home
agenda en tips
redactie
uitgeverij
links

(over) literatuur:
literatuur
recensies
tweedehands boeken

(over) veganisme:
veganisme FAQ
recepten
uit het nieuws
achtergronden bij uit het nieuws
schoenen

weblogs:
balthasarsblog
haasblog
mirjamsblog
mopperblog
nielsblog

mirjamsschrijfsels:
artikelen
columns
recensies
boek

andermensschrijfsels:
joop boer

andere projecten van (medewerkers van) De Zeepkist :
www.nielsdebeer.nl
www.voedselencyclopedie.nl www.leefbarewereld.nl

onderwerpen balthasarsblog 1ste kwartaal 2008:
Geprangde man
Kranten knippen
Achter de geraniums
Heimweefabriek
Verval 7
Groen vandalisme
Keutels
Computer-kriem
New York Pizza
Di misjpoche Masjber
Tijdmachine
Elizabeth en Hanny
Driekoningenavond

1ste kwart 2008
4de kwart 2007
jul/aug/sep 2007
apr/mei/jun 2007
ja/fe/ma 2007
okt/nov/dec 2006
aug/sep 2006
juli 2006
juni 2006
mei 2006
april 2006
maart 2006
februari 2006
januari 2006
2005

balthasarsblog
1ste kwartaal 2008


31 maart 2008
Geprangde man

Op station Nijmegen genoten we weer eens van de NS-opvattingen over wat een comfortabele treinreis is, en haastten we ons van perron 3a naar 1a om de (niet meer) doorgaande trein richting Zwolle te halen. Die trein staat daar elk halfuur ruim twintig minuten te trappelen van ongeduld om te vertrekken, maar ja, waarom zouden we de reiziger plezieren? Oftewel, we hoefden ons helemaal niet te haasten, wij konden twintig minuten lang meetrappelen met de trein! En waarom zou je buiten op het perron in de kou blijven staan, als je ook alvast binnen kunt zitten? Dus zochten wij een mooi plaatsje, lege trein, dus plaats genoeg. Boekje, appeltje, watertje – en toen was daar ineens die man, jaar of dertig, haar in de war, beetje timide maar toch ook weer niet, mistige ogen, geprangd gemoed, ja, dat is misschien achteraf wel de goede typering: een geprangde man.

- ‘Vijftig euro. Ik wil vijftig euro.’
- ‘Vijftig euro? Wat moet dat?’ (Ik hield me nog dapper, maar ik was het niet.)
- ‘Vijftig euro of in sla je helemaal in elkaar!’ De bierlucht zette de openingszinnen onaangenaam veel kracht bij. Kracht die de woorden zelf ontbeerden omdat de tong nogal dik was. ‘Vijftig euro, schiet op.’
- ‘Vijftig euro? Ik heb geen vijftig euro.’
- ‘Hoeveel heb je dan wel? Schiet op, want ik ben wanhopig.’
- ‘Waarom zou ik je geld geven? Ik heb geen vijftig euro.’
- ‘Ik ben wanhopig. Hier is…’ (Geeft de losgescheurde persoonspagina uit zijn paspoort.) ‘Ik heb geld nodig, want m’n vriendin…’
- Zegt mevrouw B. ineens: ‘Maar dat kun je dan toch vragen?’
- ‘Ja, dit is niet goed. Maar ik heb snel geld nodig. Maar ik ben geen junk hoor, ja, een paar biertjes en af en toe een joint, maar het is niet voor drugs hoor…’
- ‘Kijk, als je dat nou gewoon vraagt, dan kan ik ‘s zien wat ik voor je heb.’
- ‘Ik heb problemen met m’n vriendin. Die was eerst helemaal clean. En nou ineens weer heroïne, en tippelen, en…Geef me geld man.’
- ‘Ik geef je wat ik missen kan. Maar je had niet moeten dreigen, je kunt het vragen. Je bent veel te agressief.’ (Ik pak alvast m’n portemonnee.)
’ - ‘Okee, ik geloof dat ik helemaal niet goed bezig ben. Sorry. Maar ik ben wanhopig.’
- ‘Hier, twintig euro, en koop eerst een kop koffie, je ruikt nogal naar bier. Vinden de mensen niet prettig hoor.’
- ‘Bedankt. Dat was niet goed, ik moet het vragen. Anders had ik je misschien geslagen.’
- ‘Dat ligt eraan, hoeveel kracht je hebt.’
- ‘En ík!’ meldt mevrouw B. fijntjes, maar volledigheidshalve en kordaat. ‘En ga nou eerst maar koffie halen. Zo meteen vertrekt de trein nog.’
- ‘Dat kan me niks schelen. Bedankt. Ik zal het vragen. U had me ook aan kunnen geven, bij de politie. Dat was niet goed. Okee, bedankt. O, sorry (tegen passerende treinreiziger met weekendtas). Dankuwel. Ehhh… En nog bedankt.’
- ‘Ga nou maar. Tot ziens.’

- Zegt mevrouw B.: ‘Dat heb je heel goed opgelost, B. Heel goed.’
- ‘Toen jij zei dat ie het ook had kunnen vragen, toen was ie ineens om, dat was essentieel, toen brak er iets.’
- ‘Hoe dan ook, daar zijn we met z’n allen goed van afgekomen. Vechten, ik moet er niet aan denken.

Hier past natuurlijk maar één gedicht bij, en dat is ‘Boerke Naas’ van Guido Gezelle. Uit de bundel Liederen, Eerdichten et Reliqua’ (1868). Het is een lang gedicht, ik weet het. Maar dat moet nou maar ’n keer. Zet door met lezen, je wordt er echt voor beloond. Alleen voor mijn twee kinderen maak ik een uitzondering. Die hebben vroeger dit gedicht zo vaak moeten aanhoren, dat hun oren er nóg van tuiten. Maar of ze het inmiddels van buiten kennen? Ik twijfel er sterk aan.

BOERKE NAAS

Wie heeft er ooit het lied gehoord,
het lied van Boerke Naas?
’t En ha, ’t is waar, geen leeuwenhert,
maar toch, ’t en was niet dwaas.

Boer Naas die was twee runders gaan
verkoopen naar de steê
en bracht, als hij naar huis toe kwam,
zes honderd franken meê.

Boer Naas, die maar een boer en was,
nochtans was scherp van zin,
hij ging en kocht een zevenschot,
en stak daar kogels in.

Alzoo kwam Naas, met stapkes licht,
en met de beurze zwaar;
hij zei: ‘Och ‘k wilde dat ik thuis
en in mijn bedde waar!’

Al met nen keer, wat hoort boer Naas,
juist bacht [= achter] hem in den tronk [=struikgewas]?
Daar roert entwat, daar loert entwat:
’t docht Naasken dat ’t verzonk!

En, eer dat ‘t veintjen asem kreeg,
zodanig was ‘t ontsteld,
daar grijpen Naas twee vuisten vast,
en ‘t ligt daar, neêrgeveld.

’t En hoorde noch ’t en zag bijkan,
’t en voelde bijkans niet,
’t en zij dat ’t een pistole zag,
en zeggen hoorde: ’… Ik schiet!’

‘Ik schiet, zoo gij, op staanden voet,
niet al uw geld en geeft;
en g’hebt, van zoo gij roert, me man,
uw laatsten dag geleefd!’

Boer Naas, die alle dagen vijf
zes kruisgebeden [= met de armen uitgestrekt] bad,
om lang te mogen leven, peist [= bedenkt]
hoe hij in de nesten zat!

‘Wat zal ze zeggen,’ kreesch boer Naas,
‘wanneer ik ’t huiswaard keer?
Hij heeft het weêrom al verbuisd! [= opgezopen]
die zatlap, nog nen keer!’

‘Hoort hier, mijn vriend, believe ’t u,
toogt dat gij mij minzaam zijt,
och, schiet ne kogel deur mijn hoed
en spaart mij ’t vrouwverwijt!’

‘k Zal zeggen, als ik thuis geraak:
men heeft mijn geld geroofd,
en, letter [= weinig] schilde ’t of ik had
nen kogel deur mijn hoofd!’

De dief, die meer van kluiten hield
als van boer Naas zijn bloed,
schoot rap ne kogel deur end deur
de kobbe [= bol] van z’nen hoed.

‘Bedankt!’ zei Naas, en greep zijn slep:
‘schiet nog een deur mijn kleed!’
De dief legt aan en Naasken houdt
zijn piteleerken [= slipjasje] g’reed.

‘Schiet nog een deur mijn broek,’ zei Naas,
‘toen [= dan] peist [= denkt] me wijf, voorwaar,
als dat ik, bij mirakel, ben
ontsnapt aan ’t lijfsgevaar.’

De rover zegt: ‘Nu zal ’t wel gaan,
waar is uw beurze, snel:
‘k en heb noch tijd noch kogels meer…’
‘Ik wel,’ zegt Naas, ‘ik wel!’

Zijn zevenschot haalt Naas toen uit
en spreekt: ‘Is ’t dat ge u niet,
in een-twee-drie, van hier en pakt,
gij galgendweil, ik schiet!’

‘Ik schiet, van als [= zodra] gij nader komt,
uw dommen kop in gruis,
en, zoo gij Naas nog rooven wilt,
laat uw verstand niet thuis!’

En loopen dat die rover dei,
de beenen van zijn lijf,
zoo snel dat ’t onbeschrijflijk is,
hoe snel ook dat ik schrijf!

Hier stoppe ik. Dichte een ander nu
ne voois [= wijsje] op boerke Naas;
’t is waar, ’t en was geen leeuwenhert,
maar toch, ’t en was niet dwaas!


naar boven

24 maart 2008
Kranten knippen

Mevrouw B. en ik hebben ieder zo onze eigen stapels kranten en tijdschriften ‘die nog geknipt moeten worden´. Landschappelijkheid, écht gezonde voeding, biologisch tuinieren, het lot van de aarde dichtbij en veraf - dat zijn zo van die onderwerpen waar Mevrouw op aast en knipt. En na het knippen volgen natuurlijk het benoemen, het opbergen, het bewaren, het zoeken, het hergebruiken, het heroverwegen, het herbewaren, het aanschaffen van nieuwe bewaar- en opbergelementen, en soms een nieuwe kast. Dank zij de knipsels van Mevrouw B. leef ik bewuster en gezonder, en hopelijk langer.

Míjn stapel knipmateriaal beperkt zich tot van alles over boeken en schrijvers. En daaruit knip ik uitsluitend berichten en plaatjes die me werkelijk interessant of leuk lijken of gewoonweg van pas komen. Veel werk dus, weinig opbrengst. Tweede Paasdag 2008 was weer eens zo’n knipdag, buiten viel de sneeuw in dikke natte vlokken, binnen klonken de Italiaanse cantates van de jonge Händel in een voortreffelijke Kruidvat-uitvoering, en de ‘kachel stond te snorren op vier’. Ja, de Heer is waarlijk verrezen – nu de lente nog.

Een belangrijk knip-criterium dat ik hanteer is de plaatsbaarheid. De plaatsbaarheid? Ja, dat zit zo. Ik doe niet aan mappen of archiefdozen, ik wil geen knipselarchief. Alles wat ik knip moet meteen een boek of dichtbundel in kunnen, of: moet leiden tot de aanschaf van het boek of de bundel waar het knipsel meteen in opgeborgen kan worden. Een boek uit de kast van de familie Balthasar is steeds vaker een boek inclusief zelfgeknipte duiding, achtergrondverhaal of intrigerend interview. – Dat is wel even andere koek dan bij de schrijver E. du Perron, de man die alles uit een gelezen boek scheurde wat hem niet beviel. Op die manier kun je natuurlijk volstaan met weinig boekenkasten terwijl je toch over een hele bibliotheek beschikt. In ónze kasten daarentegen passen steeds minder boeken! Nou heb ik natuurlijk ook niet het scherpe oog voor rubbish van een E. du Perron, noch hou ik van bewust beschadigde boeken - ook al ben ik niet per se een bibliofiel zoals de eertijds befaamde uitgever Johan Polak die zijn eigen boeken uitsluitend hanteerde met speciale handschoentjes aan! (Anderen mochten sowieso niet aan zijn privé-boeken komen.)

Een van de krantenartikelen waar ik me vandaag over verwonderde (en dat dus tot een knipsel leidde), betreft een column van Arjan Peters in de Volkskrant van 14 maart jl. met de titel ‘Het boek is een vrouw, de kaft een kleurig kleedje’. Het gaat over de ‘kleurminnende’ dichter Pierre Kemp (1886-1967) die de gewoonte had om elk aangeschaft boek te kaften voor het de kast in ging. En nou komt het bijzondere: hij gebruikte daarvoor doorzichtig vliegerpapier in alle kleuren die er maar te krijgen zijn – geel, oranje, rood, purper, violet, blauw en groen. Daardoor gingen zijn boeken op gebrandschilderde ramen lijken: kleuren waar je doorheen kunt kijken. En kleuren, daar had Kemp iets mee, heel vaak ook in zijn gedichten, denk maar aan dichtbundels met titels als ‘Engelse verfdoos’ of ‘Vijf families en één poederblauw’. Geweldig, dit knipsel, dat moet dus opgeborgen worden. Maar…

Maar… van Pierre Kemp bezit ik alleen ‘verspreid materiaal’, dus geen volle bundels of verzameld werk. Hoe kan dat? Dat kan niet! En daarvoor heb ik dan weer een lijstje ‘Nog aan te schaffen boeken’, waarvoor overigens ook boekenbonnen van harte welkom zijn. – Uit H.J.M.F. Lodewick / Literatuur – Geschiedenis & Bloemlezing / Deel II (’s-Hertogenbosch, 1972) citeer ik vanaf pag. 356 nu het laatste gedicht uit de bundel ‘Engelse verfdoos’. Een kleurig afscheid zeg maar. – (Oja, en voor het geval dat: ‘engloutir’ betekent ‘opslokken’, ik had het zelf niet paraat, vandaar.)

Rose madder

Eens komt het eind aan al mijn mooie kleuren,
als nu, en dan de doodsdienst zonder fantasie.
Misschien dat rose en gele bloemen geuren
rond het kadaver van Pierre l'Englouti.
Geen witte, geen in lila, geen in blauw
en zeker geen met geuren van de vrouw.
Kom, kom, ik leef nu nog en ik wil
voor 't laatst eens kijken door mijn rose bril,
als toen ik mijn eerste boompje tekende
met meer dan rose appels naast een beek en de
kimmen van uit mijn kleine bed
hoorde in muzieken van oranje en violet.
Mijn tijd is om! Als alle wijzen en dwazen
moet ik gaan. Van heel het mensenspel
neem ik afscheid door mijn bril met rose glazen
en wuif ik de Grote Verfdoos Aarde en Zon voorgoed:
‘Vaarwel!’


naar boven

18 maart 2008
Achter de geraniums

Wel. Daar kan zich een zeer levendig leven afspelen, achter de geraniums, alleen of met meerderen, in stilte of in samenspraak - meen ik - en ik ben mij ervan bewust dat deze uitspraak volkomen in tegenspraak lijkt met wat de uitdrukking in de volksmond betekent: dodelijker dood (‘dat is immers geen leven’) bestaat er niet. Er is zelfs een website (zie: Google, “achter de geraniums”, pagina 1, positie 1: ‘Een geranium sturen? Waarom zou ik?’) van SVTrading - die kun je voor het luttele bedrag van 9 euro 10 (per stuk, maar all in) net zoveel geraniums laten bezorgen als je maar wilt... bij collega’s die je het liefst onmiddellijk met pensioen zou sturen, omdat ze hun werk slecht doen, dan ben je die tenminste kwijt, kunnen ze lekker achter de geraniums op het dak gaan zitten, zich vervelen, wegkwijnen, afsterven, want dat is wat ermee bedoeld wordt! Lekker bedrijfje!

Achter de geraniums, het kan anders hoor, want je wilt niet weten hoeveel mensen thuis op hun platje een studie geraniumkunde volgen, die met hun neus achter de planten alle 650 natuurlijke soorten en hybriden onder de loep nemen, determineren, betasten, beluisteren en besnuffelen. Díe mensen komen er zeker achter dat er van al die honderden soorten geraniums maar drie (drie!) gebruikt worden in de parfumindustrie, en die moeten dan ook nog verbouwd zijn op de hoogvlakte van Réunion – je zult het maar willen weten! En dan zwijg ik nog over de interessante taxonomische indelingen die ze bestuderen, bij voorbeeld van de Familie Geraniaceae (Ooievaarsbekfamilie). Smullen om al die technische details zeg! – Zie je, het kán wel: leven, filosoferen, genieten en heel hard werken achter de geraniums!

En hoera, tussen die 51.000 overblijvende “achter de geraniums”-pagina’s van Google zit hier en daar een verdwaalde fotosite met titels als: ‘Gelukkig achter de geraniums’. Daarop staan, hangen, liggen en zitten oude mensen op balkons achter wolken rode geraniums, altijd felrode geraniums, vrolijk lachend in de camera of hevig slapend met de neus in de brandweerrode bloembakken. – Een en al gelukzaligheid, mag dat?

En vroeger, ja vroeger, toen was ‘een tevreden roker geen onruststoker’, was ‘oost west thuis best’, was ‘ledigheid’ minstens nog ‘des duivels oorkussen’ - maar tegenwoordig zijn er meer dan 5000 Google-sites die de mensen toch vooral en alleen maar achter de planten en bakken vandaan willen rukken. Want mensen moeten per se iets doen, dondert niet wat, bezig zijn, klerenhangers inpakken, jong doen, en vooral níet achter de geraniums gaan zitten. Behalve natuurlijk als ze als oudjes achter het stuur plaatsnemen, want godja nee dat soort automobilisten daar zitten we niet op te wachten kunnen we niet hebben nee, die moeten juist wél achter de geraniums, daar kunnen ze tenminste geen kwaad, zijn ze niemand tot last, doen ze immers niks en vooral niet mee (‘www.NUjij.NL/Auto/Bejaarde automobilisten moeten achter de geraniums’). – Kijk, als ze dat nou eens praktiseerden met ene Wilders en al die andere lastige jongens, mooi achter de geraniums planten, stil laten zitten en mijmeren maar, geweldig wat een schrikbeeld zou dat zijn. Die willen dan vast wel ordentelijk werk hebben, zich gedragen en zich gedeisd houden… Denk je niet? Denk je wel? En dat zal ze dan leren, pfff. – Maar nee hoor, achter de geraniums, alles beter dan dat! Je krijgt meer dan 5000 sites “niet achter de geraniums” als je bij Google “achter de geraniums” intikt, het is niet te geloven. ‘Achter de geraniums’ blijkt een broertje van het werkwoord ‘hoeven’: dat kan ook niet zonder een ontkenning. ‘Je hoeft niks’, zoals je ook ‘niet achter de geraniums’ mag.

Maar dit moet je vooral eens proberen, heerlijk gaan zitten niksen achter de geraniums, dutten, wegdromen, mijmeren, Wilders en al die andere sores langs je af laten glijden, luchten en wolken verkennen, vogels spotten, verzen bedenken en laten vervlieden, virtuele reünies organiseren of gewoon uit het raam kijken. Doe het nou! Want er komt een tijd dat iedereen dat wel wil, een tijd dat voorlopers niet langer miskend worden, een tijd – geloof me - waarin er gebrek zal zijn aan geraniums, aan die hele Familie Geraniaceae. Tot zolang geldt: hoed af voor de geranium, en al die andere planten waar je achter kunt gaan zitten, liggen, hangen, dromen, mijmeren... niksen.

Van de dichter Hans Vlek (1948) nu het gedicht ‘Geranium’, uit de bundel Zwart op wit, Amsterdam 1970. Toepasselijker kan ík het niet vinden, de geranium: ‘kip tussen de vogels, sieraad van alles wat arm en goedkoop is’. Die gekke Vlek, die kon er wat van hoor!

GERANIUM

Vanuit de slechtzittende
schoolbank in een geur van stof
oud hout en pis
in bladderend kozijn: het rood
van de geranium.

Mijn grootmoeder zwoegend boven
een tobbe in de tuin, en naast
het keurig tegelpad in rij, in het rood
waarvan mijn opa op vergaderingen
sprak: geraniums.

Thuis hadden wij er een
die nooit bloeien wilde omdat
iedereen zijn peuken doofde
in de pot. O god, de triestheid
van zijn harig-groene, knokelige
steel.

Geranium, prachtige bloem
die niet mooi is, wijn
van de kruidenier, kip
tussen de vogels, sieraad
van alles wat arm en goedkoop is.


naar boven

10 maart 2008
Heimweefabriek

Wie er oog voor heeft, heeft hem niet kunnen missen de afgelopen week: Douwe Draaisma. Hij was werkelijk óveral. Elke betere krant en weekblad, elk belangrijk radio- en tv-programma ‘had ‘m’, die aardige professor, boeiende spreker ook - ja zó moet je wetenschap populariseren lijkt me, als een Geert Mak De Tweede, en toch net wat anders. Douwe Draaisma dus, die heeft een nieuw boek over zijn specialisme: onderzoek naar de werking van het geheugen. En om het meteen maar ingewikkeld te maken: there are 256 different kinds of memory! Ja, Douwe put wel degelijk ook uit internationaal onderzoek, Douwe is een echte wetenschapper aan de Rijksuniversiteit Groningen, maar iedereen die dat wil begrijpt wat hij vertelt. Zijn nieuwe boek – dat móet je lezen – heet: De heimweefabriek – Geheugen, tijd & ouderdom. Er is ook een luisterversie van verkrijgbaar. (Historische Uitgeverij, Groningen, nu in elke boekhandel.) – Maar goed, deze week begint dan ook de Boekenweek 2008, en u kent het motto: ‘Van oude menschen, de dingen die voorbijgaan’.

Stel, je staat in de boekwinkel, pakt De heimweefabriek van de tafel nieuwe boeken, leest een stukje flaptekst, en dubt er nog even over om het te kopen. Eerst nu maar even dat stukje van die achterflap: “Wijsheid komt met de jaren. Maar vergeetachtigheid gaat haar voor. En daarom zetten we alles in om ons geheugen scherp te houden, van braintraining tot vitaminepreparaat. Maar is het zinvol, al die hersengymnastiek? Douwe Draaisma neemt het op voor ...” – Dat is met permissie reclamepraat, dat moet beter kunnen. Je slaat het boek op een willekeurige pagina op (24) en leest: “Eenmaal de vijftig voorbij, voeren we een taai gevecht tegen het vergeten. Niet voor het eerst, dat doe je al je hele leven lang, maar je verliest steeds vaker.” - Kijk, dat komt al dichterbij. Je kijkt op een andere willekeurige pagina (28): “Ouderen moeten zich dus niet uit het hoofd laten praten dat als je nu even niet op de naam van een klanknabootsend woord of een slecht lopende zin kunt komen wel degelijk meer weet dan iemand die nog nooit van een onomatopee of een anakoloet heeft gehoord. Oh-ja-kennis is ook kennis.” Nou, bij dat laatste maakt je hart natuurlijk een sprongetje!

Het is geen dik boek, 136 bladzijden plus nog wat ‘aantekeningen’, een prettig ruime lay out, mooi papier, fraaie omslagtekening van Jan Mankes, verder weinig plaatjes (jammer). Even achterin kijken, het laatste hoofdstuk heet ‘De heimweefabriek’ – aha, nou wil ik ook weten waarom dit boekje zo heet. Interessant nieuws voor iedereen die ook maar íets met emigratie van doen (gehad) heeft (p. 35): “Bij de landverhuizers lijken de normale ouderdomsverschijnselen samen te spannen om heimwee aan te blazen. En het zijn niet alleen de reminiscenties die hen parten spelen. De verworven taal, al is die vijftig jaar dagelijks gesproken, krijgt sleetse plekken waar de moedertaal doorheen begint te schemeren. Sommigen dromen voor het eerst weer in het Fries. In die dromen hebben ze ook weer hun oude naam. Shirley droomt als Sjoerdje, Hetty als Hendrikje. […] Maar de echte heimweefabriek is de tijd, die van iederéén een landverhuizer maakt. […] Je bent in den vreemde beland zonder ooit te zijn vertrokken. Terugreizend in het geheugen moet je vaststellen dat heel veel alléén maar in je herinnering bestaat.” - Slotzinnen van het boek. Je besluit staat vast, hier wil ik álles van weten, en je koopt het boek. (15 euro, maar je kunt beter eerst eens in die onderste keukenla kijken, want daar blijken nog heel wat vergeten boekenbonnen te slingeren…)

Er zijn natuurlijk onnoemelijk veel gedichten geschreven die iets met ‘herinneren’ of ‘het verleden’ te maken hebben. Zonder meer gevaarlijk terrein – lees Douwe Draaisma er maar op na. Of haal eens wat jeugdherinneringen op met je broer: nooit geweten dat het anders zat dan ik altijd gedacht heb! Of… zou mijn broer het zich wel juist herinneren? Je weet het niet! - Uit de bundel totaal witte kamer van Gerrit Kouwenaar (Wat? Kouwenaar? Alweer Kouwenaar? Ja, ik was er nogal mee bezig de laatste week, met Kouwenaar en die bundel totaal witte kamer [Amsterdam 2002], en tja, dan krijg je dat...) nu het gedicht ‘a happy childhood’: ‘ja, nee, ja, nee’ – wat weet je zeker, wat kún je zeker weten?

A HAPPY CHILDHOOD

vergeet je wel eens je vaders klok op te winden?
ja, ik vergeet wel eens mijn vaders tijd te vergeten

draag je wel eens een strohoed een ooglap een vadermoorder?
nee, ik draag een gedicht op, een zomer van bladgoud

schrijf je wel eens de laatste lippen om te verwoorden?
ja, ik ontcijfer een kus van bemodderde rozen

loop je wel eens door gras dat nodig gemaaid moet?
nee, ik sta stil in gras dat niemand gezaaid heeft -


naar boven

5 maart 2008
Verval 7

men scheert zich zijn vader noteert Gerrit Kouwenaar in zijn recente gedicht ‘Stilleven’ (Amsterdam 2005). De uitspraak suggereert, denk ik, dat je in de loop der jaren des morgens in de spiegel steeds meer van je vader herkent terwijl je je staat te scheren - nat-scheren natuurlijk, want met scheerapparaatscheren werkt het zo niet, denk ik, dat kun je zelfs zonder spiegel doen, op het gevoel, bovendien gebruikte je vader ook geen elektrisch apparaat. Maar met het wegscheren van het scheerschuim komt er steeds een beetje meer gezicht tevoorschijn – tot je op een bepaalde dag ineens bedenkt dat je wel erg veel op je vader begint te lijken, die helblauwgrijze ogen die eerst luchtig afsteken tegen het schuimwit en dan langzaam verzachten, die hoekrimpels, dat rood aan de konen, dat kleine bloedende sneetje net onder je kin, dat restantschuim in je linkeroor. Plus natuurlijk dat superdun wordende haar en die grijszwarte stekeltjes die uit je neus en oren dreigen te piepen.

Maar nee, bij mij werkt dat niet zo. Ik vind mijn vader, ook al is ie dan al bijna dertig jaar dood, nog steeds onvergelijkbaar veel ouder dan mezelf, ik ben niet alleen zijn kind, ik ben en blijf er daardoor ook véél jonger uitzien. Kijk zelf maar, elke dag weer. ‘Ja,’ zegt mevrouw B. dan samenzweerderig lachend in mijn spiegelbeeld, ‘je vader was echt veel ouder hoor, jij staat er nog knap en jong op.’ Zo, daar heb je nog eens wat aan. Maar zou ze het wel menen? Weten wij er eigenlijk wel iets van? - En verdomd, nou zit ik momenteel en min of meer per ongeluk in een wel zeer omvangrijke ouderdomsvergelijkingstest met allemaal achtenzestigjarigen, die ik alleen nog ken van toen ik zeventien was, klas V gym, 1957 - ik schreef daar in het begin van het jaar al eens over, in ‘De tijdmachine’.

Op verzoek stuurde ik m’n tekstbijdrage Balthasar toen (1957) en nu (2008) voor het ‘Jaarboek 1957’ op naar de Grote Roerganger van de Klassereünie 1957, inclusief een recente foto. Ik werd tot mijn verbazing slechts herkend als Minister Mansholt of anders toch op z’n minst zijn Staatssecretaris dan wel Een Gepensioneerde Schout-bij-nacht In HM’s Vloot. Of ik de Leiding voor de gek wilde houden? ‘Of ben jij dat echt? Graag bevestiging c.q. onthulling practical joke.’ Ik citeer hier het bevelschrift van de Leiding. - Dus stuurde ik nog twee andere recente foto’s naar De Roergangerij als steunbewijs, het mocht niet baten. Ik werd niet herkend - zo min als ik inmiddels en op mijn beurt op de speciale reünie-site de oude mannen herken die eens mijn klasgenoten waren. Wat een confrontaties, wat een schokken, en alleen te begrijpen mét verklarende onderschriften! Die site is wel een héél andere spiegel dan waar ik elke morgen in kijk. Míjn spiegel verhult, houdt me voor de gek, is historisch gezien geen fluit waard, houdt het craquelé aan de achterkant en de knaap aan de voorkant…

Van ‘die andere oude mannen’ heb ik er inmiddels twee ‘in the flesh’ ontmoet, en gister dan De Grote Roerganger, de aanjager van de reünie, mijn inmiddels schrijversmaatje N. uit E. Als herkenningsteken en bewijsmateriaal had hij het gedicht ‘Om mijn oud woonhuis peppels staan’ uit de vorige balthasarsblog meegenomen, ik had het beloofde grijsgroene rugzakje omgebonden en het helgrijze mutsje (Proud to be a non-flying dutchman) opgezet (het was er gelukkig koud genoeg voor). Dat we elkaar herkenden mag een wonder heten, het waren wel dezelfde N. en B. maar dan heel anders. Ik zag mijn échte leeftijd in zijn gezicht, bepaald geen toverspiegel, onmiskenbaar achtenzestig, Verval 7, mijn vader in zijn nadagen. – Het weer was aangenaam, de kout was best, ‘ik voelde me bedroefd en goed’ om Vasalis nog maar eens te citeren.

Het gedicht ‘Stilleven’ van Gerrit Kouwenaar staat in Het bezit van een ruïne. Dit bundeltje van 10 gedichten werd op verzoek van Poetry International samengesteld ter gelegenheid van Gedichtendag 2005, en uitgegeven bij Querido, Amsterdam.

STILLEVEN

Een winter vroeg opgestaan, hemel, hoe eerlijk
meelevend en lelijk is deze geboorte, huid
tussen binnen en buiten, schuim tussen gister
en later, men scheert zich zijn vader

thee zettend ontvalt men het glas, drinkend
verbittert de suiker, men doucht zich, kookt ei
poseert voor het daglicht, stilleven met eter

nu, avond, heeft men de scherven verstoken, geluk
is niet te verduren, het potlood potdoof, zelfs
de inkt moet herschreven, traag mort de haast
van het maaksel toen men nog leefde -


naar boven

25 februari 2008
Groen vandalisme

Ruim zes jaar geleden kochten wij ons huidige huis met tuin toen het zomer was. Veel tuin, veel groen, veel leven. Toen we het huis in november betrokken was het volop herfst, en werden wij verrast door een Syntus-boemeltje dat een kijk ver naar achteren door onze tuin reed. Door alle begroeiing in augustus hadden wij in het geheel geen trein opgemerkt, ik betwijfel zelfs of ons dat gemeld was, maar natuurlijk hadden wij wel de kadastertekeningen gezien dus geheel en al verbaasd kan ik me nu niet voordoen. Verderop in de winter toen de bomen en struiken volledig verkaald waren, bleken er in de achtergrond van het treintje ook nog puntdaken boven het spoortalud uit te steken. De huizen van een straatje een heel eind verderop, aan de andere kant van het spoor dus. Wij hadden er niet alleen vrede mee, het bleek een interessante afwisseling van de seizoenen te markeren. Ik zie wel een treintje, ik zie geen treintje; ik zie wel puntdaken, ik zie geen puntdaken.

Afgelopen zaterdag was het voor de verandering eens aardig weer, nog niet eens eind februari, maar de lente hing al in de lucht (dat zegt men nou eenmaal zo, maar het is ook echt waar: ineens is de hele atmosfeer bezwangerd van lente). Ik zette mij aan het schonen van het balkon aan de tuinzijde. Vlonders poetsen, oud herfstblad verwijderen, goten woelrattenkeutelsvrij maken, blauweregentakken opbinden, en nog meer van die voorjaarswerkjes. De zon scheen op mijn stekeltjes, mevrouw B. nam de kruidentuin eens duchtig onderhanden, de eerste vogels floten hun vroege zang, kortom, zo’n beetje de redenen waarom wij naar E. verhuisd zijn. Moge het leven eeuwig duren. - Maar verdomd als het niet waar is, het leven duurt niet eeuwig, er schuift een wolk voor de zon, twee percelen verder giert ineens de bomenzaag.

Ik ben niet gewend om mensen aan de schandpaal te nagelen, je kunt immers nooit weten waarom iemand disproportioneel dik is, waarom ie niet kan fietsen of een gewone heggenschaar kan hanteren. Soms mopper ik wel in mezelf, wil ik geen begrip hebben, voel ik me gestoord – zoals iedereen dat wel eens heeft (maar dat kan ik dus niet weten!). Voor mevrouw B. geldt dat nog veel sterker, haar rechtvaardigingsgronden gaan vaak mijlen dieper dan bij mij. Dan buig ik het hoofd schuldbewust, en soms geef ik haar hardop gelijk. Maar dan afgelopen zaterdag! Twee percelen verderop dus, die bomenzaag, dat gieren. Zoveel hoge bomen hebben ze neergehaald dat wij nu open en bloot aan de drukke weg naar D. zitten, bij hun (twee percelen verder dus) naar binnen kijken en zij bij ons. De hele akoestiek in de wijde omtrek is gewijzigd, een half bos gezonde bomen dat niemand in de weg stond is weggevaagd, kan de was nog wel buiten hangen? Om over het onbezorgd en onverzorgd verkeren in de tuin maar te zwijgen. Mevrouw B. is een soort van razend, anders ik wel.

Kan dit allemaal maar zo? Ik snap inmiddels alweer een stuk beter waarom de rechtbank te Z. zoveel werk heeft, zelfs in E. wonen vandalen, en die doen hun naam eer aan. Niks geen begrip, wij hebben onverlaten als buren (twee percelen verderop). Na dit potje gezamenlijke jammeren, hebben wij meteen een virtueel nieuw half bos in stelling gebracht, aan de kleine kant vooralsnog, het moet nog groeien natuurlijk, maar onmiskenbaar en onweerstaanbaar nadert de dag dat de vogels in de bomen terug zijn, dat de verkeersweg versneld omgelegd zal blijken, dat wij alleen zelf hoeven te genieten van onze wapperende was. En als de vandalen van twee percelen verderop graag eens bij ons in de tuin willen picknicken, dat zijn ze van harte uitgenodigd. Met eigen ogen zien, dat wil nog wel eens helpen.

In deze zaak zal de rijdende rechter als vonnis aan de vandalen van twee percelen verderop de straf opleggen om het gedicht ‘Om mijn oud woonhuis peppels staan’ van de dichter J.H. Leopold honderd keer over te schrijven en in alle straten van E. luidkeels op alle zaterdagochtenden van het jaar 2008 ten gehore te brengen, uit het hoofd!

OM MIJN OUD WOONHUIS PEPPELS STAAN

Om mijn oud woonhuis peppels staan
‘mijn lief, mijn lief, o waar gebleven’
een smalle laan
van natte blaren, het vallen komt.

Het regent, regent eender te horen
‘mijn lief, mijn lief, o waar gebleven’
en altijd door en
den treuren uit, de wind verstomt.

Het huis is hol en vol duisternis
‘mijn lief, mijn lief, o waar gebleven’
gefluister is
boven op zolder, het dakgebint.

Er woont er een voorovergebogen
‘mijn lief, mijn lief, o waar gebleven’
met lege ogen
en die zijn vrede en rust niet vindt.


naar boven

18 februari 2008
Keutels

En daar waren ze weer: de mannen van de martercontrol-unit. Hun gezichten stonden nu op ernstig en scherp: tijd voor harde maatregelen. Want ze kwamen niet zomaar op controle, ze waren opnieuw opgetrommeld: de steenmarter is terug, sterker, hij dendert nu ook boven de badkamer van de buren rond. - ‘Hebt u een ladder voor ons?’ / ‘Die staat daar al klaar.’ / ‘En hebt u ook nog een trap? ‘ / ‘Deze goed?’ - En daar gingen de helden, naar de dakranden en de kilgoten, afdichtingsmateriaal en vervaarlijke ijzerscharen onder de arm. Mijn driedelige uitschuifladdertje boog door onder het zware gewicht.

‘Kunt u even naar boven komen, zou dat lukken?’ / ‘Ik ben er geen liefhebber van, maar wat moet dat moet.’ / ‘Kijk wat ik hier onder de nokvorst vandaan haal, daar ben ik niet blij mee: rattenkeutels!’ / Ik staar in een machtige hand vol uitwerpselen. ‘Ratten? Kunnen het geen woelratten zijn?’ / ‘Zeer zeker heer B., het zijn woelratten, ratten! Kijk, als ik deze keutel fijnwrijf ziet u dat er ook zand in zit, ziet u wel?’ / Natuurlijk heeft de man gelijk, ook al zie ik persoonlijk geen verschil tussen het ene en het andere rattenkeutelonderdeel. ‘Wat nu?’ / ‘Ik dacht al, dat getrippel dat uw buren waarnemen… een steenmarter is een groot dier hoor, die maakt een heleboel kabaal, dat weet u zelf nog wel. We gaan eens even op meer plaatsen controleren.’ / En ja hoor, nadere inspectie levert wel vijf keutelplaatsen extra op, ook onder langs de muren bij de ingangen naar de spouw. Eigenlijk barst het van de rattenkeutels - als je maar weet dat het rattenkeutels zijn.

‘Marters, heer B., eten muizen en ratten: een rat tegen vijf muizen. Dus als u een steenmarter heeft, dan vreet ie de muizen en ratten weg, als ie langskomt. Maar als we de steenmarter verjagen, komen de ratten en muizen meteen weer terug. Dus wat gaan we daaraan doen?! We hangen hier een marterkast op...‘ / ‘Gaat u de marter vangen?’ / ‘Nee, het gaat om een geluidskast, die zendt - mits goed op de marter afgesteld, ziet u wel hier, zó - dusdanig hoge tonen uit dat geen marter meer in de buurt komt.’ (Ja, het is een welbespraakte marterverjager hoor.) / ‘En de ratten?’ / ‘Tja, daar heeft het geluidskastje op uw zolder kennelijk onvoldoende tegen gewerkt. Hier zal rattengif aan te pas moeten komen.’ / ‘Daar helpt niks anders tegen?’ / ‘Daar helpt niks anders tegen. Hebt u een keukenschaar, dan knip ik even een paar mooie gaatjes in deze saladekuipjes, zo, nu het gif erin.’ / ‘De harde methode?!’ / ‘De harde methode. Of hebt u liever ratten, en jonkies, en stinkende nesten op uw zolder?’

Over drie maanden komen ze de hele zaak controleren, dat is bij de prijs inbegrepen. Bij de prijs voor de kast en de kuipjes (en de koffie) zijn ook de verhalen inbegrepen over onverlaten die op vleermuizen vissen (ja, echt, met hengel en haakjes en al, zomaar voor de lol, voor de kick van het vangen). En over de openbare bibliotheek te D., waar ze dachten zelf wel even wat afweermateriaal tegen de steenmarter in het plafond aan te kunnen brengen. De mensen bleven er weg door het lawaai boven hun hoofd! Maar nu komt de mannen van de martercontrol-unit in actie! - En wij hebben inmiddels een afspraak met deze boswachters voor een nachtelijke speurtocht naar jonge zwijnen, vossen en dassen in de Kroondomeinen rond Apeldoorn. Ook bij de prijs inbegrepen, want het zijn echte dierenliefhebbers hoor!

Om te ontspannen nu even het bekende nonsensgedicht over de Blauwbilgorgel, en tevens omdat het eindigt met de kreet: ‘Ga heen! Ga heen! Ga heen!’, wat mij uit het hart gegrepen is. - Het gedicht is van C. Buddingh’ en staat in de bundel ‘Het mes op de gorgel’ (Utrecht 1960).

DE BLAUWBILGORGEL

Ik ben de blauwbilgorgel,
Mijn vader was een porgel,
Mijn moeder was een porulan,
Daar komen vreemde kind’ren van.
Raban! Raban! Raban!

Ik ben de blauwbilgorgel,
Ik lust alleen maar korgel,
Behalve als de nachtuil krijst,
Dan eet ik riep en rimmelrijst.
Rabijst! Rabijst! Rabijst!

Ik ben de blauwbilgorgel,
Als ik niet wok of worgel,
Dan lig ik languit in de zon
En knoester met mijn knezidon.
Rabon! Rabon! Rabon!

Ik ben de blauwbilgorgel,
Eens sterf ik aan de schorgel,
En schrompel als een kriks ineen
En word een blauwe kiezelsteen.
Ga heen! Ga heen! Ga heen!


naar boven

9 februari 2008
Computer-kriem

Ik ben weer eens ‘achter’ met mijn blog, en deze keer komt het door die stomme rot computer. Althans, door mijn gestuntel erachter, zoals mij bij tijd en wijle overkomt, en dan gebeurt er altijd iets naars waar ik wel enkele dagen van moet recupereren. Zo had ik van de week, ruim op tijd en tot mijn tevredenheid, mijn ‘stukje’ af - de titel was ‘Deurbel’ en het ging over mijn eerste baan bij Uitgeverij M. te H., op de kop af 46 jaar geleden, en dat ik sindsdien mijn overbuurjongen/klasgenoot JdL niet meer gezien of gesproken heb, maar dat ik hem komende week ga ontmoeten en wat dat voor impact op deze mens heeft, daarover ging het dus allemaal - en ik was bezig om het slot-gedicht ‘De grijsaard en de jongeling’ van H. Marsman uit een boekbron over te typen.

Meestal blijft zo’n dichtbundel tijdens dat overtypen niet mooi open liggen, en dan ben ik genoodzaakt om een dik ander boekwerk midden op de bundel te leggen teneinde hem op de juiste pagina te houden zodat ik door kan typen. Kijk ik op van mijn getik, is m’n hele tekst (en alles wat er verder nog meer in dat bestand stond!) weg, foetsie, verdwenen. Op het scherm rest alleen nog de laatst getypte regel van het gedicht, in vette letter, dat dan weer wel. Al het overige is in de duisternis van het wereldwijde niets opgegaan. Hoe dat kan? O, vertel het mij! Zelf denk ik dat de dichtbundel inclusief dat zware andere boekwerk een autonome actie op de linkerhelft van het toetsenbord uitgevoerd heeft, maar welke? O! – herhaling - vertel het mij!

Meteen ’s avonds probeerde ik de hele tekst opnieuw vanuit mijn geheugen op het scherm te toveren. De eerste twee alinea’s gingen nog redelijk, dacht ik, maar ze hadden toch niet de sfeer van de oorspronkelijke tekst. Nog ’s opnieuw proberen dan maar, het hielp niets. De magie was verdwenen, ik was alleen maar bezig om me de tekst te herinneren, en niet om een nieuwe autonome gedachtegang op papier te krijgen. En dat is fout, het wordt niks en het werd niks. Kappen dus. Dat heb ik gedaan. Maar toen kon ik natuurlijk niet zomaar, out of the blue, aan een nieuwe blog beginnen. Zo werkt het bij Balthasar niet. Er is veeleer sprake van een korte blokkade, dat je even aan niks anders kunt denken dan aan wat mislukt is. Dat is niet professioneel, akkoord, en daarom heb ik natuurlijk ook geen dikbetalend contract bij De Zeepkist. Soit. Wat ik alleen maar bedoel te zeggen is dit: deze blog is anders en te laat, en wel hierom.

U krijgt in elk geval wel dat gedicht van Marsman van me, het is werkelijk te mooi om zomaar links te laten liggen (vooral het begin is frappant), en bovendien raakt het welzeker aan wat ik eigenlijk had willen schrijven in dat stukje onder de kop ‘Deurbel’. Nou is Marsman natuurlijk bekend om zijn sterke openingen (‘Denkend aan Holland / zie ik brede rivieren / traag door oneindig / laagland gaan…’ of: ‘Ik die bij sterren sliep en ’t haar der ruimten droeg / als zilveren gewei…’ of: ‘Wie schrijft, schrijv’ in den geest van deze zee / of schrijve niet…’), maar déze beginregel is een volkomen eigen leven gaan leiden in de Nederlandse taal. Altijd leuk om te weten waar dat vandaan komt, nietwaar? - En daar zult u het deze keer mee moeten doen, om ook de rijdende rechter maar eens te citeren als ie tot een finaal oordeel gekomen is, en waar geen beroep tegen ingesteld kan worden. (Ik hoor in de verte al het gemor van mijn vaste briefschrijfster, en een beetje gelijk heeft ze natuurlijk wel. Komende week zal ik dus reuze mijn best doen, maar liever is mij nog dat ik mijn computer-kriem achterhaal!)

Het gedicht ‘De grijsaard en de jongeling’ stamt uit de bundel Witte vrouwen (Amsterdam, 1930), en is dus zelf al een ouwetje – maar het slotwoord is net als de opening, en geheel conform de werkelijkheid, aan de jeugd! Oók een manier om naar je verleden om te zien…

DE GRIJSAARD EN DE JONGELING

Groots en meeslepend wil ik leven!
hoort ge dat, vader, moeder, wereld, knekelhuis!

‘ga dan niet ver van huis,
en weer vooral ook het gespuis van vrouwen
buiten uw hart, weer het al uit uw kamer;
laat alles wat tot u komt
onder grote en oorlogszuchtige namen
buiten uw raam in den regen staan:
het is slecht te vertrouwen en niets gedaan.

alleen het geruis
van uw bloed en van uw hart het gehamer
vervulle uw lichaam, verstaat ge, uw leven, uw kluis.
zwicht nooit voor lippen:
samenzijn is een leugen en alle kussen verraad;
alleen een hart dat tegen eigen ribben slaat
is een zuiver hart op een zuivere maat.

zie naar mijzelf.
ik heb in mijn jeugd
mijn leven verslingerd aan duizend dingen
van felle en vurige namen, oproeren, liefdes
en wat is het alles tezamen nu nog geweest?
over hoeveel zal ik mij niet blijven schamen
en hoeveel is er dat misschien nooit geneest?’

de jongen kijkt door de geopende ramen
waarlangs de wereld slaat; zonder zich te beraden
stapt hij de deur uit, helder en zonder vrees.


naar boven

29 januari 2008
New York Pizza

Iedereen die met het openbaar vervoer reist, en wel eens ergens anders komt dan op Amsterdam CS of Utrecht CS, weet dat ie niet in Arnhem moet zijn. Omdat dat hele station en wijde omgeving - voor nu al pakweg het tiende jaar - één razernij is van bouwputten, traversetrappen, no go areas, no find areas, no remain areas, woestijnvlaktes, maanlandschappen, walk-overs, spoorwijzigingen, geen loketten of misschien toch nog één, en minimaal twaalf minuten lopen om bij taxi of bus te komen – maar dan moet je natuurlijk geen last van je hart hebben, want dan zijn die monstertrappen duizelingwekkend onneembaar, en ben je aangewezen op dat enkele mini-éénpersonenliftje dat de snelheid heeft van een haas met afgeschoten poten. Een aansluitende trein halen in Arnhem is topsport. OV9292 gaat ervan uit dat je nog steeds in training bent voor de Olympische spelen. Via Arnhem naar het buitenland? Doe het niet, of ga minimaal een dag eerder van huis. - Arnhem CS, poging tot Armageddon, en kennelijk willen ze dat daar graag zo houden.

Het schijnt niet anders te kunnen. De laatste twintig jaar nog in Apeldoorn geweest? Leiden dan, Amersfoort, Groningen, Nijmegen, Boxtel, Sittard? Allemaal hebben ze de puinbakkerij afgekeken van Utrecht/Hoog Catharijne, dat zich inmiddels opnieuw opmaakt voor een totale en extreme makeover. En overal en telkens weer word je als reiziger verder naar de marge gedrukt. Verloren raak je tussen de megalomane kantorencomplexen, de ketenwinkelgalerijketens, de passerelles met duizend-en-een winkeltjes maar zonder een loket, de grootschalige aan- en afvoerwegen, de irritant verborgen vertrekstaten en perrons. En dan komt daar straks natuurlijk nog de OV-chipkaart bij met z’n tourniquets, z’n retouronmogelijkheden en prijsopschroevingen. – Alles uiteraard met de bedoeling om Onze Economie Bij De Tijd Te Brengen En Verder Op Te Stoten In De Vaart Der Volkeren. En daar doet de reiziger verder niet toe.

Maar gelukkig hebben we de kleine halteplaatsen nog: Rheden, Velp, Driebergen-Zeist, Den Bosch Oost, Loppersum. Standaard-abri’s, neerdalende spoorwegbomen als perrontoegangen, soms een Swizzle, nooit een loket, meestal alleen nog een alarmpaal met drukknop waar je in paniek kunt melden dat er onraad is. Treininformatie is er meestal dusdanig verstopt dat het geen kunst is om de trein die je had willen halen aan de overkant te zien wegrijden. Maar vaak is het er heerlijk rustig, behalve dan op al die momenten dat de intercity´s en sneltreinen met opwaaiend geweld langs je smalle perronnetje denderen. Meestal ben je de enige mens op het hele stationsgebied, alleen met de rookpaal en een afgeschreven wachtlokaal. O, en kijk, daar heb je die wandelaarster uit het Drentse Rhoden. Even een praatje maken.

De ideale stations vallen zo´n beetje tussen laken en servet: Zutphen, Valkenburg, Oss, Roosendaal, Zwolle, Deventer. Daar vind je nog relicten uit een aangenaam verleden: een stationsrestauratie, overzichtelijke perrons, wel twee spoorwegmensen, een functionerende fietsenstalling, een bloemenstal, alle kranten en een lekker broodje. En dat alles in menselijke maatvoering. Aansluitende bussen binnen handbereik, een werkende lichtkrant die het laatste onheil in heldere oranje letters bericht, kaartjesautomaten met leesbaar scherm (!), en ’s avonds om acht uur alles op stok. Net wat u zegt, de menselijke maat.

Dit alles overdacht ik gisteren, gezeten op een heerlijke nieuwe rode bank in het zojuist geopende filiaal van die vermaledijde keten New York Pizza, op een prominente plaats in de vernieuwde hal van het geheel en al met smaak opgeknapte stationskwartier van die oostelijke Hanzestad Zutphen, gaat dat zien, komt dat zien, het is er goed. De ‘Californian Veggie Slice’ had de smaak en aantrekkelijkheid van een Nieuwe Start. De koffie was gratis, want ter introductie. De geuren waren verantwoord lekker. - Nu nog een goeie boekenstal, en je hoort mij niet meer brommen, over Station Zutphen dan. Nu de rest van Nederland nog!

Er bestaat een heerlijk ‘reisboekje’ met ‘Gedichten, verhalen, columns vanaf 1829’, samengesteld en ingeleid door W. Hansen. De titel luidt: ‘Bestijg de trein nooit zonder uw valies met dromen.’ Het werd in 1989 uitgegeven door De Bezige Bij, Amsterdam. Op pagina 388/9 staat het gedicht De realist op het perron van Remco Campert, uit de bundel ‘Theater’ (1979). En dat gedicht vindt u nu ook hieronder.

DE REALIST OP HET PERRON

Zulke poëzie is bluf zei hij
terwijl hij met aangeboren souplesse
een doelpunt scoorde een handschoen uittrok
zijn kanon bestuurde zich afmaakte
van een lastige geliefde.

Kosmische grootspraak vervolgde hij
knipte de nagels van zijn tenen
verschoonde zijn oren stropte zijn das
telde tevreden de letters
van zijn dun en dik geschreven naam.

Wartaal besloot hij
kocht de krant in de stationskiosk
zag toen door een wachtkamerraam
de slapende dwaler aan de formicatafel
vol peuken en plastic bekers

een teken maar waarvan.


naar boven

23 januari 2008
Di misjpoche Masjber

Op pagina 596 (van de 760) ben ik nu, en het is dat mijn ogen nogal knipperig zijn na een lange wandeling in af en toe felle, laagstaande zon en windvlagen, anders had ik nu nog steeds verder kunnen lezen, zo’n boek is het wel. Toch is het geen pageturner in de klassieke zin van het woord, deze pil van Der Nister, De familie Masjber geheten - bijna had ik de titel per ongeluk uitgebreid tot De ondergang van de familie Masjber, want dat is het! Het is veeleer mijn nieuwsgierigheid naar een wereld waar ik bar weinig van af weet die me voortjaagt. De wereld van het Russisch-Joodse leven rond 1900. Het is Jiddisch geschreven literatuur, en werkelijk zo van binnenuit vertaald door Willy Bril dat het qua taal en stijl een oorspronkelijk Nederlands werk lijkt - meesterwerk durf ik gerust te beweren. En dat versnelt het lezen natuurlijk ook nog eens.

In het Rusland van vóór de revolutie raakt het leven van de drie broers Moisje, Loezi en Alter Mosjber in verval. De koopman wordt het slachtoffer van financieel wantrouwen en wanbeheer, de godvrezende raakt dodelijk verstrikt in sektarische kuiperijen, en Alter, ach Alter, die vecht van kleinsafaan al tegen demonen en psychoses. Driemaal ongelijke strijd, driemaal het onderspit, driemaal rechtvaardiging. En de directe familie lijdt niet alleen mee, die lijdt erger, afhankelijker, bruter.
Terwijl het geluk de familie Masjber groots en meeslepend in de steek laat, vertelt Der Nister parallel het verhaal van de stad Berditsjev. De standenmaatschappij, de Jiddische cultuur, de stadsinrichting, de handel, de keuken, het komt allemaal even quasi terloops maar uitputtend en integraal aan de orde. De beschrijving van de ‘Pretsjister jaarmarkt’ is een galerij van Brueghel-schilderijen, sommige romanfiguren (Kateroeche, Sjmoelikl, Joine) komen recht van het Narrenschip van Jeroen Bosch. En dan die Joodse godsdienstbeleving, die allesbepalende rituelen en gebruiken, verstikkend herkenbaar geschilderd.

Der Nister is het pseudoniem van Pinchas Kahanowitsj (1884-1950). Hij groeide op met de Joodse tradities in Berditsj, ‘de meest Joodse stad van het oude Rusland’. Na het uitbreken van de Russische Revolutie werden veel anti-Joodse wetten opgeheven, wat de Joodse literatuur hoopvol stemde en stimuleerde. Maar algauw volgde de stalinistische dwang tot het schrijven van socialistisch realisme.
Maar dat is niks is voor de a-politieke schrijver Der Nister. Toch probeert hij zich aan te passen aan de eisen van de stalinistische partijorganen, want ‘een schrijver die niet schrijft is alsof hij niet leeft, alsof hij niet bestaat in deze wereld’. Om die reden geeft hij zijn roman Di misjpoche Masjber, waarvan het eerste deel in 1939 in Moskou verschijnt, als ondertitel mee: ‘een kunstzinnig realistische familiekroniek’. Hij bedenkt allerlei trucs om te voldoen aan het gehalte van het verplichte socialistisch realisme (veel aandacht voor de ellende van de sociale onderklasse, hij laat vaak ‘buitenstaanders’ een situatie beoordelen, voor zijn wonderlijke fantasie maakt hij plaats in dromen en visioenen).
De tweede helft van de roman verschijnt in 1948 in Amerika en eindigt met de mededeling dat hij het derde deel zal schrijven 'met onze eigen middelen en in de stijl die de onze is’. Van een derde deel is het helaas niet meer gekomen. In 1948 wordt Der Nister gearresteerd, en in 1950 sterft hij als ’vijand van het volk’ in de Loebjanka-gevangenis.

Der Nister, De familie Masjber’. Deel I en II, met verklarende woordenlijst en stadsplattegrond. Een uitgave van L.J. Veen, Amsterdam/Antwerpen, 2007.
Als kleine hommage aan Der Nister en zijn roman hierna een gedicht van Horatius (65-8 v.Chr.). Het heet in het latijn Carpe diem, en in goed Nederlands Pluk de dag. De vertaling is van `Piet Schrijvers, en komt uit ‘Verzamelde gedichten’, Groningen, 2003.

PLUK DE DAG

Vraag niet (weten is slecht) naar de termijn goddelijk vastgesteld
voor mij én ook voor jou, Leuconoë, laat je niet in met al die
Babylonische wichelarij. Beter is toch wat er ook komt te dragen!
Hetzij Jupiter méér winters verleent of déze nu geeft als laatste,
die de Tuscische zee tegen een wal van puimstenen rotsen afzwakt,
wijs zou je zijn als je de wijn filtert en lange illusies
snoeit met kortheid van duur. Terwijl ik dit zeg, is de jaloerse tijd
weggevlucht: pluk de dag en vertrouw nimmer op die van morgen.


naar boven

18 januari 2008
Tijdmachine

Hoe belegen zou een Goudse Kaas van vijftig jaar zijn? Of een fles Graves Supérieur? Een truffel, een IKEA-meubel, kunst van Appel, bakeliet, een mens van achttien? / Is die mens van achttien van plastic, een gewilde Appel, een zwaar IKEA-geval, een smaakmakende truffel, een slonzige fles zoete Supérieur of een middle of the road-kaasje? / Eh… eh…? / Nou, je hebt zeven vragen gesteld die niks met elkaar te maken hebben. Of wou je graag zeven antwoorden? / Ik wil gewoon weten of ik naar die klassereünie moet gaan van mensen die ik in geen vijftig jaar gezien heb. / Hoe was je zelf, vijftig jaar terug? / Breekbaar bakeliet schat ik. / En nu? / Nog steeds bakeliet denk ik, ouderwets spul. / Gebroken? / Nee, met barstjes, veel barstjes. / Dan zou ik maar gauw gaan. / Voor het te laat is? / En om te zien hoe het met die Goudse Kaas van vijftig jaar is, die truffel, dat IKEA-meubel, die twijfelachtige wijn…

Het eerste mailtje was een absolute verrassing, een echo uit een diep verstoken verleden, het stomme-filmtijdperk gerestyled tot de full colour van het elektronisch heden. En met een verwijzing naar de klassefoto op Schoolbank.nl (‘Herinner je je deze klasgenoten nog?’). Negentienzevenenvijftig (1957 - per ongeluk typte ik 1857, alsof het wel 150 jaar geleden is, in het hiervoormaals!): 30 netjesgekamde heertjes van 17 in jasje en stropdas op de ‘cour’ van het Katholieke Lyceum te H., vooral de brillen ‘geen gezicht 1958’. Samen met leraar Grieks Ü. kijken we op z’n best ‘neutraal’ in de lens. Werkelijk een superstandaardschoolfoto, wat zou daar bijzonder aan kunnen zijn? Dat ik erop sta natuurlijk! Maar bij zeker vijf van de achtentwintig gezichten ben ik volkomen blanco, geen enkele herinnering! Maar ook: ontbreken er niet twee namen die mij meteen te binnen schieten? O, de geheimzinnige werking van het geheugen…

Na dat eerste mailtje gaat het hard: steeds meer mensen worden ‘gevonden’ (‘T. wil graag komen, maar hij reist veel, en vertrekt vanmiddag voor zeven weken naar Suid-Afrika’) , doen allerlei waanzinnige voorstellen (P.’ zoektocht naar ‘logies met aantrekkelijk AOW-arrangement’ of F.’s voorstel voor een web-album met recente foto’s ‘om de schok te verzachten’ of N.’s idee om samen met mij een lied uit Mistero Buffo ten gehore te brengen), zullen ‘er alles voor opzij zetten’ (elk datumvoorbehoud is ineens als een smeltende poolkap verdwenen), en over de invulling van de dag (‘Twee kopjes thee rond theetijd, met een koekje, en dan weer naar huis? Dat nooit!’). Het is een lawine heen-en-weerberichten van oude knarren (er schijnt ook iemand per rollator te komen!) die op elektronisch papier doen alsof ze nog achttien zijn en elkaar vrijwel wekelijks ontmoeten. En we hebben elkaar vijftig jaar niet gezien (VIJFTIG JAAR)! Waar komt die gretigheid toch vandaan? Dat lijkt me een mondelinge enquête waard.

En zo zit ik dus nu al tien dagen met een dikke map geprinte correspondentie te denken aan m’n middelbare-schooltijd (1952-1959, jaja, een klas gedubbeld), die eindeloos duurde, waarin school en huiswerk en klasgenoten alles ‘was wat er is, oehoehoehoe, ja dat is alles, alles wat er is’ - in de laatste twee jaar namelijk 17 uur Latijn en Grieks per week (‘is dat niet alles?’), waar mirabile dictu (nouja, wonderlijk om te zeggen...) de kiem gelegd is voor alles wat ik later gezien en geleerd heb, en die me pas het grootste geluksgevoel bezorgde toen het allemaal voorbij was. Daaraan, en aan waaratje nog veel meer, denk ik steeds. Terwijl me dat tientallen jaren niks gedaan heeft. Hoe moet ik dat weer ooit vergeten? Moet ik dat weer ooit vergeten? - Hoogste tijd om te rade te gaan bij Vasalis, en haar gedicht Tijd uit de bundel ‘Parken en woestijnen’, oorspronkelijk verschenen in 1940, en door mij gekocht en bestudeerd in 1961. Maar toen zat ik inmiddels op een andere school.

TIJD

Ik droomde dat ik langzaam leefde…
langzamer dan de oudste steen.
Het was verschriklijk: om mij heen
schoot alles op, schokte of beefde,
wat stil lijkt. ‘k Zag de drang waarmee
de bomen zich uit de aarde wrongen
terwijl ze hees en hortend zongen;
terwijl de jaargetijden vlogen
verkleurende als regenbogen…
Ik zag de tremor van de zee,
zijn zwellen en weer haastig slinken,
zoals een grote keel kan drinken.
En dag en nacht van korte duur
vlammen en doven: flakkrend vuur.
- De wanhoop en welsprekendheid
in de gebaren van de dingen,
die anders star zijn, en hun dringen,
hun ademloze, wrede strijd…
Hoe kón ik dat niet eerder weten,
niet beter zien in vroeger tijd?
Hoe moet ik het weer ooit vergeten?


naar boven

11 januari 2008
Elizabeth en Hanny

‘Dat zal ze leren, die vuige papen!’ sprak ik tot mijn vriend G. na afloop van de film Elizabeth: The Golden Age. Hij omhelsde mijn typering met grote gretigheid en voegde daar nog aan toe dat de brandende Spaanse Armada voor de Engelse kust ‘werkelijk zínderend prachtig’ in beeld gebracht was. ‘Een briljant zestiende-eeuws schilderij,’ meende mevrouw B., ‘een beetje pompeus misschien ook wel, de hele film, maar wat een muziek zeg!’ – Intussen rolde de aftiteling maar voort en maar voort tot aan de ‘Tweede kleedster voor de Stand in van Cate Blanchette op Locatie Y’ aan toe. En daar zaten wij dan, met z’n vieren, na te genieten in een leeggelopen zaal, en met een van genoegen korttijds sprakeloze mevrouw G. in ons midden. Langzaam ging het zaallicht op. - Of we de lege koffiekopjes toch vooral niet wilden vergeten!

De film speelt aan het eind van de zestiende eeuw, een kostuumdrama van eerste garnituur, en machtig mooi gedaan. Koningin Elizabeth I van Engeland ziet haar troon voortdurend bedreigd vanuit haar familie (Mary Stuart bij voorbeeld), maar vooral toch door het katholieke fundamentalisme aan de andere kant van Het Kanaal (Philips II, onze ‘Koning van Hispanjen’ die ‘ik altijd geëerd heb’, inderdaad diezelfde, uit Het Wilhelmus!). Godja, het is een historische film, dus dan is het handig als je de tijd een klein beetje kunt plaatsen. Gesteund door Rome en (dus!) gewapend met de Heilige Inquisitie, een Machtig Leger en de Onoverwinnelijke Armada vormt Philips Het Naderend Onheil voor Engelands Vorstin en Vaderland – dat kun je allemaal niet anders dan met hoofdletters schrijven, Grote Geschiedenis tenslotte, en zo wordt het ook in beeld gebracht. De protestantse ketter van Engeland zal en moet teruggevoerd worden naar de schoot van de katholieke moederkerk. - Enfin, en dat liep uiteindelijk dus uit op die Brandende Armada voor de Engelse kust. Spanje verslagen, Engeland en Elizabeth gered, thank heaven, einde van de film, en zij regeerde nog lang en gelukkig.

Tussendoor spelen er natuurlijk ook nog allerlei intimiderende liefdesaffaires en heftige politieke intriges waardoor Engeland vooral aan zijn eigen ondergang lijkt te werken. Ingewikkeld allemaal, maar toch vooral spannend, zodat je van begin tot eind geboeid je eigen voorgeschiedenis zit te beleven. Fundamentalisme blijkt van alle tijden en, net als veroveringsdrift, altijd even onverdraagzaam en altijd even gewelddadig. Hechten aan het pluche? Het was zoals het is. Onderlinge verhoudingen? Homo homini lupus est (de mens is de mens een wolf). Dus wie is hier de baas, pats!? Dat dacht ik ook, patspats! En wie blíjft hier de baas, patspatspats?! Tsak, daar zoeft de guillotine al. – Grote historie, het is een en al krachtpatserij, verovering, onderdrukking, geweld, het recht van de sterkste, mijn God is de beste God. Het is haast onbegrijpelijk dat er nog tijden van rust en ontwikkeling geweest zijn. Is het geen wonder dat de mensheid nog bestaat? En dat ook geluk bestaat, en verdraagzaamheid, en liefde voor een ander? En dat allemaal tegelijkertijd.

Als tegenwicht tegenover alle geweld is het misschien goed om een van de laatste gedichten van Hanny Michaelis te citeren, om daarmee terug te keren van de Grote Geschiedenis (Elizabeth) naar de menselijke maat (ook Elizabeth). Dat gedicht getuigt – in de woorden van criticus Arjan Peters in deVolkskrant van vandaag - van ‘een precair evenwicht tussen hardhandigheid en voorzichtig smeulende hoop. Al koesterde ze die tegen beter weten in.’ Hanny Michaelis schreef dit gedicht toen ze 76 was. Het staat in het postuum door Nop Maas uitgebrachte bundeltje Nagelaten gedichten (2008).

WAT MEN GEMAKSHALVE

Wat men gemakshalve
het leven noemt, is niet
al te vriendelijk met me omgesprongen.
Het maakte me tot wie ik werd,
iemand die wordt opgemerkt,
en daarna over het hoofd gezien,
omarmd en weer losgelaten.
Maar onvriendelijk was het ook niet.
Het liet me wolken zien en
sterrenhemels, bomen en water,
vlammende ramen in de avondzon,
de maan maagdelijk blozend
achter het traliewerk van een gashouder.
Het liet me treinen horen in de avond,
zingende merels en het drukke
tsjilpen van de kleine ontroerende
parmantige mussen.


naar boven

5 januari 2008
Driekoningenavond

Op de ochtend voor mijn achtenzestigste verjaardag - 1940, 6 januari, Driekoningen, Balthasar, iedereen was nog braaf katholiek -, een záterdagochtend nog wel, gaat om 11 uur de telefoon. Mevrouw Z. van ‘Begrafenisondernemingen Nederland Goedemorgen’. Of ze mij mocht vragen of ik ónder de negenenzestig was, wel goed verzekerd, en bij wie dan wel als het niet Yarden was? Vrágen mocht ze dat van mij, het ging tenslotte in één ademtocht met het goedemorgen van mevrouw Z. zelf, maar antwoorden meende ik haar niet te hoeven geven. ‘Dan wens ik u verder nog een goedenavond, meneer B,’ en dat al om 11 uur ’s morgens! Als dát geen goed voorteken voor het achtenzestigste levensjaar is, dan weet ik het niet meer.

Ondertussen waren mevrouw B. en ik bezig om de op zondag geplande verjaardag af te bestellen bij familie en vrienden: twee snothoofden met niesbuien en koortsige oogjes, dat leek ons geen soort van een ontvangstcomité. En nog besmettingsgevaarlijk ook. - ‘Volgend jaar dan maar beter, he B.’ / ‘Tja, dat zat er van de week al in he. Nou, dan moet het er maar uitkomen ook.’ / ‘Gelukkig kon ik toch al niet, dus dat komt goed uit.’ / ‘Jammer, ik had nét zo’n leuk cadeautje voor je willen kopen.’ / En meer van dit soort hartversterkertjes voor het geprangde gemoed. En hup, daar kon alweer een mandje vieze zakdoekjes de vuilnisemmer in. (Hygiëne is alles, vooral als het in reclamespotjes zo aanstellerig ‘hygiène’ genoemd wordt. Maar dit als gebruikelijk terzijde.)

Tijd genoeg dus om met de Tempo-tissues in de aanslag de ongelezen kranten van de afgelopen dagen even door te nemen. ‘Carel Beke overleden,’ meldde pagina 1 van de vrijdagse Volkskrant, ‘de schepper van Pim Pandoer, de Schrik van de Imbosch.’ De schepper was 94 jaar toen ie het welletjes vond. Maar gelukkig had ik de zakdoekjes dus nog steeds bij de hand. Carel Beke, ik heb hem nog gekend, in een grijs verleden als redacteur bij Uitgeverij M. Zijn manuscripten zaten altijd vol spijkers waarmee het verhaal in elkaar getimmerd was. Het was toentertijd mijn taak om die spijkers onzichtbaar te maken. Maar zónder dat de schepper er erg in had! Een bijzonder leerzame tijd, dat was het. - En ik weet nog dat ik in die jaren van mevrouw B. een zwarte piama kreeg, van tricot, van die prettig nauwsluitende stof weetuwel: voor de spiegel was je dan net de echte Pim Pandoer! Ja, we waren nog heel jong toen…

En zo lijkt een afgelaste uitgestelde achtenzestigste verjaardag dus toch nog gezellig te worden. En het is dat m’n stem momenteel nogal gebroken klinkt, met dat schuurpapier in de keel, anders hief ik nu zélf het beginlied aan uit ‘Mistero Buffo’, dat spektakelspel van de Italiaanse toneelschrijver Dario Fo (nobelprijswinnaar voor literatuur in 1997 - lees zijn interessante biografie op Wikipedia!). Zijn ‘Mistero Buffo’ werd in het Nederlands bewerkt door het ‘Kollektief Internationale Nieuwe Scene’ die er rond 1975 geweldig veel succes mee had. Veel liedjes waren van de hand van Wannes van de Velde, de gerenommeerde Vlaamse bard. O, ik wou dat u dit lied kon hóren. Op verzoek wil ik het wel een keer komen zingen, desnoods met het Vlaamse geluid van de cd van de ‘Nieuwe Scene’ op de achtergrond, roept u maar! Al na één couplet kunt u meezingen, echt, in het Vlaams.

DEN EERSTE OP DE WERELD

Den eerste op de wereld was onze lieven heer.
Twee - de zon en de maan.
Maar den eerste op de wereld was onze lieven heer.

Drie - drie koningen.
De zon en de maan.
Maar den eerste op de wereld was onze lieven heer.

Vier - vier evangelisten.
Drie koningen.
De zon en de maan.
Maar den eerste op de wereld was onze lieven heer.

Vijf - vijf wonden van den heer.
Vier evangelisten.
Drie koningen.
De zon en de maan.
Maar den eerste op de wereld was onze lieven heer.

Zes - zes hanen kraaien in Galilea.
Vijf wonden van den heer.
Vier evangelisten.
Drie koningen.
De zon en de maan…


naar boven

Bio Balthasar
Kenmerken:
Altijd ietwat gehaast, nogal opruimerig van aard, verbalistisch ingesteld, tamelijk eigenwijs, kan nochtans goed luisteren. Lekkerste verjaardagseten: 1952 (aardappelen, bruine bonen, sla, hard gebakken spek). En o nog zoveel meer.
Houdt van:
Literatuur, poëzie, geschiedenis, moderne beeldende kunst, woeste luchten en landschappen met lage horizon, wandelen, natscheren en klassieke muziek, thuiskomen en o nog zoveel meer.
Hekel aan:
Loslopende honden (maar vooral die baasjes!), elke vorm van extremisme, machismo, bladblazers en alle andere vormen van teringherrie, tempeh en o nog zoveel meer.

reageren?
balthasar at de-zeepkist.nl
webdesign: Mirjam Vaes