkrijgbare spaarlampje) waarop vier deuren uitkomen. Alleen de deur met ‘Privé’ erop maakt duidelijk wat ie wil (of juist niet wil). De andere drie geven geen geheimen prijs. Op goed geluk doe ik de eerste deur aan m’n rechterhand van het haakje, m’n linkerhand gaat naar de muur rechts, op zoek naar het lichtknopje. Tegelijk stap ik alvast naar binnen, geen vreemde gewoonte.
En donder een steile trap van minimaal 16 houten treden af. Omdat m’n linkerhand naar rechts zwaait zoals ik al zei en m’n voeten geen houvast vinden, zwiep ik nu met m’n hele lijf door naar de muur zonder lichtknopje – nee, ik zwiep niet, ik tuimel naar rechts omlaag, tegen een muur vol waterleidingbuizen. Die raken van mijn gezwiep in het ongerede en beginnen me met volle kracht nat te spuiten. Ik tuimel intussen door en weet mirabile dictu mijn val tegen de opstaande muur in het trapgat te breken. Hoe het mogelijk is dat mijn voeten op treden stáán en niet dubbelgeklapt tussen treden háken, ik kan het ook achteraf niet verklaren. Dat heet geluk.
Aldus kom ik tot staan, en probeer in mijn verbouwereerdheid maar uiteraard zonder succes een zwevend tapkraantje dicht te draaien. Ik ben nu over mijn ganse lijf behalve mijn hoofd doorweekt. Alweer tot mijn verbazing zonder paniek kreupel ik naar boven en weet de waard in een belendend vertrek te alarmeren. Zonder mij een blik waardig te keuren daalt hij de keldertrap af om de hoofdkraan te sluiten. Hij waadt door de ruisende waterval met bijbehorende plas, neemt en passant een stuk waterleidingbuis van de muur en zegt ‘dat het allemaal wel meevalt’. Hij verdwijnt weer in het belendende vertrek terwijl ik me naar de bestelde koffie begeef – maar niet dan nadat ik via een van de andere deuren op de wc geweest ben. Koelbloedig? Geen idee.
Enfin, ik doe zwaar onderkoeld mijn verhaal, trek mijn jas uit en probeer te gaan zitten. Oef, dat is nat! Ik begin niet eens te bibberen, probeer nóg eens te vertellen ‘wat er dan precies gebeurd is’, en zie mijn kinderen, mijn eigen kinderen, mijn bloedeigen kinderen de plaats des onheils opzoeken. ‘Godskristus nogantoe man, je had wel dood kunnen zijn!’ – The rest is history.
Op weg naar huis moet ik steeds aan Wim van Est denken, topwielrenner uit mijn langvervlogen jeugd. Die won op 16 juli 1951 als eerste Nederlander de gele trui. Daags erna stortte hij tijdens een afdaling in de Pyreneeën in het ravijn. Sponsor Pontiac (horloges) haakte in met deze advertentie: 'Zeventig meter viel ik diep, m'n hart stond stil, maar m'n Pontiac liep' - bedacht door juffrouw Reens die bij Pontiac op kantoor werkte. Volgens ‘Het Parool Lijstjes’ (met dank geciteerd uit een Google-item, zie tevens aldaar) werd haar reclamevondst in de loop der jaren ernstig mishandeld. Vaak verdween het rijm, of werd de slogan in de minder spannende derde persoon verteld, en Van Est viel beurtelings, veertig, vijftig, zestig of - altijd veilig - 'tientallen' meters diep.
HOE DIEP VIEL WIM VAN EST?
‘Van Est liet zich wekenlang rondrijden op een reclamewagen van Pontiac, het horloge, dat ook op zestig meter diepte nog doortikte.' (Trouw, 2002)
’Hij vloog uit de bocht en viel zeventig meter (of was het slechts veertig meter?) diep in een ravijn.' (NRC Handelsblad, 2001)
'Daags na de historische val, maakte wielersponsor Pontiac de al even historische reclame, door Van Est te laten zeggen: 'Mijn hart stond stil, maar mijn Pontiac tikte nog.' (Trouw, 1999)
'Mijn fiets was stuk, maar m'n Pontiac liep nog.' (Trouw 1998)'
'Mijn hart stond stil, maar mijn Pontiac tikt nog.' (Algemeen Dagblad 1996)
'Wim van Est viel veertig meter diep, zijn hart stond stil maar zijn Pontiac-horloge liep.' (NRC Handelsblad 1994)
'Wim van Est viel zeventig meter diep. Zijn hart stond stil, maar zijn Pontiac liep door.' (Het Parool 1992)
Het is goed om de feiten te kennen. Wie heeft dat ravijn nagemeten? (B. die zich nog voortdurend van zijn geluk bewust is.)
naar boven
25 oktober 2007
Kelder
Op tv werd de uitvaart van Jan Wolkers in extenso uitgezonden, maar ik heb er niks van gezien - een korte samenvatting in het journaal van 8 uur leek me wel genoeg. Ik was bezig met het schoonmaken van de kelder, omdat dat hard nodig was en ik er nu tijd voor meende te hebben. Bovendien was het buiten guur en hadden wij de dag ervoor nog pas een fantastische wandeling bij werkelijk superweer gemaakt; binnenwerken was nu dus het parool.
De enige begrafenis die ik ooit op tv van a tot z gevolgd heb was die van de vermoorde Amerikaanse president John F. Kennedy, november 1963. Een echte wereldgebeurtenis uit de begintijd van de televisie, ik ken niemand die er níet door geschokt was. Voor sommige mensen is het overlijden van Jan Wolkers natuurlijk een ramp van de eerste orde, maar een wereldschokkende gebeurtenis waar je uren voor achter de tv gaat zitten? Daarvoor komt de canonisatie van Wolkers als behorend tot ‘de grote vier’ toch wat al te laat en zeker als schijnheilig over. In de jaren zestig en zeventig heb ik - als zovelen - alles van de man geconsumeerd, hij schreef als een held. Daarna had ik het wel gezien en heb ik niks meer van hem gelezen, behalve dan het boekenweekgeschenk van 2005, Zomerhitte. Wat u zegt, een ondermaats verhaal voor de schrijver van ‘Dominee met strooien hoed’ en ‘Terug naar Oegstgeest’. Jan Wolkers was natuurlijk tot het laatst een ‘bevlogen’ causeur en kunstenaar, en bovendien had hij in cabarettier Paul Groot een voortreffelijke imitator. Zó bijna 82 worden lijkt me geen straf.
Een kelder schoonmaken - om daar nog even op terug te komen - is het tegendeel van een wereldgebeurtenis, het is een van die onontkoombare karweitjes die je zo snel mogelijk achter de rug wilt hebben, verbazingwekkend hoe ‘vies’ zo’n ondergrondse nog kan worden. Wij gebruiken onze kelder als voorraadmagazijn voor voedsel en drank, en om er overbodig geworden huishoudelijke artikelen op te slaan. En in de toekomst zal er zeker nog witlof geteeld worden in afgedekte emmers aarde. Want leven zit er wél in zo’n kelder zeg! Het is één groot spinnenhol, en een dorado voor pissebedden. En dan heb ik het voor het gemak maar niet meer over de muizen die de laatste jaren met veel tape doch vakkundig buitengesloten werden. (Even afkloppen, sprak de dierenvriend, maar in een kelder heb je helaas maar weinig ongeverfd hout.) - Rijen langpootspinnen hangen verzaligd tegen het plafond, geniepige kruipers schuilen achter de verwarmingspijpen, en dodelijk dikke dreigers maken het ondergrondse raam tot een onschoonbaar fort. Als ik Jan Wolkers heette zou ik nu natuurlijk uitroepen: ‘O, kijk daar, die zwarte weduwe met dat opengewerkte keursje! Mooi hè!?’ Nou, nee! Engerds zijn het, waar geen genade voor geldt.
Toen ik klaar was met cleanen ging ik achter de tv zitten uitrusten. Een en al Jan Wolkers, een en al herdenking, een en al herhaling van leven en gulzigheid. Ik zette de tv uit. ‘Dat kan ik zelf ook wel,’ dacht ik, en ik pakte het eerste boek dat ik ooit van hem kocht, Gesponnen suiker (Amsterdam 1963), en sloeg het op een willekeurige plaats open, bladzijde 91, middenin het verhaal ‘Langpootmuggen’, en ik las:
LANGPOOTMUGGEN (fragment)
Het zijn schepselen Gods, denkt hij. Ik mag ze niet willens en wetens door het executiepeloton van 150 Watt laten ombrengen. Jeltsma, ja, die vuilak. Die stak, op de verjaardag van Mies nog wel, de stekker van het elektrisch straalkacheltje in het stopcontact. En maar op zijn dronken poten door de kamer waggelen. In de ene hand het brandende kacheltje en in de andere een stoel. En overal waar er een zat ging hij op de stoel staan en drukte het gloeiende deksel tegen het plafond. Het leek wel of er menselijk geluid uit die hete cabine kwam. Een deerniswekkend gefluister dat overging in gesis van pijn.
Ik moest ineens kotsen. Met samengeklemde kaken rende in naar de w.c., maar terwijl ik de bril omhoog klapte zag ik dat er een motvisje in de pot liep. Ik kon niet op dat beestje kotsen en het met mijn bedorven eten doortrekken. Ik kotste naast de w.c. en met het maagzuur druipend van mijn kin zei ik tegen dat kleine diertje:
- Ben jij zo laat nog aan de wandel, klein druppeltje kwik, voortschuivend traantje. Je kan hier niet meer uit, hè. Ik zal je helpen. Voordat die goorling komt en je boven op je kop schijt.
En ik pakte een w.c.-papiertje en liet hem erop lopen en zette hem op de grond.
- Ga maar gauw naar je moeder toe, zei ik.
Maar toen kwam Mies en die zei:
Hoe heb ik het nou met je Johan, je zit naast de w.c. te kotsen. Je ziet alles dubbel.
- Er was maar één motvisje, zei ik.
- Ach, jij, je bent hartstikke teut, zei ze.
naar boven
21 oktober 2007
Ah, de poëzie
‘Kijk,’ sprak het gezonde verstand, ‘zo schrijft de een over peak food, een ander over de dichter Gerrit Kouwenaar en een derde over het rooien van bomen en ander snoeiwerk langs wegen voor doorgaand verkeer. Een vierde schrijft niks maar denkt misschien alles. Schrijf jij nou maar gewoon over je dagelijkse beslommeringen, je woelratten en steenmarters, het gebroken wit op de muur en ene wandeling te Windesheim, dat gaat je veruit het beste af - en probeer hier dus niet de briljante filosoof of toekomstdeskundige uit te hangen. Daar zijn weer anderen voor. Ieder z’n toko, ieder z’n waarde, ieder z’n lof.’
Net wat ik nodig had, die victorie van het gezonde verstand, twee benen op de grond, de constatering dat het miezert als het miezert. Want ik had weer eens zo’n moment (‘Kent u dat gevoel, dames en heren luisteraars…?’), dat ik iets van iemand anders (of óver iemand anders) gelezen had dat me bijzonder aansprak, dat ik van grote waarde achtte en dat me deed twijfelen aan het nut van m’n eigen bijdragen aan de-zeepkist, de balthasarsblog, de niemendalletjes van een gepensioneerde waarnemer van de kleine dingen des levens. Heb ik wel pretenties genoeg? Moet het allemaal niet wat bevlogener, en gaan over echt belangrijke zaken die de wereld en het leven beprangen? – Nou, en toen kwam dus dat gezonde verstand op de proppen met de waardering van het authentieke talent: blijf jezelf, niks meer en niks minder, een heerlijk soort nuchterheid die zelfonderschatting net zo hard laakt als blaaskakerij.
Goed. Even over vrijdag dus maar. Een voorvalletje van niks in de ochtend, toen ik terugkwam van boodschappen doen. Tevreden over de gedane zaken fietste ik fluitend naar huis, fietstassen volbeladen, groenten en fruit in een apart kistje onder de snelbinders van de bagagedrager. Daar kwam een halve klas scholieren me tegemoetgefietst, u kent dat wel, met drieën en vieren naast elkaar, het hele maar dan ook hele fietspad is van ons! Soms erger ik me daaraan, soms niet, ik zie wel. Dit keer ging ik wat ruimer op het pad fietsen om maar goed te laten zien dat ik m’n eigen helft opeiste. Het blok tegenliggers gaf geen krimp, en tegen m’n uitdrukkelijke bedoeling in week ik op het laatst toch naar rechts uit om het vege lijf te redden. Vrolijk kwetterend peddelde ‘de hope des vaderlands’ (spes patriae, zou het echt?) de stoplichten tegemoet om daar natuurlijk het rood te gaan negeren. Met een mengeling van ergernis en bekommering keek ik nog eens om, en… verloor de macht over het stuur. Daar keilden m’n banaantjes tegen het asfalt, een zwarte deuk in m’n bloemkool, sap in plaats van druiven. Daar lag ik - m’n stuur op halfzeven, m’n spullen over de volle breedte van het dubbele fietspad, tegenliggers die me met de grootste moeite ontweken - beteuterd ter neder, opstandig en berustend te zijn. Stomme actie, B.!
Thuisgekomen overdacht ik m’n ‘zonden’ en kon ik er de humor wel van inzien. En daar was ik dan weer verbaasd over, dat zou me vroeger niet gelukt zijn, want… die rotjongens ook! Die moeten toch zus en zo... Ja, en ik… ik moet vooral zo en zus… Een mens ‘moet’ wat af denk ik soms! Hij moet ja en hij moet nee, voor en tegen, onder en boven, vroeger en later. Vooral in het laatste deel van je leven schijn je veel te moeten, en tegelijk toch ook weer niet. Maar daarover kan ik beter iemand aan het woord laten die er verstand van heeft, en die het echt goed op wist te schrijven. Een gedicht dus van Gerrit Kouwenaar, Men moet uit de bundel ‘Helder maar grijzer: gedichten 1978-1996’. En voor de liefhebber nog dit: over dit gedicht wordt verhelderend en hartverwarmend geschreven door Gerrit Komrij in ‘In liefde bloeyende: de Nederlandse poëzie van de twaalfde tot en met de twintigste eeuw in honderd en enige gedichten’ (Amsterdam, 1998, p. 316-319).
MEN MOET
Men moet zijn zomers nog tellen, zijn vonnis
nog vellen, men moet zijn winter nog sneeuwen
men moet nog boodschappen doen voor het donker
de weg vraagt, zwarte kaarsen voor in de kelder
men moet de zonen nog moed inspreken, de dochters
een harnas aanmeten, ijswater koken leren
men moet de fotograaf nog de bloedplas wijzen
zijn huis ontwennen, zijn inktlint vernieuwen
men moet nog een kuil graven voor een vlinder
het ogenblik ruilen voor zijn vaders horloge -
naar boven
13 oktober 2007
Kleine man, grote wereld
Aan de kassa bij de HEMA stond ik er toch wat beteuterd bij met m’n Kriskras-kortingkaart van ‘de grootste winkelketens van Nederland’: krasvlakjes kloek opengekrabd, in hokje 4 de mededeling ‘Bij HEMA 10% korting op alle dames- en herenbovenmode’, en daar hadden we met onze aankopen natuurlijk op gerekend. Of ik de kleine lettertjes op de achterkant niet gelezen had, informeerde de caissière nét iets te vriendelijk. Kijk, hier staat het (we pakten de zojuist gekochte HEMA-leesbrilletjes er eens even demonstratief bij): ‘Maximaal 5 hokjes openkrassen!’ - en ik had ze natuurlijk alle acht blootgelegd. Mocht niet. Kraskaart ongeldig. Weg kassakorting van 10%. Dat krijg je ervan als je ook eens met de grote kinderen mee wilt spelen…
Zelfde dag (werkelijk waar), maar nu avond: samen met de buren naar de film, ja (heel) gezellig. En omdat er geen bus reed, gingen we met hun auto. Tijdens de rit had ik me al grotelijks verwonderd over het hypermoderne dashboard met diverse lopende ‘lichtkranten’ – ongetwijfeld het verkeerde woord, maar hoe die voortdurend lopende mededelingen over het weer, de snelheid, de knelpunten op de weg, de temperatuur binnen en buiten, het regionale nieuws, de toestand in de Himalaya en wat niet al, dan eigenlijk wél heten? Ik zou het niet weten. Want tja, als je zo ongeveer een keer per jaar in een auto meerijdt, dan loop je natuurlijk elk jaar méér ‘achter de feiten aan’. Maar deze keer had ik het gevoel dat big brother ons werkelijk in alles per kleine elektronische letter voorschreef over wat en hoe te handelen en te denken. Ik durfde niks meer te vragen of te zeggen, bang dat big brother me in hevig flikkerende letters vóór zou zijn…
Na de film (‘Vier minuten’, wat een muziek, wat een spel!) haalden ‘we’ de auto uit de parkeergarage. Althans dat was het plan. Maar ja, hoe kom je ’s avonds in het donker een parkeergarage binnen? Door dezelfde deur als we naar buiten gegaan waren, natuurlijk. Maar ja, op slot. Dus daar stonden de wereldreizigers in de grote stad D. Als altijd ging ik er vanuit dat de automobilist natuurlijk zelf raad weet in zulke omstandigheden, en dat er van mij in elk geval niks verlangd wordt. Nu even niet dus. Als orthodox gelovige stadsveroveraars liepen we onder leiding van onze eigen Joshua (buurvrouw J.) zevenmaal om de stadsmuren van Jericho heen, in de hoop dat de Ali Baba van dienst onder trompetgeschal de poorten zou openen. (Vergeef me het bij elkaar brengen van sprookjeselementen uit verschillende tijdperken van ons bestaan, maar onze optocht was dan ook te hilarisch voor gewone woorden.)
De oplossing was natuurlijk even eenvoudig als aan de HEMA-kassa: kleine lettertjes lezen! Naast de dichte deur hing een onnozel uitziend kastje (inderdaad, pas bij de zevende keer gezien!) met de eenvoudige mededeling: ‘Parkeerkaart insteken’, en hup, daar sprong de getraliede en gepantserde deur al uit het slot. Waar is de auto? (We overlegden.) En hoe komen we nu buiten? (We overlegden.) Met gepast geld betalen! (Samen kwamen we er uit.) Pijlen volgen! (Tegen de muur?) Wacht voor het rode licht! (Maar we willen eruit!) Parkeerkaart insteken! (Daar zwaait de elektrische deur al open, maar… het rode licht brandt nog! Help!) – Enfin, de borrel thuis was dik verdiend. Een heerlijke avond!
Tot slot een zeer kort gedicht van Judith Herzberg, Bijna nooit, uit de bundel ‘Dagrest’ (Amsterdam 1984) - de verwondering over alles wat je overkomt teruggebracht tot die éne kale constatering.
BIJNA NOOIT
Bijna nooit zie je een vogel in de lucht
zich bedenken, zwenken, terug.
naar boven
6 oktober 2007
Gebroken wit
Begin van de week nog een leeg huis bekeken. Een volkomen leeg huis, tussen twee verhuisbewegingen in - de ene er net uit, de andere er nog net niet in. En daar stonden m’n twee vrienden, beetje ontheemd, letterlijk tussen twee verhuisbewegingen in, al wel eruit, nog niet erin. Vol verwachtingen, maar nog onvervuld. Wie waren ze, waar waren ze, zo zonder hun spullen, hun eigen aardigheden, hun kader, hun houvast, de aankleding van hun ikken? Zo kende ik ze nog niet, beetje ontregeld wel, busy met weinig, niet zozeer dakloos als wel zonder thuis. Ietsje uit hun doen zeg maar, dat valt alleszins te begrijpen. Maar met het vaste voornemen er iets moois van te maken, valt evenzeer te begrijpen.
Zij: ‘Kijk, en dan komt hier onze grenen kast, tegen deze muur, die meneer P. morgen alvast gebroken wit komt sauzen. Dát zal mooi staan, denk je niet?’ / Hij: ‘Ik zei al tegen meneer P.: brengt u maar gebroken wit mee. Zegt die man tegen me: hohojaja, weet u wel hoeveel kleuren gebroken wit er zijn? Minstens vierentwintig. Ik zal u eerst eens wat staaltjes laten zien, dat u weet wat u krijgt. Heeft meneer P. natuurlijk gelijk in, even niet aan gedacht. Zou jij daar aan gedacht hebben dan?’ / Ik: ‘Het zal er evengoed best mooi uit komen te zien, die knappe grenen kast van jullie zo tegen een gebroken witte muur, perfect. En hoe ga je je tafel zetten? Trouwens, wat heb je hier in de woonkeuken een schitterende lichtinval zeg. Ik zie jullie hier op zaterdagmorgen al samen de krant lezen, kan koffie erbij, verse broodjes op de plank, een vleugje zonlicht scheert door het raam, en dat wij dan aanbellen en kwansuis vragen hoe of het met het cryptogram staat.’
Later deze week gingen wij eens kijken of de verhuizer alles netjes en ongebroken overgebracht had, en vooral natuurlijk om het sauswerk van meneer P. te bekijken. ‘Dat wandje? O, meneer P. heeft meteen maar even de hele kamer gedaan. Ja, hij was bang voor kleurverschillen als ie dat in twee of drie keer moest komen doen. Ook het plafond ja. Zelfde gebroken wit, ziejewel?’ Dat konden we zien, inderdaad, een volkomen gebroken witte kamer, van de mooiste soort gebroken wit. - ‘En zo worden alle kamers, mooi he?’ / ‘Dit wordt het mooiste huis, wat zeg ik, dit ís het mooiste huis dat ik in tíjden gezien heb!’ Mevrouw B. juicht het uit. ‘Geweldig, hier voel je je meteen thuis. En dan die zolder, B., heb je die zolder gezien? En het uitzicht, wat een uitzicht! Hier wil je nooit meer weg. O,o,o, wat een huis! En hoe voelen jullie je nu, hier?’
Vanmorgen fietsen wij de stad door, op weg naar onze vrienden van het gebroken witte huis, twee knoepers van moesappelen uit eigen tuin (‘de schone van boskoop’ à 500 gram per stuk) in een papieren zak, voorzien van het heerlijkste appelmoesrecept dat er momenteel verkrijgbaar is (appelmoes), en wie lopen daar in hun korte mouwtjes over het zonnige oktoberplaveisel van het Gravenhof? - ‘Alle dozen uitgepakt? De poezen een beetje tot bedaren? Lekkende kraan onder controle? Eindelijk goed kunnen slapen?’ Alsof ze hier al jaren heerlijk wonen, zo ontspannen staan ze erbij. - ‘Tuutuut, dát is snel!’
Als welkomstcadeautje voor onze uit het Haagse overgekomen vrienden citeer ik hierbij graag het gedicht ‘totaal witte kamer’ van de dichter Gerrit Kouwenaar. Het vers komt uit de gelijknamige bundel (Querido, Amsterdam 2002), en is een ontroerende ode van de dichter aan zijn geliefde vrouw.
TOTAAL WITTE KAMER
Laten wij nog eenmaal de kamer wit maken
nog eenmaal de totaal witte kamer, jij, ik
dit zal geen tijd sparen, maar nog eenmaal
de kamer wit maken, nu, nooit meer later
en dat wij dan bijna het volmaakte napraten
alsof het gedrukt staat, witter dan leesbaar
dus nog eenmaal die kamer, de voor altijd totale
zoals wij er lagen, liggen, liggen blijven
witter dan, samen -
naar boven
|
Bio Balthasar
Kenmerken: Altijd ietwat gehaast, nogal opruimerig van aard, verbalistisch
ingesteld, tamelijk eigenwijs, kan nochtans goed luisteren. Lekkerste verjaardagseten: 1952
(aardappelen, bruine bonen, sla, hard gebakken spek). En o nog zoveel meer.
Houdt van: Literatuur, poëzie, geschiedenis, moderne beeldende kunst, woeste
luchten en landschappen met lage horizon, wandelen, natscheren en klassieke muziek,
thuiskomen en o nog zoveel meer.
Hekel aan: Loslopende honden (maar vooral die baasjes!), elke vorm van
extremisme, machismo, bladblazers en alle andere vormen van teringherrie, tempeh en o
nog zoveel meer.
reageren? balthasar at de-zeepkist.nl
|