home
agenda en tips
redactie
uitgeverij
links

(over) literatuur:
literatuur
recensies
tweedehands boeken

(over) veganisme:
veganisme FAQ
recepten
uit het nieuws
achtergronden bij uit het nieuws
schoenen

weblogs:
balthasarsblog
haasblog
mirjamsblog
mopperblog
nielsblog

mirjamsschrijfsels:
artikelen
columns
recensies
boek

andermensschrijfsels:
joop boer

andere projecten van (medewerkers van) De Zeepkist :
www.nielsdebeer.nl
www.voedselencyclopedie.nl www.leefbarewereld.nl

onderwerpen balthasarsblog:
Ko
Blokkade
De dag dat ik mijn sjaal verloor
Even weg
Baderorgel
Pootje baden
Couleur locale
Halte 'Brug'
Deventer Boekenmarkt
Mulisch tachtig
Want Nederland moet dóór!
Inzicht en uitzicht
Held op blote voeten
Tieleke

1ste kwart 2008
4de kwart 2007
jul/aug/sep 2007
apr/mei/jun 2007
ja/fe/ma 2007
okt/nov/dec 2006
aug/sep 2006
juli 2006
juni 2006
mei 2006
april 2006
maart 2006
februari 2006
januari 2006
2005

balthasarsblog juli, augustus, september 2007


25 september 2007
Ko

‘Ja, en pas als de ellende voorbij is ga je er de humor van inzien, he?’ – Zo probeerde meisje I. me een hart onder de riem te steken. En of we nu weer een beetje geslapen hadden, sinds die man van de Marter Control langs geweest was? En als we nog te moe waren, dan hoefden we niet die reis naar haar verjaardag te ondernemen hoor, dat zou ze dan helemaal niet erg vinden, dat kwam dan later wel. - Tja, als je zo de conclusies uit je balthasarsblog hoort trekken, dan is het misschien toch zaak om klein maar groot gevoeld leed en ergernissen niet sterker dan proportioneel op te pompen. - Maar ze had er wel om moeten lachten hoor, I., om dat gestommel en geraas en dat geloof in glorix-blokjes, dat kon ze nu wel zeggen! En hoe het nou eigenlijk precies in z’n werk gegaan was, wilde ze weten, en of we bang geweest waren?

Enfin, op de afgesproken dag verscheen dus meneer B. van de firma MCU te L. Compleet in gevechtstenue, en met stapels documentatie, ‘kasten’ en ‘paddo’s’. En met een mobiele telefoon uiteraard om voortdurend mevr. B. te ‘contacten’, ook van de MCU maar dan aan de computer en het planbord te L. Dat gevechtstenue was trouwens geen flauwekul hoor, maar strikt terzake doende: meneer is namelijk ook boswachter. En dan krijg je dat, zo’n pak in oorlogskleuren, camouflage is alles! Maar vanaf het moment dat ie dat verteld had, dat ie ook boswachter was, had ik de neiging om hem Ko te noemen. (Ach dat was nog eens een mooie tijd, zondagochtendradio met Burny Bos als Ko de Boswachter! En daarna ‘Dubbellisjes!’, ook leuk luisteren, met z’n vieren in dat grote bed. Maar goed, daar gaat het hier nou niet om.)

Waar het dan wel om gaat: deskundige inspectie van zolder en dakranden. Aha, oude uitwerpselen van een steenmarter, een vrouwtje zo te zien, zietuwel: er zitten allemaal resten van zaden en noten in, en die eten mannetjes niet. En hier, verse keutels van… woelratten! En als ik uw verhaal zo hoor, dan móeten uw huidige problemen beslist om woelratten gaan, hoewel u ongetwijfeld ook nu en dan bezoek krijgt van een of meer steenmarters. Ziet u die beten in dat elektriciteitssnoer? De breedte van de beet is die van de steenmarter, meneer, zonder enige twijfel. Goed dat u ons gewaarschuwd hebt. Ja, het is zo langzamerhand een hele plaag in deze contreien, en soms met desastreuze gevolgen. Zo heb ik hier foto’s van de ravage bij dokter V. te L., rottende prooirestanten op zolder, vliegen en maden die door de gipsplaatjes heen komen, stank en pisoverlast, onhoudbare toestanden. Maar goed, zullen we nu dan eens gaan kijken wat we eraan kunnen doen. – Nou, en óf we dat goed vonden, die foto’s waren werkelijk shocking, en dokter V. hoogst beklagenswaardig!

En zo hebben we nu dus een ‘geluidskast’ (van wel 4 x 5 cm!) in de zoldervloer zitten die de woelratten met hoge tonen ‘uiterlijk binnen vier dagen’ verjaagt. (En laten zitten als de ratten verdwenen zijn, ze zijn weer terug voor je het weet!) - En geurpotten (inderdaad, dat zijn de genoemde ‘paddo’s’) op strategische plaatsen in de achtertuin. En wat meer is, de firma gaat op korte termijn onze dakranden ‘steenmarterproof’ maken, zodat ze niet meer binnen kunnen komen – ‘want die beesten staan werkelijk nergens voor hoor. Zo heb ik hier foto’s…’ Maar daar hadden wij niet zo’n behoefte meer aan. – Zelden een rekening met zoveel instemming betaald.

En om nog even op meisje I. en het opblazen van problemen terug te komen: zelfs daarover gaat wel een gedicht, ook al rijmt het dan niet. ‘Modus operandi’ van C. Buddingh’, uit de bundel ‘Het mes op de gorgel’ – een boekje van 140 paginaatjes om vaak te herlezen! Ook geschikt voor mensen die niks met poëzie hebben. (Oja, ‘modus operandi’ betekent zoveel als: ‘de wijze waarop men iets behandelt’.)

MODUS OPERANDI

hij wilde schrijven ik voel mij
o zo doodongelukkig
maar het kwam niet uit met het rijm

daarom schreef hij toen maar
het leven is heus nog zo kwaad niet


naar boven

19 september 2007
Blokkade

Stel - stel - je hebt een wekelijkse column voor een of ander blad, tijdschrift of weeklog, je zet je aan je computer om te beginnen maar je hoofd is niet vrij. Stel - stel - je hebt al drie nachten achter elkaar slecht geslapen door die dollende steenmarters boven je hoofd en kunt aan niks anders meer denken. De enige firma die je nog hulp kan bieden geeft al de hele dag niet thuis (voice mail met alleen een e-mailadres), en met nog zo’n nacht voor de boeg ben je nu volkomen geblokkeerd geraakt. Luxe problemen, zegt u dat wel. Maar toch, blokkade. Ja, natuurlijk zou je wel aandacht willen hebben voor een Rita Verdonk, een Miljoenennota of een Vakantiebespreking, maar nee, steenmarters is het enige wat je brein nog produceert, overlast van steenmarters. Belachelijk eigenlijk.

E-mailbericht aan de heer B. van de firma MCU te L.: / ‘Geachte heer B., / Helaas is het me vandaag niet gelukt om u telefonisch te bereiken. Maar op uw voice mail kreeg ik wel dit e-mailadres door. Daar maak ik dan nu graag gebruik van om u om uw hulp te vragen. Tussen haakjes: uw telefoonnummer kreeg ik van de afdeling 'Ongediertebestrijding' van de gemeente Z. / Al enige tijd hebben wij op onze zolder (over)last van steenmarters: hard gestommel, hevig geknaag, losse vogelveertjes, uitwerpselen, enzovoort. De laatste nachten is 'het probleem' sterk verergerd, waardoor wij amper aan onze slaap toekomen. Wij hebben inmiddels diverse huis-tuin-en-keukenmiddeltjes (waaronder glorix-blokjes en voortdurend hard geraas) beproefd, zonder enig resultaat. Wij hebben er overigens ook 'totaal geen verstand van'. Vandaar dat we de gemeente Z. om advies vroegen. / In juni van dit jaar hadden wij voor het eerst overlast (gestommel, uitwerpselen). Toen weer een tijdje niets, en nu dan sinds enkele weken in verhevigde mate. / Wij hopen dat u ons op korte termijn kunt bezoeken en advies kunt geven. Wij zitten er echt om te springen! / Met vriendelijke groeten….

Eerder dit jaar (zie 13 juli 2007, ‘Held op blote voeten’) deed ik nog heel luchtig over dit onderwerp (‘Het Probleem Der Steenmarters Op Zolders In Eengezinswoningen En Andere Huizen Voor Menselijke Bewoning’). Nú zit ik breed te gapen achter m’n pc omdat ik niet uitgeslapen ben. Ik ben sowieso al geen grote dierenvriend (in de eng-maatschappelijk-sociologische betekenis van het woord dan, maar daarover een andere keer), maar als dieren dan ook nog eens aan het maltraiteren slaan, dan kan ik ze wel schieten. Wat bij steenmarters overigens in het geheel niet mag omdat het een beschermde diersoort is. En niet dat ik nou van de jacht ben, ook dát al niet, maar ik zou er toch een lief ding voor overhebben als onze steenmarters het pand binnen het uur en zonder al te veel trammelant zouden willen verlaten (om er liefst nooit meer terug te komen!).

‘Met Büscher Marter Control Unit, wat kan Ik voor u doen?’ / ‘Ons uit de penarie helpen misschien? Gister heb ik u een e-mail gestuurd…’ / ‘Ja, onze computer is kapot ziet u. Dus wat kan ik voor u doen?’ / Blablabla mijnerzijds. / ‘U mag zelf helemaal niks doen. Maar wíj wel. Morgen om 11 uur heb ik nog een gaatje. Dan kan mijn man u advies komen geven. Schikt dat?’ / Nou en of dat schikt, en anders tóch!
Kortom, na morgen verder. En tot die tijd zoek ik opnieuw steun bij het gedicht ‘Barlemanje’ van Marten Toonder. Ik gebruikte het al eerder, maar daar kan een goed vers wel tegen! Oja, en vannacht weer watjes in de oren.

BARLEMANJE

’t Was grol en gloei / En slomig broei
In lure, slore stirren.
Het was sar stomig in mijn krol,
Daar stonk een kwalm van schit en brol,
Er sloomden glome knirren.

Ik trok geen moen / En zoog geen droen,
‘k Was grollig, daar mijn kleddel
De vale walm had ingewigd
En norksig drielde naar de schicht,
Die wijlde in de peddel.

Nu dralleboort / Een vuurgaljoort
En knaspert door de klijven.
’t Is of er stomen glomen gaan
En moenen in de krolle slaan
En stoffe stekkels stijven.

Nu gaar ik kwas / En werp ik stras,
Nu is de moen gevangen.
Ik trek een gloederige sproet,
(Als kwalmerige peddel doet)
En droen dralt door de prangen.


naar boven

14 september 2007
De dag dat ik mijn sjaal verloor

Het was allemaal zo mooi begonnen, een prettig aarzelende zon, een broek die lekker zat, Händel’s ‘Music for the fireworks’ op de radio, een net niet bomvolle zondagochtendtrein naar H. zodat m’n dikke zaterdagkrant alle ruimte had. Alleen het cryptogrammatische 12 horizontaal bleef oningevuld, maar de rest: eitje, een zondags eitje. (Met z’n tweeën, dat wel natuurlijk.) Zoals ik al zei, de dag was mooi begonnen en dartelde als een joyeuze zwart-wit-foto van de jonge Marcel Proust in het Bois de Boulogne door mijn hoofd. Zo hoort een zondag te openen. Met voor de namiddag dan nog de belofte van het grand concert bel canto ter nagedachtenis van Luciano Pavarotti – net niet zo groot als Caruso, The Great Caruso, maar tóch: Pavarotti! O de weemoed, ‘Dass war einmal’, wie kent het niet, op zondagochtend, vroeg onderweg naar een jaarlijkse familiereünie die op z’n laatste benen loopt?

In H. speelden ze jeu de boules op straat, het paradeplein was vol culinair geweld, de kathedraal stond pront en pontificaal in de steigers alsof het kanjerfonds eindelijk met de geldbuidel langsgekomen was. Heel H. was op de been, het was maar goed dat de familie tijdig de kroketten, de krentenbollen en de slappe soep gereserveerd had. Als gevulde eieren rolden we daarna het Jheroen Bosch Art Centre binnen, voor een rondgang met uitleg door de middeleeuwse hemel- en hel-verbeelding van Hiëronymus van Aken meergenaamd Bosch, Jeroen Bosch. We leerden onder andere dat burgers en buitenlui met een eivormig geschilderd middendeel beslist van lichte zeden geacht moeten worden. Sterker nog: het hele oeuvre van Bosch is één grote demonstratie van ‘het hele erge’ en de brute straf die daarvan het gevolg zal zijn. En die hemelen dan? Een en al tuttigheid en verveling, verveling en tuttigheid – overgelaten aan de leerlingen uit het schildersatelier. - Bosch schilderde uitsluitend in opdracht, dan krijg je dat.

Op het perron terug naar huis heerste al de drukte van grote tassen schoon wasgoed, met bijbehorend chagrin om de dag van morgen, afscheid, maandag, werkbespreking, college, tandarts, niet opgehaalde rolluiken. Op het NS-bankje lazen wij ons boek, de omringende reclameboodschappen (“Kennedy’s brein”, de laatste en grootste misdaadroman van Henning Mankell – Léés dat boek!), en een verlaat stukje weekendbijlage. Toch nog onverwacht snel was daar de hondekop naar N., ingekankerd vies en vuil, vermoeid en uitgeblust materieel dat al jaren uitgerangeerd is. En toch wilde iedereen mee, dat was dus nog zoeken naar een plekje. - ‘Waar heb ik m’n dasje, m’n Terschellinger sjaal? Daarnet hád ik ‘m nog.’ / ‘Kijk ’s uit het raam B., daar ligt ie, op het bankje. Zwaai maar dag met je handje!’ – En dat deed ik. Zullen we nog terug moeten naar Terschelling om een nieuwe te kopen. Tuurlijk, dóen we. Ooit.

Iets voorbij A. maakt de trein ineens een noodstop. Niet normaal meer, hoewel het vaker voorkomt. De intercom kraakt. De conducteur: ‘Dames en heren, zoals u net gemerkt heeft, heeft de trein een noodstop moeten maken. Bij Pr. is iemand voor de trein gesprongen. We onderzoeken wat er precies aan de hand is. De hulpdiensten zijn gewaarschuwd. Ik moet u alvast meedelen dat dit misschien wel enkele uren gaat duren. Zodra ik meer weet, zullen we u dat laten weten. Einde bericht.’ - Wij spreken onze noodvoorraad koeken (want nog niet gegeten), fruit, water en boeken aan. Een uur later al rijden we weer. Machinist en conducteur zijn vervangen door meereizende collega’s, de zelfmoordenaar heeft alleen een been verbrijzeld en is per ambulance afgevoerd naar het ziekenhuis. Alom heerst mededogen met de afgevoerde machinist en de mislukte zelfmoordenaar. De mobieltjes maken overuren, de eerste grappen waren alweer rond. - Wat is daarbij vergeleken een verloren dasje?

‘Over de zinloosheid van het leven’ is een gedicht van Rutger Kopland. Het komt uit de bundel ‘Het orgeltje van Yesterday’, Amsterdam 1968. Wie weet heeft iemand hier iets aan.

OVER DE ZINLOOSHEID VAN HET LEVEN

Vind je het leven niet zinloos
zei hij. Het grint knarste onder
onze voeten. In plaats dat hij
blij was, je kon zien dat de winter
verging. Hoe bedoel je zei ik.
Hij bedoelde zinloos. De zon
scheen en de spiegel-gladde vijver
lag alweer te stinken van smerig
leven in beweging. Waarom bedroefd
zijn of boos als je niet wordt
begrepen, ik kon hem immers ook
niet volgen.


naar boven

30 augustus 2007
Even weg

(ADVERTENTIE)

De ‘balthasarsblog’-praktijk is wegens vakantie gesloten van 30 augustus t/m 9 september 2007. Hiervan zal tzt passsend verslag gedaan worden. Geduld vrienden, en wacht u rustig af. Het land kon toch ook gemakkelijk twee maanden zonder Jan Peter Balkenende en Matthijs van Nieuwkerk?

Praktijk wordt waargenomen door Jan Blokker sr. en jr. (NRC Next, van hem is ook de titel geleend / resp. de U-pagina in deVolkskrant), Martin Bril (als ie op dreef is in de Volkskrant, en het vooral niet over z’n dochters heeft), Drs. Mallebroodje (Dennenweg-Den Haag, tevens uitvinder van het jonge ding uit de achterban, meergenaamd ‘Tot zoens’), John Jansen van Galen (MHOOM’s ‘Gute nacht, Freunde’ – zondagavond wordt de uitzending altijd besloten met een gedicht, een serieus gedicht), Niels (www.nielsdebeer.nl), Hans Dorrestijn (voor papieren vogelkijkers). Maar u kunt natuurlijk ook de plaatselijke politie bellen.

Tot die tijd hieronder begin en eind van een tekst van Jacques Brel, in de vertaling van Ernst van Altena. Ergens in de verte heeft het iets met de balthasarsvakantie te maken. Leve het leesplezier, zou ik zeggen. Enne, vult uzelf even het ontbrekende stuk in? Zet de plaat/CD maar op, en zing mee!

MIJN VLAKKE LAND

Wanneer de Noordzee koppig breekt aan hoge duinen
En witte vlokken schuim uiteenslaan op de kruinen
Wanneer de norse vloed beukt aan het zwart basalt
En over dijk en duin de grijze nevel valt
Wanneer bij eb het strand woest is als een woestijn
En natte westenwinden gieren van venijn
Dan vècht mijn land, mijn vlakke land

[Wanneer de regen…]

[Wanneer de lage lucht…]

Wanneer de Schelde blinkt in zuidelijke zon
En elke Vlaamse vrouw flaneert in zon-japon
Wanneer de eerste spin zijn lentewebben weeft
Of dampende het veld in juli-zonlicht beeft
Wanneer de zuidenwind er schatert door het graan
Wanneer de zuidenwind er jubelt langs de baan
Dan juicht mijn land, mijn vlakke land


naar boven

21 augustus 2007
Baderorgel

[Voorafje in de herhaling: Twijfelt u wel eens aan de leesbaarheid van die lange lappen balthasarsblog? Ga dan eens bovenin het scherm naar de knop 'Beeld', en vervolgens naar 'Tekengrootte' - en trakteer uzelf dan op 'Groter' of 'Extra groot'. Dat is een hele verbetering, niet?]

‘Tiedadiedadiedadom. Tadiedadiedadiedadomdomdom.’ – Nou, dat klonk als een klok hoor, toen organist Wilbert Berendsen tijdens de inleiding op zijn concert even voorzong hoe men zich het begin van Franz Tunder’s ‘In dich hab’ ich gehoffet, Herr’ moest voorstellen. Vanwege de luid en breed uitwaaierende akoestiek in de oude kerk leek het wel of Berendsen in zijn eentje een heel koor stem gaf. Bovendien had hij ook nog de steun en vergalming van een volkomen overbodige geluidsinstallatie in de rug. Dat ‘Tiedadiedadie…’ was dan ook meteen het enige verstaanbare van zijn hele inleiding. Maar ik was volmaakt tevreden met een intro die uitsluitend op de gezongen canon van ‘Tadiedadieda…’ neerkwam. Al het andere zou er maar afbreuk aan gedaan hebben. Ik ging er eens goed voor zitten.

Na onze zondagse wandeling waren wij vermoeid door het lome weer in het centrum van Z. uitgekomen. Twee bussen goed Duits publiek (‘Theo’s Reisen Münster’) luisterden plichtmatig naar de scherp en hard getaalde explicateur (‘Und an die linken Seite des…’), laatste-vakantiedag-toeristen zaten massaal aan het Italiaanse Talamini-ijs op de terrassen, en wij liepen een beetje suffig tegen het informatiepaneel van de Walburgiskerk aan. ‘Baderopdezondagmiddag,’ riep het ons toe, ‘Wilbert Berendsen Baderorgel’. Aha, cultuur van de bovenste plank, dachten wij. Plus vermoeid, dat kwam dus mooi uit: uitrusten bij superieur orgelspel op een van de mooiste orgels ter… Enfin, gaat u bij gelegenheid zelf eens naar de site van de Stichting Bader Orgel, en misschien laat u zich meteen wel verleiden tot het bestellen van de ‘Nieuwe CD!!! – Schübler-Choräle van J. S. Bach, uitgevoerd door Klaas Stok’. – Ikzelf aarzel nog.

Binnen vijf minuten na aanvang van het orgelspel vocht ik tegen de slaap. Alle noten en registers van Dieterich Buxtehude’s ‘Praeludium in d’ (Bux WV 139) vloeiden ambrosiaans in elkaar over tot een machtig maar monochroom breiwerkje. Lag dat alleen aan mij? (Dat is altijd de eerste vraag die je jezelf moet stellen als je iets eigenaardigs gewaarwordt. Zeker als je boven de zestig en onzeker over kerken en orgels bent.) In de spaarzame heldere momenten tijdens het concert was ik geneigd om de enorme galm van de kerk als boosdoener te beschouwen. Zelfs het voorgezongen ‘Tiedadiedadiedadom’ kon ik nergens en op geen enkel moment in het orgelspel herkennen, terwijl ik daar toch écht op zat te wachten. Hoe dan ook, na afloop van het concert bleek tot mijn eigen verwondering mijn eigen ongelijk: alle veertig aanwezige orgelliefhebbers klapten zich de handen stuk en brachten de afdalende organist een staande ovatie-met-bloemen-toe.

Had ik dan misschien op de verkeerde plaats in de kerk gezeten, probeerde ik nog. Maar daar kwam ik niet echt goed uit. Want de organisatie had speciaal voor ons een stelletje ongemakkelijke stoeltjes precies middenin de kerk klaargezet, terwijl de hele verdere ruimte een keur aan luxe, moderne stoelen en/of gemakkelijke banken demonstreerde. Kosten noch moeite waren dus gespaard om ons in de juiste positie te brengen, uiteraard met frontaal zicht op het barok versierde Baderorgel (‘door Henrich Bader gebouwd van 1637 tot 1643 – een wonder van schoonheid en perfectie’), daar lag het dus allemaal niet aan. En ik begon me steeds meer de keizer zonder kleren te voelen, ook niet meteen de meest benijdenswaardige sprookjesfiguur. Om goed wakker te worden, en tevens om de tijd tot de eerstvolgende bus te overbruggen, trakteerden wij onszelf op een kop koffie bij stationscafé ‘De passant’ (“Nu met verassende lunchtips!” – écht waar). Daar zaten nog twee koffiedrinkers, in half geanimeerd gesprek: ‘Hoe ik dát meer dan een uur heb volgehouden?! Ik zou het níet weten! Hèhe!’ – Opgelucht stapte ik de bus in. Zie je wel, dacht ik, ik bén het niet alleen!

Sommig orgelspel is net als sommige soorten poëzie. Je hóeft niet alles te begrijpen of te horen om het mooi te vinden. Neem nou ‘Vera Janacopoulos’ van Jan Engelman. Daar ’vloeit’ ook alles, maar begrijpen???

VERA JANACOPOULOS - cantilene

Ambrosia, wat vloeit mij aan?
uw schedelveld is koeler maan
en alle appels blozen

de klankgazelle die ik vond
hoe zoete zoele kindermond
van zeeschuim en van rozen

o muze in het morgenlicht
o minnares en slank gedicht
er is een god verscholen

violen vlagen op het mos
elysium, de vlinders los
en duizendjarig dolen


naar boven

15 augustus 2007
Pootje baden

DE VASTE gast, vormvast vergroeid met de picknicktafel aan deze kant van het water: ‘Aan de overkant is het nog vier centimeter dieper.’ / De fietstoerist in lange broek en sandalen: ‘Wat?! Nóg dieper? En híer worden de fietstassen al nat, dat zie je zo. Daar begin ik niet aan hoor! Kom Stien, we gaan terug!’ / Stien, pront en goedlachs, driekwarts broek: ‘Ach wat, joh, het is vakantie. Wat maken die paar natte voeten nou? En dan til je je fiets toch een beetje op als je bij het diepste punt bent. Die broek die droogt wel. - Dit is toch leuk, een avontuur bij Gorssel? Krijg je er zomaar gratis bij: prachtige fietstocht langs de IJssel-bij-hoog-water, óver met het pontje, en dan ook nog pootjebaden. Manman, wat een verhaal! Daar zullen de kinderen van smullen.’

DINSDAG 14 augustus 2007: de IJssel krijgt het overvloedige regenwater uit Zwitserland en Duitsland te verwerken. Hoog water aan de IJssel is niet zo bijzonder, maar wél als het in augustus is. En dat is het. De pontjes varen (nog tot oktober), maar weten niet goed raad met zulk hoog water. De meeste aanlegsteigertjes deinen met de waterstand mee omhoog en omlaag, maar de loopstrips naar die steigertjes liggen muurvast. Die blijven waar ze zijn, en verroeren zich niet. Laag water kan ze niet schelen, maar bij hoog water laten ze het kopje (of liever: de voetjes) hangen. Het middendeel duikt tot ruim boven de knie onder water. Dus tot en met de kettingkast en de onderkant van de fietstassen. - De zon schijnt vrolijk, wolken jagen door de lucht. Plezier- en vrachtvaart doen of hun neus bloedt, hun vlaggen wuiven ons vriendelijk gedag.

BIJ HET INschepen aan de overkant klinkt luid gelach, en dat duurt maar en dat duurt maar. Aan deze kant dus ruim de tijd om schoenen en kousen uit te trekken en onder de snelbinders te verankeren. Ik raak aan de praat met Stien, de driekwart-broek-mevrouw die ondanks de bezwaren van meneer bezig is om zich voor te bereiden op de overtocht. ‘Ja kijk, m’n inlegzooltjes moeten natuurlijk niet nat worden, want die zijn zo nog maar niet droog. En van m’n schoenen vind ik het sowieso zonde. Dus op blote voeten dan maar. Ik hoop dat er geen metalen roostertjes onder het water liggen, want dat is pijnlijk voor deze voetjes hoor.’ – Nu ze het zegt, veel aanlegstrips bestaan uit metalen rooster-platen, met van die scherpe vierkantjes waar het water doorheen kan klotsen. Ik hoop met haar mee, want ik heb ook van die tere voetjes met weinig vlees op de botten.

EINDELIJK arriveert het pontje, de passagiers dopen om de beurt hun fiets en waden moeizaam naar ons toe. Met van alles en nog wat worden de voeten gedroogd, de stemming lijkt wat bedrukter dan bij het inschepen. Maar waarom? Daar kom je zomaar niet achter. - ‘Aan de overkant is het water een stuk dieper,’ zegt dochter 1. ‘Volgens mij is het híer dieper,’ meent dochter 2. Moeder twijfelt, maar neigt naar de overkant. En wij gaan aan boord. Het water is heerlijk, de loopplanken zijn gelukkig van hout en goed zichtbaar door het blauw-zilveren IJsselwater – tot halverwege, dan slaan de metalen roostertjes ongenadig toe. Het looptempo daalt, maar we halen het! Aan boord blijken we maar met z’n vieren te zijn: Balthasar, mevrouw B., de driekwart-mevrouw en ‘De man die niet wilde’. Alle anderen hebben het laten afweten, zijn omgekeerd, of besloten tot een picknick aan deze kant van het water. De veerman stelt met een big smile voor om de vaarprijs te verdubbelen. ‘Niks d’rvan,’ komt mevrouw Veerman ertussen, ‘voor ons is het ook een leuk avontuur hoor. Echt iets bijzonders.’

WE ONTSCHEPEN aan de overkant. Het water is wel twíntig centimeter dieper. Te laat hijs ik m’n fiets omhoog, dan maar natte fietstassen (en inhoud). Van de wachtende fietsers keert er niet één om. Kijk, de dapperen wonen altijd aan de overkant! – Als we verder fietsen komt ons een gezin-op-fietsvakantie tegemoet. ‘Vaart het pontje?’ roept de moeder ons vragend tegemoet. ‘Jazeker,’ roept mevrouw B. terug, ‘en je moet dóór het water naar de boot toe.’ – ‘O, leuk!’ joelen de twee kinderen, en ze zetten er nog een tandje bij. Vader zwijgt, achterin het peloton, maar geeft geen krimp.

TER AFSLUITING ende overpeinzing over zoveel fraais, een gedicht van Rutger Kopland, uit de bundel ‘Een man in de tuin’, afdeling ‘Stroomdal’, gedicht VI. ‘Stroomdal’ gaat over de Drentse A, maar het had evengoed de IJssel kunnen zijn – denk ik.

STROOMDAL - VI

Het landschap met de rivier, het ligt alsof
het bedoeld is dat het daar ligt, voor mij

en alsof het bedoeld is dat ik
hier ben en dit zie

maar het landschap ligt er toch wel
of ik hier nu ben en het zie, of niet

het is het toeval dat het wilde, dat we zijn
waar we zijn, ons bijeenbracht en scheidt


P.S.
Twijfelt u wel eens aan de leesbaarheid van die lange lappen balthasarsblog? Ga dan eens bovenin het scherm naar de knop 'Beeld', en vervolgens naar 'Tekengrootte' - en trakteer uzelf dan eens op 'Groter' of 'Extra groot'. Dat is een hele verbetering, niet?

naar boven

14 augustus 2007
Couleur locale

Niet dat ik augustus ervan verdenk de kleurenmaand bij uitstek te zijn… De natuur is normaal gesproken al op z’n retour, de hoopvolle verwachting van de lente is vervlogen en de herfst is hopelijk nog ver weg, de zon kan onbarmhartig zijn net als de loodgrijze lucht of de groen uitgeslagen witte grafsteen van Karel Appel op Père Lachaise. Geen ideale omstandigheden dus voor een regenboog heldere kleuren. (Vooruit dan, even snel het ezelsbruggetje herhalen: ROGGBIV, dat is/zijn rood, oranje, geel, groen, blauw, indigo, violet. In deze volgorde, en niet anders.) - Maar dan augustus 2007, meer in het bijzonder de eerste helft van augustus 2007, in Balthasars beleving van zijn allernaaste omgeving. Een staalkaart van prachttinten, dat heb ik te melden, half augustus 2007, gaat dat zien, het kan nog net!

Witte Wijk
Afgelopen zaterdag waren wij te gast bij m’n oudcollega H. en zijn betere helft M. Het was jaren geleden, en hun bijzondere huis stond me tegelijk helder en vaag voor de geest. Vaag omdat het jaren geleden was, dat zei ik al; helder omdat het in de Witte Wijk van Eindhoven staat, ook wel het Witte Dorp genoemd. De WW is de laatstgebouwde vooroorlogse Eindhovense woonwijk ter rechterzijde van de Geldropse Weg. De wijk werd voor personeel van Philips ontworpen door de geliefde architect Dudok, ook (wat heet!) bekend van het Hilversumse Raadhuis en onder nog heel veel meer van enkele pompstations, waarvan er één naar het Autotron in Rosmalen overgebracht is. Als je van architectuur houdt, en Eindhoven is je niet te min, dan moet je daar eens gaan kijken: gaan kijken hoe die ruime prachtwijk (Rijksmonument!) er in het augustuszonlicht bij staat en ligt: schit-te-rend gekleurd wit, en toch geen zonnebril nodig. En niks met een eigen variantje verf die dakgoot even bijwerken of die ene ontbrekende rode dakpan vervangen, alles allemaal altijd in Stijl! Gaat dat zien! – Nog even dit: te koop is er praktisch nooit iets, ze zijn me daar gek! Schöner Wohnen kan haast niet.

Paarse heide
Onze maandagse wandeling van 13 augustus trof min of meer bij toeval het heidegebied van de Veluwezoom in opperste feestkleding aan. Weken vroeger dan ‘normaal’ stond me daar dat hele berg en dal in onbeschrijflijk (en ik gebruik die term omdat ik er inderdaad geen adequate kwalificatie voor kon bedenken), in onbeschrijflijk kleurig paars te schitteren en te pronken. De ene helling nog pronter dan de andere, zo ver het oog reikte en zo diep als je maar kon drinken (ik kan het ook niet helpen, maar clichés zijn hier onontbeerlijk: het is ook niet te beschrijven, elke uitdrukking schiet te kort, bovendien ontbreekt daarin de herhaling herhaling herhaling van de beleving van de pracht en de intensiteit van het paars alom). Ik zal niet zeggen dat ik er sprakeloos van was, maar diep geroerd, dat zeker. – Half augustus, en weken ‘te vroeg’. Maar mooier paars bestaat er niet. Van Gogh had het gekund, misschien.

Goudgroen grasland
De tweede snee van het seizoen lag er vanmorgen – dat zeg ik verkeerd: het resultaat van de tweede snee van het seizoen lag er vanmorgen fris gewassen en gestreken bij. Tig percelen kortafgemaaid grasland, in alle tinten groen die de natuur maar kent, plus één. Daar waar de vroege zonneschijn over de nog half natte velden strijkt, en de kijkhoek vanaf de dijk waarover je fietst precies klopt met de stand van diezelfde zon, dáár vertoont dat ene perceel een combinatie van goud en groen die met recht ‘goudgroen’ genoemd mag worden. Schitterend toch om bij de geboorte van zo’n nieuw trefwoord aanwezig te mogen zijn! Vroeger zou je in alle bescheidenheid koningin Juliana geciteerd of toch minstens geparafraseerd hebben: Wie ben Ik dat ik dit mee mag maken? Goudgroen grasland, meer dan een plaatje!

Blauw-zilveren IJsselwater
We gingen even naar de hoge waterstand kijken, natuurlijk, dat is je voorrecht als je in de buurt van de IJssel woont. We fietsten… ach wat, dit is te mooi om in een korte alinea af te doen. Beter morgen maar een blogje extra schrijven, over de kleur van water, meer in het bijzonder over de kleur en de extra geneugten van hóóg augustuswater in de IJssel.
Tot die tijd moet u het doen (!) met onderstaand vers van Pierre Kemp, die altijd zoveel kleur in zijn gedichten deed (en nog steeds doet, ook al is hij inmiddels al 40 jaar dood). Door hem ga je altijd intenser kijken!

HALF VIJF EN NOG GEEN GEDICHT

Ik zit in Maart-geel licht te denken:
half vijf en nog geen gedicht.
Er is geen visioen of andere geschenken,
geen enkel teken op mijn vraag.
Alleen een vogeltje met blauwe schoenen
van zijde met zilveren gespen op
klimt langs de waaiers nieuwe groenen
en zwaait zijn rank muziekje uit zijn kleine kop.
Zijn vlaggetje klank is zo zijn eigen feest.
Voor hem is ’t zeker al half vijf geweest!


naar boven

7 augustus 2007
Halte ‘Brug’

* De verleiding was acuut, onblusbaar en totaal: uitnodigende koffiekannen op een picknicktafel midden in het weiland voorbij Windesheim. Een plaatje waar Klaas Gubbels jaloers op zou worden. Tja… en als je geen tijd gehad hebt om op station Zwolle te restaureren van een twee uur durende treinreis, noch de gelegenheid gekregen hebt om in het ‘voetbalcafé’ nabij ‘Halte Brug’ bij te tanken, ja dán, dan ben je geneigd ‘er’ weer in te gaan geloven bij de aanblik van Volle koffiekannen op het gras. Eindelijk de gerechtigheid van het ‘Yes!’ oproepende gevoel, ontlading en opluchting. De koffie (en trouwens ook de thee, de Bussink-bijtjes en de hele entourage) was prima en de hilariteit algemeen. Er kwam genadeloos schot in de dag.
* Op de tafel tevens een ‘gastenboek’ met het verzoek om daar toch vooral iets in te schrijven. En alwie nu neerstrijkt bij de picknicktafel in het weiland voorbij Windesheim kan daar levensberichten lezen van het wandelclubje VV (VoetVolk GoedVolk Sinds 2001), met deelnemers en gastlopers uit E., E., U., S. en op een haar na ook uit H. Zeven ‘man’, op déze dag bijgenaamd The Magnificent Seven. (Overdrijven mág, soms, want vakantietijd.) – En groot was het medeleven met de passerende fietsers en wandelaars, wier verlangende blikken wij maar al te goed herkenden.
* Kwiek als damherten na de drenking hervatten wij de tocht, dronken met diepe teugen het landschap in, en begroetten de solitaire bouwvakker die een ‘heel aardig optrekje’ aan het restaureren was. Hij wuifde ons terug met de mededeling ‘Ie het er mooi weer bie.’ En hervatte met veel geweld en stofwolken het doorzagen van grote rode plavuizen, waarop wij onze pas nog wat versnelden. ‘Ie het er rooi stof bie!’ riep iemand, op z’n minst in gedachten, terug. Maar dat kwam niet echt over, geloof ik.
* In het VV-logboek van 2 augustus 2007 noteerde secretaris B. later op de dag onder andere: ‘In Zwolle bus 191 van 10.34 uur naar Deventer genomen. Uitgestapt bij Halte Brug, Windesheim.’ / En ook: ‘Deel van het Maarten van Rossum-pad gelopen, van Windesheim naar Hattem (via het pontje), met een ‘oneigenlijk’ slot van Hattem (opnieuw via het pontje) naar Zwolle. Totaal 9 + 5 = 14 km.’ / En ook: ‘Enigszins onverwacht goed wandelweer. (Graden koeler dan gister, géén regen, niet al te zonnig.) F. en J. waren nog zo bevangen door de hitte van gister dat ze praktisch in zwembadkleding aan de start te Zwolle verschenen, totaal niet voorbereid op de verwachte weersomslag, en onderweg tóch nog iets uit wisten te trekken. (Gelukkig kwam de omslag ’s avonds laat pas echt.) Om met oud-collega J.J. te spreken: de domste boeren hebben de dikste aardappelen.’ – Wie corrigeert in godsnaam zo’n secretaris?
* Hoewel ons wandelclubje nooit ofte nimmer de natuur geweld aandoet door gehos, geroep of gezang, roept dit VV-tochtje werkelijk onvermijdelijk herinneringen op aan het hilarische wandellied ‘Jo met de banjo / En Lien met de mandolien’ – tekst en muziek van Toon Hermans (wist u dat?), en bewonderenswaardig energiek gezongen door Jasperina de Jong (in 1967!). Ik citeer hier alleen het eerste couplet met refrein, want het is een lang lied, en zó lang is een wandeling van 14 km nou ook weer niet. Een kopie van de volledige tekst wordt verloot onder de juiste explicateurs van de uitdrukking ‘zonder ha-heerlijk-Hunter’, of is het oorspronkelijk ‘zonder ha-Hunter-heerlijk’?

DE WANDELCLUB

Wij zijn dol op de bossen
Daar kunnen we hossen
Daar kunnen we klossen
Wij zijn dol op de heide
Op de weide
En op de natuur
Geef ons de frisse weide want je kunt er
Zo genieten zonder ha-heerlijk-Hunter
Wij willen geen nicotine
Wij willen de mandoline
Van je pingele pingele pingele pingele pong
Picknicken is zo fijn
Niks pikken voor de lijn
Dat mag voor ons overbodig zijn

Jo met de banjo
En Lien met de mandolien
Kaatje met haar mondharmonicaatje
Truitje met haar luitje
Je moet dat clubje zien
Dol op een man
Dol op een man
We zijn zo dol op een mandolien


naar boven

5 augustus 2007
Deventer Boekenmarkt

* De eerste zondag van augustus is al negentien jaar de zondag van de Deventer Boekenmarkt. U kent de specificaties uit de krant: grootste boekenmarkt in Europa, ruim 6 km lang, meer dan 850 kramen, een slordige 125 duizend bezoekers, een vracht aan activiteiten en happenings. En zonnig weer. De markt begint ’s morgens om half tien, maar om zeven uur al is het onmogelijk om de eerste bezoeker te zijn aan IJsselkade of binnenstad. Als je iets zoekt, vind je het daar. Als je niks zoekt, vind je dat ook.
* Dat wilden wij wel weer eens meemaken. Dus stootte de wekker ons om zes uur uit de slaap, en na wat getreuzel fietsten wij om acht uur aan. Naar Deventer, 11 km zonnige vakantieochtendsfeer zonder verkeer. De fietsen lieten we achter bij de eerste brug over het grote water, en met de rugzakken aangegord en de zonnehoed bij de hand trokken wij van leer. Waar ook alweer te beginnen? Bij de informatiestand aan de voet van de brug natuurlijk, infoboekje gekocht (de eerste buit was binnen), plattegrondje bekeken en geconstateerd dat alle binnenstadsgeldautomaten prominent groen geaccentueerd waren. Ook de toiletposten waren duidelijk aangegeven, maar slechts twee in getal. Gewoon beginnen bij de eerste kraam aan de rechterhand dus maar.
* Uurtje kijken en keuren, kopje koffie drinken, even uitrusten. En hup maar weer. Nog een keer en nog een keer. En dan is het op. Net als het geld. Dan is het tijd voor wat anders. Een mooie fietstocht aan de andere kant van de IJssel. En dan naar huis voor een diepere blik in de aanwinsten in de gratis ‘Tijd voor lezen’-tas van subsponsor NS. Onderweg nog ‘aan zo’n fruitkraampje’ langs de IJssel heerlijke pruimen en peren gekocht – het was daar een complete opstopping van heengaande recreatiefietsers en weerkerende boekenfietsers. Een zonnige zondagmiddag langs de IJssel, dat geeft me een drukte aan fietsers zeg.
* In de tas een oogst van acht titels, waaronder enkele boeken van Günther Grass die hier een revival beleeft sinds we ‘De rokken van de ui’ lazen (Balthasarsblog van 27 mei jl.). Tevens een geschiedenis van de moderne schilderkunst met essentiële platen, een prachtuitgave over ‘grote monumenten en hun bouwwijze’ (waar mevrouw B. zich ogenblikkelijk en totaal aan verslingerde), ‘Soep lepelen met een vork’ van Harry Mulisch (een hartstochtelijk pleidooi tegen de spellinghervomers uit 1972 waar ik zeker nog op terugkom), en als klap op de vuurpijl ‘een rijk geïllustreerde editie’ van ‘De oorsprong der soorten’/’On the Origin of Species’ van Charles Darwin - een van de boeken ‘die de wereld veranderden’, tevens besproken in het voortreffelijke VPRO-zondagochtendprogramma OVT van twee weken geleden.
* Bij zowat alle kramen die wij passeerden was het heel vroeg al zeer druk, een enkele kraam van ‘De Nederlandse Vingerhoedclub’ (ik kan het ook niet helpen, maar zo heette die kraam, standnummer 680/681, echt) daargelaten. Maar het drukst was het toch bij de kramen die gewone actuele boekhandelsboeken verkochten waar iets mee was: kleine smetjes, lage prijsjes - ‘De wandelaar’ van Adriaan van Dis bij voorbeeld met vijf euro korting. Andere stands trokken zo hun specifieke eigen publiek, zoals ‘De Tolkienwinkel’, ‘De Vlo’ (boeken over films), ‘De Vreemde Zaak’ (strips), ‘De Boekenvreugd’ (met schaakboeken) – ik doe maar een greep, er zijn werkelijk tientallen verschillende specialisaties. En er is kennelijk overal een publiek voor.
* Helaas heb ik Gerrit Komrij niet gespot, die gisteravond in ‘Met het oog op morgen’ aankondigde dat ie zijn hele riante honorarium (voor deelname aan de zaterdagse Deventer Manifestatie ‘Het tuinfeest’) ’s morgens vroeg al op de boekenmarkt zou gaan verbrassen. Waarschijnlijk was ie al weg toen wij arriveerden, terug naar Portugal, om zijn nieuwe aanwinstje in te passen in de ’30 à 40 duizend’ boeken die hij al heeft.
* Deze keer niet naar poëzie gekeken. Was geen beginnen aan. Er waren maar liefst tien kramen die niks anders verkochten…

naar boven

30 juli 2007
Mulisch tachtig

* Niks om over op te scheppen, maar van Harry Mulisch heb ik zo’n vijftien boeken in de kast staan, een fractie van wat die man allemaal geschreven heeft. Boeken lézen doet hij niet want hij ‘is een schrijver’. Benieuwd wat ie dan allemaal in die boekenkast van ‘m, in die nationaal en van tv bekende werkkamer, heeft staan? Vooral veel eigen werk denk ik, elke keer dat er een nieuw boek of een nieuwe druk van een bestaande titel uitkomt krijgt hij er daarvan telkens weer zo’n twaalf à vijftien exemplaren. Nou, als je weet dat er van sommige titels tientallen drukken verschenen zijn (nu, juist deze week van ‘De aanslag’ de vijftigste druk - een jubileumuitgave in klein vierkant formaat met stofomslag, mooi gebonden, een fraai hebbedingetje, en dat voor vijf euro!), dan kun je dus gerust aannemen dat hij een grote boekenkast vól heeft en toch nooit iets te lezen in huis heeft. Want eigen werk herlezen doet HM ook nooit. Harry Mulisch is een van de weinige Nederlandse auteurs die geheel en al (en ruim) van hun schrijverij kunnen leven. HM is een schrijver die zichzelf genoeg is.
* Tientallen interviews zijn er de laatste weken met HM verschenen. Daarvan heb ik er maar enkele gelezen. Een ervan was beslist interessant, het staat in het zomernummer van ‘Hollands Diep’ (= hét Nederlandse blad voor kunst, cultuur en vooral literatuur). Maar daar staat meer in: fragmenten uit het dagboek dat HM bijhield toen hij ‘De ontdekking van de hemel’ aan het componeren/schrijven was. En dat is uniek, eerstens omdat HM nooit dagboeken bijhoudt, en tweedens omdat dít dagboek niet voor publicatie bedoeld is. Maar ja, hoofdredacteur van Hollands Diep is Robbert Ammerlaan, en die is toevallig ook directeur van Uitgeverij De Bezige Bij - waar, u begrijpt het, al het werk van Mulisch verschijnt. Dan ben je in het voordeel, zeg maar. En HM is zo’n schrijver die vaak bij zijn uitgever over de vloer komt, en dan bij voorbeeld en passant een pak printpapier voor zijn computer mee naar huis neemt. Geloof maar dat die twee blij zijn met elkaar.
* Ik ken HM, althans zijn werk, sinds m’n middelbare-schooltijd: ‘Voer voor psychologen’, ‘Het zwarte licht’, ‘Archibald Strohalm’, ‘De diamant’, korte-verhalenbundels als ‘De versierde mens’ waarin als hoogtepunt het verhaal ‘Wat gebeurde er met sergeant Massuro?’ – een meesterwerkje uit 1957 dat ik in 1959 leerde kennen door de Prisma-pocket ‘Moderne Nederlandse verhalen’ – en dat ik beschouw als een van de drie mooiste korte verhalen uit de Nederlandse literatuur (de andere twee: ‘Een dag uit het leven van David Windvaantje’ van Maarten Biesheuvel, en ‘Dominee met strooien hoed’ van Jan Wolkers, maar dit natuurlijk geheel terzijde). Sergeant Massuro is zo’n verhaal dat zich uitstekend leent voor bed-voorleessessies tijdens de zondagochtend in herfsttijden. (Net als ‘Boerke Naas’ van Guido Gezelle en ‘De Wind in de Wilgen’ van Kenneth Grahame, maar ook dit weer geheel terzijde, vanzelfsprekend).
* Is HM een groot schrijver? Daarvoor moet u al die andere interviews en artikelen maar lezen, speciaal het artikel van Michaël Zeeman in de Volkskrant van vandaag: ‘Lof van de 17-jarige’. Vindt HM zichzelf een groot schrijver? Reken maar. Getuige o.a. dit citaat in dat interview in Hollands Diep, over o.a. ‘De ontdekking van de hemel’: ‘Ik heb een soort roman geschreven die een hele hoop schrijvers zouden willen schrijven maar niet geschreven hebben. En het wordt gewaardeerd. Hoeveel exemplaren zijn er verkocht? Zeshonderdduizend? Duitsland ook. En dan zijn er nog dertig andere landen waarvan ik het niet weet.’
* Mulisch-titels die bij mij hoog staan aangeschreven: ‘Het stenen bruidsbed’ (Duitsers tijdens WO II voor het eerst ook gezien als slachtoffers in plaats van alleen maar als daders), ‘De zaak 40/61’ (over het proces Eichmann in Israel), ‘Siegfried’ (hoe nu, als Hitler een zoon gehad zou hebben?). HM schijnt vroeger ook vrij wat poëzie geschreven te hebben. Daar ben ik geen kenner van. Ook al heb ik wel wat. Bij voorbeeld de bundel ‘De wijn is drinkbaar dank zij het glas’ uit 1976. Daaruit nu het gedicht ‘Ongerijmdheden 11’.

DAT KOMT GEWOON DOORDAT ZIJN VADER EENS.
gewoon omdat zijn vader in zijn jeugd.
doordat zijn vader in zijn jeugd gewoon.
gewoon al in zijn jeugd zijn vader toen.

omdat zijn vader ooit eens tegen hem.
ooit gewoon eens in zijn jeugd hem tegen.
dat komt gewoon doordat zijn vader ooit.
gewoon hem in zijn jeugd toen ooit al eens.

ooit eens tegen hem en nooit zijn moeder.
nooit zijn moeder in zijn jeugd zijn vader.
gewoon toen tegen hem zijn moeder ooit.
nooit eens in zijn jeugd gewoon ooit vader.


naar boven

26 juli 2007
Want Nederland moet dóór!

* U kent die irritante radiospotjes wel: ‘Rijkswaterstaat werkt aan de weg! Overal! Dus ga goed voorbereid op weg! Van A naar Beterrr! En niet terug! Want Nederland moet dóór! Moet dóór! Dóór!’ – Maar is dat wel zo? Wordt Nederland wel beter van al dat asfalt, al die nieuwe wegen, al die geluidsschermen en onderboorde tunnelbakken, van al die wegomleggingen en wegaanpassingen, van al dat opkrikken en verbreden, van al die opgeofferde weilanden, bossen, leefgebieden, braakliggende ruimtes en woonlokaties met bijbehorend fijnstof, binnenspelende kinderen en dichtgekitte ramen?
* De laatste 15 jaar is autorijden in Nederland goedkoper geworden, en openbaar vervoer juist duurder (deVolkskrant 24/07/07). Elke 18-jarige, okee bíjna elke 18-jarige, claimt vanaf die verjaardag een auto (hoe gammel en vervuilend ook) en de bijbehorende ruimte aan rijweg, parkeervoorziening en verontreinigingsquotum. En Nederland geeft hem dat, moedigt hem aan, tot stikkens toe. – ‘Want Nederland moet dóór!’ Ammehoela, Nederland moet dóor! Nederland is krankzinnig geworden. En onverantwoord bezig. En inhalig. En stompzinnig. En vooral kortzichtig en egoïstisch. Op deze manier moet Nederland helemáál niet door, op deze manier kán Nederland helemaal niet door, op deze manier zakt Nederland door het ijs, in de shit en in elk geval onder water. (En Nederland niet alleen.)
* ‘En meneer Reijnders,’ (Nova’s Twan Huys in gesprek met milieuprofessor Lucas Reijnders, 23/07/07) ‘dat komt dus allemaal door de mens, die bakken regen in Engeland, met z’n overstromingen en ontberingen? En die bloedhitte, met z’n doden, in de Balkanlanden en wijde omgeving? Maar wisten we dat niet allemaal al?’ – ‘Ja, op zich wel, maar dat de klimaatverandering wereldwijd op dezelfde breedtegraden zo unaniem en zo extreem zou zijn, dat weten we pas sinds kort, na nieuw onderzoek, van wereldbrede schaal, en pas deze maand gepubliceerd in het gezaghebbende wetenschappelijke tijdschrift ‘Nature’.’ – ‘En dus wordt het nu tijd om…’ – ‘Ook dat is allang bekend natuurlijk. Maar er gebeurt dus véél te weinig, te langzaam, en niet slim genoeg.’ – Maar nee, Nederland moet dóór! En dus is er nu opnieuw sprake van kolencentrales, van onderzoek naar kerncentrale-lokaties, méér geld voor wegen, uitbreiding van Schiphol, méér bio-industrie...
* Nederland zinkt elk halfjaar verder weg, qua land, qua lucht, qua ruimte. - De Raad van State oordeelt dat het Schinveldse Bos ten onrechte gekapt is voor de Awacs-vliegtuigen van de Navo. Maar dat bos is wél gekapt! - Omwonenden verliezen de strijd om alweer een nieuwe Schiphol-uitbreiding, maar Schipholdirecteur Cerfontaine vraagt de regering schijnheilig om méér aandacht voor het milieu! - De A4 mag nu even niet verder verbreed worden van de Raad van State (NOS-nieuws 25/07/07), maar dan passen we de berekeningen toch gewoon even aan, en hup, dóór maar weer! - De laatste tien jaar is de hoeveelheid neerslag in Nederland met 100 mm toegenomen van 76 cm naar 86 (KNMI 23/07/07). – De lijst verontrustingen is lang en alarmerend. Maar nee, Nederland moet dóór, onherstelbaar verbeterd, maar dóór!
* Maar er gingen toch ook dingen goed? Nounounou! En of! Zo’n spaarlampenactie bij voorbeeld. Of afval gescheiden inzamelen. Roetfilters. Emmertje onder de druppende kraan. Elektrische tandenborstel niet langer op stand-by. Waterbesparende douchekop. – Allemaal druppels, allemaal zinvol, maar vooral veel symboliek. Schaamlap. Goedkope aflaat. Dwaalsporen. – Omdat Nederland minder móet, maar niet minder wíl. Díe mentaliteit. (Een boompje om ‘klimaatneutraal’ te vliegen! Lachwekkend, dat zei ik hier al eerder. Lees Mirjam de Rijk, algemeen directeur van de Stichting Natuur en Milieu, in deVolkskrant van 26/07/07: ‘Vliegen moet weer luxe worden.’) – Maar ja, Nederland moet dóór! Richting ratsmodee.
* Hier valt natuurlijk niet tegenop te dichten. Daarom hierna een stukje superieur gestamel van Jan Hanlo, het slot van het ‘Oote’, wie kent het niet? Geschreven in 1950.

OOTE [slot]

Kneu kneu kneu kneu ote kneu eur
Kneu kneu ote kneu eur
Kneu ote ote ote ote ote
Ote ote oote
Ote ote
Boe
Oote oote oote boe
Oote oote boe oote oote oote boe


naar boven

18 juli 2007
Inzicht en uitzicht

* De tuin oogt wat vermoeid sinds kort. August-Stimmung zeg maar, terwijl het amper half juli is. De blauwe regen is al voor de tweede keer uitgebloeid, de hosta’s zijn inmiddels kaalgevreten door de slakken (naakt- én huisjes- en véél!), de bloemrijke hortensia’s verkleuren al tot herfstboeketten en de buurman heeft zijn moesappelen al lang en breed geoogst (omdat de takken dreigden te bezwijken onder het gewicht van proleptisch veel appelmoes). - Terwijl de schoolvakanties hier nog moeten beginnen, en de springbalsemien langs de slootkanten al staat te knetteren alsof het tegen september loopt.
* Vorig jaar om deze tijd schreef ik een stukje over de ‘zomerherfst’ die toen gaande was, en zich onder andere manifesteerde in gigantisch veel bladverlies, vooral bij bomen met groot blad. En toen moest die supernatte augustusmaand 2006 nog komen, en leek later de winter voorgoed z’n biezen te hebben gepakt. Ja, het is waar wat Lucas Reijnders (onze nationale milieuprofessor uit Leiden, die nog twee jaar te gaan heeft tot zijn pensioen en daarna vast van plan is om al zijn tijd in wandelen en fietsen te steken) afgelopen zaterdag in de Volkskrant liet optekenen: de mensen beginnen de klimaatverandering nu ook zelf in hun tuintjes te ervaren, omdat hun geraniums al in maart bloeien.
* Je kunt er niet meer onderuit, het klimaat verandert, de aarde wordt warmer, en daar zorgen we zelf voor. Daar valt wetenschappelijk niets meer op af te dingen, de VN-klimaatrapporten spreken boekdelen. Maar toch krijgt de tegenbeweging van ‘onzin’-zeggers almaar meer ruimte in kranten (Spits, De Telegraaf, en zelfs de Volkskrant) en op tv (o.a. de KRO) toebedeeld. Klimaat-golfbewegingen zijn er altijd al geweest, zeggen ze, en de uitstoot van CO2 is juist goed voor de planeet. Die hele poppenkast van Al Gore, zeggen ze, en die hele troep die er kritiekloos achteraan loopt verlangt alleen maar terug naar de jaren zeventig, naar de tijd van dat Rapport aan de Club van Rome; maar je weet wat er intussen gebeurd is he, namelijk niks! En zo is het nu weer, zeggen ze, die hele rampenfilm met zielige ijsberen, al die zogenaamde rapporten van VN-wetenschappers all over the world, allemaal lariekoek, linkse bangmakerij en geldklopperij. Want wat gebeurt er met dat geld dat Al Gore ophaalt? Nou? Goed voor de B.V. Al Gore misschien?
* Soms is het bijna onverdraaglijk dat iedereen alles moet kunnen zeggen. (Totdat het geschreeuw alleen nog maar folkloristische waarde heeft, en definitief ingedeeld is bij de nationale vermaaksindustrie. Zoals je bij voorbeeld nog steeds mensen hebt die zeggen dat de aarde vierkant is, zo plat als een pannenkoek, en door G-d zelf in zes dagen in elkaar geknutseld. Stof voor de gebroeders Grimm!) Maar intussen verloopt het tij - ja, sommigen kopen met een boompje hun vliegschuld af, belachelijker en beschamender kan haast niet – en moeten we serieus rekening gaan houden met een aarde zonder mensen. Erg is dat natuurlijk niet, maar om daar nou willens en wetens voor te kiezen?
* Zeker - maar wat is ‘zeker’? - is dat die mensloze aarde beter af zal zijn dan ze mét mensen was. Alle problemen zullen als sneeuw voor de zon verdwijnen omdat het niet de problemen van de aarde maar de problemen van de mensen waren. En zelfs zó kun je dat niet zeggen omdat ‘beter’ en ‘problemen’ slechts mensenbegrippen zijn. - Dit is misschien niet duidelijk. Daarom laat ik graag de Poolse dichteres Wislawa Szymborska aan het woord die hier veel en zinnig over heeft nagedacht. En dat dan weer onmenselijk goed heeft opgeschreven in het gedicht ‘Uitzicht met zandkorrel’. De vertaling is van Gerard Rasch.

UITZICHT MET ZANDKORREL

We noemen hem een zandkorrel,
maar zelf noemt hij zich korrel noch zand.
Hij kan het af zonder een naam,
of die nu algemeen, bijzonder,
vluchtig, blijvend,
verkeerd of passend is.

Onze blik en aanraking doen hem niets.
Hij voelt zich gezien noch geraakt.
En dat hij op de vensterbank is gevallen,
is uitsluitend ons, niet zijn avontuur.
Voor hem is dat vallen zonder meer,
zonder zekerheid of hij al gevallen is,
of nog valt.

Uit het raam heb je een mooi uitzicht op het meer,
maar dat uitzicht ziet zich niet zelf.
Kleurloos en vormloos,
stemloos, geurloos
en pijnloos bestaat het op deze wereld.

Bodemloos bestaat de bodem van het meer
en oeverloos zijn oevers.
Niet nat, niet droog zijn water.
Meer- noch enkelvoudig de golven
die doof voor hun eigen geruis
om stenen bruisen die niet groot of klein zijn.

En alles gebeurt onder een van nature hemelloze hemel
waar de zon ondergaat zonder onder te gaan
en zich onverborgen verbergt achter een onbewolkte wolk.
En de wind solt ermee zonder enige andere reden
dan dat hij waait.

Eén seconde verstrijkt.
Nog een seconde.
Een derde seconde.
Maar dat zijn alleen onze seconden.

De tijd snelde voorbij als een koerier met een spoedbericht.
Maar dat is alleen onze vergelijking.
De persoon is fictief, zijn haast aangepraat,
het bericht – onmenselijk.


naar boven

13 juli 2007
Held op blote voeten

* Van de week had ik het weer: middenin de nacht werd ik wakker van sterke stommelgeluiden boven m’n hoofd. Vorige keren dacht ik aan de kat van de buren, en weer later aan een stoet dartele muizen. Een buurvrouw hielp me deskundig en gedecideerd uit de droom, en bracht een geheel nieuwe bedreiging in het midden: steenmarters! Beschermd ‘ongedierte’ dat niet bejaagd en gedood mag worden. Bij sterke overlast moet men de gemeente waarschuwen. En wat die dan doen? Geen idee. Maar het staat allemaal in een folder van het Ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij, Gerda Verburg zeg maar, die veel in afschermend want fijnmazig kippengaas doen.
* Nog een geluk dat ik geen auto heb, anders zaten de beesten ’s nachts aan de leidingen van m’n stuurconstructie te knagen en op een vaste plaats hun drollen te droppen. Kun je niet meer rijden, en is je stoelbekleding waarschijnlijk voorgoed van een geurcordon voorzien. (Oók een methode om het autogebruik te verminderen!) Evengoed, zo’n folder, dát is nog eens een nuttige webtekst. - Die drollen heb ik overigens ook gehad, op zolder dus, en inderdaad op een vaste plaats van wit spaanplaat. Plakkende slierten van één centimeter doorsnee, en wel tien centimeter lang. Het was nog een hele toer om dat stinkende spul te verwijderen, de plaat te keren en van sterk geurende kattenschrik te voorzien. Sindsdien bestuif ik minstens één keer per week die open en onbebouwde zolderruimte met de flacon kattenschrik – die daar natuurlijk niet voor bedoeld is, maar een tijdlang wél gewerkt heeft. Denk ik. Want al die tijd geen overlast meer gehad!
* Tot van de week dus. Toen was het ’s nachts weer feest boven m’n hoofd, op de vliesdunne gipsplaatjes. Om 04.00 uur klapte ik met veel lawijt de vlisotrap uit en stormde, zo goed en zo kwaad als dat gaat middenin de nacht, op blote voeten en met een hoofd vol slaap en ergernis de zolderruimte op om het beest / de beesten met geblaas en gespuit en een stok te verjagen. Geen hond te zien natuurlijk. En gelukkig ook geen drollen. Terug in bed kon ik de slaap niet meer vatten, want elk ogenblik meende ik nieuwe treitergeluiden te horen. Mijn afspraak van negen uur haalde ik op een haar na, want tegen zevenen – zo werd mij later verzekerd – was ik alsnog in een droomloze put gevallen.
* Toen ik verdwaasd en gepresseerd beneden kwam zat mevrouw B. (al uren gewassen en gesoigneerd, en al tijden haar en míjn koffie gedronken en achter de kiezen) met haar dochter aan de telefoon, op te scheppen over haar held die middenin de nacht op wildebeestenjacht ging, de plaag verjoeg en voor een verder ongestoorde nachtrust zorgde… Dat maakte natuurlijk veel goed, maar tevreden was ik niet.
* Daarom raadpleegde ik meteen na m’n afspraak de beheerder van het tuincentrum in onze buurt. Die had weleens gehoord dat glorix-blokjes konden helpen, vanwege de afstotende geur natuurlijk. Of dat dan beter hielp dan hun kattenschrik? De man had geen antwoord, maar bepleitte de weg van het experiment. Ik dus naar de supermarkt. En sinds gisteravond ligt onze ganse zolderruimte dus vol wc-verfrissende glorixblokjes – en waan ik me ’s nachts voortdurend in een riante toiletruimte. Wat me nog wel goed uitkomt ook, want ik móet ’s nachts nogal eens…
* Nu maar afwachten hoe onze steenmarters reageren. Hoongelach sluit ik niet uit! En dán vraag ik de balthasarsbloglezers om advies. Want aan de wonderlijke dichter C. Buddingh’ kan ik het helaas niet meer vragen. Tjonge, wat had díe man een verstand van vreemde en lastige dieren. Lees zijn bundel ‘Het mes op de gorgel’, en dan met name de afdeling ‘Nonsens, of wat daarvoor door moet gaan’. Met klassiekers als ‘De blauwbilgorgel’, ‘De vogel Krips O’Kraps’, ‘De jenk’ en onder nog veel meer het volgende gedicht ‘De gringergoriaan’. Wat een opluchting!

DE GRINGERGORIAAN

De gringergoriaan ontstaat
Als men een traptree overslaat,

Uit zeven delen traptreezucht
En evenveel gewone lucht.

Hij klemt zich aan uw broekspijp vast,
Doch voelt zichzelf als overlast,

Zodat hij ijlings sublimeert
En dan dus niet meer existeert.


naar boven

9 juli 2007
Tieleke

* Vandaag zou mijn jongste broer 63 geworden zijn. 40 jaar ouder dan ze hem uiterlijk en hoogstens gegeven hadden. Mongooltjes uit 1944 wérden niet oud, dat stond vast. Maar M. wel, hij werd 58, een bejaard mongooltje (‘mongool’ zou ál te hard klinken, dat zég je niet van je broer), een kind in oude vellen - hij is nu vijf jaar dood, en komt nog zelden ter sprake. Tijd dus voor een mini-monumentje in de balthasarsblog.
* M.’s begrafenis was een happening van Fellini-achtige allure: al zijn huisgenoten (en begeleiders) waren op geheel eigen wijze aanwezig tijdens de katholieke eredienst, lopend, kruipend, geholpen, ontsnapt, onbeholpen, smakkend, kwakend, vliegend, trommelend, in de arm, uit de arm, intens betrokken, jazeker, in een woord of twee: zij waren zichzelf en waardig. M.’s beste huisvriend G. zat in een rolstoel prominent voorin de kerk, en voltrok continu en luidop de mantra: ‘Martien dood! Martien dood!’ – Kippenvel. Tranen. Gelach. De kerk als dolhuis maar ook als ‘Home Sweet Home’. Daar kan de Spaanse Semana Santa nog een puntje aan zuigen.
* In het tehuis – opeenvolgende tehuizen – waar hij verbleef was hij beter af dan thuis, goed af uiteindelijk. Thuis konden onze bejaard rakende ouders hem op het laatst niet goed meer verzorgen. En niemand van ons – broers noch zussen – kon of wilde die taak van hen overnemen. Het afscheid was hartverscheurend, de entree verpletterend, de stilte híer oorverdovend net als de herrie dáár, het vervolg bevredigend, en méér: hij zat er goed. Hij kon meer dan hij ooit gekund had ook al was dat dan bijna niks, hij kreeg meer bezoek dan een alleenstaande ooit gehad heeft, en voor het eerst van zijn leven had ie wat ‘eigen’ geld. Daar heb ik zelfs nog van geërfd toen ie stierf. Rechtens, dat wel, maar toch ook beschamend.
* In de periode dat wij allemaal thuis en kind waren, draaide alles om M. ‘Jantje lacht, Jantje huilt’ – en wíj dus ook, of je dat nou wilde of niet. En alles in het extreme. Sommigen van ons kregen er zelfs een tik van mee, en konden jarenlang geen normale klank meer voortbrengen – zeker niet in de nabijheid van ‘ons menneke’, ‘onze frits’, ‘ons tieleke’ – want bij zijn échte naam werd ie maar zelden door een enkeling genoemd. Werkelijk, voor de halve familie kende het mongools geen geheimen. Anderen waren weer gek op zijn vet-natte kussen (‘En nóg een!’). En dan was er nog de enkeling die zich met deze broer geen raad wist.
* Iets wat eigenlijk not done was. Je moest toch minstens het ‘Frekie’-gevoel hebben zoals dat door Joost Prinsen bezongen werd in het lied van Willem Wilmink en Harrry Bannink: ‘Mensen vinden Frekie zielig / Maar dat is hij niet voor mij / Want ik kende nooit een jongen / Die zo blij kon zijn als hij’. Maar onze M. was geen Frekie, bij lange niet. Daarom had ik altijd al meer met het gedicht ‘De idioot in het bad’ van M. Vasalis: ‘Hij is in dit groen water nog als ongeboren, / hij weet nog niet, dat sommige vruchten nimmer rijpen, / hij heeft de wijsheid van het lichaam niet verloren / en hoeft de dingen van de geest niet te begrijpen.’
* En na een van die bezoekjes aan mijn broer, het was 7 mei 1973, schreef ik de melancholie en onlustgevoelens van mij af in het ‘gedicht’ gister ben ik bij mijn broer geweest. Al die tijd hield ik het ‘in portefeuille’, het zal mij niet in dank afgenomen worden. Maar dat hoeft misschien ook niet meer als je 67 bent… En mijn broer? Die zal het een zorg zijn, die hield van muziek, dus die hoor ik nu op zíjn manier meedoen met Joost Prinsen’s: ‘Frekie-Frekie! / Hé jongens daar is / Frekie’.

GISTER BEN IK BIJ MIJN BROER GEWEEST

gister ben ik bij mijn broer geweest
29
en geen grein verstand
ook niet voor een mongooltje
zijn omgeving bevalt hem / en hun
goed dank u / goed dank u
mijn moeder neemt wel fruit
en snoep voor ze mee
feest
voor ongeboren gedrochten
met ie en aa en oo of zo
het fruit wordt rauwkeels doorgeslikt
de ramen plakken
als hun haren
het personeel is vol begrip
wat een ellende en
- voeg ik daar later
om hem meer recht te doen
aan toe -
wat een geluk


naar boven

Bio Balthasar
Kenmerken:
Altijd ietwat gehaast, nogal opruimerig van aard, verbalistisch ingesteld, tamelijk eigenwijs, kan nochtans goed luisteren. Lekkerste verjaardagseten: 1952 (aardappelen, bruine bonen, sla, hard gebakken spek). En o nog zoveel meer.
Houdt van:
Literatuur, poëzie, geschiedenis, moderne beeldende kunst, woeste luchten en landschappen met lage horizon, wandelen, natscheren en klassieke muziek, thuiskomen en o nog zoveel meer.
Hekel aan:
Loslopende honden (maar vooral die baasjes!), elke vorm van extremisme, machismo, bladblazers en alle andere vormen van teringherrie, tempeh en o nog zoveel meer.

reageren?
balthasar at de-zeepkist.nl
webdesign: Mirjam Vaes